vrijdag 6 februari 2015

Brugklas (column Trouw 4 feb)

Ik heb een nieuwe brugklas, op dinsdag.
Ik heb al een paar jaar geen brugklas lesgegeven, dus ik ben benieuwd of ik het nog wel kan. We hebben een perioderooster, en daarom kan het gebeuren dat je begin februari nog een nieuwe klas krijgt. Eigenlijk is het wel aardig om halverwege het jaar nog eens opnieuw te kunnen beginnen. Het voelt als een tweede kans, voor ons allemaal. Voor de kinderen omdat ze een nieuw vak krijgen, ze zijn opnieuw van onbesproken gedrag en onbesmet met onvoldoendes. Voor mij omdat ik ten overstaan van hen nog geen blunders heb gemaakt. Ik ben als hun vader vóór hij van zijn voetstuk viel.

Spannend is het ook. Hoeveel lawaai maakt een brugklas ook alweer?

Veel dus. Ze zitten al in het lokaal als ik kom, er speelt een jongen op de piano, er staat een groep omheen, een paar lummels rammen op de drums. Ik kom binnen, kijk om mij heen als een kapitein die een muitende bemanning aantreft. ‘Eén Aaaa’ brul ik. Wie mij zou zien, zou haast sterven van medelijden, of zou niet eens durven kijken. ‘Ga zitten!’ Dat doen ze, maar ze gaan gewoon door met praten. Ging dat vroeger ook zo? Ik leg mijn wijsvinger tegen mijn lippen. Er gebeurt niets. Praten, praten, allemachtig, wat kunnen die rotzakjes praten.

‘Hela!’ roep ik dommig, alsof ik toe sta te kijken hoe mijn fiets gejat wordt.

Ze stoten elkaar aan, kennelijk toch wel nieuwsgierig naar de les. Het is stil! Nu moet ik mijn regels stellen. Niet aarzelen. Duidelijk, dwingend en aardig genoeg om te zorgen dat ze knikken als ik vraag of ze het met die regels eens zijn. Regels over stil worden, luisteren naar elkaar, omgaan met spullen. Na tien minuten zullen ze de regels zijn vergeten. Dan maken ze weer teveel herrie. Dan zal ik ze alles laten opruimen, keyboards, gitaren, alles. Ik zal erg streng kijken en hen aan de regels herinneren terwijl ze met de armen over elkaar zitten. Als het lukt, gaan we daarna een gezellige tijd tegemoet, als het niet lukt, of half, dan wordt het een gevecht.
Dit is het echte, ambachtelijke leraarswerk.

Als de bel gaat is al het bovenstaande gebeurd, en meer. Ze hebben een lesje drummen-op-de-tafel gehad, gezongen, gespeeld. En het klonk goed. Na afloop vraagt de jonge pianist netjes of hij nog even mag spelen. Dat mag. De lummels vragen of ze nog even mogen drummen. Dat mag niet. Ik zeg dat ze eerst moeten oefenen, thuis, met twee potloden.
‘Wat een leuke les was dit,’ zegt een meisje in het weggaan.
Ik zeg haar gedag. Ik loop naar de koffiekamer, met de lichte tred van een artiest na een geslaagd optreden.


vrijdag 23 januari 2015

Son of a bitch (Column Trouw 21 jan)

Max is vriendelijk en spraakzaam, hij praat prachtig Engels met een hoge stem, zodat het lijkt alsof hij zojuist ergens van geschrokken is. Hij vindt emoties tonen lastig en is moeilijk aan het werk te krijgen, tenzij hij druk bezig is, dan vindt hij het moeilijk te stoppen. Zijn bril is altijd een beetje beslagen, zijn ogen gaan schichtig heen en weer alsof hij zoekt naar de dichtstbijzijnde nooduitgang. Hij houdt van rust en duidelijkheid, vertelde zijn moeder. Ik dacht: wie niet? 

Max heeft een autistische stoornis. Zijn moeder: ‘I love him to death, he drives me bananas.’

In de les heb ik nooit last van Max. Hij doet alles op zijn laptop, ik vermoed dat hij veel zit te minecraften. Maar deze week is er iets gebeurd waardoor alles is veranderd. Het was een gewone les. Nu ja, gewoon, ik vertelde wat over Schönberg en Stravinksy. Niet voor watjes. Ik liet Le Sacre du Printemps horen. ‘Zonder Stravinsky had je nooit déze muziek gehad!’ Het aardige is dat ze zoiets direct geloven. Nu speelde ik de filmmuziek van Jaws af, want dat kennen ze. Een lage bromtoon, en nog één, er groeit een ritme uit, er komt iets tot leven, je voelt de reuzenhaai dichterbij komen. Max zat vlakbij de speaker, intens geconcentreerd, hij leek er in te willen kruipen. Vlak voor het stuk volledig ontspoort zette ik de muziek abrupt stop, deed het licht uit en gaf een loeiharde brul op een manier die je desgewenst zou kunnen omschrijven als ‘WHOEAAAAH!’

Het is flauw, kinderachtig, en het werkt altijd. Gegil, iedereen schoot overeind, een telefoon viel uit een paar stiekeme handen. Max werd rood, sloeg met zijn vuisten op tafel en sprak de legendarische woorden:
‘Damn it, you son of a bitch!’

Er golfde een lach door de klas. Twee jongens vielen bijna van hun stoel, sommige meisjes hadden een hand voor de mond geslagen. Max werd nu scharlakenrood, wipte op zijn stoel en keek naar de grond, in de hoop dat hij er in kon verdwijnen. Ik weet zeker dat hij dacht dat zijn laatste uur had geslagen, dat hij voorgoed van school verwijderd zou worden. En iedereen maar lachen, de een hoog, de ander hol, hemel wat kunnen zestienjarigen toch gemeen luidruchtig zijn. 

Daar stonden wij, Max en ik, in het middelpunt van de storm, tot elkaar veroordeeld. Hij moest zijn verontschuldigingen aanbieden, en ik ook, maar we kregen de kans niet in de chaos en het rumoer. Toen het eindelijk stil werd wist ik niets beters te zeggen dan ‘Ja, die haai, that was a real son of a bitch.’

Sindsdien groet Max mij vriendelijker en krachtiger, waarmee hij onze nieuwe verstandhouding bekrachtigt. Wij hebben iets gemeen. Wij houden van rust. En van duidelijkheid.



maandag 19 januari 2015

Recensie: Constellaties van Roelof ten Napel

Zo nu en dan, nee om den drommel niet dikwijls, lees je een boek dat volstrekt buitengewoon is. Hoogst zelden is zo’n boek van een debutant. Constellaties van Roelof ten Napel is er één. De eenentwintigjarige (!) wiskundestudent Ten Napel vertelt geen verhaal, hij observeert en notuleert, als de aspirant-wetenschapper die hij kennelijk ook is. De lezer tast blind, bezeten en een beetje wanhopig over de punten die de schrijver heeft uitgezet.

Sebastiaan Kort vergeleek Ten Napel in een bespreking in NRC  met een luie laborant die geen zin heeft om jou, bezoeker van het lab, uit te leggen wat de betekenis is van alles wat daar borrelt. Hij bedoelde dit overigens positief: laat de lezer maar werken. De indruk die de schrijver wekt is echter niet die van een luie laborant, maar van een ijverige, meticuleus werkende onderzoeker, die ons door een telescoop naar constellaties laat kijken, die ze nauwgezet en zo simpel mogelijk voor ons beschrijft, maar die zich onthoudt van het geven van samenhang, of die de samenhang ook niet kent. De schrijver formuleert het aan het slot van het boek als volgt: ‘Iets zeggen zonder tussenkomst van mezelf. Zoals een boom groeit, zonder erover na te denken. Dat zou ik willen.’

Goed, er zijn een aantal personages, ze heten Noah, Lux, Ester, Anders. Ze zijn vrienden van elkaar, of familie. Ze ontmoeten elkaar in de verhalen, in steeds wisselende samenstellingen en decors, in heden en verleden. Op de achtergrond zijn ouders en grootouders aanwezig. Ze zijn puntjes in een uitspansel, al die mensen. Zelf maken ze en zien ze ook voortdurend constellaties. De een borduurt lukraak patronen in een kartonnen doos, de ander verbindt met zijn blik de kersen in een boom, de volgende ziet patronen in damstenen en trekt draden door het huis van zijn grootmoeder alsof hij herinneringen met elkaar verbindt. Dit laatste levert een prachtig beeld op.

Na iedere scène – nogmaals, de samenhang tussen die scenes is uiterst vaag – plaatst de schrijver een ‘ent’: een motto, een fragment of een gedicht van een andere schrijver. Daarnaast zijn er lege pagina’s met stipjes, weergaven van sterrenstelsels. Dat alleen al maakt dit boek een bijzondere uitgave.

Ik snap het idee van die ‘literaire enten’ wel, maar ze voegen weinig toe, gaandeweg begon deze confetti van wereldliteratuur me zelfs wat te irriteren. En die bladzijden met stipjes? Normaal zou je zeggen: weg ermee. En toch, en toch... soms zat ik over de pagina te krabben om te kijken of een puntje echt gedrukt stond of dat het een vuiltje was. Op die momenten was ik in letterlijke zin geen lezer meer maar een onderzoeker. Zou hij dat willen, vroeg ik me af, en zo had die donderse Ten Napel mij toch weer te pakken.

De stijl dan, die is uiterst kaal, handelingen worden sec beschreven zonder het gewicht van emoties. Het lijkt erop dat Ten Napel Het dikke schrift van Agota Kristof goed heeft gelezen: “wij moeten opschrijven wat er is, wat wij zien, wat wij doen.” Ook bij Ten Napel is deze werkwijze ver doorgevoerd. Het resultaat is bij Kristof overigens een gruwelijk verhaal dat onder je huid kruipt en daar verder leeft. Bij Ten Napel moet die stijl duidelijk nog groeien. Soms gaat het mis, zoals hier:
‘Hij kijkt op, en me aan.’
En soms heel goed, zoals bij:
‘De bijl is zo licht en zo zwaar als je woede. Ik woog hem in mijn hand [...]’

Uiteindelijk gaat dit boek over samenhang tussen mensen, over hun zoektocht naar verbanden. Geen ongewoon thema, maar wel een ongewone vorm. In een interview schijnt Ten Napel gezegd te hebben dat hij niet van ‘gewone boeken’ met hun voorspelbare narratieven houdt, dat hij er moe van wordt. Welnu, Constellaties is geen gewoon boek, dat is zeker. Wie op zo’n jonge leeftijd al zo’n volstrekt buitengewoon boek schrijft, verdient een groot compliment. Wie zoiets uitgeeft eveneens.


Want ook dat schoot tijdens het lezen door mijn hoofd: stel je voor dat er een tijd komt waarin er geen mens meer is die nog heil of brood ziet in de publicatie van een boek als dit. Daar moet je toch niet aan denken.

maandag 22 december 2014

Recensie: 'Zondagen in augustus' van Patrick Modiano

Bij een schrijver als Patrick Modiano, dit jaar bekroond met de Nobelprijs, krijg je zo langzaamaan de indruk dat je zijn gehele oeuvre moet kennen om iets zinnigs te kunnen zeggen over één boek. Het is net of die prijs, tezamen met alle analyses en retrospectieven die erop volgen, niet alleen het oeuvre bekroont, maar ook meteen de duiding ervan voor zijn rekening neemt. Om in de kerstsfeer te blijven (hier neem ik een beetje risico): met ieder boek werd een boom verder opgetuigd. Die boom stond er allang, tamelijk onbeweeglijk, alleen vergaten wij te kijken. Nu, met de Nobelprijs, is de piek erop gezet. Lichtjes aan, oeh en ah, je bent slechts nog in staat het geheel te zien.

Ik las onlangs Zondagen in augustus, een roman uit 1986. Het was mijn tweede Modiano ooit (In het café van mijn verloten jeugd las ik enkele jaren geleden), en mijn eerste na het gedoe rond de Nobelprijs. Zondagen in augustus is een betoverende, en vooruit, je moet het woord maar durven laten vallen, bloedstollende kleine roman.

Een kenner zou over Zondagen in augustus misschien zeggen dat het een typische Modiano is, dat zijn toon en zijn thematiek er in samengevat liggen, de zachte melancholieke sfeer, het doelloze bewegen door de stad, het diffuse verleden dat overal op de loer ligt, en dat het enige afwijkende wordt gevormd door het decor: Nice, in plaats van Parijs. Maar goed, ik ben geen Modiano-kenner, en ook niet zo geïnteresseerd in de hele boom. Ik lees een boek, geen oeuvre.

Hoofdpersoon Jean is in het vertelheden om onduidelijke redenen afgereisd naar Nice. De straten en boulevards roepen herinneringen op aan een eerder verblijf in Nice, vele jaren geleden. In dit verleden speelt het hele verhaal zich af. Jean was met zijn vriendin Sylvia op de vlucht. Jean, Sylvia, en een diamant, ze zijn naar het zuiden gereisd, ze zouden eigenlijk wel verder willen dan Nice, maar dat lukt niet. De zee snijdt hun pad af.

Ze laten zich ook wel heel gemakkelijk het pad afsnijden, zo valt je op, bij het minste of geringste zakken de twee weg in indolentie. Sterker nog, ze lijken hun ondergang zelf op te zoeken. Vanaf de eerste ontmoeting met het ‘Amerikaanse echtpaar’ (dat bij nader inzien opmerkelijk goed Frans spreekt, in diverse dialecten zelfs) Neal voel je die ondergang naderen. Het fraaie is hoe Modiano in de lucht laat hangen waar het stel voor vlucht, waar de dreiging nu precies vandaan komt, en op welke manier ze in Nice hun ondergang tegemoet slenteren.

De diamant is gestolen, dat ligt er dik bovenop. Maar waarom draagt Sylvia hem dan zo opzichtig? Willen ze eigenlijk niet vluchten? Willen ze gevonden worden? Lang niet alle vragen die Modiano bij de lezer oproept worden beantwoord. En is er wél een antwoord, dan komt er een nieuwe vraag voor in de plaats, en nooit een ontknoping. Dit boek is immers geen thriller.

Desondanks voert Modiano de spanning op, vakkundig, tegelijk met het tempo. De nachtelijke scène waarin het echtpaar Neal de twee haast willoze geliefden op sleeptouw neemt langs etablissementen aan de Cote d’Azur knijpt je keel dicht. En dan is er steeds die schim uit hun verleden die overal opduikt, een onaangename kerel die Villecourt heet. Toch zijn Jean en Sylvia minder bang voor de schimmen dan eigenlijk zou moeten, ze wuiven alle dreiging weg:

‘De hemel was die middag zo blauw, de gevels van de flatgebouwen zo wit en zo roze dat een spook als Villecourt niet tegen die zomerse kleuren op kon. Hij zou het niet bolwerken. Hij zou oplossen in de lucht waarin de geur van mimosa hing’

Ook de raadselachtige Neals blijken ‘spoken’, er bestaat niemand met die naam, en ze zijn niet te traceren. Sylvia wordt in Nice ontvoerd door de ‘spoken’, en de hoofdpersoon blijft radeloos achter. Haar verdwijning wordt nooit opgelost.

In het laatste gedeelte, als de herinnering van de ik-persoon ons meeneemt naar de bloedeloze ‘badplaats’ aan de Marne waar hij Sylvia ontmoet, wordt duidelijk waarom de twee geliefden in Nice zitten en hoe ze aan die diamant zijn gekomen. Terug naar het vertelheden. Jean beweegt nu zelf als een schim door Nice, hij heeft ontdekt wat hij al die tijd al wist: het heeft geen zin te vluchten voor je lot. Zo wordt Zondagen in augustus een boek over de onbegrijpelijke lotsbestemming van de immer mistastende mens.

Het is verrukkelijk hoe het plot in dit boek in dienst staat van de toon en de beeldenrijkdom, in plaats van andersom. Het is een verrukking om een boek te lezen waarin de stijl en de stof, de vorm en de inhoud samenvallen, waardoor er iets beklijft dat je een sfeer zou kunnen noemen, maar evengoed een wereldbeeld. Kennelijk is dat het enige wereldbeeld dat Modiano ter beschikking heeft, de kenners zeggen het, Modiano zelf zei het in een interview in NRC in 2004:

Men is veroordeeld steeds hetzelfde boek te schrijven […] Het is alsof je één groot boek schrijft waarin je onophoudelijk dezelfde gegevens omwerkt.


Zie je, toch die boom, met piek. Het zal wel. Voor mij staat dit boek moeiteloos op zichzelf. Alles in dit boek gebeurt en is geschreven met zo’n ogenschijnlijke eenvoud, zo vol gratie en vanzelfsprekendheid dat het je tegelijk beklemt en verrukt. Het maakt dat je even in een droevige vrede leeft met, ja, met alles. Wie zo’n boek schrijft heeft niet eens een oeuvre nodig.

zaterdag 20 december 2014

De Beste Boeken van 2014 die niet in de Lijstjes stonden

We hebben het weer zo’n beetje gehad, het jaarlijkse gezelschapsspel van de eindejaarslijstjes met ‘de beste boeken’, in kranten en (online) magazines. Voor Kerst is het meestal wel gedaan, want daarna begint het terugblikken op de dingen die er echt toe deden in 2014, de rampen, de sportprestaties, de overledenen, enzoverder, bij zulke urgente zaken moet je lijstjes met boeken weg houden.

Ik vind het altijd een indrukwekkend idee dat het handjevol redacteuren en freelancers die over boeken schrijven tezamen álle boeken die dit jaar zijn uitgekomen gelezen hebben, en dan ook nog het overzicht behouden voor zo'n lijstje. Het is haast net zo moeilijk te bevatten als het gegeven dat alle voetbalcommentatoren van de NOS samen alle wedstrijden uit het betaald voetbal in hun geheel gezien hebben. 

Ja, dat is mooi en troostrijk. Want dan hoeven wij het zelf niet te doen.

Toch stellen die boekenlijstjes mij altijd teleur. De voorspelbaarheid ervan maakt me mismoedig. Het is een opsomming van dingen die je al wist, althans, van meningen waarvan je al dacht te weten dat de recensent ze zou hebben. Niets saaier dan dat. Misschien kunnen we de lijstjes interactief maken. Dan kan je bijvoorbeeld het eindejaarslijstje van Arjen Fortuin, Arie Storm of Rob Schouten samenstellen, en achteraf kijken hoeveel je er goed had.

Volgens mij zou het doel van eindejaarslijsten moeten zijn de lezer nog één keer te verleiden een boek te lezen dat dit jaar is uitgekomen, een mooi boek dat na de jaarwisseling voorgoed vergeten dreigt te worden. Ik las dit jaar een aantal heel goede boeken die ik niet in de lijstjes heb teruggevonden.

Uit onvrede daarover maak ik zelf een lijstje. De beste boeken van 2014 die ik las en die ik niet in de lijstjes heb aangetroffen:

Rob van Essen, Hier wonen ook mensen
Samen met Denis Johnsons Laughing Monsters (Engelstalig, telt niet) het mooiste boek dat ik dit jaar las. Er was weliswaar veel lof voor deze verhalenbundel, maar toch is het boek ondergesneeuwd in, laten we maar zeggen, het Rumoer rond Nieuwe Grote Romans, Boeken van de Maand, Prijzen, en ‘Jongschrijvers’ (term van Arjen Fortuin). Laat de eerste Maarten Biesheuvel prijs alsjeblieft voor Van Essen zijn.

Pieter Hoexum, Kleine filosofie van het rijtjeshuis
Een pleidooi voor klein en desondanks meeslepend leven in een vinexwijk. Houd op met die aanstellerij, zegt de schrijver, er valt genoeg te beleven en te bewonderen achter je tuinhekje. Saai is het nieuwe opwindend. Veel geleerd van dit boek, ook allerhande  trivia: Hoexum leest bijv. liever het telefoonboek dan een roman als Vinexvrouwen van beroepsaanstelster Naima Bezaz.

Paul Verhuyck, Inmiddels op aarde
Een passage als deze rechtvaardigt mijn keuze al: ‘We waren vrolijk en noemden onszelf filosofische cultuurpessimisten. Jong zijn is onvergetelijk. Niet vanwege dat pessimisme. Daar is geen bal aan, dat blijft wel aanzeuren, levenslang als je niet oplet. Nee, het gaat om die vrolijkheid. Die vrolijkheid komt nooit meer terug, of je moet er heel veel moeite voor doen.’ Hoeveel exemplaren zouden er van dit boek eigenlijk verkocht zijn? Driehonderd?

Chrétien Breukers, Een Zoon van Limburg
Ja, waar gaat dit boek over? Over terugkeer naar je geboortegrond, en de onmogelijkheid samen te vallen met wie je vroeger was? Of gewoon over poëzie, over schrijven, over boeken die je vormen? Geen idee eigenlijk. Maar ach, wat maakt het uit, wanneer je schrijft alsof er werkelijk iets van afhangt

Herman Brusselmans, Zeik.
Drie romans heeft die man dit jaar uitgebracht! Drie! En er is er niet een die ergens op een lijstje beland is. Hoe is dat mogelijk? Bij de eerste twee pagina’s van Zeik, ultieme persiflage op de politieroman, heb ik zes keer hardop gelachen. Ik heb de beste smoes voor laatkomen aller tijden geleerd (‘ik stond te masturberen onder de douche, en het duurde heel lang voor ik klaarkwam’). Dan hoor je op een lijstje. Punt.


trailer "Een Onbarmhartig Pad"