zondag 22 november 2009

Coachen

Voor het eerst sinds mijn jongen op voetbal zit, sta ik zonder paraplu langs de lijn. Kou, regen, kraag omhoog, de essentie van het voetbalvaderschap bij de F-jes. Langs de lijn regent het veel harder dan in het veld, dat is bekend, langs de lijn is men doorgaans ook stukken fanatieker dan daarbinnen. Ik moet daar overigens niets van hebben.

Deze zaterdag sta ik er voor de vijfde keer, naast de andere vaders van F10, en we staan in de zon. Het is nog warm ook. Dat kan niet goed gaan. Geen regen te bekennen en na een kwartier kijken we tegen een 4-0 achterstand aan. Mijn jongen moet de eerste helft keepen. Hij dreigt als het Lek van Leiden de geschiedenis in te gaan. Een ander joch rent huilend naar zijn vader die hem na wat troostende woorden het veld weer in jaagt. Aan de overkant staan de vaders van de tegenstander, en je hoeft niet eens naar ze te kijken om te weten dat zij oorlogszuchtiger zijn dan een bende Comanches... 5-0! Rechterbovenhoek. Ik ben blij dat het projectiel het hoofd van mijn jongen niet geraakt heeft. Hij kijkt naar een vogel of zo, hij weet niet eens dat de bal achter hem ligt. De woestelingen langs de lijn juichen als holbewoners die na een maand jagen een mammoet omgelegd hebben. Ze blaffen hun nakomelingen nog harder af: “Den, voor jou!”, “Kef, naar vooooren!”. Het zijn net dieren, hun bloeddorst kent geen grenzen.

Wij, vaders van de F10, kijken elkaar aan.

“Wat een zielige vertoning”, zegt de vader links van mij. Doordeweeks is hij medewerker bij de griffie.

“Ze hebben waarschijnlijk een rotleven”, zeg ik, “ze zijn bang dat hun zonen dat ook krijgen.”

Er wordt instemmend gemompeld. Ze weten niet dat ik leraar ben. Ik ben nieuw. Van dat schrijven weten ze al helemaal niets. Het is rust. Ik kijk omhoog. Geen regenwolk te bekennen.

In de kleedkamer troosten wij onze zonen. Ze zitten stuk voor stuk bij hun vader op schoot. Sommige snikken. Mijn jongen is de enige zonder pruillip, want hij hoeft na rust niet meer te keepen. We zeggen dat het niet erg is, en we menen het ook wel, maar toch knaagt er iets. We jagen de ventjes de mat weer op, wij nemen onze posities langs de lijn weer in. Voordat we weer een beetje aan de zon op onze koppen gewend zijn staat het 6-0. Het geschreeuw aan de overkant begint ook van voor af aan. Wij kijken elkaar niet aan, maar wij verstaan elkaar heel goed.

“Naar vooooren Leiden!” roept de papa naast mij, in het dagelijks leven ICT medewerker. “Blijven beweeeegen!”. Dat is de kale belastingambtenaar die er altijd doodmoe uit ziet door die grijze zakken onder zijn ogen. “Méélopen” roep ik naar mijn jongen “meelopeeeeen!”. Het is geen roepen, het is schreeuwen.

Vanaf dat moment komt er niets dan vormloos gebrul uit onze kelen. Merkwaardig genoeg lijkt het effect te hebben. De F10 begint te draaien, het is krankzinnig, die jochies doen nog wat wij schreeuwen ook. Zo fanatiek heb ik ze niet eerder gezien, die keren dat ik als een natte hond stond te druipen langs het veld. Goed, het wordt weliswaar 7-0, maar wij, vaders, weten dat we zeker tien minuten een veldoverwicht hebben gehad. Bijna juichend rennen we de wei in na het fluitsignaal. We zijn zo trots dat we onze zonen optillen als waren het winnaars. In de kleedkamer wordt gelachen en met handdoeken gemept.

“Ze pikken het wel op” zeg ik, “dat, eh... coachen”

“Volgende week moeten we het weer doen” zegt de belastingman.

“Ja” zegt de ICT’er, “ook als het regent”

maandag 16 november 2009

Omslag

De post brengt drie stukken. De Autokampioen, een envelop van Dela verzekeringen en een dikke envelop van uitgeverij Contact.

De inhoud van die eerste twee mag er wezen: de Kampioen bevat een bijzonder leerzame test van wel honderd parkeergarages, de envelop van Dela onze nieuwe uitvaartpolis. Mijn aandacht gaat echter uit naar die andere envelop: de voorjaarsbrochure 2010.

Ik probeer niet te wild, te ongeduldig te scheuren.

Ha, het is een aardig boekje geworden, mooi stevig kringlooppapier. Kijk nu toch eens. Pagina vijf. Gewapende man, trefzeker debuut bladiebla. De omslag! Ik vind ‘m meteen prachtig. Net een reparatiehandleiding voor een Zündapp, en inderdaad juist daarom zo goed. Dat valt tenminste op tussen al die landschapjes en zeegezichten.

Ik voel mij fier, heel even, dan dient het getob zich weer aan: verdomme nu kan ik niet meer terug, ze hebben al aardig wat centen aan mij uitgegeven, maar hoe zit het met mijn prestaties? Lopen die een beetje in de pas met deze promotieblabla? Kannutnietisnikswordtnooitwat. Gadverdamme. Ik kan zo doodmoe worden van mijzelf. “Say it loud: I’m black and I’m proud!” In The Commitments moet een zootje werkloze wannabe-muzikanten die woorden van James Brown hardop zeggen van hun ‘manager’, zelf ook zo’n doodsbleke slungel. “Amblackanamprow”, je hoort hun gemompel niet, je ziet dat ze de woorden in Dublins accent op de tong proeven.

Ik oefen het ‘doe-maar-gewoon-repertoire’ dat mij van pas zal komen als familie en vrienden dit zien. Of ik ‘s net zo indringend wil kijken als op de auteursfoto? Moet je me eerst een slok petroleum geven. Duur? Tja, negentienvijfennegentig, kost wat maar dan heb je ook niks. Dik? De slechte seksscenes worden er nog uit geredigeerd dus dat kon nog wel eens meevallen. Brommer? Die staat erop omdat de titel anders zo gay lijkt. Boekenbal? welnee, daar hebben ze ook een deurbeleid.

Laat mij voor een keer trots zijn, ik ben het bagatelliseren zo beu.

Ik lees de andere post door.

Mijn uitvaartpolis leert mij: het leven is kort, de dood kost niet meer dan een habbekrats.

De ANWB Autokampioen leert ons dat men in de binnenstad van Leiden werkelijk nergens fatsoenlijk kan parkeren. Gelukkig hoef ik in de Leidse binnenstad niet te parkeren. Ik woon er. Ik grijp weer naar de folder, pagina vijf. Ik leg mijn hand op de foto (Tommy Wieringa met haar, whoehaha), ik kijk weer naar die cover.

Ik heb genoeg geleerd vandaag, genoeg om een omslag te maken. Ik ga anders denken, bedoel ik. Cynisme is uit! Ik roep het de nacht in, ik schreeuw het van de daken: “Alle mensen die iets getimmerd, iets bedacht, geschreven, geknutseld of gekleid hebben! Iedereen die iets voor elkaar krijgt, zoals een gedicht maken, een toilet plaatsen of een cadeau door een schoorsteenkanaal proppen! Roep het hard: ik ben trots en ik ben zwart!”

maandag 9 november 2009

Boekenbal (2, slot)

De man met de tas liep altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen.

Het was een dienstknecht, of een dienstmaagd, dat boek, zo één waar ze nooit meer dan drie exemplaren van op voorraad hielden. De omslag was het jonge meisje wel opgevallen, door die oranje brommer, maar ze had er nog niet één van verkocht. Als er andere klanten waren stond de man daar heel nadrukkelijk te lezen, het jonge meisje wist niet dat je zo opzichtig kon lezen. Het was alsof hij voorlas maar de woorden achter zijn tong bleven plakken. Na een poosje legde hij het weer terug, dan deed hij alsof hij andere boeken uitzocht. Maar die las hij nooit, hij keek alleen bedachtzaam naar de achterflappen en legde ze hoofdschuddend terug. Daarna pakte hij nog één keer het boek met de brommer, las nog wat, hield het omhoog en legde het weer terug.

Als hij de winkel uit was liep het jonge meisje wel eens naar de plek waar hij had gestaan, en dan zag ze iets raars. Van een dozijn didi’s die in de buurt van het boek met de brommer lagen, was de achterzijde naar boven gekeerd in plaats van de omslag, het was net alsof de brommer de andere boeken had onderworpen, zijn eigen dienstknechten en dienstmaagden. Het jonge meisje legde ze dan gauw weer goed, zonder de geitenbreier er bij te halen.

Vandaag was anders.

In de eerste plaats stond zijn kraag niet overeind, en de muts was ook niet op. Hij groette haar! Vervolgens liep hij naar de grote tafel. Hij bleef staan en zag wat het jonge meisje al wist: de boeken met de brommer lagen niet meer op de tafel. De grijze geitenbreier had ze verplaatst naar de grote kast met fictie. De grote kast was de voorhof van de vergetelheid, ze mochten daar nog een maand, hooguit twee antichambreren, die boeken, wennen aan het idee dat het gedaan was, dat het slachthuis wachtte, en dat dat goed zou zijn.

Het jonge meisje keek wat de man zou gaan doen. Ze zag zijn blik van links naar rechts over de grote tafel gaan, zoals je in het rond kijkt als je fiets is gestolen. Hij liep om de tafel heen, twee, drie keer. Hij nam de tas op de andere schouder. Nu hingen beide schouders zwaar en moe, hij boog voorover en bleef zo een tijdje staan, als een verzakte wilg. Hij richtte zich op en liep naar de kast, het jonge meisje kon duidelijk zien dat er weer een doel achter zijn passen zat. Hij wist kennelijk waar hij moest zijn, want hij pakte een boek uit de grote kast en liep direct terug naar de kassa, naar haar! Hij legde het boek op de toonbank met de omslag boven. Het was het boek met de brommer.

“Deze wordt het?” zei het jonge meisje.

“Ja, deze graag” zei de man.

Ze draaide het boek om, om de barcode te scannen. Voor het eerst zag ze de foto. Ze schrok, keek hem aan. Hij zette juist zijn kraag omhoog. Ze keek nog eens naar de foto, daarna weer naar hem. Hij tuurde op zijn bankpasje.

“Eh, pinnen meneer?”

“Ja graag”

“Is het een cadeautje?”

“Nee, eh ja, doe maar gewoon in een zakje”

“Veel leesplezier en tot ziens!”

Hij griste de papieren zak van de toonbank, propte het in zijn schoudertas en haastte zich de winkel uit zonder nog om te kijken. Bijna rennen was het.

maandag 2 november 2009

Boekenbal (1)

Het was maandag, en hij was er weer, de man van het boek.

Het jonge meisje werkte sinds vijf weken bij de boekwinkel, en de eerste klant die ze begon te herkennen was de man van het boek.

Het was goed beschouwd niet eens een klant, want hij kocht nooit iets. De eerste keer had hij vriendelijk gegroet, haar iets te lang aangekeken. Gewoon, net wat te lang, alsof hij iets zag wat vroeger van hem was. Niets geks, dat deden er wel meer. Ze had zich het groeten herinnerd door wat daarop volgde. Hij liep door naar de tafel met nieuwe uitgaven. Ze schonk verder geen aandacht aan de man, was bezig een kinderboek in te pakken voor een oude dame toen plotseling het flitslicht van een fotocamera de zaak vulde. Ze keek op, zag nog net dat de man een digitaal cameraatje in zijn jaszak stopte. Hij bleef daar nog wat dralen, en liep toen snel naar buiten zonder te groeten of te kijken, zelfs niet kort.

Sindsdien kwam hij iedere maandag, woensdag en vrijdag rond een uur of vier met een schoudertas om waar hij scheef van liep. Vanaf de derde of de vierde keer groette hij niet meer, soms rommelde hij wat in die zware tas precies op het moment dat hij de kassa passeerde. Na een week of twee had hij de kraag van zijn jas hoog opgezet, en zag het jonge meisje alleen twee zware wenkbrauwen, in week drie had hij ineens een muts over zijn oren, en herkende ze hem enkel aan de schoudertas. Voor het overige volgde ieder bezoek hetzelfde patroon: hij liep naar de tafel met nieuwe boeken. In het midden van die tafel hadden zij twee torens gebouwd van goed verkopende romans, als bakstenen gestapeld. Dat waren de boeken waar het om ging. Op een zaterdag verkocht je er soms wel twintig van. Om de torens lagen de romans die niet zo liepen, de “dienstknechten en diensmaagden” kortweg “didi’s”, zo noemde de grijze geitenbreier ze, “want zij zorgen ervoor dat hun heren gunstiger afsteken, dat is hun taak, zonder die heren zouden zij immers niet eens bestaan. De armen leven dankzij de rijken!”. Alsof hij hoerageroep verwachtte, zo zei hij die dingen. De grijze geitenbreier ging over de Nederlandse en vertaalde fictie, hij regeerde met ijzeren hand over het boekenbal op de grote tafel.

De man met de tas liep dus altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen...

(wordt vervolgd)

zondag 25 oktober 2009

Twee Kanaries en een Vlieger

Arne loopt met de vlieger de school uit. Dat bevalt mij al niet, ik weet dat ik moet zeggen dat hij ook van mij is, de vlieger. Anders neemt hij hem gewoon mee naar huis, zonder iets te zeggen. We hebben de vlieger samen gemaakt, Arne en ik, met stokjes die goed konden buigen en knalgeel en groen vliegerpapier. De meester had laten zien hoe het moest, en wij deden het na.

Dat is al een week geleden. Vandaag hebben wij hem uitgeprobeerd. Hij deed het niet. Er is niet genoeg wind, zei Arne, en de meester zei het toen ook maar, want er was niet één vlieger die de lucht in wilde. Nu mogen ze mee naar huis.

Dat is het probleem.

“We kunnen er om loten” zeg ik, “wie ‘m mag hebben”.

“Hè nee” zegt Arne, “als ik dan win vind ik het zielig voor jou.”

Hij loopt gewoon door, met de vlieger tegen zijn borst. Hij is net een kanarie met dat groen en geel. Ik loop met hem mee, maar ik moet eigenlijk de andere kant uit. Ik denk dat hij het wel merkt, want hij begint er uit zichzelf weer over.

“Ik neem ‘m eerst een week, en dan jij, en dan ik weer, en zo steeds door”

Ik moet er over nadenken, dat mag ik niet te lang doen, want dan gebeurt het zo, eerst hij, dan ik. En ik geloof niet dat ik dat wil. Ik probeer mij voor te stellen hoe de vlieger eruit ziet nadat Arne hem een week gehad heeft. Zijn broer heeft er mee gespeeld, hij heeft tien keer in een boom gehangen, de vlieger, en de broer daarna ook, ze hebben het papier beklad, met van die vechttekens en “AF1”, Arne Fighter één, heel lelijk geschreven. Gescheurd, het gaat natuurlijk scheuren, het papier, oh nee!

“Nee, ik weet wat, jij laat hem thuis zien en daarna mag ik hem een week en daarna jij en...”

Arne blijft staan. Hij kijkt alsof hij hard naar huis wil lopen, de staart van de vlieger tussen zijn benen. Als hij dat doet grijp ik de staart natuurlijk mooi beet.

“Ik vandaag” zegt hij, “jij morgen”

“Ik vandaag” zeg ik, “jij morgen”

Arne zucht.

Hij geeft de vlieger aan mij. Nu heb ik een kanarieborst.

“Jemig” zegt hij, “okee dan, maakt mij het uit!”

Hij draait zich om, maar hij loopt niet weg.

Er is iets raars. Ik wil de vlieger niet meer.

“Weet je wat het beste is?” zeg ik.

Arne draait terug, kijkt mij aan alsof hij denkt dat ik de vlieger toch aan hem ga geven. Ik pieker er niet over.

“Gewoon geen van beiden” zeg ik.

“Geen van beiden” zegt Arne, ik weet niet of hij het als vraag bedoelt, of dat hij instemt.

Met mijn voortanden bijt ik het touwtje door.

“Hop” zeg ik. Ik gooi de vlieger in de lucht

Nu doet hij het wel. Hij tolt rond, echt hoog komt hij niet. Hij boort zich in de meidoorn langs de vijver. Te hoog om er bij te kunnen

“Zo”, zeg ik

“Ja” zegt Arne.

Het lijkt of er een dikke reuzenkanarie in de struiken hangt, met zijn kop naar beneden.

vrijdag 9 oktober 2009

Auteursfoto

De fotograaf kwam helemaal uit Amsterdam. Het was een geschikte kerel, echt waar. Hij vroeg of de motor op de stoep van mij was, en wat mijn favoriete Beatles-nummer was. Terwijl ik antwoordde (de eerste vraag was gemakkelijk) stond ik een dikke lap klapstuk aan te braden. Wij eten in Leiden namelijk hutspot op 2 oktober, en ook op 3 oktober, als we tenminste nog iets lusten na het nachtelijk drinkgelag en het poffertjesbacchanaal op de kermis.

De fotograaf was ruim tien jaar ouder dan ik, ook dat maakte hem heel geschikt. Moet ik dat uitleggen? Wie schept er genoegen in op de plaat gezet te worden door een jonge god die geen andere gedachte kan hebben bij de klus dan: “gadver, ouwe harses, zelfs bij het warmste strijklicht een kop van papier-maché, geen porem, gauw schieten en moven”?

Hij vroeg of ik zelf een gedachte had over de locatie. Ik monsterde de puinhoop in de kamer. Speelgoed, half afgemaakte puzzel op tafel, rommelige boekenkast, stapels post op de piano. “Buiten”, zei ik.

Het regende.

“Klaart zo wel op” zei ik.

Ik bluste het klapstuk af. Hij vroeg naar de ins en outs van het gerecht. Een geschikte kerel, dat zei ik. Ik vroeg ook dingen, want ik wilde in geschiktheid niet voor hem onder doen. Hij had Maarten ’t Hart nog geschoten, met zijn camera bedoel ik, een hele rare man, zei hij.

“De polder hierachter” zei ik, “een beetje landelijk past goed bij het boek”

Ik bedacht dat dit een zin was die mij in de meeste omstandigheden aan het lachen zou maken, maar op dat moment niet. Toen het klapstuk braaf sudderde ging de regen over in mot. Het leek erop dat wij zo’n gluiperig buitje wel zouden kunnen negeren.

Ineens was ik blij met dat snertweer. Ik had er niet aan moeten denken om bekenden tegen te komen in parkpolder Cronensteyn tijdens de fotoshoot. Bruidegom die zijn bruid kwijt is. “Nu even over je schouder kijken!”. Naar wie? Niets te zien daar. Een boom. Ik probeerde te kijken alsof ik een heel interessante vorm van bladschurft zag. Maarten ’t Hart schoot in mijn gedachten en bleef er nogal dwangmatig hangen. “Kijk maar even over je andere schouder”. Over die schouder kon ik kijken tot de einder, maar er was evengoed niets te zien. Hallo heeft u misschien een dame in een witte jurk gezien? En zo stond ik daar te sudderen, het duurde en duurde, mijn hemel, zeker vijf minuten. Het regende niet meer. Nu moet ik eigenlijk mijn kinderen halen, zei ik. “Klaar” zei hij, “prima”. Ik weet niet waar dat ‘prima’ op doelde, maar het klonk heel geschikt.

Thuis rook het naar vet draadjesvlees. Hij zei hartelijk gedag. Ik dacht: tot het volgende boek dan maar - ik kijk er nu al naar uit, want dat is mijn favoriete boek.

Nu de foto’s binnen zijn begin ik toch te twijfelen. Zal ik vragen of er een foto van mijn motor op de achterflap mag?

maandag 5 oktober 2009

Tell a reader, lose a dream

Dromen: een nachtmerrie voor lezers. Tell a dream, lose a reader. Als enkel je dromen nog het vertellen waard zijn, moet je wel een armzalige verbeeldingskracht hebben, is de achterliggende gedachte van dit schrijversgebod. Om alle schijn te vermijden kan je daarom maar beter het zwijgen doen over je nachtleven. Alsof het niet bestaat, alsof het je op geen enkele manier kan bedrukken.

En dat is niet waar. Helemaal niet waar.

Zo nu en dan heb je een nachtelijk avontuur dat je de hele dag in een stalen greep houdt, zo’n droom die je niet van je afgeschud krijgt, onder de koude douche sta je je nieuwe problemen nog te herkauwen, ze lijken niet minder urgent dan toen je nog sliep. Machteloos giet je jezelf vol koffie. Meestal sta ik in die dromen voor de klas en heb ik de les niet voorbereid, en net als iedereen doe ik herexamen, minimaal een nacht per kwartaal. En ja, ook ik lever na afloop een nagenoeg leeg antwoordenvel in. Ik heb nu eenmaal meer vragen dan antwoorden – een excuus dat in het echte leven ook al nooit werkte. Heel zelden, echt bijna nooit, herinner ik mij de volgende ochtend de vragen nog van dat examen. Gisteren wel. Het betrof een algemene intelligentietest. Dat is een recept voor rampen. Om mij heen louter opgewekt geschrijf, ik hoor de potloden nog over het papier krassen. En dit waren de opgaven.

  1. maak de volgende reeks af: 3 4 4 5 4 5a 5b 6 ...
  2. wat is het koppelwoord: speel ..... fabriek
  3. maak de volgende reeks af: 3 5 8 12 17 ...
  4. bal verhoudt zich tot strijkijzer als zandbak tot ......
  5. maak de volgende reeks af: A B D C F B C ...

Dat ik vraag 3 na enig gepieker kon oplossen maakte mijn paniek alleen maar groter.

Ik wil er vanaf!

Wie helpt mij aan de juiste antwoorden?

woensdag 30 september 2009

Oemoemenoe

Het onderstaande las ik op een website die zich tot doel gesteld heeft de Zeeuwse taal (waag het niet in het bijzijn van ’n echte Zeeuw een dialect te noemen) te promoten.

Het is een snipper uit een heel verhaal, van een appelboer die zonder snedig, scherp, ironisch of zelfs maar mopperig te doen, vertelt wat hij het liefst had gedaan met zijn leven. Grieks leren, dat was zijn grote droom. Maar ja, de harde strijd om het bestaan noopte hem zich bezig te houden met die appels, dag in dag uit.

“En as m'n tied dan gekommen is, en ze vraege me wat ik mee m'n leven gedaen 'ebbe, dan is t'r eigenlijk mae eên antwoord: 'Ik ao vrêselijk graog de Griekse klassiekers wille leze, mae d'r kwam nie van, wan ik was bezig mee appels.”

Wat moet ik hier over zeggen? Dat het tintelt van de ingehouden dramatiek? Dat het Zeeuwse taaltje de tragiek een soort lichtheid geeft, waardoor het om te lachen is? Dat het in gewoon Nederlands zelfs niet om te huilen zou zijn? Ik hoor het mijzelf zeggen, mijn stem klinkt hol, als schallend koper.

Wij hebben ‘m allemaal, die onpraktische kant, die ons ertoe aanzet offers te brengen omwille van het bereiken van schijnbaar onzinnige doelen, omwille van het scheppen van dingen die groter en eleganter zijn dan wijzelf.

Oemoemenoe?*

Tja, die verdomde appels...


(* wat moeten we nu?)

dinsdag 22 september 2009

Heleen is Cult

La Royen heeft een nieuw boek.

Ik vind dat geen probleem, zolang niemand mij dwingt het te lezen.

Maar er is iets dat ik niet goed begrijp.

Er zijn honderddertigduizend exemplaren gedrukt. Dat vind ik heel erg veel, maar ook dat begrijp ik best. Een kennis van mij kocht laatst een zeecontainer leesbrillen in, made in China. Hij verklaarde zich nader: “ik verkoop ze toch wel”. Aan de lezers van Heleen van Royen, dacht ik, en alles viel op zijn plek.

Wat ik niet goed begrijp is dit: waarom krijgt de koningin van de glibberige softporno een cultstatus aangemeten door de recensenten? Ik krijg de indruk dat men naar de juiste toon zoekt om Heleen onschadelijk te maken, of zoals mijn eikeltjeskoffie drinkende overbuurvrouw zou zeggen "een plekje te geven”. Het lijkt op wat met André Hazes gebeurde in de jaren negentig, toen hij plots bon ton werd in studentenkringen. Ik kan het weten. Wij schreeuwden mee met “De vlieger”, we deden alsof we het prachtig vonden en gooiden met bier, want we wilden beslist niet vervreemden van het volk. Thuis dreven wij de spot met zijn malle rijmelarijen. Wij vonden cult en camp uit, iedere dag opnieuw. Wij hingen blote barbiepoppen in de kerstboom, zwommen in fonteinen, spaarden plastic smurfen en citeerden Jiskefet. Wij waren de hoeders van de slechte smaak.

De boekbesprekers doen iets vergelijkbaars. Ze zouden beter moeten weten.

“Uiterst vermakelijke aanwinst van de Nederlandse literatuur” schrijft Stine Jensen in het NRC. In diezelfde krant een recensie van Arjen Fortuin. Ook hij noemt mannentester Victoria een “fascinerend personage". Bas Belleman spreekt in Trouw van een “amusante plotgedreven roman”. Natuurlijk is er ook kritiek. Stiekem weten de genoemde schrijvers best dat het allemaal niet zo best is, ze zeggen het ook. Maar ze voelen zich niet te goed voor een roman die honderddertigduizend maal over de toonbank zal gaan, dat laten ze ons graag weten, en ze lusten ook best een frikadelletje op zijn tijd. Ik gun hen die pose, maar veel meer gun ik andere boeken de aandacht die Van Royen toch wel krijgt. De afgelopen weken kwamen uit: “Dit is jouw huis” van Maartje Wortel, “De tram van half zeven” van Michiel Klein Nulent en “Deze eenzame wereld” van Jan Wijnen. Mooie boeken. Niets over gehoord.

Jullie begrijpen dat ik de bui zie hangen.

Ik ben mij aan het oriënteren op Chinese brommerhelmen, waarvan ik een zeecontainer vol laat komen om in combinatie met mijn boek (Zündapp op de cover) aan de man te brengen. Opdat de mensen, en wie weet ook de recensenten, zullen zeggen: “een roman waar je niet ongeschonden uitkomt.”


zaterdag 12 september 2009

Ossenworst

Bij de slager staat een eeuwenoud mannetje. Hij heeft een pluizige witte krans rond zijn oren, verder is hij kaal. En klein. Ik kan de levervlekken boven op zijn hoofd tellen. Hij is voor mij aan de beurt. Achter mij staat een kerel met een lange neus, zo’n neus als een potscherf die rechtop in het gezicht geplant is.

Het stokoude heertje bestelt een onsje Serranoham. Hij spreekt het op drie verschillende manieren uit, zodat er geen misverstand over kan bestaan, en hij ook Serranoham krijgt. Het “anders nog iets” overvalt hem, dat kan ik zien, het komt hem te snel. Zijn handen beven. Maar dat doen ze misschien altijd wel. Hij heeft een briefje tussen duim en wijsvinger.

“Tartaartjes” zegt hij.

“Twee?” vraagt de juffrouw.

Het mannetje knikt. Achter mij haalt de kerel zijn lange, agressieve neus op. Ik kijk naar het briefje. Ik kan zien dat de boodschappen opgeschreven zijn door degene die vanavond dat tweede tartaartje gaat opeten. Het zijn geen herenletters. “Anders nog iets?” Het heertje raakt nu een beetje van slag, zie ik. Het is maar net hoe je het zegt: anders nog iets. Ik heb ook wel eens het gevoel dat zo’n juffrouw mij met dat ‘anders-nog-iets’ wil straffen voor mijn getalm. “Het is allemaal lekker” zou je willen zeggen om er vanaf te zijn.

Het heertje heeft het briefje zowat tegen zijn wenkbrauwen aangedrukt, hij beweegt het langzaam en beverig naar achteren, en weer naar voren. Hij kan de juiste focus niet vinden. De agressieve neus prikt gaten in alle richtingen, grote schoenen heeft die kerel ook, en ik denk dat hij de grijsaard er vol op de wreef zou willen nemen. Hij stinkt, de neus, een zware aftershave of zo. Niets is smeriger dan parfum in een slagerij, dan liever pislucht of rotte tanden. Bij vlees hoort verrotting. Het duurt lang, ik sta op het punt het heertje te hulp te schieten, probeer op het briefje te ontcijferen wat zijn vrouw “anders nog” had gewild.

Ik meen “varkensfricandeau” te lezen, maar ik ben er niet helemaal zeker van. Moet ik dit het heertje suggereren, varkensfricandeau? Ik ben te laat, hij is nu echt in paniek, hij stamelt wat en zegt dan heel beslist: “een stuk ossenworst alstublieft! En anders niks!” Hij is opgelucht, propt het briefje terug in zijn broekzak. Het is een koddig gezicht. Maar ik vraag me af of die opluchting zal beklijven. Wat zal zijn vrouw zeggen als ze een stuk ossenworst aantreft, in plaats van de gewenste fricandeau? Of zal hij die worst ergens op een bankje langs de Vliet stiekem soldaat maken? Het heertje rekent af. Hij heeft overigens twaalf levervlekken van verschillende grootte op zijn kruin. “Wie was er dan?” vraagt de juffrouw. Ik ben even kwijt wat ik zelf ook weer moest kopen. De man met de neus stapt naar voren. Dat zal hem niet glad zitten!

“Een stuk ossenworst!” roep ik. Als ze niet te snel met dat verdomde anders nog iets komt, dan weet ik misschien weer waar ik daadwerkelijk voor kwam.

Wat ik ga doen is dit. Ik ga de eerste vijfentwintig pagina’s van mijn boek herzien. Herherzien. Dat doe ik zo even tussen twee biertjes door. Misschien met iets hartigs erbij. Voor het eerst in mijn leven eet ik ossenworst.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"