De Koningsspelen hebben het maar weer eens aangetoond:
gymleraren kunnen goed organiseren en spelletjes bedenken. Van slecht weer raken
ze niet van hun stuk. Organiseren, spelletjes bedenken en omgaan met slecht
weer zijn mijn zwakke punten. Het is soms maar goed dat er gymleraren zijn.
In Annie Hall zegt
Woody Allen iets lelijks over gymleraren: ‘those who can’t, do teach, and those
who can’t teach, teach gym.’
Ik zou het Woody Allen wel eens willen horen zeggen ten
overstaan van onze zeer populaire gymleraren, in de koffiekamer. Daar zitten
zij met zijn allen, in trainingspak, op de diepe, L-vormige doorzitbank. Nou,
zeg het maar Woody, wat had je op je lever?
Ik ken collega’s die het groepje gymleraren bedreigend
vinden, ze zijn bang dat ze er niet ongeschonden langs komen in de ochtend. Als
ze je aanspreken moet je snel en dodelijk zijn als een Poolse spits. Je hebt
wel eens een nieuweling met teveel zelfvertrouwen die zich voor die bank
posteert, de bril rechtzet, zijn ruitjesoverhemd in zijn broek stopt, en zegt:
‘zo, lekker actief hier, die gymdocenten!’ Een minuutje later heeft hij spijt.
Spijt dat hij het gezegd heeft, dat hij een ruitjesoverhemd aan heeft, en dat
hij deze baan heeft aangenomen.
Het begrip ‘dynamische persoonlijkheid’ kan je ineens
begrijpen als je gymdocenten ziet dollen met elkaar. Die sterke band hebben ze
gesmeed door samen leuke dingen te doen. Voor hen zijn leuke dingen sportieve
of dwaze dingen die bij andere docenten tot ernstige blessures zouden leiden,
zoals waterskiën, freestyle fietsen, paragliden, en andere mogelijke
doodsoorzaken.
Wat ik zeer waardeer in gymleraren: ze mopperen niet over
leerlingen. Andere leraren worden doodmoe van leerlingen, en dat zeggen ze ook dikwijls
in de koffiekamer. Ik begrijp dat wel, maar toch is het een beetje als een
stratenmaker die zegt dat hij moe wordt van al die stenen. Het heeft iets, ja,
Woody-Allen-achtigs.
Gymleraren klagen niet. Als ze problemen hebben met een
leerling zetten ze hem derde honk of laten ze hem speervangen. Daarna wordt er
gelachen en op schouders geslagen. Die manier van doen maakt dat ze een goede verstandhouding
hebben met hun leerlingen. Bij een gymleraar kan je uithuilen, je kan mopperen
over die zuurpruim van Wiskunde en die heks van Frans. Je kan met ze over
voetbal lullen zonder dat je aan ironie hoeft te doen. Wij, gewone stervelingen
die nooit zo cool als gymleraren zullen zijn, en die ook niet kunnen
organiseren en spelletjes bedenken, moeten ons maar troosten met de woorden van
Woody Allen. Of hij gelijk heeft? Ik zeg niets. Ik moet binnenkort weer langs
die L-vormige doorzitbank lopen. Als het geen vakantie was, had ik dit stukje
niet eens durven plaatsen.


