vrijdag 1 april 2011

Een koele hand in de nek

Groeten is iemand ‘als mens herkennen’. Dit heb ik iemand die zulke dingen weet een keer horen beweren. Als het waar is ben ik vanochtend tussen kwart over acht en half negen door vijf personen als mens herkend. Ik bevond mij op het schoolplein en joeg mijn kinderen de school in. Vijf ouders groetten mij, of ik groette hen, dat weet ik niet meer. Vijf, dat vind ik niet heel veel. Je kan ook zeggen dat er driehonderd mij negeerden, of mij als slingeraap of als grotsalamander herkenden, maar dat zou een erg narcistische redenering zijn. Het negeren was tamelijk wederzijds, en je kan ook niet aan de gang blijven.

Ik bedacht ooit een variant waarvan ik toentertijd vermoedde dat-ie beter klopte: groeten is laten weten dat je iemand niet zal vermoorden, althans niet vandaag, althans niet nu ter plekke. Het lijkt aartssomber, maar dat is het helemaal niet. Het is zelfs een buitengewoon optimistische variant. Een stuk geruststellender ook dan dat ‘als mens herkennen’, want er zijn genoeg lui die mij als mens herkennen, maar die mij evengoed zouden kunnen vermoorden. Misschien zouden ze het zelfs wel graag willen. De schooldirecteur groet overigens iedereen bij de deur. Iedere dag. Hij heeft veel vijanden.

Als ik deze theorie verder doorvoer, moet ik vaststellen dat er heel wat mensen zijn die grotere overlevingskansen hebben dan ik. Een paar kekke moedermeisjes groet wel dertig keer tijdens dat loopje van het hek naar de schoolpoort. De één wordt een knikje gegund, de ander omhelsd. Ze lopen echt te flaneren, op de catwalk van rubberen veiligheidstegels. Als ze uitbundig de tijd voor je nemen willen ze met je naar bed. Dit heb ik van horen zeggen. De directeur geven ze een vriendschappelijk likje over zijn gezicht. Hun kinderen komen verder in de wereld, dat staat vast. Ik ben nog nooit omhelsd op het schoolplein en van uitbundig gedoe wordt ik nerveus. Het is het me niet waard ook. Ik groet waar dat gewenst is, en kijk verder recht vooruit, naar mijn wekelijkse dag van eenzaamheid, de dag waar ik zo naar kan verlangen.

Ik ben graag alleen, maar vermaken doe ik mij zelden. Alleen zijn is voor mij een soort kermisattractie die je niet bijzonder leuk vindt, maar waar je toch steeds weer in wilt. Alleen zijn is het spookhuis. Ik ga lekker in zo’n gondeltje zitten en groet al mijn angsten. Ik wacht op het hoogtepunt: het moment dat de onbekende en onzichtbare spookhuismedewerker zijn hand in mijn nek legt. Nee, het is niet eng. Die hand knijpt je keel niet dicht, die hand doet niets. Hij laat weten mij niet te zullen vermoorden. Het is een heel kort moment, en het geeft veel troost. Ik ontspan, Wees niemand tot last, gebiedt de hand, wees geen bron van ergernis, voel je gesteund, en ga als de donder aan de slag, want alleen als je werkt kan je met jezelf leven. De hand verdwijnt in het donker, zonder te groeten.

Een koele hand in de nek. Dat ga ik morgen op het schoolplein proberen. Een hand die de ander als mens herkent. Ik begin met de directeur. Als dat geen nieuwe trend wordt.

vrijdag 25 maart 2011

dankjewelvoorhetspelen

Ik moest mijn dochter ophalen bij een vriendje. "Jij moet weg" zei het zesjarige joch, "jij bent stom." Hij stond bovenaan de trap en schoot een plastic pijltje naar mijn hoofd, zo’n quasi-ongevaarlijk ding met een zuignap op de plek waar een punt hoort. Die punt dacht dat kind er bij, dat zag ik in zijn ogen.

De vader stond even verderop iets te doen met een gebraden kip op een bakplaat. Hier laat ik de details achterwege. Ik weet zeker dat hij de schermutselingen had gezien en gehoord, maar verkoos te doen alsof allereerst die kip eens goed opgevoed moest worden.

Het joch schoot nog een pijl. Mijn dochter lachte besmuikt. Ik beet haar toe dat ze direct de schoenen moest aantrekken. Ik ben echt een pedagogisch wonder, moet u weten. Door mijn eigen kinderen af te snauwen laat ik buitenstaanders weten dat er met mij niet te spotten valt.

Het joch kreeg een opdracht, van zijn vader. Hij moest ook de schoenen aan doen, het was tijd voor zwemles. Maar dat ging niet gebeuren. Echt niet. Het kind begon te drenzen en te jammeren. Het duurde heel lang. Mijn dochter had de schoenen en de jas al aan. “Ik tel tot drie” zei de vader te langen leste, “en dan sta jij beneden”.

Leer mij de lui kennen die tot drie tellen om iets in gang te zetten. Je kan er veilig vanuit gaan dat er niets gebeurt bij drie, noch bij driehonderd of drieduizend. Ze halen de drie niet eens, bang voor gezichtsverlies stokken ze bij twee. "Een... twee.... en NU luisteren, anders..." Anders wat? Tel je nog een keer tot drie? Damn, dad, we are shitting our pants. Vader ging de jongen dus maar halen, greep hem vast na een korte achtervolging waarbij geschreeuwd en gehuild werd. Het liefst was ik de tent uit gevlucht, maar men dient toch fatsoenlijk afscheid te nemen nietwaar? Ik ben niet alleen een pedagogisch mirakel, ik ben eigenlijk soort heilige, gespecialiseerd in zelfkwelling, ik ben Sint Sebastiaan, het lijf vol pijlen met zuignappen. Het kind gaf de vader twee meppen voor zijn hoofd. “Pas op Daan” zegt hij, “pas op hoor”, en daarna, “ik begrijp het wel, maar het kan niet anders, het is jammer dat je op maandag...” Ik dacht: hoera, vader begrijpt het. Begrip is de brandstof van de onderhandel-opvoeding, mijnheer, die lange tragedie die ten slotte eindigt in de verzorgingsflat, als Vadertje Spijt de enige is die u nog komt bezoeken.

“Het is jouw schuld dat we op maandag naar zwemles moeten” schreeuwt het joch. “Ja ja, alles is papa’s schuld natuurlijk, hahaha” schampert vader in mijn richting. Op mijn bijval hoeft hij niet te rekenen, ik heb de pest aan precies dit soort genante ironie van intellectuelen. Ik laat mijn dochter dank-je-wel-voor-het-spelen zeggen en vlucht het huis uit. Het is een rijksmonument, zie ik als ik buiten sta. De types die per se in rijksmonumenten willen wonen zijn meestal niet degenen die zo’n pand, en hun leven, een beetje proper kunnen houden.

vrijdag 18 maart 2011

Boekenbal 2011 (sorry)


Als alle schrijvers over het Boekenbal gaan schrijven wordt het natuurlijk een janboel. Misschien wordt het zelfs wel knokken. Ik denk dat schrijven over het Boekenbal maar één keer leuk is, net als het Boekenbal zelf. Dat laatste weet ik ook niet zeker, ik vermoed het alleen maar. 

Om te beginnen, ik heb het VIP-kaartje van Vonne van der Meer. Ja, zo kan ik het ook, denkt u. Precies wat ik denk. Maar wel heel sympathiek, ik mag zelfs naar het voorprogramma. Pal voor mij zit Franca Treur. Die hoeft niet op het kaartje van een ander, terwijl zij toch ook maar één boek heeft geschreven. Ze heeft pijn in haar rug, zo lijkt het, want ze zit maar te schuiven en eraan te voelen. Nog voor het goed begonnen is staat ze al op. Bij ons thuis is zoiets onacceptabel, en ik weet zeker dat het in de gereformeerde kerk ook niet echt gewaardeerd wordt. Ze draagt trouwens een heel vreemd jasje met het soort klittenbandsluiting dat je wel eens ziet bij kampeeruitrustingen. Ze loopt moeilijk, maar ze is niet de enige vrouw die moeilijk loopt vanavond. Ik zie haar niet meer terug, wat mij zeer spijt – haar date is zanger/cabaretier Lucky Fonz III, die wel overal opduikt. Ik hoop maar dat haar rug het houdt vanavond.

Ik verbeeld mij dat ik Youp van ’t Hek in de richting van een camera hoor zeggen “je moet het Boekenbal leven alsof het je laatste dag is”. Youp ziet er in zijn zalmroze streepjespak uit als een verlopen clown die hard toe is aan zijn laatste dag. Ik denk dat het Boekenbal niet om door te komen is, als je niet doet alsof het je Eerste is. Ik zie dat aan al die Overbekende Nederlanders die heel geroutineerd dat oude advies van Mulisch opvolgen: verzamel een hofhouding van een man/vrouw of zes om je heen, beweeg daarna niet meer. Anders loop je collega’s tegen het lijf, en dat is verschrikkelijk, al die schrijvers die je haat, veracht en bovendien waarschijnlijk nog nooit hebt gelezen. Er zijn ook jongere lui, die doen niet zo moeilijk. Ze zijn allemaal fan van elkaar en zeggen de hele tijd dat ze elkaars boek geweldig vinden en dat ze vast van plan zijn het binnenkort ook echt te lezen.

Ik loop langs al die clubjes, met twee glazen bier in mijn hand. Een om uit de drinken, en één om de indruk mee te wekken dat ik iemand een biertje moet brengen. Houd je blik op de horizon, daar waar het tapijt roder is, daar waar je altijd bekenden mag vermoeden.
Ik voel me hoe langer hoe ongemakkelijker. Ik begin aan het tweede biertje. Nu val ik door de mand, denk ik, maar hier kijkt niemand ergens van op. Het schijnbare gemak waarmee iedereen onalledaags loopt te zijn begint mij te beklemmen. Panache alom, met een vleugje obligate platvloersheid – er zijn veel cabaretiers, heel veel – en iedereen loopt langs Hans Keilson met een blik van “wat doet die halve dooie in die rolstoel hier? Die zou er anders met geen enkel deurbeleid in zijn gekomen.” Ik wil iets aardigs tegen hem zeggen, maar ik weet niets te verzinnen, ik heb zijn boek niet gelezen.
Gelukkig kom ik Ellen Heijmerickx tegen. We kennen elkaar van ‘vroeger’, van VPRO’s 1000 woorden. “Het is te tuttig voor woorden,” zegt ze, “maar mijn man en ik werken in dezelfde bloemenzaak.” Dat zij dit zegt ontspant mij zo dat ik haar wel wil omhelzen.
Ik kom ook nog een oud-leerling tegen. Ze is ‘met haar vader’ en ze is veruit de bekoorlijkste verschijning van het bal. Ze herkent mij, en herinnert mij eraan wat ik ben en misschien altijd blijf: een leraar – één die in DWDD is geweest (want dat had ze gezien), maar een leraar. Hierna gaat het iets beter met mij.

Het is 1:30. Ik heb vier blauwe munten over. Daar kan ik nog één keer twee bier voor kopen. Nee, ik houd ’t voor gezien. Dat Kader ook aftaait verleent mijn vertrek iets verschoonbaars. Wij hebben het allebei niet gemakkelijk, Kader en ik. Wij hijsen ons zwijgend in onze jassen. Er is niemand die ons helpt.

maandag 14 maart 2011

Om te janken

Je hebt wel eens mensen die je een film aanbevelen door te zeggen “ik heb toch zooooo gehuild!” Ze zeggen het ook altijd op een manier alsof ze het een grote geestelijke prestatie vinden, huilen om een film, alsof het getuigt van een rijk en bloeiend gevoelsleven. Ik vind huilen om een film helemaal geen prestatie. Ik heb nog nooit echt gehuild om een film, dat vind ik trouwens evenmin een prestatie. Diep geraakt, dat ben ik heus wel eens, oeioei wat kan zo’n film soms hard binnenkomen. Geen kwaad woord over mijn gevoelsleven dus.

Ik zal het maar bekennen, ik heb onlangs zitten janken bij de slotscène van The King’s Speech, met Colin Firth, godbetert. Ik beet op mijn tong en schudde zowat in m’n stoel. Dat is niet best, janken om een meneer die wij thuis diep vanuit de keel “Mr Darcy” noemen, die een doorsnee oorlogstoespraak aflevert, en dat ook nog eens doet als een kleuter die zijn eerste spreekbeurt over konijnen hakkelt. Ik zal u zeggen, het was de schuld van Beethoven. Die filmboeven hadden onder de speech het Allegretto uit de Zevende Symfonie gezet. Als de koning zijn belastingformulier zou hebben voorgelezen zou het nog om te gillen zo ontroerend zijn geweest.

Zo zat ik dus te snotteren om een koning die zijn tekortkoming overwint, terwijl hij weet dat hij er nooit van verlost zal worden. Of was het om die lieve stotter-therapeut (Geoffrey Rush) die zijn eigen onbeduidendheid voor even wegvaagde door andermans woorden te dirigeren alsof het, ja, Beethoven was? Allemaal de schuld van Beethoven. Man, honderd woorden voor janken zat ik daar uit te vinden, en ik dacht: het is niet eerlijk. Ik kan nooit iets schrijven en daar dan voor de lezers Beethoven onder zetten, zodat de tranen hen over de wangen stromen.

Ik heb geloof ik nog nooit gehuild om een boek, maar wel vaak bijna. Ik denk dat het hier op aan komt, als je schrijft: dat je de mensen bijna aan het wenen krijgt. Veel schrijvers brengen zichzelf aan het wenen, en als je dan leest wat ze schrijven lach je je te barsten. Maar dat terzijde. Of het mij ooit zal lukken om de mensen aan het wenen te brengen? Ik ben bang dat ik tekort schiet. Ik heb muziek nodig. Muziek, anders wil het niet! Ach, ieder gebrek heeft zijn gek nodig, om het gebrek een gezicht te geven.

Woensdag zat ik bij La Bohème in Teatro La Fenice (dit schrijf ik op om een beetje mondain over te komen) en wederom moest ik huilen bij de dood van Mimi, of liever, bij de wanhoop van Rodolfo. Of nog preciezer: bij het cis-mineur akkoord, dat via E, fis en B7 belandt in een kwintvalsequens, enz... vroeger veronderstelde ik dat wanneer je muziek kundig aan scherven analyseerde er nooit meer om zou hoeven huilen, dat je als het ware controle kreeg over je jankorgaan. Maar als je ouder wordt leer je dat je eigenlijk nergens controle over hebt, en al helemaal niet over je organen.

Vannacht huilde ik in mijn slaap. Nee, niet echt, ik geloof dat ik het inhield, dat ik het wel graag wilde, maar toch inslikte. Ik weet niet of Beethoven eraan te pas kwam, en ook niet of ik een tekort overwon. Ik denk het niet. De hele nacht heb ik ‘toch zooooo niet gehuild.’ Toen ik wakker werd bleef de aandrang hangen, maar ik hield mij in, want mijn vrouw lag naast mij, en ik wil niemand tot last zijn.

Ja dat heb je wel eens. Nu ga ik mijn kop in de vissenkom steken om te kijken of de guppies nog een beetje gelukkig zijn.

donderdag 3 maart 2011

Ze gaan eraan

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was ik drugsdealer geworden” beweert Abdelkader Benali vandaag in mijn krant. Ik weet niet zeker of hij daarmee pleit voor het behoud van de bibliotheken. Ik sluit niet uit dat Abdelkader een uitstekende drugsdealer zou kunnen zijn. Misschien wel een betere drugsdealer dan schrijver. Nu hij het niet is geworden, dealer, is een ander het immers. Een of andere schietgrage amateur op een Vespa. Dat had beter gekund. Het is goed mogelijk dat de misdaadsyndicaten zich de haren uit het hoofd trekken na het lezen van de krant. Ik zie de scène zo voor me: de bibliotheek van Rotterdam Crooswijk is ons weer te slim af geweest! Benali! Dat is nu al de vijfde keer dat er een supertalent voor ons neus is weggekaapt door die m*therf8ckers van de bieb! We leggen dat wijf met die knot om, de eerstvolgende keer dat ze weer een toekomstige die-hard drugskoning verleidt met die bloedlinke boeken!

Ik ga het ook eens proberen.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was...” eh, “dan was er in ons dorp helemaal geen ruk te doen geweest.” Dit zal wel niet zo krachtig overkomen als het statement van Abelkader, maar het is tenminste wel waar. Man, wat heb ik daar veel tijd doorgebracht. Lezen deden we trouwens niet, behalve strips en boeken over seksuele voorlichting, maar in ons dorp golden beide niet als lezen. Wat deden we er dan in godsnaam de hele middag? Tja, eruit gestuurd worden, dat ten eerste. Dat was zo’n beetje het hoogste doel. Ik was zo braaf, ik durfde alleen in de bieb een beetje stout te zijn (dit is: spionnetje spelen, hardloopwedstrijd met hindernissen, elkaar meppen met oude Tina’s, van die dingen). Het is goed voor mijn zelfvertrouwen geweest, geloof me, ik voelde mij beter als ik weer eens de bieb was uitgestuurd. Ik was elf en ik werd eindelijk mezelf. Een drugsdealer worden, dat was nog een brug te ver, maar je moest ergens beginnen en ik sloot niets uit. Dus.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan had ik nimmer drugsdealer kunnen worden (mits ik dat had gewild).” Nou Abdelkader, eat your heart out.

Het is natuurlijk erg slecht nieuws, over de bibliotheken. Ze gaan eraan. Misschien is het wel het slechtste nieuws sinds het aantreden van dit kabinet. 'Mijn' oude bieb in Elburg zal er wel sneven. Die heeft dan 35 jaar bestaan in het 800-jaar oude stadje. Een mooie, maar erg korte tijd, als je het zo bekijkt, zeker als er nog 800 biebloze jaren achteraan komen. Een snippertje beschaving in een barbaarse eeuwigheid.

Er zal een landelijk online-bibliotheek over blijven. Ze beginnen er al mee in Vlissingen. Gatverdamme. Zit je dus weer thuis op je reet naar dat scherm te loeren, wachten tot je moeder je eruit stuurt. Als ze dat hier in Leiden ook gaan doen, ben ik er goed gereed mee. Effe checke bij de homeys van het Drugskartel Professorenwijk. Die zijn altijd op zoek naar talent.

vrijdag 25 februari 2011

Tuigdorp Telegraaf

Vanochtend nam ik een kijkje in de Grote Boze Binnenwereld van de Telegraaf. Zomaar, om even te kijken of-ie er nog was, zoals je soms, heel soms, kijkt of die moedervlek op je rug er nog zit en niet ineens groter is geworden. Dom, dom, dom.

De site van de Telegraaf kopte groot met Pauw & Witteman, die zich vergaloppeerd zouden hebben met een item over een ex-gedetineerde die een boek had geschreven over zijn misdaad: de mislukte ontvoering van een vrouw. De familie was “geschokt en verbijsterd” omdat er in het programma lacherig werd gedaan over de klungelige aanpak van de boef.

Het artikeltje had in een paar uur meer dan zeshonderd reacties opgeleverd. De reacties die ik las – en niet had moeten lezen - hadden als strekking: schande, van onze belastingcenten, typisch links, Pauw en Witteman zijn linkse rakkers die heulen met criminelen, de Vara is een linkse propagandamachine. Ik geef één quote:

“Dit afschuwelijke linkse propaganda gedoe van deze P en W ,moet aangepakt worden, als de mensen maar een kleurtje hebben,en het maakt niet uit hoe crimineel ze zijn,zijn ze van harte welkom,en dan samen tegen Wilders”

Om het gehuil van tegenwicht te voorzien stuurde ik een reactie in. Zinloos, weet ik best. Soms als mijn verstandskies opspeelt, doe ik domme dingen. Maar het gaf niet, want mijn reactie werd niet geplaatst. Zij voldeed niet aan de huisregels van de Telegraaf. Dit is wat ik schreef:

“Wat een onzin om dit ‘heulen met criminelen’ als ‘links’ te bestempelen. Wist u overigens dat een bekende Telegraaf-verslaggever een toespraak hield op de begrafenis van topcrimineel John Mieremet?”

Ik begrijp best dat de Telegraaf daar geen zin in had, hoewel er geen enkele huisregel door mij werd overtreden. Ze mogen van mij best een beetje streng zijn bij de Telegraaf. Dat de volgende reactie wel te lezen was verbaasde mij dan ook:

“P&W zijn echt een stelletje smerige hufters! ik vergelijk ze altijd een beetje met extreme Imams, die proberen ook iedereen te hersenspoelen! Optiefen met die lui”

Maar ja, er kan wel eens iets door de mazen van het net glippen. Allemaal liefdewerk, moet je maar denken. De krant van Wakker Nederland had ook een nieuwtje over een burgemeester in het Russische Tsjita. Die had zich laten ontvallen dat de daklozen in zijn stad eigenlijk vermoord zouden moeten worden. Het had er de schijn van dat de Telegraaf dat een bizarre uitspraak vond. De reaguurders dachten daar anders over:

“Hij heeft wel een punt. Zouden ze hier ook moeten doen met overbodig buitenlands tuig”

Deze reactie bleef kennelijk binnen de fatsoensregels van de Telegraaf. De krant had ten slotte nog het gebruikelijke gezemel over het weer. Er komt weer kou aan! De 120 reacties die het bericht van diepgang en betekenis voorzagen waren verrassend veelzijdig (“oprotten met die kutkou, ik ben het spuugzat” tot “Het wil dus maar niet echt vlotten met de opwarming van de aarde, wat door vele linkse bobo's wordt aangepraat.”)

Ook een blunder van een AT5-verslaggever – de man had een Turkse vrouw die voor een winkel stond te wachten verteld dat ze beter Nederlands moest leren - had een berg reacties opgeleverd. Al de reaguurders, allemaal – ik herhaal ALLEMAAL – kozen ze de kant van de verslaggever. Als je van een ‘kant’ mag spreken.

“Sorry kan [sic] deze vrouw nog steeds geen nederlands naar [sic] al die jaren dat ze hier woond [sic]..... komt door haar man waarschijnlijk bang dat ze zich ontwikkeld [sic] en daarom mag zij dom in de rij van hem staan”

De Telegraaf hanteert huisregels noch spellingsregels. De Telegraaf is een virtueel Tuigdorp. We hebben het hier over een krant ja, niet over GeenStijl, maar over de grootste krant van Nederland, die al meer dan 100 jaar bestaat! Jong en laagopgeleid Nederland wordt gemobiliseerd, tegen ‘links’, tegen kunst en cultuur, tegen islam, tegen milieumaatregelen. Het is veel erger dan iedereen denkt. Nederland is doormidden gekliefd. Wij staan op het kleinste stukje.

vrijdag 18 februari 2011

Elektra

Ik heb een probleem, en ik wil er over praten. Het begint er al mee dat ik moeilijke liefhebberijen heb. De meeste daarvan houd ik geheim. Andere niet. Dat is het probleem niet. Het probleem: ik houd van de opera’s van Richard Strauss. Ik weet niet zeker of ‘houden van’ het goede woord is. Ik vind ze mysterieus, een beetje eng, larmoyant en ik moet vaak aan ze denken. Ja, ‘houden van’ is eigenlijk precies het goede woord. Toen ik Richard Wagner een beetje zat begon te worden ben ik Strauss (“nicht Johann, dann aber auch nicht Wagner”) gaan luisteren. Nu zit ik er mooi mee. Zijn muziek is ‘ontoegankelijk’ voor ‘leken’. Dit maakt hem ‘kwetsbaar’ tot ‘ernstig bedreigd’ in termen van Natuurbehoud. Mooie termen, je kan er op het gebied van Cultuurbehoud ook wel een tijdje mee vooruit.

Dit jaar is er gelukkig weer een opera van R. Strauss in Amsterdam te zien: de bittere “tragödie in einem Aufzuge” Elektra. Niemand houdt van Elektra (met die zin moeten ze bij de Nuon eens iets doen!). Maar ik wel. Alleen, een derderangkaartje kost €110. Dat is vijfentwintig euro meer dan het bedrag dat ik afgelopen seizoen neertelde voor een avondje opera. Het kabinetsbeleid wordt voelbaar, inderdaad, maar dit is slechts het begin. De Nederlandse Opera krijgt 25 miljoen euro subsidie, dat is 175 euro per bezoeker. Veel meer dan het duurste kaartje kost. Dat kon natuurlijk niet langer. Over een slordige tien jaar, als de subsidies geschrapt zijn, zal mijn kaartje denk ik €350 euro kosten, mits de inflatie niet te hoog uitvalt. De kans is klein dat De Nederlandse Opera dan nog bestaat, althans in deze vorm, want Nederland kent niet genoeg muziekliefhebbers die zulke astronomische bedragen overhebben voor Richard Strauss.

Je kan van Halve Halbe zeggen wat je wilt, maar de Staatssecretaris van Cultuurvernietiging is lekker bezig, en hij spreekt duidelijke taal: een kwaliteitsoordeel heeft de regering niet, wat mensen mooi vinden is kunst, dus de staat geeft alleen nog geld aan dingen die de mensen mooi vinden. Laten we het niet meer hebben over de barbaarse leegte die gaapt achter deze redenering. Steeds als ik dat doe heb ik het gevoel dat ik met mijn boze kop de hakbijl in mijn eigen voet zwaai in plaats van in het brandhout.

Terug naar mijn probleem. Over een jaar of tien moet ik waarschijnlijk naar Berlijn of Wenen reizen als ik een opera van Richard Strauss wil zien, voor pakweg €600 heb ik dan een toegangsbewijs, een vliegreis en een hotelovernachting. Van heinde en verre komen moeilijke mensen met dezelfde moeilijke liefhebberij. Duur kan je het niet noemen. Echte Trekkies betalen het driedubbele om de Star Trek convention in Las Vegas bij te wonen, en voor een Elvis-meeting van een beetje niveau moet je tegenwoordig ook al naar Birmingham. Het ene is niet waardevoller dan het andere, en wie dat toch durft te beweren heeft de tijdgeest goed tegen. Wie moeilijke hobby’s heeft moet er maar krom voor willen liggen. Bovendien, wat is er mis met een leuke musical? Het zijn anders echt heel mooie decors hoor, bij Zorro, en die jongen kan ook vet goed zingen en zwaardvechten tegelijk. Voor €90 heb je al een kaartje! Binnenkort krijgen ze subsidie, omdat de mensen het mooi vinden. Nou dan!

Of ik mij daar soms te goed voor voel.

Nee zeg ik, ik voel niks, ik vind er gewoon geen reet aan.

Jouw probleem.

Ja dat zeg ik toch, mijn probleem. Voortaan houd ik mijn kop er over.

maandag 14 februari 2011

My f*cking Valentine

Het is vandaag weer Rozendag op school. Ik haat Rozendag. Dat komt, denk ik, omdat ik altijd overdreven sympathiseer met de losers, met hen die geen roos krijgen. Het oorspronkelijke idee is best charmant: de stille jongen stuurt anoniem een roos naar het mooiste meisje van de klas. De stille jongen heeft de dag van zijn leven, met bonzend hart kijkt hij toe hoe het meisje de roos ontvangt uit handen van de rozencommissie. Ze zal rondkijken door de klas, ze zal hem zien, ze zal het zien! Dit is een droom die beslist de 2 euro voor die roos waard is.

Echter, de eerste moeilijkheid dient zich al aan: het mooiste meisje krijgt méér rozen. Er is immers maar één mooiste meisje en er zijn meerdere stille jongens. Wat heet, de schoonheid verzamelt een hele bos rozen en dito aandacht. Dit bovenop de aandacht die zij altijd al krijgt van de stoere jongens omdat zij het mooiste meisje is. Anderen krijgen Niets. Dit Niets is gelijkelijk verdeeld over de bijna-mooie meisjes en de lelijke meisjes. De bijna-mooie meisjes zijn ontevreden. Zij smeden een verbond. Er bestaat weinig dat hermetischer is dan bijnamooiemeisjesverbonden. Zij spreken af dat zij elkaar ieder één roos sturen. Een jaar later op rozendag is het aantal rozen vervijfvoudigd. Het is zeg maar, handel geworden. Lelijke meisjes hebben nog steeds niets.

Op een roos meer of minder wordt niet meer gekeken, je kan je er geen buil aan vallen, dus de meisjes gaan ook rozen sturen aan de stoere jongens. De rozenhandel is exponentieel gegroeid en een economische factor van betekenis op school. Alleen heeft niemand hier aan gedacht: het ontvangen van een roos heeft nauwelijks nog betekenis. Het zegt alleen: je bent niet heel stil of heel lelijk. Want de stille jongens en lelijke meisjes hebben nog steeds niets. De markt is geperverteerd, en daarom haat ik rozendag.

De eerste gevallen van lelijke meisjes die zichzelf een roos stuurden zijn al bekend. Nu dreigt een reëel gevaar! Dit bevalt mij! De markt zal instorten als het product niet meer onderscheidend zal zijn. Als deze trend zich niet doorzet zal ik hem een handje helpen. Ik zal iedere stille jongen en ieder lelijk meisje twee rozen sturen. Door een keer diep in de buidel te tasten zal ik de hele Valentijns-liefdesmarkt in één klap wegvagen.

Men zal weer iets nieuws verzinnen.

vrijdag 11 februari 2011

Naar voren denken

Mijn zoon speelt voetbal bij de E-pupillen. Hij is verdediger. “Een typische back” zegt de trainer, “hij denkt niet naar voren”. In dat zinnetje ligt een zekere tragiek opgesloten. Wie goed luistert naar zo’n zinnetje hoort er van alles in doorklinken: opoffering, discipline, een stil en niet geheel vastomlijnd verlangen naar de andere zijde, naar de helft van de tegenstander, waar het gras groener is, waar overwinningen gevierd worden, waar de back nooit komt. Wie niet “naar voren denkt” moet ballen tegenhouden, tegenslagen vermijden. Terwijl het ginds altijd feest is (feest waar hij niet voor is uitgenodigd) is het aan zijn kant één en al incasseren en uitdelen. Er vallen harde woorden – u kent ze wel, die woorden. De gewetensvolle verdediger is zich altijd bewust van zijn schuld en zijn onvolmaaktheid als voetballer, als mens – hetgeen in die situatie één en hetzelfde is. Tegendoelpunten zijn de enige doelpunten waar hij aan meedoet. Rampen vallen onder zijn verantwoordelijkheid, bij euforie ziet hij eruit als een toerist op een folkloristische dansavond.

Zelfs als toeschouwer trekt hij aan het kortste eind. Hij kan de doelpunten van zijn teamgenoten niet eens goed zien, het is vanuit zijn gezichtspunt volstrekt onduidelijk wat er gebeurt, iedereen staat ervoor, ineens wordt er gejuicht. Een herhaling is er niet bij, de precieze toedracht blijft een mysterie. Hij juicht mee, maar zijn juichen is verstoken van de blijdschap die in de ontlading van het moment zit. Het is net als op een verjaardag, wanneer de hele groep ‘lang zal-die leven’ zingt, dat je later binnenkomt en na de derde, sterk in enthousiasme afgenomen ‘hieperdepiep’ in je eentje ‘hoera’ brult.

Mijn zoon is ook altijd te laat om de doelpuntmaker om de nek te vliegen, het is domweg te ver lopen. De laatste tijd doet hij ook geen moeite meer in de buurt van de feestvierende kluwen te komen. Hij wisselt een blik van verstandhouding met de andere back, draait zich om naar de keeper, die staat te apenkooien in het doel – maar ja, keepers zijn altijd een beetje getikt. Zelf een doelpunt maken, het idee komt niet eens bij hem op. Dat komt omdat hij niet “naar voren denkt.” Er wordt soms voor hem geklapt, dat wel, als hij een bal voor de voeten van een gevaarlijke aanvaller wegmaait, over de zijlijn, de sloot in.

Afgelopen zaterdag scoorde hij toch – dwars door alle linies stoomde hij op, door niets of niemand gehinderd, zelfs niet door medespelers. Het was alsof hij op vakantie ging, zomaar onder werktijd en zonder het te vragen. Bam, raak, het was 5-0 geloof ik (bij 1-0 zou hij zich zoiets nimmer permitteren). Hij juichte niet, niemand juichte echt, iedereen stond er vol verbijstering naar te kijken. Hij rende snel terug naar zijn plek, met een schuldbewust gebogen hoofd.

De rest van de wedstrijd zag ik hem loeren, aanstalten maken de middellijn over te steken. Zijn onverzettelijkheid was hij kwijt. Ik zag hem “naar voren denken”, wat heet, hij stond daar alle kanten op te denken die jongen. Hij droomde van warme landen vreemde strafschopgebieden, heldendaden. Zijn ietwat slepende tred verried een sluimerende onvrede met zijn lot. Pas bij 5-1 vatte hij zijn taak weer op. De plicht roept jongen, dat was wat ik dacht. Wat ik heel hard riep was: “dekken, dekken!”

vrijdag 4 februari 2011

Blue Stilton met Port

Eigenaren van kaaswinkels zijn geen vrolijke mensen. De eigenaren van kaaswinkels die ik ken tenminste niet. Ze zien er onverzorgd uit, op het onfrisse af, je zou bijna zeggen schimmelig. Ze ogen doodbedroefd. Misschien doen ze soms vrolijk, maar dat opgeruimde gedrag benadrukt hun natuurlijke staat alleen maar. Ik noem ze kaasboeren, zoals iedereen volgens mij, ook al boeren ze helemaal niet. Ze zoeken ook nooit een vrouw heb ik de indruk. Ze leven in hun eigen stinkende hel, daar willen ze verder niemand bij hebben. Dat is ook beter zo.

Kaasboeren lijken ook altijd op hun kazen. Zo heb ik een kaasboer gehad met een gezicht van zachte geitenkaas, en één die deed denken aan een overjarige Friese nagelkaas. Die zijn allang dood, of nog erger, bankroet. Mijn kaasboer uit de Herenstraat is jaren geleden in zijn winkel overleden aan een hartverlamming, omdat hij niet terug had van honderd gulden. Het laatste wat hij rook moet een halve gorgonzola zijn geweest die hij in zijn val had meegesleurd.

Mijn huidige kaasboer lijkt op de grote Blue Stilton kaas die bovenop zijn koelvitrine staat. In de Blue Stilton staat een omgekeerde fles port, die er tergend langzaam in leegloopt. Ik vermoed dat de kaasboer ook wel eens een fles van het een of ander in die stand aan zijn mond heeft gehad, maar dat is niet de reden dat ik hem op die kaas vind lijken. Hij oogt vermoeid, bleek, zijn gelaat is bezweet en bedekt met blauwe adertjes. Het is iemand waar je iets te drinken bij moet hebben zeg maar. “Kan ik u anders nog ergens mee helpen” zegt mijn kaasboer altijd als hij mijn pondje laf belegen heeft afgewogen. Ik zou niet weten waarmee de goede man mij verder zou kunnen helpen. Zouden er klanten zijn die hij achter in het kaasmagazijn heimelijk ergens mee helpt? In de buurt beweren boze tongen dat de man helemaal geen kaas lust.

Voordat u denkt: dit is wel weer een erg futloos stukje Van der Werf, het prikkertje met Hollands vlaggetje ontbreekt er nog aan, voordat u dat denkt dus, weet dan dat ik iets heel anders wilde schrijven. Ik wilde eigenlijk zeggen, denk ik, dat er veel beroepen zijn die ik niet zou willen uitoefenen. Verreweg de meeste, om eerlijk te zijn. Ik zou het al geen dag uithouden in zo’n naar bederf geurende kaaskeet. Nog afgezien van de administratieve rompslomp die het geeft, zo’n winkel, en al dat gesjouw! Kapper, conducteur, lokettist (bestaan die nog, of heten die online resale managers?) financieel analist, head logistics, en al die vage beroepen die men nooit precies uitgelegd krijgt, ik ga nog liever dood. Tegelijk weet ik dat die hele parade absoluut geen trek zouden hebben in mijn betrekking als leraar. De kaasboer zou het niet overleven. U ook niet. Na het pretpark van de duivel is het eerstvolgende begrip waar het woord ‘Hel’ geschikt voor werd bevonden, inderdaad, een schoolklas.

Zo leven de kaasboer en ik beide in onze hoogstpersoonlijke, zorgvuldig naar eigen beeld en gelijkenis opgetrokken Hel. Daar verrichten wij een overzichtelijke hoeveelheid taken die wij nuttig en relevant noemen, omdat wij anders niet kunnen overleven. Werk leent zich er domweg niet voor aserieus genomen te worden. Kaas al helemaal niet, net als kinderen moet je schimmels goed in de gaten houden.

Soms, na een lange vakantie bijvoorbeeld, kan ik mijn hel echt missen. Mijn kaasboer gaat nooit met vakantie, zoals het een echte boer betaamt. Want hij houdt misschien niet van kaas, de Blue Stilton met port staat hem gewoon erg goed.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"