donderdag 3 maart 2011

Ze gaan eraan

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was ik drugsdealer geworden” beweert Abdelkader Benali vandaag in mijn krant. Ik weet niet zeker of hij daarmee pleit voor het behoud van de bibliotheken. Ik sluit niet uit dat Abdelkader een uitstekende drugsdealer zou kunnen zijn. Misschien wel een betere drugsdealer dan schrijver. Nu hij het niet is geworden, dealer, is een ander het immers. Een of andere schietgrage amateur op een Vespa. Dat had beter gekund. Het is goed mogelijk dat de misdaadsyndicaten zich de haren uit het hoofd trekken na het lezen van de krant. Ik zie de scène zo voor me: de bibliotheek van Rotterdam Crooswijk is ons weer te slim af geweest! Benali! Dat is nu al de vijfde keer dat er een supertalent voor ons neus is weggekaapt door die m*therf8ckers van de bieb! We leggen dat wijf met die knot om, de eerstvolgende keer dat ze weer een toekomstige die-hard drugskoning verleidt met die bloedlinke boeken!

Ik ga het ook eens proberen.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was...” eh, “dan was er in ons dorp helemaal geen ruk te doen geweest.” Dit zal wel niet zo krachtig overkomen als het statement van Abelkader, maar het is tenminste wel waar. Man, wat heb ik daar veel tijd doorgebracht. Lezen deden we trouwens niet, behalve strips en boeken over seksuele voorlichting, maar in ons dorp golden beide niet als lezen. Wat deden we er dan in godsnaam de hele middag? Tja, eruit gestuurd worden, dat ten eerste. Dat was zo’n beetje het hoogste doel. Ik was zo braaf, ik durfde alleen in de bieb een beetje stout te zijn (dit is: spionnetje spelen, hardloopwedstrijd met hindernissen, elkaar meppen met oude Tina’s, van die dingen). Het is goed voor mijn zelfvertrouwen geweest, geloof me, ik voelde mij beter als ik weer eens de bieb was uitgestuurd. Ik was elf en ik werd eindelijk mezelf. Een drugsdealer worden, dat was nog een brug te ver, maar je moest ergens beginnen en ik sloot niets uit. Dus.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan had ik nimmer drugsdealer kunnen worden (mits ik dat had gewild).” Nou Abdelkader, eat your heart out.

Het is natuurlijk erg slecht nieuws, over de bibliotheken. Ze gaan eraan. Misschien is het wel het slechtste nieuws sinds het aantreden van dit kabinet. 'Mijn' oude bieb in Elburg zal er wel sneven. Die heeft dan 35 jaar bestaan in het 800-jaar oude stadje. Een mooie, maar erg korte tijd, als je het zo bekijkt, zeker als er nog 800 biebloze jaren achteraan komen. Een snippertje beschaving in een barbaarse eeuwigheid.

Er zal een landelijk online-bibliotheek over blijven. Ze beginnen er al mee in Vlissingen. Gatverdamme. Zit je dus weer thuis op je reet naar dat scherm te loeren, wachten tot je moeder je eruit stuurt. Als ze dat hier in Leiden ook gaan doen, ben ik er goed gereed mee. Effe checke bij de homeys van het Drugskartel Professorenwijk. Die zijn altijd op zoek naar talent.

vrijdag 25 februari 2011

Tuigdorp Telegraaf

Vanochtend nam ik een kijkje in de Grote Boze Binnenwereld van de Telegraaf. Zomaar, om even te kijken of-ie er nog was, zoals je soms, heel soms, kijkt of die moedervlek op je rug er nog zit en niet ineens groter is geworden. Dom, dom, dom.

De site van de Telegraaf kopte groot met Pauw & Witteman, die zich vergaloppeerd zouden hebben met een item over een ex-gedetineerde die een boek had geschreven over zijn misdaad: de mislukte ontvoering van een vrouw. De familie was “geschokt en verbijsterd” omdat er in het programma lacherig werd gedaan over de klungelige aanpak van de boef.

Het artikeltje had in een paar uur meer dan zeshonderd reacties opgeleverd. De reacties die ik las – en niet had moeten lezen - hadden als strekking: schande, van onze belastingcenten, typisch links, Pauw en Witteman zijn linkse rakkers die heulen met criminelen, de Vara is een linkse propagandamachine. Ik geef één quote:

“Dit afschuwelijke linkse propaganda gedoe van deze P en W ,moet aangepakt worden, als de mensen maar een kleurtje hebben,en het maakt niet uit hoe crimineel ze zijn,zijn ze van harte welkom,en dan samen tegen Wilders”

Om het gehuil van tegenwicht te voorzien stuurde ik een reactie in. Zinloos, weet ik best. Soms als mijn verstandskies opspeelt, doe ik domme dingen. Maar het gaf niet, want mijn reactie werd niet geplaatst. Zij voldeed niet aan de huisregels van de Telegraaf. Dit is wat ik schreef:

“Wat een onzin om dit ‘heulen met criminelen’ als ‘links’ te bestempelen. Wist u overigens dat een bekende Telegraaf-verslaggever een toespraak hield op de begrafenis van topcrimineel John Mieremet?”

Ik begrijp best dat de Telegraaf daar geen zin in had, hoewel er geen enkele huisregel door mij werd overtreden. Ze mogen van mij best een beetje streng zijn bij de Telegraaf. Dat de volgende reactie wel te lezen was verbaasde mij dan ook:

“P&W zijn echt een stelletje smerige hufters! ik vergelijk ze altijd een beetje met extreme Imams, die proberen ook iedereen te hersenspoelen! Optiefen met die lui”

Maar ja, er kan wel eens iets door de mazen van het net glippen. Allemaal liefdewerk, moet je maar denken. De krant van Wakker Nederland had ook een nieuwtje over een burgemeester in het Russische Tsjita. Die had zich laten ontvallen dat de daklozen in zijn stad eigenlijk vermoord zouden moeten worden. Het had er de schijn van dat de Telegraaf dat een bizarre uitspraak vond. De reaguurders dachten daar anders over:

“Hij heeft wel een punt. Zouden ze hier ook moeten doen met overbodig buitenlands tuig”

Deze reactie bleef kennelijk binnen de fatsoensregels van de Telegraaf. De krant had ten slotte nog het gebruikelijke gezemel over het weer. Er komt weer kou aan! De 120 reacties die het bericht van diepgang en betekenis voorzagen waren verrassend veelzijdig (“oprotten met die kutkou, ik ben het spuugzat” tot “Het wil dus maar niet echt vlotten met de opwarming van de aarde, wat door vele linkse bobo's wordt aangepraat.”)

Ook een blunder van een AT5-verslaggever – de man had een Turkse vrouw die voor een winkel stond te wachten verteld dat ze beter Nederlands moest leren - had een berg reacties opgeleverd. Al de reaguurders, allemaal – ik herhaal ALLEMAAL – kozen ze de kant van de verslaggever. Als je van een ‘kant’ mag spreken.

“Sorry kan [sic] deze vrouw nog steeds geen nederlands naar [sic] al die jaren dat ze hier woond [sic]..... komt door haar man waarschijnlijk bang dat ze zich ontwikkeld [sic] en daarom mag zij dom in de rij van hem staan

De Telegraaf hanteert huisregels noch spellingsregels. De Telegraaf is een virtueel Tuigdorp. We hebben het hier over een krant ja, niet over GeenStijl, maar over de grootste krant van Nederland, die al meer dan 100 jaar bestaat! Jong en laagopgeleid Nederland wordt gemobiliseerd, tegen ‘links’, tegen kunst en cultuur, tegen islam, tegen milieumaatregelen. Het is veel erger dan iedereen denkt. Nederland is doormidden gekliefd. Wij staan op het kleinste stukje.

vrijdag 18 februari 2011

Elektra

Ik heb een probleem, en ik wil er over praten. Het begint er al mee dat ik moeilijke liefhebberijen heb. De meeste daarvan houd ik geheim. Andere niet. Dat is het probleem niet. Het probleem: ik houd van de opera’s van Richard Strauss. Ik weet niet zeker of ‘houden van’ het goede woord is. Ik vind ze mysterieus, een beetje eng, larmoyant en ik moet vaak aan ze denken. Ja, ‘houden van’ is eigenlijk precies het goede woord. Toen ik Richard Wagner een beetje zat begon te worden ben ik Strauss (“nicht Johann, dann aber auch nicht Wagner”) gaan luisteren. Nu zit ik er mooi mee. Zijn muziek is ‘ontoegankelijk’ voor ‘leken’. Dit maakt hem ‘kwetsbaar’ tot ‘ernstig bedreigd’ in termen van Natuurbehoud. Mooie termen, je kan er op het gebied van Cultuurbehoud ook wel een tijdje mee vooruit.

Dit jaar is er gelukkig weer een opera van R. Strauss in Amsterdam te zien: de bittere “tragödie in einem Aufzuge” Elektra. Niemand houdt van Elektra (met die zin moeten ze bij de Nuon eens iets doen!). Maar ik wel. Alleen, een derderangkaartje kost €110. Dat is vijfentwintig euro meer dan het bedrag dat ik afgelopen seizoen neertelde voor een avondje opera. Het kabinetsbeleid wordt voelbaar, inderdaad, maar dit is slechts het begin. De Nederlandse Opera krijgt 25 miljoen euro subsidie, dat is 175 euro per bezoeker. Veel meer dan het duurste kaartje kost. Dat kon natuurlijk niet langer. Over een slordige tien jaar, als de subsidies geschrapt zijn, zal mijn kaartje denk ik €350 euro kosten, mits de inflatie niet te hoog uitvalt. De kans is klein dat De Nederlandse Opera dan nog bestaat, althans in deze vorm, want Nederland kent niet genoeg muziekliefhebbers die zulke astronomische bedragen overhebben voor Richard Strauss.

Je kan van Halve Halbe zeggen wat je wilt, maar de Staatssecretaris van Cultuurvernietiging is lekker bezig, en hij spreekt duidelijke taal: een kwaliteitsoordeel heeft de regering niet, wat mensen mooi vinden is kunst, dus de staat geeft alleen nog geld aan dingen die de mensen mooi vinden. Laten we het niet meer hebben over de barbaarse leegte die gaapt achter deze redenering. Steeds als ik dat doe heb ik het gevoel dat ik met mijn boze kop de hakbijl in mijn eigen voet zwaai in plaats van in het brandhout.

Terug naar mijn probleem. Over een jaar of tien moet ik waarschijnlijk naar Berlijn of Wenen reizen als ik een opera van Richard Strauss wil zien, voor pakweg €600 heb ik dan een toegangsbewijs, een vliegreis en een hotelovernachting. Van heinde en verre komen moeilijke mensen met dezelfde moeilijke liefhebberij. Duur kan je het niet noemen. Echte Trekkies betalen het driedubbele om de Star Trek convention in Las Vegas bij te wonen, en voor een Elvis-meeting van een beetje niveau moet je tegenwoordig ook al naar Birmingham. Het ene is niet waardevoller dan het andere, en wie dat toch durft te beweren heeft de tijdgeest goed tegen. Wie moeilijke hobby’s heeft moet er maar krom voor willen liggen. Bovendien, wat is er mis met een leuke musical? Het zijn anders echt heel mooie decors hoor, bij Zorro, en die jongen kan ook vet goed zingen en zwaardvechten tegelijk. Voor €90 heb je al een kaartje! Binnenkort krijgen ze subsidie, omdat de mensen het mooi vinden. Nou dan!

Of ik mij daar soms te goed voor voel.

Nee zeg ik, ik voel niks, ik vind er gewoon geen reet aan.

Jouw probleem.

Ja dat zeg ik toch, mijn probleem. Voortaan houd ik mijn kop er over.

maandag 14 februari 2011

My f*cking Valentine

Het is vandaag weer Rozendag op school. Ik haat Rozendag. Dat komt, denk ik, omdat ik altijd overdreven sympathiseer met de losers, met hen die geen roos krijgen. Het oorspronkelijke idee is best charmant: de stille jongen stuurt anoniem een roos naar het mooiste meisje van de klas. De stille jongen heeft de dag van zijn leven, met bonzend hart kijkt hij toe hoe het meisje de roos ontvangt uit handen van de rozencommissie. Ze zal rondkijken door de klas, ze zal hem zien, ze zal het zien! Dit is een droom die beslist de 2 euro voor die roos waard is.

Echter, de eerste moeilijkheid dient zich al aan: het mooiste meisje krijgt méér rozen. Er is immers maar één mooiste meisje en er zijn meerdere stille jongens. Wat heet, de schoonheid verzamelt een hele bos rozen en dito aandacht. Dit bovenop de aandacht die zij altijd al krijgt van de stoere jongens omdat zij het mooiste meisje is. Anderen krijgen Niets. Dit Niets is gelijkelijk verdeeld over de bijna-mooie meisjes en de lelijke meisjes. De bijna-mooie meisjes zijn ontevreden. Zij smeden een verbond. Er bestaat weinig dat hermetischer is dan bijnamooiemeisjesverbonden. Zij spreken af dat zij elkaar ieder één roos sturen. Een jaar later op rozendag is het aantal rozen vervijfvoudigd. Het is zeg maar, handel geworden. Lelijke meisjes hebben nog steeds niets.

Op een roos meer of minder wordt niet meer gekeken, je kan je er geen buil aan vallen, dus de meisjes gaan ook rozen sturen aan de stoere jongens. De rozenhandel is exponentieel gegroeid en een economische factor van betekenis op school. Alleen heeft niemand hier aan gedacht: het ontvangen van een roos heeft nauwelijks nog betekenis. Het zegt alleen: je bent niet heel stil of heel lelijk. Want de stille jongens en lelijke meisjes hebben nog steeds niets. De markt is geperverteerd, en daarom haat ik rozendag.

De eerste gevallen van lelijke meisjes die zichzelf een roos stuurden zijn al bekend. Nu dreigt een reëel gevaar! Dit bevalt mij! De markt zal instorten als het product niet meer onderscheidend zal zijn. Als deze trend zich niet doorzet zal ik hem een handje helpen. Ik zal iedere stille jongen en ieder lelijk meisje twee rozen sturen. Door een keer diep in de buidel te tasten zal ik de hele Valentijns-liefdesmarkt in één klap wegvagen.

Men zal weer iets nieuws verzinnen.

vrijdag 11 februari 2011

Naar voren denken

Mijn zoon speelt voetbal bij de E-pupillen. Hij is verdediger. “Een typische back” zegt de trainer, “hij denkt niet naar voren”. In dat zinnetje ligt een zekere tragiek opgesloten. Wie goed luistert naar zo’n zinnetje hoort er van alles in doorklinken: opoffering, discipline, een stil en niet geheel vastomlijnd verlangen naar de andere zijde, naar de helft van de tegenstander, waar het gras groener is, waar overwinningen gevierd worden, waar de back nooit komt. Wie niet “naar voren denkt” moet ballen tegenhouden, tegenslagen vermijden. Terwijl het ginds altijd feest is (feest waar hij niet voor is uitgenodigd) is het aan zijn kant één en al incasseren en uitdelen. Er vallen harde woorden – u kent ze wel, die woorden. De gewetensvolle verdediger is zich altijd bewust van zijn schuld en zijn onvolmaaktheid als voetballer, als mens – hetgeen in die situatie één en hetzelfde is. Tegendoelpunten zijn de enige doelpunten waar hij aan meedoet. Rampen vallen onder zijn verantwoordelijkheid, bij euforie ziet hij eruit als een toerist op een folkloristische dansavond.

Zelfs als toeschouwer trekt hij aan het kortste eind. Hij kan de doelpunten van zijn teamgenoten niet eens goed zien, het is vanuit zijn gezichtspunt volstrekt onduidelijk wat er gebeurt, iedereen staat ervoor, ineens wordt er gejuicht. Een herhaling is er niet bij, de precieze toedracht blijft een mysterie. Hij juicht mee, maar zijn juichen is verstoken van de blijdschap die in de ontlading van het moment zit. Het is net als op een verjaardag, wanneer de hele groep ‘lang zal-die leven’ zingt, dat je later binnenkomt en na de derde, sterk in enthousiasme afgenomen ‘hieperdepiep’ in je eentje ‘hoera’ brult.

Mijn zoon is ook altijd te laat om de doelpuntmaker om de nek te vliegen, het is domweg te ver lopen. De laatste tijd doet hij ook geen moeite meer in de buurt van de feestvierende kluwen te komen. Hij wisselt een blik van verstandhouding met de andere back, draait zich om naar de keeper, die staat te apenkooien in het doel – maar ja, keepers zijn altijd een beetje getikt. Zelf een doelpunt maken, het idee komt niet eens bij hem op. Dat komt omdat hij niet “naar voren denkt.” Er wordt soms voor hem geklapt, dat wel, als hij een bal voor de voeten van een gevaarlijke aanvaller wegmaait, over de zijlijn, de sloot in.

Afgelopen zaterdag scoorde hij toch – dwars door alle linies stoomde hij op, door niets of niemand gehinderd, zelfs niet door medespelers. Het was alsof hij op vakantie ging, zomaar onder werktijd en zonder het te vragen. Bam, raak, het was 5-0 geloof ik (bij 1-0 zou hij zich zoiets nimmer permitteren). Hij juichte niet, niemand juichte echt, iedereen stond er vol verbijstering naar te kijken. Hij rende snel terug naar zijn plek, met een schuldbewust gebogen hoofd.

De rest van de wedstrijd zag ik hem loeren, aanstalten maken de middellijn over te steken. Zijn onverzettelijkheid was hij kwijt. Ik zag hem “naar voren denken”, wat heet, hij stond daar alle kanten op te denken die jongen. Hij droomde van warme landen vreemde strafschopgebieden, heldendaden. Zijn ietwat slepende tred verried een sluimerende onvrede met zijn lot. Pas bij 5-1 vatte hij zijn taak weer op. De plicht roept jongen, dat was wat ik dacht. Wat ik heel hard riep was: “dekken, dekken!”

vrijdag 4 februari 2011

Blue Stilton met Port

Eigenaren van kaaswinkels zijn geen vrolijke mensen. De eigenaren van kaaswinkels die ik ken tenminste niet. Ze zien er onverzorgd uit, op het onfrisse af, je zou bijna zeggen schimmelig. Ze ogen doodbedroefd. Misschien doen ze soms vrolijk, maar dat opgeruimde gedrag benadrukt hun natuurlijke staat alleen maar. Ik noem ze kaasboeren, zoals iedereen volgens mij, ook al boeren ze helemaal niet. Ze zoeken ook nooit een vrouw heb ik de indruk. Ze leven in hun eigen stinkende hel, daar willen ze verder niemand bij hebben. Dat is ook beter zo.

Kaasboeren lijken ook altijd op hun kazen. Zo heb ik een kaasboer gehad met een gezicht van zachte geitenkaas, en één die deed denken aan een overjarige Friese nagelkaas. Die zijn allang dood, of nog erger, bankroet. Mijn kaasboer uit de Herenstraat is jaren geleden in zijn winkel overleden aan een hartverlamming, omdat hij niet terug had van honderd gulden. Het laatste wat hij rook moet een halve gorgonzola zijn geweest die hij in zijn val had meegesleurd.

Mijn huidige kaasboer lijkt op de grote Blue Stilton kaas die bovenop zijn koelvitrine staat. In de Blue Stilton staat een omgekeerde fles port, die er tergend langzaam in leegloopt. Ik vermoed dat de kaasboer ook wel eens een fles van het een of ander in die stand aan zijn mond heeft gehad, maar dat is niet de reden dat ik hem op die kaas vind lijken. Hij oogt vermoeid, bleek, zijn gelaat is bezweet en bedekt met blauwe adertjes. Het is iemand waar je iets te drinken bij moet hebben zeg maar. “Kan ik u anders nog ergens mee helpen” zegt mijn kaasboer altijd als hij mijn pondje laf belegen heeft afgewogen. Ik zou niet weten waarmee de goede man mij verder zou kunnen helpen. Zouden er klanten zijn die hij achter in het kaasmagazijn heimelijk ergens mee helpt? In de buurt beweren boze tongen dat de man helemaal geen kaas lust.

Voordat u denkt: dit is wel weer een erg futloos stukje Van der Werf, het prikkertje met Hollands vlaggetje ontbreekt er nog aan, voordat u dat denkt dus, weet dan dat ik iets heel anders wilde schrijven. Ik wilde eigenlijk zeggen, denk ik, dat er veel beroepen zijn die ik niet zou willen uitoefenen. Verreweg de meeste, om eerlijk te zijn. Ik zou het al geen dag uithouden in zo’n naar bederf geurende kaaskeet. Nog afgezien van de administratieve rompslomp die het geeft, zo’n winkel, en al dat gesjouw! Kapper, conducteur, lokettist (bestaan die nog, of heten die online resale managers?) financieel analist, head logistics, en al die vage beroepen die men nooit precies uitgelegd krijgt, ik ga nog liever dood. Tegelijk weet ik dat die hele parade absoluut geen trek zouden hebben in mijn betrekking als leraar. De kaasboer zou het niet overleven. U ook niet. Na het pretpark van de duivel is het eerstvolgende begrip waar het woord ‘Hel’ geschikt voor werd bevonden, inderdaad, een schoolklas.

Zo leven de kaasboer en ik beide in onze hoogstpersoonlijke, zorgvuldig naar eigen beeld en gelijkenis opgetrokken Hel. Daar verrichten wij een overzichtelijke hoeveelheid taken die wij nuttig en relevant noemen, omdat wij anders niet kunnen overleven. Werk leent zich er domweg niet voor aserieus genomen te worden. Kaas al helemaal niet, net als kinderen moet je schimmels goed in de gaten houden.

Soms, na een lange vakantie bijvoorbeeld, kan ik mijn hel echt missen. Mijn kaasboer gaat nooit met vakantie, zoals het een echte boer betaamt. Want hij houdt misschien niet van kaas, de Blue Stilton met port staat hem gewoon erg goed.

vrijdag 28 januari 2011

Leuk is anders, maar Gedichtendag moet blijven

In de NRC van woensdag staat een opiniestuk van Chrétien Breukers dat zo goed geschreven is dat ik eigenlijk niets liever wilde dan het roerend met hem eens zijn. Hij wil Gedichtendag afschaffen. “Een uitzichtloze paradox” noemt hij het. Een soort Groundhog Day, zo zou je het ook kunnen noemen, waarbij wij bij wijze van symbooldaad de Poëzie voor het oog van het volk tevoorschijn halen - zoals de dikke bosmarmot in Punxatawny - en er een feestje omheen bouwen, terwijl we de hoop dat daardoor de lente zal aanbreken al lang hebben laten varen. Ik durf niet meer te gaan slapen. Straks is het morgenochtend weer Gedichtendag.

Centraal in Breukers’ betoog staat de vaststelling dat iedereen maar denkt dat-ie kan dichten en – erger nog – dat iedereen dat ook doet. Dichten, schrijft hij, dat kan bijna niemand. Het moet dus afgelopen zijn met het “aanzetten tot het schrijven van gedichten”, wat zo’n beetje het mission statement van Gedichtendag en, niet te vergeten, de Turingprijs is. Het leidt enkel tot een modderstroom aan flutversjes van zondagdichters met totaal onrealistische ambities.

Het stuk leest als een hartenkreet van iemand die al jaren met wisselend succes knokt goede dichters voor het voetlicht te brengen, die tegelijk verzuipt in de ongevraagde manuscripten, en die het gefröbel meer dan zat is. Het is een invoelbaar probleem, en juist daarom is het zo buitengewoon jammer dat het betoog volstrekt buitenissig is: amateurs moeten ophouden met dichten, en daartoe moet Gedichtendag sneuvelen. Lezen van gedichten, dat mag wel, dat spreekt.

Het zou best kunnen zijn dat nogal wat amateur-dichters zijn die hun kwaliteiten te hoog inschatten, en het leidt zonder twijfel tot treurige taferelen (‘Hannie de Hoogh uit Usquert is al tientallen jaren niet weg te denken uit het Noordgroningse haikoe-leven’ en dan zie ik voor mij hoe honderden Groningse boeren met verweerde koppen proberen Hannie weg te denken, heel ver weg). Maar het is bijzaak. Wat telt is dat het dichten, of het musiceren, schilderen, punniken of weet ik wat, hen genoegen verschaft. Ik zou mijn zoon van gitaarles moeten halen, als ik naar Breukers zou luisteren, want waarom zou die exclusiviteit alleen voor de poëzie gelden? Heel goed gitaar spelen, dat kan immers ook bijna niemand. Daar kan dat kind van mij dan mooi naar luisteren, naar die goede gitaristen. Mijn dochtertje leert schrijven. Vorige week schreef ze ineens een zelfverzonnen verhaaltje. Slecht dat het was! Dat kan natuurlijk niet. Nou vooruit, laat die kinderen hun gang gaan. Maar al die dichtende oudjes (waar zou Breukers de grens willen trekken?) kunnen zich in hun schaarse vrije tijd beter toeleggen op de vervolmaking van hun huishoudelijke taken en andere onbegrijpelijk tragische plichten. Laatbloeien is voor losers.

In werkelijkheid is het natuurlijk glashelder dat er zonder bloeiende amateurkunst geen beroepsleven op hoog niveau mogelijk is, in de dichtkunst noch in de muziek. Er moet een rivier zijn, wil men de kans krijgen boven te komen drijven. Je zou hen die dat achteloos terzijde schuiven, de Halbe Zijlstra’s van dit land, de kost moeten geven! Ik geloof nooit dat Chrétien dat zo bedoelt. Hij is begaan met de poëzie, maar hij klinkt vermoeid. Ondertussen, onder het maaiveld, krioelt het van het leven, onder het kronendak vecht van alles zich een weg naar boven, naar het licht. Het geeft een hoop rommel, maar het is nu eenmaal wat wij doen. Van dit verschijnsel is de Turingprijs een van de aardigste manifestaties die ik ken. Gedichtendag moet natuurlijk blijven, betrek er zoveel mogelijk scholen bij, beschouw al de opgepoetste onzin als folklore ("wake up, it's Groundhog Day!") en laat ondanks alle vermoeide bezwaren iedereen gewoon doorploeteren op al dan niet acceptabele dichtwerkjes. Godfried Bomans schreef “Mondharmonica spelen is nog altijd een hogere bezigheid dan luisteren naar Bach.” En al klinkt er ironie door in zijn woorden, zo is het maar net.

vrijdag 21 januari 2011

Nog één keer: De Turingprijs

“U heeft toch die prijs gewonnen bij De Wereld Draait Door?” vroeg een schooljongen - ik denk een tweedeklasser - onlangs aan mij. “Ja, inderdaad” loog ik gemakzuchtig, omdat de waarheid vaak net iets teveel woorden nodig heeft, en waar veel woorden zijn ligt verveling op de loer. Zeker bij snotapen van dertien. Bij “inderdaad” zag ik hem al afhaken. En dan, wat zou ik zo’n jongen beleren? Alsof ik er zelf in het geheel niet door overrompeld was geweest, alsof al die heisa rond de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd zelf bedacht had. Alsof al het niet een jaar geleden was.

Ik zie mij nog staan, in het licht van mijn eigen witte kabeltrui, ik schudde de hand van de grote Komrij, en had hem wel willen zeggen dat ik het rijm en het ritme van mijn gedicht had ontleend aan een vers van hem - maar ik wist niet meer hoe het vers heette, en ik zei niets. “Eer zal men kakken in zijn hoed - dan dat ik hier mijn ziel blootleg - en zeg wat ik thans lijden moet.” Zwijgzaamheid. Ja nu weet ik het wel weer, want ik heb het opgezocht. Ik wist weinig van poëzie, en nog minder van ‘het wereldje’. Ik herinner me dat er later op de avond wat ophef ontstond omdat van de (overigens voortreffelijke) derdeprijswinnaar werd gezegd dat hij een slammer was. Dat werd een kostelijk misverstand gevonden. Een slammer? Ik wist niet wat het was, al kon ik mij er allerlei wildwest en penoze bij voorstellen. “En nu betalen gringo anders stuur ik mijn slammer op je af.” Als de slammer langs was geweest kon je het grofvuil bellen, meedogenloos was die gast, niets lieten zijn verzen heel.

Ik wist nada, ik was de reine dwaas in de graalburcht. Ik belde naar mijn ouders, om te zeggen dat ik op het journaal zou komen. “Dat is mooi’” zei mijn vader, “en hoe is ’t weer bij jullie?” Mijn vader wist tenminste hoe je die dingen in perspectief moest zien. Ik denk soms terug aan al die mensen die ineens met mij moesten praten, van radio en tv. Zij deden gewoon hun werk, ik groeide in mijn rol van outsider die met de verkeerde trui op het verkeerde podium terecht was gekomen, en die voor een draaiende camera zijn vrouw belde dat “de nieuwe keuken er zou komen.” Er volgden optredens in het Huis van de Poëzie en in DWDD met dat ene gedicht. Alsof ik even Für Elise mocht spelen in het Concertgebouw, louter omdat ik een dag Nieuws was. Na mij zou Kluun komen om een hilarische versie van de vlooienmars te spelen. Zo voelde het. Zo was het eigenlijk ook.

Daarna werd het stil, zo stil dat ik de zee hoorde. Ja, zegt u, wat had je dan gedacht? Dat je de superster van het poëziecircuit zou worden? Natuurlijk had ik dat gedacht! Dames, dames toch, zou ik de ganse dag roepen. “Oo, wil je nog één keer dat versje opzeggen, dat dure versje? Voor mij...mmmm?” Je hoeft die dingen maar één keer te denken. Daarna kan je het aan je stakkerige brein overlaten om er een verwachting van te maken. In gloeiend heet licht van dampende zalen, rood en geel, zou de belofte van mijn opkomst zich aftekenen: “De line-up van vanavond bestaat uit Beau vED, Gordon en Kluun, en als headliner –dames en heren, rustig, niet dringen, allemaal even een stap naar achteren graag - hebben wij: (mijn naam door gejuich en hoog gekrijs onverstaanbaar)”

Ik zou nooit meer hoeven werken! Heeft u daar nooit aan gedacht dan, dat u nooit meer zou hoeven werken?

Ik hang graag de dilettant uit, maar waak voor overdrijving. Ik weet inmiddels precies wat slammen is (en bewonder de beoefenaars heimelijk), ik weet wie er in elkaars balboekje staan en ik weet hoe hard men knokt. Ik hoop oprecht dat de volgende winnaar van de Nationale Gedichtenwedstrijd iemand is die de prijs kan zien als loon naar werken. Ik ben blij dat ik overeind kan houden dat ik mijn loopbaan als schrijver van de grond af heb moeten opbouwen (mocht de dag komen dat ik daadwerkelijk van de grond kom), dat het winnen van die Turingprijs en al het lawaai eromheen op geen enkele manier van invloed is geweest. Wat die prijs dan wel voor mij gedaan heeft? Nou, ik heb een nieuwe keuken. En een Höfner-bas. Vette shit. Punt.

vrijdag 14 januari 2011

Ondertussen, op het kinderdagveblijf

Op de buitenschoolse opvang van mijn dochter werken twee mannen. Ik weet dat je zo’n zin niet argeloos kan opschrijven - want wij zijn slaven van het nieuws - maar ik doe het lekker toch. U denkt maar wat u wilt van die mannen. Dat doe ik ook. Ik vind het namelijk vreemde snuiters, en ze hebben ook heel vreemd haar en rare brilmonturen, maar ik wil benadrukken dat ik hiermee op geen enkele wijze suggereer dat zij vieze dingen doen met kinderen - het gebruikelijke gehannes met knutsellijm en schaar daargelaten.

Het viel mij nochtans op dat een van de heren dit jaar overenthousiast was in het overbrengen van zijn nieuwjaarswensen. Terwijl ik de jongeman eigenlijk helemaal niet ken – laat staan hij mij - werd mij een “vooral heel gezond nieuwjaar” toebedeeld, alsof ik afgelopen jaar voornamelijk bezig ben geweest een slopende ziekte te overwinnen. Ik zei, enigszins van mijn stuk gebracht, toch min of meer hetzelfde terug, zij het iets gereserveerder. Hij wist van geen ophouden, er kwam nog geluk en zelfs gezelligheid in wensvorm achteraan. Ik wilde een zich opdringende gedachte tegenhouden, maar er was niets meer aan te doen. Ik dacht: hij verdenkt mij er dus van dat ik hem voor een kinderschender aanzie. Hij overlaadt mij met groteske gelukwensen om mijn vertrouwen terug te winnen. Hij had ook niets kunnen zeggen. Dan had ik gedacht: het kan hem niks schelen dat ik mogelijk denk dat hij een pedofiel is. Hij had ook kunnen zeggen “even over de eh.. actualiteit, en eh... over mij: ik doe dat soort dingen natuurlijk niet, nooit, bah, afschuwelijk” In dat geval had ik mijn dochter ogenblikkelijk van die tent afgehaald, want door het te zeggen doet hij die dingen toch – in zijn hoofd, en in het mijne. Gruwel! Zo houdt de waan van de dag ons gevangen, en wij kunnen niets anders doen dan elkaars verdenkingen afprijzen met nieuwjaarswensen.

Terwijl de gruwel zich hier helemaal niet in het verborgene afspeelt. Zij voltrekt zich onder onze ogen. De naschoolse opvang is een speciaal voor kinderen ontworpen verbeelding van het voorgeborchte, losjes gebaseerd op afbeeldingen van Jeroen Bosch. Het is zeer vakkundig gedaan. Je kunt je geen voorstelling maken van de herrie, totaal verwilderde jochies rennen door de gangen, struikelen over schoenen en jassen die her en der verspreid liggen. “Kutding” roept een ventje dat tot net boven mijn knie reikt. Hij schopt het Dora-rugzakje dat hem ergerde woedend weg. Een ander onopgevoed mormel vraagt mij “wat kom jij doen, wat kom jij doen, van wie ben jij de papa?” en slaat mij op het achterwerk.

De beerlucht van de WC’s dringt overal door, behalve in de ruimte waar de rijstwafels zojuist zijn uitgedeeld. K3 schalt door het gebouw, meisjes in prinsessenjurken verdringen elkaar op het kleine podium, ze knijpen elkaar om de nep-microfoon te bemachtigen. “HAND IN HAND, OOG IN OOG ...” Mijn dochter knutselt iets met veel lijm en glitters. De glitters zitten op haar trui, in haar haren, “ik ging Emma mooi maken” zegt haar gelegenheidsvriendin “...ALLE KLEUREN VAN DE RE-GEN-BOOG.” Moeders roepen dat ze nu écht weg gaan, en dat Storm, Wander en Lulu nu écht op moeten schieten verdorie, en dat ze hun potje tafelvoetbal niet mogen afmaken, “nou vooruit dan maar, nog drie doelpunten, maar wel snel dan, en oké die telde niet, niet huilen, goed dan ga ik eerst Beer ophalen, maar als ik terugkom dan sta jij klaar!” Een vader sleurt zijn zoon aan een been over het zeil, in de richting van de kapstokken. Hij doet alsof ze dat allebei geweldig leuk vinden.

“Dag Emma, dagdag,” zegt de jongeman met het vreemde haar. Hij heft zijn hand voor een ‘high-five’, maar mijn dochter geeft geen sjoege. De geheven hand gaat dan maar zijn vreemde haar in, struint daar wat doelloos rond en maakt dat het nog vreemder zit. Hij ziet er doodmoe uit. “Dag” zegt Emma plichtmatig. “En nog de allerbeste wensen” roept hij ons achterna.

vrijdag 7 januari 2011

Een Goed Jaar

Als ik geen torenhoge eisen stel – en waarom zou ik, als eenvoudig mens? – dan moet ik vaststellen dat het nieuwe jaar goed is begonnen. Het is acht uur ’s ochtends, mijn kinderen zitten aan tafel, ze eten boterhammen met appelstroop - ook zij stellen geen torenhoge eisen. Het jongetje leest in Het Leven van een Loser, ik vind hem drie jaar te jong om zichzelf met de hoofdpersoon te identificeren, maar vooruit. Het meisje kijkt verliefd naar een tekening die ze gisteren gemaakt heeft. Er staat een band op die bestaat uit Chinezen, “die allemaal door elkaar heen spelen.” De gitarist speelt “Dreamer”, zegt ze. Ik denk dat ze de muziek ook echt hoort, op het ritme van haar malende kaken.

Het is stil. Ik weet dat er ouders zijn die dat misschien niet kunnen geloven, maar het is echt stil. Er is geen ruzie, geen woordenstrijd, laat staan handgemeen en vliegende voorwerpen. Als ik zeg dat ze hun schoenen aan moeten doen zullen zij zich doof houden. Als ik het opnieuw zeg, op dwingender toon, zullen zij het terstond doen. Ik weet dat ik daar op kan vertrouwen. Ik denk: het wordt een goed jaar.

Ik verbreek de stilte. Ik ken mijn tekst. “Drink je melk op” zeg ik, “en daarna schoenen aan.” Ze pakken hun beker zonder te kijken. Twee jaar geleden vielen die bekers nog om als ze dat deden, maar nu niet meer. Alles loopt gesmeerd.

En toch ben ik bezorgd. Ik vind ze te braaf. Ik denk dat zij de vaardigheden missen die nodig zijn om echt vooruit te komen in de wereld. Ik denk bijvoorbeeld dat ze slecht zijn in frische fröhliche kletspraat, waarmee je zorgt dat je zelf goed uitkomt en waarmee je de mensen achter je plannen schaart. Ze missen het talent voor berekenend medeleven dat je – mits de juiste persoon toebedeeld – superieur maakt. Ze zijn te verlegen om te leren hoe je je omgeving naar je hand te zet, door met een simpel gebaar of een enkel woord coalities te smeden of te breken.

Zoals de dame bij de slager, die mij onderbreekt als ik reageer op de vraag van het winkelmeisje “wie mag ik helpen?” Ze is jonger dan ik, ze draagt modieuze laarzen, ze weet hoe je dingen voor elkaar krijgt. Ze zegt “pardon hoor, maar ik sta hier echt al héél lang,” en dan tot een bejaarde dame met een plastic regenkapje die met haar rollator in mijn kuiten bijt, “nietwaar mevrouw?” Ik kan daar niet adequaat op reageren, ik wil het niet op de spits drijven, ik kan mij enkel schamen, voor mijzelf en iedereen die in die winkel staat. Goed, thuis stel ik mij voor hoe de dame met bungelende laarzen aan een vleeshaak hangt en wordt uitgebeend door de slagersknecht, ik zie dat als mijn recht. Maar helpen doet het niet.

Of de vader van een leerling, die ineens opduikt, een onsamenhangend verhaal afsteekt over zijn zoon en diens narigheid, dan heel even zijn hand op mijn arm legt. “Dus je helpt hem hè, wij hebben alle vertrouwen in jou!” En voor ik kan vragen wat hij precies bedoelt heb ik al een vette knipoog geïncasseerd, en loopt hij achterwaarts bij mij weg. Zijn laatste woorden: “dus dat is dan afgesproken.” Dan draait hij zich om. Ik sta daar en ik begin te zweten, want ik weet dat die knipoog een verbeelding was van een vallende guillotine met mijn hoofd eronder.

“Moeten we onze schoenen nog niet aan, papa?” vraagt het meisje. “Ja, dat had ik toch al een keer gezegd?” antwoord ik afwezig. “Maar niet twee keer” zegt de jongen. Hij slaat Het Leven van een Loser dicht.

Een goed jaar, denk ik. Ik heb mijn eisen nog niet geformuleerd, en zolang ik dat weet uit te stellen zal het beslist een prima jaar zijn. Schoenen aan, voorwaarts!

trailer "Een Onbarmhartig Pad"