maandag 9 mei 2011

Papa dans le métro

Wij bevinden ons in de metro ergens tussen Stalingrad en Pigalle. Mijn kinderen moeten lachen om die namen, vooral omdat de ‘mevrouwenstem ze zo raar uitspreekt.’ Ik zeg dat het niet raar is, maar Frans. Jaurès, Stalingrad, La Chapelle, lijn 10, ach, mij brengen die namen altijd in verrukking. Namen van metrostations hebben een zekere magie die uitzonderlijke bovengrondse schoonheden en meeslepende verhalen doen vermoeden. Aan het vermoeden heb ik genoeg. Boven is het lawaaierig. Dessous is het stil.

De metro is goed vol. We staan als Gauloises in een pakje en niemand vindt dat erg. Er staat een flikflooiend stelletje naast mij. Ze zijn vijftien jaar jonger maar even groot als ik, hun gezichten zijn zo dichtbij het mijne dat het lijkt alsof ik ook een beetje bij het gevrij hoor. Hij kust haar lippen, kort, zij drukt haar voorhoofd tegen het zijne en duwt zijn lippen zo op subtiele wijze weg. Ik zie het allemaal in close-up. Verderop zingt een donkere man over zijn vaderland: ‘Tunésie, Africaaa, Tunésie’, als een mantra. Nu beginnen mijn kinderen om hém te lachen, en ik snauw ze toe dat het onfatsoenlijk is een meneer in de metro uit te lachen. Het is prettig dat je die dingen in een Parijse metro gewoon kan zeggen. In een Hollandse tram zijn de rapen gaar als je zo begint. Het meisje heeft een mooi gezicht, ach zoals ze haar ogen neerslaat als haar vriend aan haar oor knabbelt! Ze ondergaat het allemaal zo gelaten, ik denk dat ze het helemaal niet erg vindt als ik ook even een kusje kom stelen, ik ben toch in de buurt zeg maar, vreselijk in de buurt.

De zwarte man vertelt over zijn gitaar, die is hij kwijt en dat doet hem pijn. Hij zal altijd blijven zoeken, zegt hij. Dan gaat hij weer verder met zijn ‘Tunésie’-lied, hij speelt er heel vaardig luchtgitaar bij, hoewel daar eigenlijk te weinig ruimte voor is. Ik werp mijn kinderen een vernietigende blik toe, voor de zekerheid. Moet ik hen hier gaan uitleggen wat ‘getekend door het leven’ is en ‘vluchteling’? Ik zal rustig beginnen, als we weer boven zijn, met ‘heimwee.’ Niemand praat in de metro.

De jongen proeft nog steeds aan het oor van zijn vriendin, hij duwt haar gezicht zonder het te weten nog dichter naar mij toe. Haar lippen glanzen, staan iets van elkaar...

‘Pigalle’ zegt de mevrouwenstem luid. Mijn kinderen beginnen te grinniken. ‘We moeten er hier toch uit?’ vraagt hun lieve moeder. Zij trekt hen naar de deuren. Wij stappen uit, laten al die mensen zomaar achter.

vrijdag 29 april 2011

De Asfaltvreter

Een motorfiets heeft veel voordelen. Bijvoorbeeld, als je ergens op de motor naartoe gaat werp je iedereen een aanknopingspunt voor een gesprek in de schoot. Echt opwegen tegen het ongemak doet dit echter niet. Een ander voordeel kan ik zo snel niet bedenken, als het weer tegenzit waaien de voordelen uit mijn hoofd. Gisternacht schuilde ik een poosje onder de kap van een BP-station in Deventer. Ik tankte af en dronk een kop koffie. Op een motorfiets val je niet gemakkelijk in slaap, dat is een voordeel. Het is een takkenherrie, koud en de wind rukt aan je lijf. Probeer dan maar eens te dutten. Maar als je in slaap valt wacht de kaasschaaf je op, de frietsnijder, of hoe motorrijders de vangrail ook noemen. Ik dronk dus koffie.

Het werd droog en ik schroefde mijn oorpluggen weer in. Die pluggen, dat zijn een soort dikke blauwe wormen die je moeten beschermen tegen totaal gehoorverlies. Ik moet ze altijd een beetje vochtig maken om ze in mijn oren te krijgen. Meestal moet je er dan aan likken. Ik weet zodoende hoe belegen oorsmeer smaakt. Bitter. Nu hoefde ik niet te likken, want er lagen druppels regenwater op de tank. Ik rolde de plug erdoor en duwde hem in mijn gehoorgang. Op dat moment bedacht ik dat ik bij het tanken een scheut benzine had gemorst, en dat die kwistig over de tank had gestroomd.

Ik reed verder terwijl ik mij afvroeg hoe ik de benzinelucht uit mijn slakkenhuis moest krijgen als ik thuis kwam. Je duwt die pluggen namelijk bij voorkeur door het trommelvlies heen. Verder vroeg ik mij af wat het juiste moment zou zijn om aan mijn lieve vrouw te vertellen dat de boekpresentatie waar ik naartoe wilde in eh, Deventer was – want ik geloof niet dat ik dat gezegd had.

Soms denk ik dat ik verslaafd ben aan ongemak en trammelant. Het zou best kunnen. Maar het zou evengoed kunnen dat de avond in Deventer met Lammert Voos en de zijnen gewoon ruimschoots opwoog tegen de heisa. En als dat niet zo is, dan doen Voos' verhalen en gedichten dat wel. Voordat ik op de motor stapte las ik een paar regels. Dat doe ik altijd. Een voordeel van motorrijden is dat je die regels heel lang en eenzaam in je helm kan herhalen, tot ze bijna van jou zijn. Ik las iets over handen die gaan lijken op die van je vader.

Bij nader inzien, ik vind benzine eigenlijk wel lekker ruiken.

donderdag 21 april 2011

Don't mention the Ridderhof

De laatste competitiewedstrijd speelden wij thuis, en wij konden kampioen worden. ‘Wij’, dat zijn de E’tjes van FC Bal Op het Dak, waar mijn zoon voetbalt. Kampioen worden betekent gratis friet in de kantine en een hoop aanzien. We moesten spelen tegen de hekkensluiter, een team uit Alphen aan de Rijn.

“We maken ze af!” zei ons drie turven hoge keepertje in de kleedkamer.

Ik vond die woorden slecht gekozen. Maar vooruit, jochies van negen kiezen hun woorden niet echt, keepertjes al helemaal niet.

Er speelde een Chineesje mee bij Alphen, klein en watervlug. Als-ie de bal had keken zijn teamgenoten bewonderend toe, alsof hij op televisie was. Zijn vrije kürs eindigden meestal bij onze boomlange libero. “Als alle Chinezen zouden gaan voetballen dan hadden wij een probleem” zei een nerveuze voetbalvader naast mij. Ik dacht: als alle Chinezen een restaurant zouden openen hadden wij pas een probleem. Ik zie het probleem van voetballende Chinezen niet zo, zeker niet zolang wij nog over voldoende boomlange libero’s beschikken. De bevrijdende treffer viel, wij juichten. Vlak daarna werd het twee-nul, drie-nul, het ging ineens rap. Het Chineesje begon te sloffen.

“Wist je dat er honderd miljoen Chinezen zijn met depressieve klachten?” vroeg dezelfde voetbalvader, ditmaal opvallend opgeruimd. Ik zei dat ik dat niet wist, ik dacht: nu gaat hij zeggen “als die allemaal automatische wapens thuis zouden hebben, dan hadden we een probleem.” Hij zei het niet. Ik ook niet. Deze wedstrijd leek mij een gevalletje Don’t mention the Ridderhof, maar ik was kennelijk de enige die dat zo voelde.

Het werd 12-1 voor ons. Alphen aan de Rijn droop af, ze wilden niet eens meer penalty’s nemen. “Twaalf! Haha, wat een slachtpartij!” riep de voetbalvader. Daarna wandelde hij naar zijn zoon en omhelsde hem.


dit verhaal verscheen eerder op Torpedo Magazine

Facebookers, houd uw motieven duister!

Gisteren las ik een aardig stuk van schrijver Ivo Victoria over zeurpieten op Facebook die de laatste tijd in grote getale en met veel misbaar de stekker uit hun online leven trekken. Deze stervende zwanen ontmaskert hij als herrieschoppende narcistische nepfiguren die wij kunnen missen als klokgelui op zondagochtend. Het is zo'n betoog dat om applaus vraagt, en dat je in eerste instantie ook gul geeft. Maar daarna gaat het wringen...

Volgens Victoria zijn er twee soorten social media gebruikers: die met zuivere en die met onzuivere motieven. De eerste groep bestaat uit lui die iets willen vertellen of iets delen, omdat ze “het fijn vinden andere mensen op iets moois te wijzen”, de tweede groep dat zijn de pathologische aandachtverslaafden die erop uit zijn “complimenten te krijgen voor hun eigen vondst”. Dit zijn vaak zure bommen die zich voordoen als cocktailaugurkje, en die hopeloos verslingerd zijn aan hun eigen ego.

Mag ik u op iets moois wijzen, zonder bijbedoelingen (denk ik)? Lees Samaritaan van Anton Dautzenberg. In deze roman over een nierdonatie toont de schrijver aan wat wij natuurlijk allang wisten, maar vaak en graag vergeten: motieven zijn zelden zuiver. Zelfs als jij iets moois wilt delen als je eigen nier, verkeer je in feite in het ongewisse of hier geen egoïstisch te duiden motief aan ten grondslag ligt. Wat zijn eigenlijk zuivere motieven? En doen die motieven ertoe als je iets moois deelt – zoals een nier, of een goed verhaal of een dwaas filmpje op YouTube? Dautzenberg stelt precies de goede vragen.

Shit, ik ben ineens volstrekt onzeker over mijn motieven aangaande Facebook. Hang ik hier niet eigenlijk rond omdat ik om aandacht verlegen zit? Omdat mijn mediacoverage nul komma balletje is, en ik toch iets moet doen om straks weer een paar boeken te kunnen verkopen? Zing ik schaamteloos oude liedjes van anderen? Wat steekt er achter de drang om mijn profielfoto om de twee, drie weken veranderen? Jandorie, het zijn vragen uit het echte leven.

Ik ben het met Victoria eens dat het gezeur over Facebook op Facebook slecht te pruimen is. Het is als gezeur over het werk tijdens het werk, over gezanik over slechte seks tijdens de slechte seks (dit is zeer irritant, heb ik ooit ergens gelezen). Met ‘correct’ gebruik van social media - lees: ‘oprecht’, ‘authentiek’ en al die toverwoorden die altijd wel ergens op passen - heeft dat weinig te maken. En al helemaal niet met de herkomst van drijfveren. Beste fakers op Fakebook, houd mij voor het lapje, zolang ik mij vermaak – en houd uw motieven in het duister. Ik wil ze niet weten. Ik zal mijn best doen u hetzelfde te bieden.

vrijdag 15 april 2011

Berlin, Berlin

Berlijn is een hippe stad, zegt men. Ik denk dat men gelijk heeft, want er lopen veel jongeren met flesjes bier over straat. Ze dragen een keur aan jaren tachtig krakerskostuums. Ze kijken mij brutaal aan en lijken het helemaal niet erg te vinden dat ze nogal lelijk zijn. Ik denk dat ik mij er thuis zou voelen, als ik meer tijd zou hebben. In het reine komen met je eigen lelijkheid begint met een vreemde, klitterige haardracht. Ik ben daar nog niet aan toe, maar hier in Berlijn zou het kunnen, hier is alles mogelijk.

Berlijn is niet alleen hip, het is ook te groot om iets mee aan te kunnen vangen in drie dagen – zeker als je de tijd tussen negen en vijf in een zielloos conferentiehotel moet doorbrengen. Wij confereren over, ja, dingen, zoals de noodzaak van Intercultural Understanding voor het onderwijs op internationale scholen. Ik ben met een groepje Amerikanen de stad in gegaan. Het is niet gemakkelijk uit te maken waar wij zijn (‘is dit Oost, is dit West?’). Die muur maakte het eigenlijk wel overzichtelijk, moet ik vaststellen.

In de ultrahippe wijk Friedrichshain vinden wij een uitspanning waar de prijzen Pools zijn en het menu Pruisisch. We bestellen een Tagessuppe, en die is best binnen te houden. Er gaat nogal wat bier door de keelgaten, en nobody mentions the war. Weer buiten gaan de Amerikanen op zoek naar een straatnaambordje, dan kunnen ze de volgende dag in dezelfde Stube dezelfde overheerlijke Staatsmaaltijd nuttigen, met Sauerkraut, veel uitgebakken vetspek en Tagessuppe. Eindelijk vindt een van de Amerikanen een blauw bord. “Look here, it’s the Einbahnstrasse.” Hij neemt snel een foto met zijn iPhone.

Even later zijn wij de weg kwijt. Het is maar goed dat destijds de Russen Berlijn hebben veroverd – het Amerikaanse leger zou er volstrekt in diaspora zijn geraakt. “All these f*cking streets are called Einbahnstrasse!” roept de Amerikaan, “is that one of these innovations of Hitler’s?”

Met behulp van een stadsplattegrond breng ik ze de volgende dag weer naar hetzelfde restaurant, daarna vlucht ik diep donkerzwart en alternatief Berlijn in. Hier vertel ik verder niets over, het gaat geen mens aan, hoe men daar mojito’s dronk uit autobanden.

Later vertellen de Amerikanen mij dat ze opnieuw Tagessuppe hebben gegeten, en dat zij op hoge poten de ober ter verantwoording moesten roepen. Dat doen ze niet graag, verzekeren zij mij, maar dit was totally unacceptable: het bleek een heel andere soep te zijn.

Morgen is er nog één workshop over Intercultural Awareness, een sessie van vijfeneenhalf uur waar wij het hotel niet voor hoeven te verlaten. Daarna krijgen wij allemaal een certificaat.


(met dank aan Chris Ellison)

woensdag 6 april 2011

Stupid Little Dreamer

Toen ik elf was kocht mijn moeder een LP van de Britse band Supertramp. Dit was een bijzondere gebeurtenis, want mijn moeder kocht nimmer platen en mijn vader draaide uitsluitend klassieke muziek. Mijn moeder was lerares godsdienst en maatschappijleer op de Elburgse ‘huushoudskoele’, en ik weet niet voor welk van die vakken ze Supertramp wilde gebruiken, maar het is een feit dat ze in één van haar lessen het nummer Dreamer wilde laten horen. Daar had ze iets over gelezen. Stad en land werd afgezocht en uiteindelijk kocht ze in Zwolle voor vierentwintig gulden de hele LP waar dat nummer op stond. Ja, andere tijden.

Ze kopieerde het liedje op een cassettebandje - wat nog een heel gedoe was - en ik kreeg de plaat, omdat ik daar om vroeg. Er moest voor mij een oude pick-up van zolder komen. Jaja, vroeger begon het leven met een oude pick-up van zolder, lieve kinderen. Ik gaf nog niet veel om popmuziek, maar dat liedje had me bij de kladden. Het ging namelijk over mij – zoals alle goede liedjes, zo leerde ik later.

Het was de tijd dat ik in de ban was van dinosaurussen (ik was met alles laat). Dinosaurussen geven problemen, dat is algemeen bekend. Het kwam erop neer dat ik werkte aan een theorie die zowel recht deed aan de inzichten van Darwin als aan het scheppingsverhaal. Daar moet je elf voor zijn, anders gaat het niet. “Dreamer, you stupid little dreamer.” Centraal in mijn theorie stond het idee dat bij God duizend jaar als één dag was. Zo werd een miljoen kalenderjaren teruggebracht tot drie Godsjaren. Ik vond dat een geweldige vondst en was erg tevreden over mijzelf. Maar sluitend kreeg ik de boel niet, er bleven veel losse eindjes. Ik reikte naar iets waar ik niet bij kon, wilde het vuur van de goden stelen. Het was reuze opwindend.

Eigenlijk wilde ik over iets anders schrijven, namelijk over de bezieling die mijn moeder kennelijk aan de dag legde om een doodgewoon lesje op een dorpsschool interessant te maken, om een stel tamelijk hersenloze grieten te bezielen, meiden die geen ambitie hadden dan die middag achter op een glimmende brommer van een LTS-jongen terecht te komen. Laat geen literator bij mij aankomen met verhalen over zijn toewijding en opoffering, en al helemaal niet met gedichten! Die plaat heeft haar meer geld gekost dan wat ze verdiende met die ene les. Ik weet ook niet of het een goede les is geworden, maar ik kan u vertellen dat die juf tot voorbij haar zestigste op die school is gebleven en dat men van haar hield.

Ik wist dat toen allemaal niet, wat konden mij zulke dingen schelen? Ik zat thuis, begon mij voor steeds langere periodes op te sluiten op mijn kamer, met die ene plaat, die beslist ver uitstak boven het doorsnee tienergejammer. Het was muziek die reikte naar iets waar ik als Dromer ook naar wilde reiken. “Hide in your shell, ‘cause the world is out to bleed you for a ride”, maar ook: “You can be anything you want boy”. Die domme kleine dromer is altijd in mij blijven sluimeren. Soms geef ik hem een tik op zijn kop.

vrijdag 1 april 2011

Een koele hand in de nek

Groeten is iemand ‘als mens herkennen’. Dit heb ik iemand die zulke dingen weet een keer horen beweren. Als het waar is ben ik vanochtend tussen kwart over acht en half negen door vijf personen als mens herkend. Ik bevond mij op het schoolplein en joeg mijn kinderen de school in. Vijf ouders groetten mij, of ik groette hen, dat weet ik niet meer. Vijf, dat vind ik niet heel veel. Je kan ook zeggen dat er driehonderd mij negeerden, of mij als slingeraap of als grotsalamander herkenden, maar dat zou een erg narcistische redenering zijn. Het negeren was tamelijk wederzijds, en je kan ook niet aan de gang blijven.

Ik bedacht ooit een variant waarvan ik toentertijd vermoedde dat-ie beter klopte: groeten is laten weten dat je iemand niet zal vermoorden, althans niet vandaag, althans niet nu ter plekke. Het lijkt aartssomber, maar dat is het helemaal niet. Het is zelfs een buitengewoon optimistische variant. Een stuk geruststellender ook dan dat ‘als mens herkennen’, want er zijn genoeg lui die mij als mens herkennen, maar die mij evengoed zouden kunnen vermoorden. Misschien zouden ze het zelfs wel graag willen. De schooldirecteur groet overigens iedereen bij de deur. Iedere dag. Hij heeft veel vijanden.

Als ik deze theorie verder doorvoer, moet ik vaststellen dat er heel wat mensen zijn die grotere overlevingskansen hebben dan ik. Een paar kekke moedermeisjes groet wel dertig keer tijdens dat loopje van het hek naar de schoolpoort. De één wordt een knikje gegund, de ander omhelsd. Ze lopen echt te flaneren, op de catwalk van rubberen veiligheidstegels. Als ze uitbundig de tijd voor je nemen willen ze met je naar bed. Dit heb ik van horen zeggen. De directeur geven ze een vriendschappelijk likje over zijn gezicht. Hun kinderen komen verder in de wereld, dat staat vast. Ik ben nog nooit omhelsd op het schoolplein en van uitbundig gedoe wordt ik nerveus. Het is het me niet waard ook. Ik groet waar dat gewenst is, en kijk verder recht vooruit, naar mijn wekelijkse dag van eenzaamheid, de dag waar ik zo naar kan verlangen.

Ik ben graag alleen, maar vermaken doe ik mij zelden. Alleen zijn is voor mij een soort kermisattractie die je niet bijzonder leuk vindt, maar waar je toch steeds weer in wilt. Alleen zijn is het spookhuis. Ik ga lekker in zo’n gondeltje zitten en groet al mijn angsten. Ik wacht op het hoogtepunt: het moment dat de onbekende en onzichtbare spookhuismedewerker zijn hand in mijn nek legt. Nee, het is niet eng. Die hand knijpt je keel niet dicht, die hand doet niets. Hij laat weten mij niet te zullen vermoorden. Het is een heel kort moment, en het geeft veel troost. Ik ontspan, Wees niemand tot last, gebiedt de hand, wees geen bron van ergernis, voel je gesteund, en ga als de donder aan de slag, want alleen als je werkt kan je met jezelf leven. De hand verdwijnt in het donker, zonder te groeten.

Een koele hand in de nek. Dat ga ik morgen op het schoolplein proberen. Een hand die de ander als mens herkent. Ik begin met de directeur. Als dat geen nieuwe trend wordt.

vrijdag 25 maart 2011

dankjewelvoorhetspelen

Ik moest mijn dochter ophalen bij een vriendje. "Jij moet weg" zei het zesjarige joch, "jij bent stom." Hij stond bovenaan de trap en schoot een plastic pijltje naar mijn hoofd, zo’n quasi-ongevaarlijk ding met een zuignap op de plek waar een punt hoort. Die punt dacht dat kind er bij, dat zag ik in zijn ogen.

De vader stond even verderop iets te doen met een gebraden kip op een bakplaat. Hier laat ik de details achterwege. Ik weet zeker dat hij de schermutselingen had gezien en gehoord, maar verkoos te doen alsof allereerst die kip eens goed opgevoed moest worden.

Het joch schoot nog een pijl. Mijn dochter lachte besmuikt. Ik beet haar toe dat ze direct de schoenen moest aantrekken. Ik ben echt een pedagogisch wonder, moet u weten. Door mijn eigen kinderen af te snauwen laat ik buitenstaanders weten dat er met mij niet te spotten valt.

Het joch kreeg een opdracht, van zijn vader. Hij moest ook de schoenen aan doen, het was tijd voor zwemles. Maar dat ging niet gebeuren. Echt niet. Het kind begon te drenzen en te jammeren. Het duurde heel lang. Mijn dochter had de schoenen en de jas al aan. “Ik tel tot drie” zei de vader te langen leste, “en dan sta jij beneden”.

Leer mij de lui kennen die tot drie tellen om iets in gang te zetten. Je kan er veilig vanuit gaan dat er niets gebeurt bij drie, noch bij driehonderd of drieduizend. Ze halen de drie niet eens, bang voor gezichtsverlies stokken ze bij twee. "Een... twee.... en NU luisteren, anders..." Anders wat? Tel je nog een keer tot drie? Damn, dad, we are shitting our pants. Vader ging de jongen dus maar halen, greep hem vast na een korte achtervolging waarbij geschreeuwd en gehuild werd. Het liefst was ik de tent uit gevlucht, maar men dient toch fatsoenlijk afscheid te nemen nietwaar? Ik ben niet alleen een pedagogisch mirakel, ik ben eigenlijk soort heilige, gespecialiseerd in zelfkwelling, ik ben Sint Sebastiaan, het lijf vol pijlen met zuignappen. Het kind gaf de vader twee meppen voor zijn hoofd. “Pas op Daan” zegt hij, “pas op hoor”, en daarna, “ik begrijp het wel, maar het kan niet anders, het is jammer dat je op maandag...” Ik dacht: hoera, vader begrijpt het. Begrip is de brandstof van de onderhandel-opvoeding, mijnheer, die lange tragedie die ten slotte eindigt in de verzorgingsflat, als Vadertje Spijt de enige is die u nog komt bezoeken.

“Het is jouw schuld dat we op maandag naar zwemles moeten” schreeuwt het joch. “Ja ja, alles is papa’s schuld natuurlijk, hahaha” schampert vader in mijn richting. Op mijn bijval hoeft hij niet te rekenen, ik heb de pest aan precies dit soort genante ironie van intellectuelen. Ik laat mijn dochter dank-je-wel-voor-het-spelen zeggen en vlucht het huis uit. Het is een rijksmonument, zie ik als ik buiten sta. De types die per se in rijksmonumenten willen wonen zijn meestal niet degenen die zo’n pand, en hun leven, een beetje proper kunnen houden.

vrijdag 18 maart 2011

Boekenbal 2011 (sorry)


Als alle schrijvers over het Boekenbal gaan schrijven wordt het natuurlijk een janboel. Misschien wordt het zelfs wel knokken. Ik denk dat schrijven over het Boekenbal maar één keer leuk is, net als het Boekenbal zelf. Dat laatste weet ik ook niet zeker, ik vermoed het alleen maar. 

Om te beginnen, ik heb het VIP-kaartje van Vonne van der Meer. Ja, zo kan ik het ook, denkt u. Precies wat ik denk. Maar wel heel sympathiek, ik mag zelfs naar het voorprogramma. Pal voor mij zit Franca Treur. Die hoeft niet op het kaartje van een ander, terwijl zij toch ook maar één boek heeft geschreven. Ze heeft pijn in haar rug, zo lijkt het, want ze zit maar te schuiven en eraan te voelen. Nog voor het goed begonnen is staat ze al op. Bij ons thuis is zoiets onacceptabel, en ik weet zeker dat het in de gereformeerde kerk ook niet echt gewaardeerd wordt. Ze draagt trouwens een heel vreemd jasje met het soort klittenbandsluiting dat je wel eens ziet bij kampeeruitrustingen. Ze loopt moeilijk, maar ze is niet de enige vrouw die moeilijk loopt vanavond. Ik zie haar niet meer terug, wat mij zeer spijt – haar date is zanger/cabaretier Lucky Fonz III, die wel overal opduikt. Ik hoop maar dat haar rug het houdt vanavond.

Ik verbeeld mij dat ik Youp van ’t Hek in de richting van een camera hoor zeggen “je moet het Boekenbal leven alsof het je laatste dag is”. Youp ziet er in zijn zalmroze streepjespak uit als een verlopen clown die hard toe is aan zijn laatste dag. Ik denk dat het Boekenbal niet om door te komen is, als je niet doet alsof het je Eerste is. Ik zie dat aan al die Overbekende Nederlanders die heel geroutineerd dat oude advies van Mulisch opvolgen: verzamel een hofhouding van een man/vrouw of zes om je heen, beweeg daarna niet meer. Anders loop je collega’s tegen het lijf, en dat is verschrikkelijk, al die schrijvers die je haat, veracht en bovendien waarschijnlijk nog nooit hebt gelezen. Er zijn ook jongere lui, die doen niet zo moeilijk. Ze zijn allemaal fan van elkaar en zeggen de hele tijd dat ze elkaars boek geweldig vinden en dat ze vast van plan zijn het binnenkort ook echt te lezen.

Ik loop langs al die clubjes, met twee glazen bier in mijn hand. Een om uit de drinken, en één om de indruk mee te wekken dat ik iemand een biertje moet brengen. Houd je blik op de horizon, daar waar het tapijt roder is, daar waar je altijd bekenden mag vermoeden.
Ik voel me hoe langer hoe ongemakkelijker. Ik begin aan het tweede biertje. Nu val ik door de mand, denk ik, maar hier kijkt niemand ergens van op. Het schijnbare gemak waarmee iedereen onalledaags loopt te zijn begint mij te beklemmen. Panache alom, met een vleugje obligate platvloersheid – er zijn veel cabaretiers, heel veel – en iedereen loopt langs Hans Keilson met een blik van “wat doet die halve dooie in die rolstoel hier? Die zou er anders met geen enkel deurbeleid in zijn gekomen.” Ik wil iets aardigs tegen hem zeggen, maar ik weet niets te verzinnen, ik heb zijn boek niet gelezen.
Gelukkig kom ik Ellen Heijmerickx tegen. We kennen elkaar van ‘vroeger’, van VPRO’s 1000 woorden. “Het is te tuttig voor woorden,” zegt ze, “maar mijn man en ik werken in dezelfde bloemenzaak.” Dat zij dit zegt ontspant mij zo dat ik haar wel wil omhelzen.
Ik kom ook nog een oud-leerling tegen. Ze is ‘met haar vader’ en ze is veruit de bekoorlijkste verschijning van het bal. Ze herkent mij, en herinnert mij eraan wat ik ben en misschien altijd blijf: een leraar – één die in DWDD is geweest (want dat had ze gezien), maar een leraar. Hierna gaat het iets beter met mij.

Het is 1:30. Ik heb vier blauwe munten over. Daar kan ik nog één keer twee bier voor kopen. Nee, ik houd ’t voor gezien. Dat Kader ook aftaait verleent mijn vertrek iets verschoonbaars. Wij hebben het allebei niet gemakkelijk, Kader en ik. Wij hijsen ons zwijgend in onze jassen. Er is niemand die ons helpt.

maandag 14 maart 2011

Om te janken

Je hebt wel eens mensen die je een film aanbevelen door te zeggen “ik heb toch zooooo gehuild!” Ze zeggen het ook altijd op een manier alsof ze het een grote geestelijke prestatie vinden, huilen om een film, alsof het getuigt van een rijk en bloeiend gevoelsleven. Ik vind huilen om een film helemaal geen prestatie. Ik heb nog nooit echt gehuild om een film, dat vind ik trouwens evenmin een prestatie. Diep geraakt, dat ben ik heus wel eens, oeioei wat kan zo’n film soms hard binnenkomen. Geen kwaad woord over mijn gevoelsleven dus.

Ik zal het maar bekennen, ik heb onlangs zitten janken bij de slotscène van The King’s Speech, met Colin Firth, godbetert. Ik beet op mijn tong en schudde zowat in m’n stoel. Dat is niet best, janken om een meneer die wij thuis diep vanuit de keel “Mr Darcy” noemen, die een doorsnee oorlogstoespraak aflevert, en dat ook nog eens doet als een kleuter die zijn eerste spreekbeurt over konijnen hakkelt. Ik zal u zeggen, het was de schuld van Beethoven. Die filmboeven hadden onder de speech het Allegretto uit de Zevende Symfonie gezet. Als de koning zijn belastingformulier zou hebben voorgelezen zou het nog om te gillen zo ontroerend zijn geweest.

Zo zat ik dus te snotteren om een koning die zijn tekortkoming overwint, terwijl hij weet dat hij er nooit van verlost zal worden. Of was het om die lieve stotter-therapeut (Geoffrey Rush) die zijn eigen onbeduidendheid voor even wegvaagde door andermans woorden te dirigeren alsof het, ja, Beethoven was? Allemaal de schuld van Beethoven. Man, honderd woorden voor janken zat ik daar uit te vinden, en ik dacht: het is niet eerlijk. Ik kan nooit iets schrijven en daar dan voor de lezers Beethoven onder zetten, zodat de tranen hen over de wangen stromen.

Ik heb geloof ik nog nooit gehuild om een boek, maar wel vaak bijna. Ik denk dat het hier op aan komt, als je schrijft: dat je de mensen bijna aan het wenen krijgt. Veel schrijvers brengen zichzelf aan het wenen, en als je dan leest wat ze schrijven lach je je te barsten. Maar dat terzijde. Of het mij ooit zal lukken om de mensen aan het wenen te brengen? Ik ben bang dat ik tekort schiet. Ik heb muziek nodig. Muziek, anders wil het niet! Ach, ieder gebrek heeft zijn gek nodig, om het gebrek een gezicht te geven.

Woensdag zat ik bij La Bohème in Teatro La Fenice (dit schrijf ik op om een beetje mondain over te komen) en wederom moest ik huilen bij de dood van Mimi, of liever, bij de wanhoop van Rodolfo. Of nog preciezer: bij het cis-mineur akkoord, dat via E, fis en B7 belandt in een kwintvalsequens, enz... vroeger veronderstelde ik dat wanneer je muziek kundig aan scherven analyseerde er nooit meer om zou hoeven huilen, dat je als het ware controle kreeg over je jankorgaan. Maar als je ouder wordt leer je dat je eigenlijk nergens controle over hebt, en al helemaal niet over je organen.

Vannacht huilde ik in mijn slaap. Nee, niet echt, ik geloof dat ik het inhield, dat ik het wel graag wilde, maar toch inslikte. Ik weet niet of Beethoven eraan te pas kwam, en ook niet of ik een tekort overwon. Ik denk het niet. De hele nacht heb ik ‘toch zooooo niet gehuild.’ Toen ik wakker werd bleef de aandrang hangen, maar ik hield mij in, want mijn vrouw lag naast mij, en ik wil niemand tot last zijn.

Ja dat heb je wel eens. Nu ga ik mijn kop in de vissenkom steken om te kijken of de guppies nog een beetje gelukkig zijn.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"