maandag 15 december 2014

Recensie: ‘The Laughing Monsters’ van Denis Johnson

Als ik een goede schrijver lees, een echt goede, dan moet ik mij bedwingen het boek neer te leggen om zelf te gaan schrijven. Verdomd, zo moet het, denk ik dan, dit wil ik ook. Ik moet dat alleen niet echt doen, want dan loopt het natuurlijk verkeerd af. Ik moet hierbij denken aan de stunts die ik als jongen uithaalde na het zien van een Tarzanfilm in het buurthuis. Wat Johnny Weismüller kon, dat wilde ik ook kunnen. Ik rende op de eerste de beste lantaarnpaal af en klom erin. Met een paar kapotte knieën en een bult op de kop kwam ik er dan nog genadig van af. Nee, bewonderen van goede schrijvers is, evenals het bewonderen van Tarzan, een stuk gezonder dan ze imiteren.

Met opzet zeg ik ‘als ik een goede schrijver lees’. Het boek hoeft namelijk niet eens echt goed te zijn, ook een matig boek van een zeer goede schrijver heeft die uitwerking op me. The laughing monsters van Denis Johnson is geen matig boek, integendeel, het is een heel goed boek. Als je de achterflap leest geloof je dat trouwens niet onmiddellijk: 

“Sierra Leone. Suspision has become the law. Many people watch. But nobody sees.”

Je hoort de donkerbruine filmtrailer voice-over er direct bij, hartklop-drums en aanzwellende strijkers. Maar in een Hollywood-film zou er dan One Man zijn, en die had One chance, en die zou hij grijpen. Bij Denis Johnson niet. Er zijn Two Men, en beide maken er een onnoemlijke bende van, Een blanke en een zwarte oud-militair, thans spionnen, dealers, leugenaars, sjacheraars, aanmodderfokkers. Hoofdpersoon is de cynische NATO-agent Nair, die slechts uit is op eigen gewin en zich weinig gelegen laat liggen aan de orders die hij krijgt van de al even cynische diensten waar hij voor werkt. Nair laat zich letterlijk meeslepen door de Afrikaanse deserteur/handelaar Michael Adriko, een imposante kerel die als volgt door de schrijver wordt geïntroduceerd:

‘People were either staring or making sure they didn’t. This was Michael Adriko.’

Johnson munt uit in dit soort strakke, effectieve beschrijvingen van personages en situaties. Adriko neemt het met de waarheid niet zo nauw, maar zijn ‘waarheden’ zijn onweerstaanbaar genoeg om Nair te bewegen met hem mee te gaan.

‘True or false, what does it matter? Michael’s truths live only in myths. In the facts and details, they die’

Ze reizen met Adriko’s verloofde naar Oeganda, en rijden vervolgens met een jeep de binnenlanden van Congo in. Adriko wil zijn verloofde voorstellen aan zijn ‘familie’, en tegelijk een deal sluiten met een ongure Zuid-Afrikaan rond een partij nep-uranium. Een en al suspense en hard-boiled spionage, maar wat blijft hangen is dat niets lukt en niets doorgaat. Ook die familie is nergens meer te bekennen.

Het heeft geen zin de plot hier samen te vatten. Die plot doet er ook niet zoveel toe. Het gaat in dit boek om de toenemende staat van ontreddering en moreel verval van Nair, en die onherroepelijk wordt nadat ze met Adriko’s jeep een onschuldige vrouw doodrijden op een modderige weg in Oost-Congo:

“But we couldn’t go back, we couldn’t, not in Africa – this hard, hard land where nobody could help that poor woman [...] and where running away from this was not a mistake. The mistake was looking back at her in the first place.”

Vanaf dit punt wordt de roman steeds onwerkelijker, de lezer zakt met Nair weg in de Congolese modder, Babylonische spraakverwarringen, onbegrijpelijke complotten en ondervragingen. Zo je wilt kan je het morele failliet van Nair van toepassing laten zijn op het hele continent, op de hele wereld na 9/11 desnoods, Johnson stipt dit zelf aan. Niet toevallig is de jungle waar Nair in verstrikt raakt dezelfde als die waar een beroemd boek dat gaat over moreel verval zich afspeelt: Heart of Darkness van Joseph Conrad. Maar waar Conrad de gecorrumpeerde Kurz ten slotte ten onder laat gaan met de woorden ‘The Horror! The Horror!’ op de lippen, daar is er voor Nair ineens een wonderlijke uitweg uit de misère. Het lijkt een wat flauw happy ending, maar daaronder wringt er iets. Misdaad loont dus, denken we. Die gladjanus komt mooi weg met zijn gesjacher, en het ergste is: wij vinden dat nog fijn ook.

The laughing monsters is moeiteloos één van de beste boeken die ik dit jaar las. Maar nog beter dan het boek zelf is de schrijver. Hoe Johnson bijvoorbeeld de sfeer in een Oegandese bar beschrijft, waar Nair zich bedrinkt, zich uitkleedt en in de regen ‘hard as hail’ bij de rand van het zwembad gaat staan, is ronduit grandioos. Eindelijk lijkt Nair verlost te zijn van zijn demonen, in de ‘sweet rain pouring all around’. En dan volgt ineens dit zinnetje:

‘I jumped into the water and drowned’.

Nu ga ik een lantaarnpaal opzoeken, daar zal ik inklimmen, en van daaruit zal ik dan de lof zingen over deze schrijver.


maandag 8 december 2014

Recensie: 'De Linkshandigen' van Christiaan Weijts

De Linkshandigen van Christiaan Weijts begint met een grapje, een fraai, elegant grapje: het omslag is een trompe-l’oeil. Het lijkt eerst alsof het boek aan de verkeerde kant opengaat, dan denk je een kort moment dat het boek helemaal niet open kan, en ten slotte blijkt dat je misleid bent door een extra flap die om het boek heen is gevouwen. Een boek voor linkshandigen, o nee, toch niet. Mooi gedaan, en passend, want het hele boek lijkt een elegant grapje, een parodie op road novel, thriller en ‘betekenisliteratuur’. Vergeef me de uitdrukking, het is natuurlijk niet echt een genre, maar ik doel ik er mee op literatuur waarin alle toevalligheden zijn ingebed in een door de Schrijver ontworpen Spel met Betekenissen. Knap, geestrijk, en niet zelden ergerlijk en stomvervelend.

Weijts is goed in het onthullen van verbanden, duiden van gebeurtenissen, en in betekenisheuristiek in het algemeen, als columnist en essayist in het bijzonder, maar ook als romancier. Heb je in het echte leven noodzakelijkerwijs eerst de toevalligheden, en daarna de duiding, in een roman kan je bij de duiding of de betekenissen de schijnbare toevalligheden zelf verzinnen. Dat lijkt, in deze roman, te opzichtig gebeurd. 

Hoofdpersoon is Simon, een cartoonist die zijn subversieve plaatjes met de linkerhand tekent, na een verwonding aan zijn rechterhand. Die verwonding liep hij op bij een noodlottige gebeurtenis. Simon heeft jaren geleden in een dronken bui een snelle zakenjongen van een groot telecombedrijf doodgeslagen, de kerel die Simons zus eerder een depressie in heeft gejaagd. Deze gebeurtenis komt vervolgens weer centraal te staan in een kolderiek plot, waarin Simon, zojuist ontslagen bij de krant, met een liftende (linkshandige) celliste op weg gaat naar een Frans dorpje. Dit alles, en veel meer, krijgt zijn beslag in zo’n 180 pagina’s.

De spanning tussen toeval en betekenis staat dus centraal in deze roman. Als motto voor zijn boek koos Weijts een citaat uit Op weg naar het einde van Gerard Reve:

‘Hij is linkshandig, zie ik nu opeens, en ik ben ook links – zo zie je, dat niets in dit wereldbestel toevallig is’

Dit motto (niets is toevallig...) inclusief de ironische ondertoon (...maar niet heus) ligt ten grondslag aan dit hele boek, en doet het ook teniet.

Weijts kan natuurlijk zeer goed schrijven, laten we dat vooropstellen. De talrijke passages waarin hij de tijdgeest fileert zijn heel fijn, en ook in terloopse beschrijvingen excelleert hij, zoals bij de speciaalzaak voor linkshandige gitaren in Parijs: ‘In de etalage hangen ze naast elkaar, als rijpende hammen aan een plafond. Al die gespiegelde instrumenten, in alle kleuren en alle modellen, wachten op hun deviante verlossers.’ De begrafenis van Simons zus wordt als volgt beschreven:

‘Urenlang moest met gezang, gebed en gezwaai met wierook de dood van zijn lichtzinnigheid worden ontdaan, vanuit de betekenisloze wereld opgetild worden naar eentje in welke de aanwezigen geacht werden zinvolle betekenissen te erkennen, ook al ontbrak daar ieder spoor van bewijs voor.’

Mooi, maar tegelijk komt hier de slimme schrijver weer met zijn kop door het karton, zoals Ome Willem: ‘Dag rákkers!’ Want de invoelbare weerzin van Simon tegen het ritueel van betekenisgeving aan zoiets zinloos als de dood wordt tezelfdertijd teniet gedaan door de Schrijver, die in deze roman hetzelfde doet, namelijk een labyrinth van verbanden en betekenissen aanleggen, alleen ontdaan van de ernst van het begrafenisritueel. Ernst bestaat eigenlijk niet in dit boek, of het moet zijn in de pamflettistische passages over de macht van het grootkapitaal en de teloorgang van privacy. Maar als we per ongeluk al iets zouden voelen bij de dood van Simons zus, dan lacht de schrijver ons uit. Het is maar flauwekul. Het is een grapje.

Daarna wikkelt het verhaal zich razendsnel en volstrekt ongeloofwaardig af. Echter, tegen iedere vorm van ongeloofwaardigheid heeft Weijts zich al ingedekt. Niets is immers volledig serieus te nemen, lijkt hij zelf te zeggen. Tot hij in de Verantwoording op de laatste pagina een volledig gedicht van Wordsworth afdrukt. Wil hij dan toch dat we iets voelen? Te laat, helaas, te laat.


Literatuur in deze vorm is een spelletje, een elegant grapje, zoals het omslag van dit boek. Meer kan het nooit worden, en dat wringt, dat maakt dat je je na lezing van dit boek zeer teleurgesteld voelt, daar helpt een gedicht van Wordsworth niet meer aan. De Linkshandigen stelt teleur. Alleen de beste schrijvers kunnen je werkelijk teleurstellen.

vrijdag 5 december 2014

Goed zonder bal (column Trouw 3 dec)

Al sinds mensenheugenis hebben we op school een zaalvoetbalteam van docenten, en om onduidelijke redenen maak ik daar al sinds jaar en dag deel van uit. Het team bestaat voor driekwart uit fitte gymleraren van drieëntwintig, en voor de rest uit een leraar Engels met een haarband, een angstaanjagende doelman met een rode baard, en ik dus.

Wij spelen alleen wanneer wij dat willen, en tegen wie wij willen. Tegen bovenbouwers dus, bij voorkeur tegen knapen met wie wij nog een appeltje te schillen hebben. Als wij van ze winnen, gaan ze moeilijke maanden tegemoet. Als wij verliezen dan gaan wij bier drinken en zeggen dat het eigenlijk best aardige jongens zijn.

Zo gaat dat al jaren.
Blijft de vraag wat ik daar doe.
Ik weet het eerlijk gezegd niet. Niemand weet het. Misschien was er die dag, lang geleden, een gymleraar ziek en vroegen ze mij omdat ik toevallig de enige collega was die niet op krukken liep. Inmiddels heb ik een hele generatie jonge gymleraren overleefd en sta ik nog steeds in het basisteam. Of liever gezegd, ik ben nooit verwijderd uit de mailinglijst.

Afgelopen vrijdag speelden wij na lange tijd weer samen, in een kraker tegen voetballers uit de examenklas. Voor de wedstrijd gaf ik ze allemaal een hand. Het viel me op dat ze helemaal niet vriendelijk tegen me deden. Er kon geen grapje af. De koppen stonden strak, zeg maar. Na vijf minuten had ik nog geen bal gehad (let wel, het is zaalvoetbal), maar wel drie knullen van scoren afgehouden door in de weg te lopen. In de weg lopen is mijn specialiteit. Cruijff zou zeggen: hij is goed zonder bal.

Ze kwamen 0-1 voor, maar gaandeweg werden wij beter. Piepende schoenen, gehijg, geroep, doelpunten. Vlak voor tijd stond het 2-2. Toen ging het fout. Ik speelde de bal helemaal verkeerd door het midden, een lange jongen met feloranje voetbalschoenen onderschepte de bal en liet Roodbaard kansloos met een loeihard schot, laag in de hoek. We verloren met 2-3.
Het was mijn schuld, honderd procent, maar niemand die het zei.


In de kleedkamer werden grappen gemaakt waar ik wijselijk niet aan meedeed. Na een tijdje zei ik dan maar: ‘Sorry jongens.’ Daarna pakte ik de tas met de stinkende shirtjes op, om te laten zien dat ik mijn plaats wist. ‘Nee joh, laat maar,’ zei Sven, een gymmende godenzoon wiens moeder nog iedere week met liefde de was voor hem doet. Je moet Van der Werf zo weinig mogelijk te doen geven, leek het beleid, zowel in als buiten het veld. Het deerde mij niet, het was mooi. Maar de volgende wedstrijd moet beter. Ik stel nu eenmaal hoge eisen aan mijn docentschap.

vrijdag 28 november 2014

'Buierader' (Column Trouw 26 nov)


Het ministerie gaat met de tijd mee, dat valt niet te ontkennen. Onder de vlag #onderwijs2032 is vorige week op Twitter een nationale discussie gestart over de toekomst van ons onderwijs. Eindelijk een onderwijsvernieuwing ‘van onderaf’. Dat lijkt mooi nieuws, maar ik heb mijn bedenkingen. Hebben ze dan zelf helemaal geen ideeën in Den Haag? Wij kiezen die mannen en vrouwen om ons te vertegenwoordigen in een parlement, op basis van hun plannen met dit land, komen ze meteen terug bij ons om te vragen hoe het moet! Ik weet het niet, ik vind het niet erg sterk.

Maar komaan, niet zo zuur, het is hip, en het slaat aardig aan. De snedige tweets en aardige filmpjes vliegen je om de oren op de website #onderwijs2032. De meest populaire tweet van de afgelopen week betrof een grappige foto van één of andere aardrijkskundetoets op een basisschool. De vraag: ‘Je wilt een vakantieplek uitkiezen met een kleine kans op regen. Welke kaart kan je het beste raadplegen?’ De leerling negeerde de drie mogelijke antwoorden en voegde heel slim een vierde toe: ‘Buierader.’

Het plaatje begon na een paar duizend retweets zo’n beetje symbool te staan voor de zelfverzonnen kloof tussen het mondige, out-of-the-box denkende kind en het vermolmde, achterhaalde onderwijssysteem. Ik denk dan: een rare kwibus die zijn vakantiebestemming voor de zomer uitzoekt op basis van de regenverwachting voor de komende drie uur. Ik vind zulke toetsen ook stom, maar laat de meester of juf die geduldig uitlegt hoe je een klimaatkaart leest dat in vredesnaam blijven doen, en ook nog voldoende spellingslessen geven.

Concreet is de vraag die via #onderwijs2032 aan ons gesteld wordt: ‘Wat moeten kinderen leren op school zodat ze klaar zijn voor hun toekomst?’ Lees in plaats van ‘toekomst’ gewoon ‘werk’, want zo wordt het bedoeld. Hun eerste baan, in 2032. Staatssecretaris Dekker noemde in DWDD computerprogrammeren als voorbeeld van een mogelijk nieuw schoolvak, want computers zijn over twintig jaar vast nóg belangrijker. Hij zei het drie keer geloof ik, dus ik voel, eh, de bui al hangen.

Ondertussen vergeten iets wezenlijks: dat we onze kinderen geen onderwijs geven voor een leuke baan, maar voor het leven. Althans, dat is wat ik probeer te doen, ik geef dingen door die ik belangrijk vind, zodat ze niet verloren gaan. Of mijn leerlingen er in hun eerste baan iets aan hebben zal me eerlijk gezegd een zorg zijn.

Het onderwijs mag best vernieuwen, ja, dat lijkt me een prima idee. Maar laten we alsjeblieft niet proberen te bedenken wat onze kinderen over twintig jaar aan kennis nodig zullen hebben in hun eerste baan. Dat is hetzelfde als een vakantie boeken naar een land waar het volgens de buienradar het komende halfuur niet regent.




vrijdag 21 november 2014

Een klap van het schoolbord (column Trouw 19 nov)

Nog nooit heb ik een hardere hengst voor mijn harses gehad dan deze week van mijn schoolbord. In mijn studententijd ben ik eens stevig op mijn gezicht getimmerd door een slechtgehumeurde Utrechtse orgeldraaier, maar dat was een lachertje vergeleken met deze dreun.

Als ik warrig overkom, dan komt dat nog van die klap, ik praat al een paar dagen onsamenhangend, ik ben misselijk en duizelig. Misschien had ik thuis moeten blijven, maar ja, dat doe je niet zo snel, dan moet je nog vroeger opstaan dan normaal om de telefoonboom in werking te stellen. Ik fiets liever met een houten kop naar school dan dat ik om zeven uur ’s ochtends een Katwijkse jongen uit bed bel om te zeggen dat hij nog even in bed kan blijven liggen.

Hopla, daar ga ik alweer, ik dwaal af, dat schoolbord dus. Misschien is het leuk om te weten dat ik de enige docent ben die nog een ouderwets krijtbord heeft. Overal in de school hangen inmiddels beamers en whiteboards waar je op schrijft met van die stinkstiften die slappe punten hebben en die te weinig weerstand krijgen van dat gladde witte rotbord. Of nog erger: digitale pennen, dat is alsof je met een ballpoint op een dooie vis moet schrijven. Het werkt gewoon niet, het meest trefzekere handschrift houdt geen stand. Maar ik heb een mooi groen schoolbord op wieltjes, omdat er aan de muur geen plek is, en omdat er notenbalken op getrokken zijn. Alleen al vanwege zo’n schoolbord met notenbalken en zo’n fijn stroef krijtje is mijn vak heerlijk. Je moet er alleen niet tegenaan lopen.

Laat me eindelijk vertellen wat er gebeurd is. Ik had mijn les prima voorbereid, alle leerlingen waren stil. Ze kregen een nieuw schriftje van mij, hartstikke leuk en old school vinden ze dat, net als dat schoolbord. Ik had schriftjes in wel tien verschillende kleuren. ‘Jongens,’ zei ik. ‘Ik ga mijn vingers niet branden aan wie ik welke kleur geef, dus regel dat lekker zelf, ik gooi die schriften hier op een stapel, ik loop weg, en als ik terugkom zitten jullie weer netjes aan je tafel, met een schriftje voor je neus waar je naam op staat.’ Ze hadden er zin in, ze stonden in de startblokken en ik ook. Ik gooi die schriften op de piano, draai me om en ren in volle vaart tegen mijn schoolbord.

Er was niemand die hardop lachte.


Twee dagen later zei iemand tegen me dat hij het nooit zou kunnen, lesgeven, dat hij het nooit zou volhouden op een school, en dat hij niet kon begrijpen hoe ik het volhield. Ik voelde aan mijn wang, net onder mijn oog, en zei dat ik het ook niet begreep.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"