vrijdag 24 mei 2013

Sufferdjes en Helden (Trouw column 23 mei)


Achterin de examenzaal zitten de woordblinden, keurig bij elkaar in een soort getto, uit praktische overwegingen. Vanaf het moment dat ze moesten leren lezen voeren deze kinderen een bittere strijd met dansende en muitende woorden. De wilskracht die een dyslectisch kind moet opbrengen in die strijd – iedere dag opnieuw – is aanzienlijk, ook al krijgen ze extra tijd en soms een groot lettertype. Ik noem ze altijd ‘De sufferdjes’, doch alleen als ze begrijpen dat het een geuzennaam is. 

Op het examen mogen de sufferdjes met een laptop werken. De man die dat allemaal in goede banen leidt is Rob. Rob is zeer belangrijk voor ons, hij zorgt voor de computers op school. Een zware taak. Rob heeft altijd een wat verbaasde uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij nog altijd niet kan geloven dat computers stukgaan, en dat mensen daar boos over kunnen worden. Het is ook een manier het hoofd boven water te houden.

Tijdens de examens zit Rob helemaal achter in de hoek. Er staat een computerkast, een printer, en weet ik het al – en van daaruit waakt hij over het getto van sufferdjes. Hij doet mij altijd denken aan een anesthesist die eerst iedereen in slaap sust en daarna rustig zit te wachten tussen zijn dure spullen. Een wegennet van elektriciteitssnoeren (dit is geen fijn woord voor een dyslectische leerling) loopt over de vloer, en alle snoeren leiden van de leerlingentafeltjes naar het commandocentrum van Rob.

Gewone surveillant raken in paniek van al die snoeren en computers. Papiervingers en pisvingers kunnen ze handelen, maar een computer is een ander bordje vla. Over snoeren kan je vallen. Computers kunnen crashen, ontploffen, opstijgen, of erger: als ze niet opletten zit een leerling misschien zomaar op internet! God verhoede het.

En dan is er nog de spraaksynthese software. Iedere ochtend worden de examenopgaven op de computer van pdf-bestanden geconverteerd in computerspraak, voor de zware gevallen van dyslexie. Wij werken op school met het programma Kurzweil 3000. Die naam doet mij denken aan een Harry Potter wedstrijdbezem, maar het is nochtans een geweldige innovatie. Woensdagmiddag is Frans aan de orde op het havo. Er blijken zowaar drie dyslectici te zijn met Frans in hun pakket. Wauw! Frans, als dyslecticus. Dan ben je geen sufferdje meer, dan ben je een sufferd-eerste-klas.
Een enorme held, in andere woorden. Net als onze Rob.

woensdag 22 mei 2013

Geschiedenis is nooit saai (Column Trouw 22 mei)


Er zwemmen eenden in de plassen op het sportveld. Het is koddig om te zien, maar niet leuk voor de gymleraren. Binnen gymmen kan niet tijdens de examens. Na twee uur dapper buikschuiven op het zeiknatte veld nemen de gymmers een moedige beslissing: Theorieles. In een lokaal. Over honkbal. The Art of Fielding. De rest van de week kunnen cricket, lacrosse en onderwaterschermen nog aan bod komen maar daarna moet het echt droog worden. 

Ondertussen is het prima weer voor een examen. Geen jongmens zal verlangend naar buiten staren tijdens het leren. Boeken zijn ineens een serieus te nemen vorm van tijdverdrijf. En dat komt goed uit: Dinsdag is Geschiedenisdag.

Met speciale interesse volg ik het examen Geschiedenis. Dat is omdat ik geschiedenisboeken meestal kan begrijpen, maar ook omdat ik van de ambivalentie in het vak houd, de mogelijkheid, of zelfs de noodzaak, om vanuit verschillende gezichtspunten naar de feiten te kijken. 

De onderwerpen dit jaar zijn De Republiek in een tijd van vorsten, en De Verenigde Staten 1865-1965. Als u dat saai vindt klinken wil ik dat weerspreken. Geschiedenis is nooit saai. Geschiedenis gaat altijd over strevende, falende, vechtende, vluchtende, konkelende, overmoedige of laffe mensen en hoe zij hun tijd en ruimte vorm geven, of erdoor vermalen worden. Als dat niet boeiend is vreet ik mijn veertiendelige Atlas van de Wereldgeschiedenis op.

Na mijn surveillancedienst kom ik historicus Roen tegen. ‘Zitten er nog leuke bronnen bij?’ is het eerste wat hij vraagt. Ik begin meteen illegaal te lekken over de opgaven. Er waren twee politiek getinte brieven van Alva afgedrukt, in de ene brief toont hij zich mild en berouwvol, in de tweede een bloeddorstig tiran. De vraag is hoe dit verschil in toon is te verklaren. Twee gezichten van Alva. Schitterende vraag. 

De schokkendste bron is een tekstje uit een Amerikaans schoolboek uit 1931, over bevrijde slaven. ‘Ze begonnen te stelen en te plunderen. Veel onnozele negers dachten dat het eigendom van hun vroegere bazen van hen was.’ Het punt dat zich opdringt is krachtig en zal leerlingen weten te raken. Er ontstaat bij ons in ieder geval meteen een discussie in de koffiekamer. In hoeverre is de inhoud van ónze schoolboeken eigenlijk universeel en waardenvrij?  

Ondertussen schuift een gymklas een lokaal in voor de eerste theorieles. De regen gaat over in druppen.

maandag 20 mei 2013

Pisvingers (Column Trouw Zaterdag 18 mei)


Het is half drie ‘s middags. Ik heb vier lessen gedraaid. Drie daarvan heb ik gewonnen, en ƩƩn is geĆ«indigd in een gelijkspel. Nu moet ik surveilleren. Ik open de deur van de sporthal en glip naar binnen, geen leraar maar een surveillant, een man zonder eigenschappen, niet meer dan een zuchtje wind. 

Ik stap in het vacuüm van stilte. Ik sluip naar het podiumpje voorin de zaal, potdorie ik ben nog hoofdsurveillant ook, de generaal, de man die de rode lamp aan moet knippen, de rode lamp die verordonneert dat de leerlingen de zaal niet meer mogen verlaten, een kwartier voor tijd.

Ik zit voor een voetbaldoeltje. Helemaal achterin de zaal staat nog zo’n doeltje. Daar zit Anton, de andere surveillant. Zittende keepers zijn wij. Doelwachters. Aan de orde is Wiskunde voor het havo. Vier lessen, honderdtien kinderen, een lokaal vol herrie, en nu: die zachte stilte. Zachte, zachte stilte...
Nu mag ik niet in slaap vallen! Ik moet waakzaamheid uitstralen. Een sfinx worden. En vooral niet in slaap vallen. Rondkijken. Vingers in de gaten houden. 

Er zijn twee soorten vingers: papiervingers en pisvingers. Alleen een geoefende surveillant kan die twee uit elkaar houden. Hoog geheven vinger: ‘ik moet plassen’. Nonchalant vingertje: ‘extra papier graag.’ Goed opletten, geen vingers missen. Niet in slaap vallen. Anton zit achter zijn tafeltje met zijn vuist onder zijn kin, als De Denker. Misschien slaapt hij wel, het is niet te zien. Ik ga precies zo zitten als hij. Niet. In. Slaap. Vallen...

Ik zie een voetbal liggen, vlak voor me, op de gele lijn. Hoe is dat mogelijk? Ik kijk naar de bal, ik kijk naar Anton, de denkende doelwachter. Ik sta op van mijn stoel, neem een aanloop, op mijn tenen. BAM. Ik schiet de bal loeihard door de zaal, helemaal naar de overzijde, raak Anton vol in zijn gezicht, hij valt van zijn stoel en rolt met bal en al het doel in. 1-0! Alle kinderen gaan tegelijk staan, ze klappen en joelen. Daarna keert de rust terug.

‘Psssst! HĆ©!
Anton staat voor mij. Hoe kan dat? Hij kijkt zeer streng.
‘Sliep je?’
‘Huh, nee, natuurlijk niet.’
‘De rode lamp moet aan.’
Ik wrijf in mijn ogen. Ik zie twee pisvingers. Het lijkt wel alsof ze naar het plafond willen reiken. Twee vingers die mij iets toeschreeuwen. 

Het is kwart voor vier.

donderdag 16 mei 2013

Fries, Fins, Amhaars (Column Trouw 16 mei)


Op het eerste gezicht vallen de overeenkomsten op. De tafeltjes, ruim een meter uit elkaar geplaatst, hoofden gebogen boven het werk - de aanblik van een illegaal naaiatelier, zonder geluid. En zonder illegalen. 

Deze leerlingen zijn al twee weken bezig. Zij zaten hier al toen heel Nederland vakantie vierde en de koning toezong. Tweede Pinksterdag? Geen genade. Op Hemelvaartsdag stond wiskunde op het programma. Je hoort ze nauwelijks klagen, deze leerlingen, gedreven internationals die over een jaar of tien onze wereld mogelijk ingrijpender zullen veranderen dan onze Hollandse kinderen. 

Deze week waren de examens Koreaans, Ests, Fins en Amhaars. Amhaars, voor uw informatie, is de officiĆ«le taal van EthiopiĆ«. Vorig jaar waren er kandidaten voor Perzisch, Farsi en Hebreeuws –taal en literatuur. Het plaatst ons kernvak Nederlands, waar kandidaten worden afgescheept met een paar meerkeuzevragen en een samenvattinkje, en waar zo plichtmatig over geklaagd wordt (20.000 klachten), een beetje in perspectief.

Op het IB wordt iedere taal aangeboden op een hoger (moedertaal) niveau en op een standaard (taalacquisitie) niveau. Ook kan de leerling kiezen uit intensieve studie van de literatuur van een taalgebied of een mix van literatuur en spreek-, luister- en schrijfvaardigheid. Beste talendocenten in dit land, hoor ik u daar nu tandenknarsen, likkebaarden, kreunen van jaloezie? Diversiteit, en een centrale plaats voor literatuur – ziehier de pijlers van het IB. Deze week luisterde ik naar de meest recente TED-speech van onderwijsgoeroe Ken Robertson. Hij deed de volgende vaststelling: ‘education is not based on diversity, but on conformity.’ Dat mogen we ons hier aantrekken. Ik geloof dat het onderwijssysteem van het IB een aantal kabinetten voorloopt op het onze. Althans, ik hoop het. Ik hoop het vurig.

dinsdag 14 mei 2013

Tien Geboden zijn niet genoeg (Column Trouw 14 mei)


Tien minuten voor de officiĆ«le opening van het examen sta ik in de sporthal. Bijna iedereen zit al. Niemand spreekt. Dat is merkwaardig, want leerlingen praten altijd en houden daar pas mee op als je het vraagt. Nu vraagt niemand het. Niet nodig. Het is de spanning van de premiĆØre. Bij de ingang van de zaal staat een kartonnen doos waar mobiele telefoons in gedropt moeten worden – voor wie het ding per ongeluk nog in zijn broekzak had. Bij de ingang staat ook Madeleine, de docente Nederlands, om de laatste leerlingen een hart onder  de riem te steken. ‘Succes, en denk aan wat ik gezegd heb hĆØ!‘ ‘Wat heb je gezegd?’ vraag ik. Ze wuift het weg. Het is teveel, vermoed ik, teveel voor mij. ‘Weet je, ik zou op dit moment wel in hun hoofden willen kruipen!’ Laurens loopt langs. Vroeger was hij Gothic, maar dat is voorbij.  Hij heeft een pakje sigaretten in zijn borstzak, waarschijnlijk om er zodra hij die zaal weer uit mag meteen de brand in te steken.

Het bijna half twee. Waar is Rshaart? Rshaart komt van ver, uit Nieuw-Vennep, hij heeft het laatkomen tot kunst verheven. Daar is Rshaart! De hele zaal slaakt een zucht van verlichting. Bij de ingang laat hij twee blikjes cola op de vloer vallen, daarna zijn tas met koekjes. Het blijft stil.

Dan neemt de rector de tijd om het reglement voor te lezen. De Tien Geboden van het examen. De Tien Geboden zijn er vijftien. Tien is misschien toereikend in het gewone leven, niet bij een examen. Het is een heel verhaal, maar de aandacht van de leerlingen blijft tot het uiterste gespitst. Als de rode lamp brandt mag je de zaal niet uit. Je mag ‘niet zomaar gaan lopen’, een wc-bezoek moet worden gemeld door middel van handopsteking. Eindelijk, gebod vijftien: ‘Meegebrachte etenswaren mogen worden genuttigd, mits het openen van de verpakking niet leidt tot geritsel en gekraak.’ Dan gebeurt het. Een merkwaardig geluid stijgt op uit de zaal, het ritselt, knispert en kraakt in honderd toonaarden. EĆ©n ritselend snoeppapiertje is ƩƩn ritselend snoeppapiertje. Honderd papiertjes, dat is een postmodern muziekstuk. Het is fantastisch. Het duurt een halve minuut, en niemand spreekt een woord. De verpakkingen zijn geopend. Het examen is geopend.

Ik werp een blik in de opgaven voor het vak Nederlands. De titel luidt: ‘We moeten het zelf doen.’ En zo is het.

vrijdag 3 mei 2013

Gymleraren (Trouw Column 1 mei)


De Koningsspelen hebben het maar weer eens aangetoond: gymleraren kunnen goed organiseren en spelletjes bedenken. Van slecht weer raken ze niet van hun stuk. Organiseren, spelletjes bedenken en omgaan met slecht weer zijn mijn zwakke punten. Het is soms maar goed dat er gymleraren zijn.

In Annie Hall zegt Woody Allen iets lelijks over gymleraren: ‘those who can’t, do teach, and those who can’t teach, teach gym.’
Ik zou het Woody Allen wel eens willen horen zeggen ten overstaan van onze zeer populaire gymleraren, in de koffiekamer. Daar zitten zij met zijn allen, in trainingspak, op de diepe, L-vormige doorzitbank. Nou, zeg het maar Woody, wat had je op je lever?

Ik ken collega’s die het groepje gymleraren bedreigend vinden, ze zijn bang dat ze er niet ongeschonden langs komen in de ochtend. Als ze je aanspreken moet je snel en dodelijk zijn als een Poolse spits. Je hebt wel eens een nieuweling met teveel zelfvertrouwen die zich voor die bank posteert, de bril rechtzet, zijn ruitjesoverhemd in zijn broek stopt, en zegt: ‘zo, lekker actief hier, die gymdocenten!’ Een minuutje later heeft hij spijt. Spijt dat hij het gezegd heeft, dat hij een ruitjesoverhemd aan heeft, en dat hij deze baan heeft aangenomen.

Het begrip ‘dynamische persoonlijkheid’ kan je ineens begrijpen als je gymdocenten ziet dollen met elkaar. Die sterke band hebben ze gesmeed door samen leuke dingen te doen. Voor hen zijn leuke dingen sportieve of dwaze dingen die bij andere docenten tot ernstige blessures zouden leiden, zoals waterskiĆ«n, freestyle fietsen, paragliden, en andere mogelijke doodsoorzaken.

Wat ik zeer waardeer in gymleraren: ze mopperen niet over leerlingen. Andere leraren worden doodmoe van leerlingen, en dat zeggen ze ook dikwijls in de koffiekamer. Ik begrijp dat wel, maar toch is het een beetje als een stratenmaker die zegt dat hij moe wordt van al die stenen. Het heeft iets, ja, Woody-Allen-achtigs.

Gymleraren klagen niet. Als ze problemen hebben met een leerling zetten ze hem derde honk of laten ze hem speervangen. Daarna wordt er gelachen en op schouders geslagen. Die manier van doen maakt dat ze een goede verstandhouding hebben met hun leerlingen. Bij een gymleraar kan je uithuilen, je kan mopperen over die zuurpruim van Wiskunde en die heks van Frans. Je kan met ze over voetbal lullen zonder dat je aan ironie hoeft te doen. Wij, gewone stervelingen die nooit zo cool als gymleraren zullen zijn, en die ook niet kunnen organiseren en spelletjes bedenken, moeten ons maar troosten met de woorden van Woody Allen. Of hij gelijk heeft? Ik zeg niets. Ik moet binnenkort weer langs die L-vormige doorzitbank lopen. Als het geen vakantie was, had ik dit stukje niet eens durven plaatsen.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"