dinsdag 14 juli 2009

Zoveel water zo dicht bij huis (3)

We hadden het over Raymond Carver en de kunst van het weglaten. Hoe een oud verhaal beter werd door driekwart weg te snijden! Schitterend, maar er is iets dat mij niet lekker zit. Ik word een beetje narrig van iedere week dezelfde preek. Over dat het korter moet en kaler, en dat je je darlings bij de vuilnis met zetten. Het eindigt met Gods zegen en dat je amen lispelt, maar er blijft iets knagen. Wij willen graag het goede doen, maar het kwade niet opgeven.

Moet het altijd spaarzaam? Mag het af en toe niet met zo’n lekkere omhaal van woorden? Ik stuitte op een passage in het Carvers verhaal Cathedral. Hij zegt daar een keer of zeven hetzelfde, een korte riedel, steeds net anders. Het gaat over eten, zeg maar gerust: schrokken. Er is ook iets dat hij niet zegt, en dat dringt zich steeds meer op naarmate hij dat over het eten herhaalt.

“We kregen een nacht een blinde te logeren, een oude vriend van mijn vrouw.”

Dat is de eerste zin.

De blinde blijft ook eten, dat spreekt. De ‘ik’ weet zich geen raad met de indringer. Dan volgt deze passage:

“We vielen aan. We aten alles op wat er aan eten op tafel stond. We aten alsof er geen volgende dag was. We praatten niet. Eten deden we. We schransden. We graasden de tafel kaal. Dit was menens, dit eten. De blinde wist zijn gerechten meteen te vinden, hij wist precies waar alles lag op zijn bord.”

Ik heb hardop gelachen bij dit fragment, ik vind het onwaarschijnlijk grappig. Al het wantrouwen aan die eettafel, je hoeft het er verder niet meer over te hebben. Wie zich recht in de leer waant zou toch zeker vier of vijf herhalingen doorhalen, en zodoende de humor eruit ranselen. Anders gezegd: mag het zo nu en dan een onsje meer zijn? Ja, dat mag! Vraag het maar aan de geest van Vinkenoog. Kijk na afloop of het ergens op slaat, of het je tekst krachtiger maakt, of het een doel dient dat je eerder nog niet zag.

Op het einde van het verhaal zit de 'ik onder leiding van de blinde met zijn ogen dicht een kathedraal te tekenen. Hij besluit ze voorlopig niet meer te openen, die ogen. “Ik vond het iets wat ik behoorde te doen”.

maandag 6 juli 2009

Zoveel water zo dicht bij huis (2)

Nogmaals Raymond Carver. Houd je vast.

Het titelverhaal is dus tweemaal opgenomen in de bundel. Het boek opent met de geredigeerde versie, acht pagina’s lang. De oude versie staat halverwege in het boek en is 28 pagina’s. Schrijven is schrappen hoor ik iemand zeggen? Lazer op! Schrijven is vernietigen, endlösen, met de grond gelijk maken! Schrijven is de haard aanmaken met je werk, je gat ermee afvegen, de destructieve kracht gaat die van een boot vol hongerige Noormannen te boven – mits je schrijft als Raymond Carver.

Een verhaal over een failliet huwelijk... een vrouw ontdekt dat ze al jaren getrouwd is met een man die ze in feite niet kent, dat wil zeggen, ze herkent hem, zijn gewoontes, zijn gedrag, zijn lichaamstaal – maar ze kent zijn drijfveren, zijn gedachten, zijn ‘ziel’ allerminst. Dat blijkt na een voorval tijdens zijn jaarlijkse vis-weekend. De mannen vinden in de rivier het lijk van een meisje, maar laten het liggen tot na hun uitstapje. Dan pas bellen ze de politie.

Het is niets minder dan adembenemend om te zien hoe Carver zijn openingszin nieuw leven inblaast:

“Mijn man zit met smaak te eten, maar zo te zien is hij moe, gespannen.”

Dit wordt in de herziene versie:

“Mijn man zit met smaak te eten. Maar ik geloof niet dat hij honger heeft.”

Het vervolg, het eerste beeld:

“Hij kauwt langzaam, met zijn armen op tafel, en kijkt strak naar iets aan de andere kant van de kamer. Hij kijkt mij aan en kijkt weer van me weg. Hij veegt zijn mond af aan het servet. Hij haalt zijn schouders op en eet verder. Er is iets tussen ons gekomen, al zou hij willen dat ik er anders over dacht.”

wordt:

“Hij kauwt, met zijn armen op tafel, en kijkt strak naar iets aan de andere kant van de kamer. Hij kijkt mij aan en kijkt van me weg. Hij veegt zijn mond af aan het servet. Hij haalt zijn schouders op en eet door.”

Alle zinnetjes die iets over haar man of over hun relatie uitleggen zijn geschrapt. Alleen de beelden zijn gebleven. En zie het wonder! Iedereen weet dat, van dat show don’t tell en kill your darlings. Ik denk dat goedbedoelde adviezen als deze net zo ineffectief zijn voor beginnende schrijvers als het van de kant af roepen ‘spreiden-sluit, spreiden-sluit’ tegen een ongeoefend zwemmer. Laat iedereen toch lekker spartelen. Laat daarna dit voorbeeld van Carver lezen. Klaar.

Nog even het slot van het verhaal.

Hij legt een arm om mijn middel en knoopt met zijn andere hand mijn jasje los, dan mijn blouse. ‘Alles op zijn tijd’ zegt hij, in een poging tot een grapje.

‘Nee niet nu, zeg ik’

‘Nee niet nu’ zegt hij plagerig.

... daarna volgt nog een harde afwijzing, niet thuis slapen, een boekt bloemen, een half mea culpa en een halve verzoening. Einde verhaal. De nieuwe versie doet het zo:

"Hij legt een arm om mijn middel en begint met zijn andere hand mijn jasje los te knopen en gaat dan verder met de knoopjes van mijn blouse. ‘Alles op zijn tijd’ zegt hij." Hij zegt nog iets, maar ik hoef niet te luisteren. Ik hoor toch niets, met al dat water.

[Einde.]

Kijk zelf maar wat dit met het verhaal doet, met de zinnen die er nog wél staan (reageer eventueel). Het is magie. Of vakmanschap. Of beide.

maandag 29 juni 2009

Zoveel water zo dicht bij huis

Er zijn auteurs, arme sloebers, die “schrijvers-schrijver” worden genoemd. Writer’s writer - in het Engels bekt het nog ellendiger - dat schijnt een hele eer te zijn. Je wordt zoiets natuurlijk niet zomaar, in de eerste plaats moet je dood zijn. Ik kwam de lugubere eretitel voor het eerst tegen in een necrologie van Henk Romijn Meijer, daarna stuitte ik er keer op keer op. Het moet gezegd, iedereen begrijpt meteen wat ermee bedoeld wordt. Een schrijversschrijver wordt niet gelezen, door een publiek, maar bestudeerd en bewonderd, door een groepje ploeteraars die evenmin gelezen worden. Luguber dat zei ik. Toch vrees ik dat ze inderdaad bestaan, schrijvers die meer genoemd worden in voordrachten en interviews  dan dat ze boeken verkocht hebben. Raymond Carver is er één.

Ik ben Carver gaan lezen omdat lui met smaak te pas en te onpas roepen dat ‘ie zo goed is. Ik moest er nog goed mijn best voor doen, want in de ‘betere boekhandel’ (waarom is er geen ‘schrijversboekhandel’ met een afdeling ‘schrijversschrijvers’?) is zijn werk al lang niet meer te vinden. Enfin, de openbare bieb had nog een vergeeld exemplaar van zijn bundel Zoveel water zo dicht bij huis. Wat lekker is haal je van ver, zo interpreteerde ik die titel. Voor mij is de bieb best ver – de afdeling vertaalde fictie tenminste.

Toen ben ik naar huis gegaan, heb de kinderen voor de tv gezet en ben gaan lezen.

Ik ben een aantal keren van mijn stoel gedonderd. Daarna moest ik nog boodschappen doen. U had mij die middag op straat kunnen aantreffen, te voet, verzonken in dat boekje, met twee kinderen voor mij uit als geleidehonden. Het was voor het eerst dat ik op straat liep te lezen. Ooit. 

Het eerste verhaal is het titelverhaal. Het gaat over een man en een vrouw, middelbaar. Echtpaar is een groot woord. Alle verhalen van Carver gaan over failliete huwelijken, zeggen de schrijversschrijverlezers. De man kampeert een weekend met twee vrienden in de wildernis, ze vinden het lijk van een jong meisje in de rivier. Ze halen het lijk eruit, zetten hun tent op, eten, drinken whisky, besluiten dat het te laat is, de auto staat immers 5 mijl verderop en het wordt al donker. Ze gaan slapen. De volgende dag gaan ze vissen. Waarom niet, ze zijn er nu toch? Ze eten, drinken whisky en gaan weer slapen. De volgende dag breken ze op, lopen naar de auto, rijden naar een telefoon en bellen de politie. Ze geven hun namen door, vertellen wat ze gevonden hebben en waar, en rijden naar huis. Dan begint het verhaal eigenlijk pas. De vrouw kan niet geloven dat haar man doodgemoedereerd vakantie vierde naast een lijk. De man vindt dat ze er niet zo’n toestand van moet maken, wat kon hij nou uitrichten?

Het gaat mij niet om dit overigens schitterende, tragikomische gegeven. Het gaat mij om de intensiteit in de scènes, en hoe Carver die intensiteit met taal bereikt. Later meer daarover. Deze week plaats ik nog een paar blogs over Carver. Razend interessant is dat er in de bundel twee versies van dit verhaal zijn opgenomen. Een waardevolle les in schrappen, schaven, redigeren. Daar kom ik op terug. Lezen!

Toch een schrijversschrijver dus? Welnee, Raymond Carver is een mensenschrijver. Punt.

O, u vraagt wat dat nu weer is? Dat is net zo iets als een notencomponist.

 

maandag 22 juni 2009

Cioran is de man

Ik heb afscheid genomen van mijn manuscript, voor een tijdje. 'Ach jongen toch', hoor ik de meevoelende lezertjes denken, 'en hoe gaat het nu?'. Nou, kom, geen traan gelaten hoor. Het gaat uit logeren, en als het weer terugkomt, ergens in augustus, zal ik het misschien niet meer herkennen. Hoe dan ook, ik ben verlost van een handenbinder van formaat, de spiegel van mijn eigen betweterigheid.

Ik moet wat bekennen. Uit pure balorigheid ging ik op een zeker moment zelfs omslagen ontwerpen. Gribus! Op de computer, beetje prutsen met foto’s en tekst. Erg? Het ergste komt nog: na uren knutselen kon ik het niet laten steeds opnieuw naar het eindresultaat te kijken. En helemaal niet om het beter te maken, maar uit een groteske genotzucht die ik enkel narcistisch kan noemen!  “Alleen de ijdelheid van een schrijver is onuitputtelijk”, schrijft Emil Cioran, de Roemeense filosoof die mij bij de kladden heeft sinds een goede vriend mij een van zijn boeken (bijna niet te krijgen, want niemand leest ze) cadeau gaf. Ik denk te weten dat Cioran daar mee wil zeggen dat de inspiratie van de schrijver alles behalve onuitputtelijk is, integendeel, al snel wordt de sloeber gedwongen zijn toevlucht te nemen tot het eindeloos herhalen van zijn eigen beperkte en allesbehalve belangwekkende ervaring. Alsof wij niets beters te doen hebben dan ons verdiepen in de levens van een handvol fictieve personages, die allemaal tobben en allemaal lijken op de grote schrijvert. De Schrijver: “Geen enkel onderwerp dat zijn tijd bezig hield ontsnapte aan zijn sarcasme, zijn pseudo-wetenschap, zijn behoefte aan ophef, zijn vulgariteit.”

Enfin, je kan ook doordraven. “Gewapende Man” (werktitel) (werk? hoezo werk?) is opgestuurd, en de redacteur gaat er nu mee aan de slag.

Toeval of niet, op dezelfde dag bracht de pakketdienst een aantal boekjes, zo goed verpakt dat ze interessanter werden per woedende minuut dat ik poogde het pakket te openen. Na het verwijderen van enkele vierkante meters karton bleken er drie boekjes in te zitten. Ik moet er geen toestand van maken, ik had ze zelf uitgekozen. Een van de werkjes heette “Over redactie” – dat kwam mooi van pas. Bovendien bleek het behoorlijk actueel te zijn. Zo valt er te lezen:

“Een goede redacteur is zijn gewicht in goud waard. Redacteur X stapte in 2008 onverwacht over van Querido naar Contact, waar hij een eigen imprint toegezegd kreeg, met in elk door hem geredigeerd boek de vermelding van zijn naam. ‘Zijn’ Querido-auteur AFTh van der Heijden reageerde gestoken: “Verraad [...]”.

Lisa Kuitert, de schrijfster van dit boekje, heeft het niet zomaar over zomaar een redacteur X, maar over mijn redacteur! Jammer voor AFTh, maar zijn boosheid maakt duidelijk dat het vertrek van zijn (nee, mijn) redacteur een flink verlies was. Verraad! Oei, van zoiets veer ik op. Verraaaaaad. Lekker, blaas nog eens in mijn oor, trap nog eens in mijn zandtaartje. Wie kan vandaag de dag nog de moed opbrengen te leven voor een hoger doel: zich gedragen als een fatsoenlijk slachtoffer, een nette paria? 

Goed, weg met dat boek. “Gewapende man” bedoel ik. Iedere maker gaat ten onder aan zijn eigen werk. Die heb ik ook van Cioran. Nu moet ik als de donder eens wat onderhoud plegen aan mijn motorfiets. Ketting spannen en smeren, olie bijvullen, smerige klauwen krijgen. Heerlijk.

  

E. Cioran, Bestaan als verleiding, Historische uitgeverij (2001)

maandag 15 juni 2009

Leidse Hout 13 juni

Ik sta voor de cadeautafel. Ik praat met de eerste gasten. Achter hun hoofden zie ik de muziektent, bij de vijver, dertig meter verderop, er klit een groepje semi-bejaarden omheen. Een ander feestje? Muziek hoor ik niet, maar onder de kap wordt harkerig gedanst. Ik zie een man met een wit pak. Hij springt in het oog, niet door het pak, maar omdat hij de enige is die op deze afstand een zelfverzekerde indruk maakt. De rest is brandhout. Achter mij tillen de gitaristen van mijn band de zware speakers van de zanginstallatie op de palen, ik hoor het aan hun afgebeten commando's. “Test, test” zegt John. Lekker droog, strak geluid, prima voor een optreden in de open lucht. Wij spelen onder een simpele witte partytent, niet zo'n aanstellerig ding als daarginds, waar die idioten zich het zweet in het kruis dansen. Ik begroet nieuwe gasten, ze geven mij allemaal een boek, en daarna zeggen ze snel dat het mooi weer is. Ik denk dat ze bang zijn dat ik het boek al heb, of erger, dat ik het een boek van niks vind. Prachtig weer, zeg ik. “Test 1 2” zegt John, het klinkt nog iets harder, pittiger dan daarnet. Een paarse dame maakt zich los uit de groep hulpeloze schuimpjes bij de muziektent, ze loopt mijn kant op.

Ze heeft niets te melden over het weer. De mevrouw zegt dat ze de organisatrice is van de tangoworkshop en ze vraagt of wij niet wat later kunnen beginnen. Bij de tango workshop hebben ze hooguit een 15 watt speakertje waar het geluid van een krakerige bandoneon zich uit probeert te worstelen. Wij, de New Beetles, hebben tweemaal 400 watt neergezet naast het theehuis, en dan heb ik het nog niet over de gitaarversterkers en de drums. Zo liggen de verhoudingen. Ik zou niet weten waarom ik met haar in discussie zou moeten. Het plein van de Hemelse Vrede. Zij staat voor mijn tanks, ik hoef maar één commando te geven. Fab, onze Ringo, geeft een paar felle tikken op de snaredrum, aait de bassdrum. “Tsjoe, tsjoe” zegt John, het schelle geluid prikt in mijn oren. Ik zie dat de dansers verderop nu al uit de maat raken. Kets, zegt de snare. De mevrouw deinst terug. “Yeah, yeah” zegt John. 

Ik maak een handbeweging naar John, beetje dimmen. Ik weet niet wat mij bezielt. Ben ik bang dat het paarse mens rare sprongen gaat maken als ik haar in het nauw breng? Dat ik een massaprotest ontketen? Ik kijk naar haar gasten, een man of zestig. Het zijn allemaal weke types met slappe knieën die absoluut niet kunnen dansen. Het ziet er zo op het oog niet naar uit dat er dingen zijn die zij wel kunnen. Alleen dat witte pak ziet er gevaarlijk uit. Ik zie dat de paarse dame mijn gasten monstert. Er zitten een paar robuuste lui tussen, die stevig op hun poten staan. Er zijn echter veel kinderen, zij maken ons kwetsbaar. Misschien moet ik alles en iedereen onder de tien binnen in het theehuis verbergen, en mijn ouders op het invalidentoilet verstoppen. Mijn schoonvader kan meeknokken, die haalt met één veeg zes van die zachte eieren neer.

Ik doe wat staatshoofden doen voordat ze een oorlog beginnen. Ik veins redelijkheid, ik doe alsof ik geen conflict wil. Ik zeg dat ik mijn verjaardag vier, en dat het optreden met mijn Beatles-coverband daar evengoed bij hoort als het bier, de boeken en het mooie weer.

Mijn gasten komen uit het hele land, zegt ze.

De mijne ook, zeg ik. Ik glimlach. Ik heb 800 watt achter mij.

Uit het hele land? Ze komen uit het hele land voor een duffe tango-workshop, waar je er honderden van hebt tot diep in Oost-Groningen aan toe? Het wordt mij opeens duidelijk. Het evenement is door een datingbureau georganiseerd, en de weke types zijn klanten van de paarse dame. Ah, look at all the lonely people.

Een half uur later dan gepland zetten wij ons offensief in met de intro van “Get back”. Go home Jojo! De gitaar bijt, de rhodes jankt, mijn bas pompt alles op en de snare ratelt, maakt er een strijdlustige mars van.

Een paar tango’ers komt polshoogte nemen. Het worden er allengs meer. Ze zijn lang niet zo bejaard als ik dacht. Ze blijven achter mijn gasten staan, maar er ontstaat niettemin beweging. Er zingt er één mee bij “She loves you”, er dansen er twee op “I feel fine”, ze lachen, ze zitten aan elkaar, heel anders dan bij de tangoles, die zijn ze denk ik vergeten. Whatever, het is mooi weer. It takes two to rock‘n’roll.

maandag 8 juni 2009

Retranchement

Het is windstil op de wallen van Retranchement. Ik hoor geen ander geluid dan het zingen van de merels. De wilgen zijn net oude, stramme dames met ontploft permanent. Ook zij maken geen geluid. Sommige zijn hol, ze bestaan alleen nog uit een stam, waar dan weer van alles op groeit en bloeit. Binnenstebuiten gekeerde bomen. Onder aan de dijk sloft een koe naar een plek in de schaduw, waarschijnlijk zonder zich af te vragen hoe het toch kan dat die schaduw daarnet nog gewoon hing op de plek waar zij in het gras lag. Duizenden boterbloemen schilderen gele vegen op de dijken. Gezoem van insecten. De net gerestaureerde klok van de Nederlands Hervormde Kerk slaat elf uur, om mij eraan te herinneren dat ook hier de tijd verstrijkt, tegen zijn zin en de mijne.

Dit is mijn dorp. Ook al weet het dorp dat niet. Ik heb het mij eigen gemaakt, ik heb het veranderd waar nodig, ik heb er personages ingekwartierd, en die zijn vanzelf gaan lopen en doen. Ik heb een bakkerij gemaakt op de plek waar een bakkerij zit, maar de kapsalon is door mij verbouwd tot slagerij en het grote café-restaurant is een knusse dorpskroeg die niet zo best loopt. De Dorpsstraat, het schooltje, de molen, de muziektent op de Markt zijn er allemaal, ik heb ze intact gelaten. 

Maar de wallen zijn het belangrijkste. Nergens heb je zulke wondermooie dijken, overblijfselen van de oude vesting Retranchement, ooit een belangrijke walversterking aan de zeearm het Zwin. Nu mag de natuur haar gang gaan. Op de noordwal lijken de meidoorn en de vlier de overhand te krijgen, de zuidwal is voor de boterbloemen en bramenstruiken, maar aan de oostzijde zijn de schapen de baas en krijgen zelfs de brandnetels geen kans. De koeien vinden het allemaal best, zolang er schaduw genoeg is. 

De naam Retranchement heb ik veranderd, en daarmee heb ik een wonderlijke metamorfose verricht. Het is nog steeds dit dorp, maar alles hoeft niet meer precies te kloppen. Als het precies had moeten kloppen was er geen slagerij, en ik wil dat er wél een slagerij is. Bovendien, was die slagerij er wel degelijk geweest, dan had ik de naam van het dorp alsnog veranderd, want anders had ik de slager het recht gegeven te klagen over het feit dat hij niet lijkt op de slager in het boek omdat hij geen snor heeft, niet zuipt en dat zijn vrouw helemaal niet zo begripvol is als ik doe voorkomen. Ik kijk beschaamd naar mijn schoenen. Hij gaat onverdroten voort. Of ik weet dat de afstand van de achtertuinen in de Noordstraat tot de wallen beslist geen vijftig meter is, en dat er daar helemaal geen schapen grazen in april, en dat er nimmer een rare snuiter heeft gelogeerd met het verontrustende signalement van mijn hoofdpersoon, en dat hij ook nog nooit iemand met een oude Zundapp in het dorp heeft gezien. Maar het is geen sleutelroman, zeg ik zonder overtuiging. Steek die keukenroman dan maar heel gauw in je achterbak, zegt hij, want er klopt geen bal van. Anders nog iets?

Goed, noem het een flauwe truc, een kunstgreep, maar niet de naam van Retranchement veranderen is vragen om problemen, ziet u wel?

Toch voel ik mij niet minder thuis in dit dorp. Ik herken het, en verdomd, ik geloof toch dat het mij ook herkent.

Het is er mooi.

Welkom in Zwinnerschans.

maandag 1 juni 2009

Numeri Primi

Ook in Nederland is “De eenzaamheid van de priemgetallen” een kleine hype geworden.

Het is zo’n boek dat erom schreeuwt mooi gevonden te worden. Na de laaiende enthousiaste recensies in Trouw en Parool hebben wij het thuis als de donder aangeschaft. 'Koop jij nog even gauw een zak afkokers, dan haal ik de eenzaamheid van de priemgetallen.'

Ik las de eerste twee scènes en wist dat dit iets was! Iets dat ik niet kon!

Dit weekeinde las ik voor het ‘echie’, van de kaft tot het nietje. Daarna smeet ik het van mij af. Ik vond het niets. Ik pakte het uit de schillenbak, probeerde het nog eens, en nog eens. Knap, pijnlijke scènes, knarsende ellende. Maar ik vind het nog steeds niets.

Waarom niet? Teveel narigheid? Te weinig humor?

Misschien, maar diezelfde bezwaren verhinderden mij niet “Knielen op een bed violen” in een ruk uit te lezen.

Het is het probleem van het vertelperspectief. 

Giordano wisselt voortdurend van perspectief. Behalve in de hoofden van de twee belangrijkste personages Alice en Mattia komen we voor bladzijde 100 omgeslagen is op de koffie in de bovenkamers van maar liefst nog vijf bijfiguren, die er verder in het verhaal overigens niets meer toe doen. Bij de scène die in het Parool in het bijzonder geroemd werd – een broeierig tafereel waarin Mattia en Alice zich verkleden als bruidspaar - schieten we van het ene hoofd in het andere, niet één keer, maar wel tien keer binnen het tijdsbestek van een pagina of drie.

Ik probeerde mij steeds af te vragen: is dat erg? Loop je spitsroeden als schrijver, wanneer je je van zo’n meervoudig perspectief bedient? Ik kom niet verder dan een laf antwoord op die vraag. Ik vind het erg. Ik vind het niks. Ik trek het niet. Ik voel mij gepiepeld, bedonderd, bekocht. Ik geef ineens geen stuiver meer voor die hele priemgetallen symboliek, die mij eerst zo intrigeerde. Zeik niet zo en doe normaal wil ik de personages toeschreeuwen. 

“Verander nooit van perspectief binnen één scène”, las ik ooit in een van de valkuilen van Hella Kuipers. Ik heb dat altijd voetstoots aangenomen, maar ik moet toegeven dat het een gevoelskwestie was. Ik wist niet goed waarom het niet deugde, head-hopping. Tot ik die priemgetallen las.

De lezer wordt gedwongen mee te leven met twee gekneusde zielen tegelijk. De scène verliest spanning, beide personages  dreigen je al snel Siberisch te laten. Ik ga mij ergeren, maar dat is waarschijnlijk mijn probleem. Een voorbeeld uit die bejubelde Parool-scene.

Mattia wist niet wat hij moest zeggen [...]

De stilte was voor hen beiden nauwelijks te verdragen. In de lege ruimte tussen hun gezichten kolkte het van de verwachtingen en verlegenheid.

‘vind je het leuk op je nieuwe school?’ vroeg Alice om iets te zeggen.

‘Ja’

‘Ze zeggen dat je een genie bent.’

Mattia zoog zijn wangen naar binnen en zette zijn tanden erin, tot hij proefde hoe de metalen smaak van bloed zijn mond vulde.

[...]‘en vind je mij leuk?’ flapte Alice eruit. Haar stem klonk een beetje snerpend en haar gezicht voelde gloeiend heet.

Miljoenen mensen lezen erover heen, het lijkt niemand te deren. Toch ben ik ervan overtuigd dat deze scène vele malen sterker zou zijn als zij vanuit één hoofd geschreven was. Is er geen enkele redacteur, bij die uitgeverij die Giordano als een vuurpijl op ons af heeft geschoten, die datzelfde geconstateerd heeft? En dan: hij kan best schrijven die jongen, heus waar, maar hij had zijn manuscript toch gewoon retour moeten krijgen met de bemoedigende woorden: ‘Wordt wel wat! Lees valkuil 53, herschrijf, en stuur dan nog eens in’. 

Wat jullie?

 

maandag 25 mei 2009

Mimesis

Ceci n’est pas un poète.

Ceci is een imitatie van een schrijver die zijn contract tekent. 

De mensen om mij heen heb ik eraf geknipt, uit privacy overwegingen, maar u kunt er vanuit gaan dat het allemaal schrijvers, redacteuren, uitgevers en journalisten zijn. Of worden. Hoe dan ook, het was reusachtig gezellig.

Maar nu even de kern van de zaak: mimesis.

Het tafereel hiernaast deed mij denken aan Richard Krajicek, Wimbledon in 1996. Je kan die dingen immers het beste vergelijken met gebeurtenissen van ongeveer gelijke grootte. Toen zijn machteloze tegenstander de laatste bal in het net mepte viel de Kraai op zijn knieën en liet zich vervolgens naar achteren vallen. Een imitatie van Björn Borg, vijfmaal zeeg de Zweed op die manier neer op het gras, gratieus als een acteur in een oorlogsfilm die een denkbeeldige kogel incasseert. Krajicek's val was wat onhandig uitgevoerd, ik zag dat meteen, het was geen Borg, maar ik kon niet precies zeggen waarom.

Later vertelde Richard heel openhartig over dat moment. Hij wilde inderdaad op Borgiaanse wijze naar het gras gaan, het leek hem de meest gepaste manier om de overwinning te vieren. Dat vond ik mooi, ik zag het als een gebaar van nederigheid, niet van arrogantie. Wat hij daarna vertelde raakte mij diep. Toen hij daar zat, op zijn knieën, en met zijn rug achterover viel werd hij bevangen door een vrees die even verschrikkelijk als onredelijk was. Maar hij wás er wel degelijk. "Stel je voor dat ik mij vergist heb", dacht de kampioen, "stel je voor dat dit helemaal niet het laatste punt was?"

Ja zeg, stel je voor.

Hij kwam overeind en zag dat het goed was, want de ballenjongens applaudisseerden voor hem. Maar het moment waarop de angst heel even zijn keel dichtkneep! Ceci n’est pas un champion! Dat moment zal hem heugen.

Het contract heb ik nog steeds niet echt getekend.

Ik zit de dingen op te blazen door ze nietig te maken, dat weet ik ook wel. Maar ik reken op ieders erbarmen als ik nog eens gedwongen word iets of iemand na te doen.

zaterdag 16 mei 2009

Contract


Ik had mij meer voorgesteld bij het ondertekenen van een contract. Ik weet niet precies wat, iets met een feestelijk tintje in ieder geval, iets waar een omstandigheid van gemaakt moet worden, van het soort dat vraagt om mooie, half gemeende woorden om de boel wat te rekken, een notenhouten bureau vol sigaren en geheime laden voor drank en schietwapens. Ik zou mijn opwachting maken in gezelschap van twee imposante  zaakwaarnemers met zonnebrillen. Dat waren dan twee vrienden geweest, die ik diezelfde dag nog had aangekleed bij de C&A – want waar elders kan je nog steile zwarte pakken en kraakwitte overhemden zonder tierelantijnen kopen? – en die zouden ieder in hun eigen hoek staan, strak voor zich uitkijken en volstrekt niets zeggen. Alleen als ik met geheven wenkbrauwen zou omkijken op het moment dat de royalties ter sprake kwamen zouden ze hun hoofden even naar elkaar toe draaien en ze daarna tweemaal schudden. Een van hen zou op zijn horloge kijken. Daarna zouden de onderhandelingen een tweede, grimmiger fase ingaan. Het percentage zou vastgesteld worden op twintig procent, maar niet voordat er glazen met dikke bodems vol met whisky geschonken werden, door een mooie strenge dame die mij opzichtig zou negeren, maar iets aan onkreukbaarheid zou inboeten omdat ze het niet zou kunnen laten een steelse blik op mijn zwarte mannen te werpen. Oei, wat zat die blik vol verlangen.

Ik kreeg het papierwerk over de post, in drievoud. Het paste gewoon door de brievenbus, de postbode hoefde niet eens aan te bellen. Het was een modelcontract zoals het ooit is opgesteld door de Vereniging (Vereeniging?) van Letterkundigen en de Literaire Uitgeversgroep. De LUG, voor vrienden. Van dit contract is overigens bekend dat het pas na eindeloze en bittere onderhandelingen is getekend door beide partijen, op de middenstip van de Amsterdam Arena. Een letterkundige is daarbij onder de zoden gewerkt en een uitgever heeft daar een berisping voor gekregen, maar de kaarten bleven op zak. Er is al met al zoveel gif bij gespoten dat het met het veld nooit meer goed is gekomen.

Er is één exemplaar bij ‘voor eigen gebruik’. Ik heb nog geen idee waar ik het voor ga gebruiken,  misschien om zogenaamd per ongeluk verkreukt op de koffietafel te leggen. Je kan er van alles mee, als je erover nadenkt. Maar een omstandigheid kan ik er niet meer van maken. Ik ga eerst het exemplaar voor eigen gebruik ondertekenen, om mijn handtekening te oefenen.

Daarna ga ik het nieuwe boek van Tommy Wieringa kopen en proberen het slecht te vinden.

dinsdag 12 mei 2009

Dimitri, of de geschiedenis der mensheid

’t kroop dus op vier poten uit die stinkende modderpoel, ’t ging allengs rechtop lopen om zich maar het gat te kunnen krabben... ’t rotzooide wat aan, een slordige zestigduizend jaar, ’t moest wel hier eindigen, kraaiend van de pret om het beeld in de gebroken spiegel, waar ’t zich zo goed in zegt te herkennen. Fraai is anders, maar zo is ‘t. Ge zijt er goed mee...

 Dimitri Verhulst wint de Libris Literatuurprijs!

 Ik vind dat plezant om te zeggen! Mag ik dat nogmaals zeggen? Dimitri Verhulst wint... ja en? Al maanden loop ik immers in het rond te toeteren dat ge die man moet lezen, want wat daar in die deftige schreven gedrukt staat, da’s taal zoals taal bedoeld is: om u bij de kladden te pakken, met de staalborstel af te rossen, met een bot mes uit te benen: gij zult nooit meer dezelfde ploert zijn, vanaf nu zijt gij een ploert met gevoel, een gevoel voor uwe moerstaal op zijn minst, lees, opdat wij u leren voor de juiste duvel te dansen! 

Bon, ’t eert Dimitri met een hoop gebral dat niemand verstaat, ’t steekt hem een bom duiten toe die waarlijk slecht is voor de drankzucht van zijn nonkels en de goklust van ’t kroost. Wat donder, het is hen gegund!

 En dan: hij zit bij mijn uitgeverij. De spetters van zijn overwinning vallen over mij heen als verschaald bier met spuug tijdens de Carnaval, ik juich en richt mijn wijd opengetrokken mond ten hemel. Hoera! Ach ze zullen nu wel even niet zoveel tijd voor mij hebben, maar ik kan wachten. Ik kom nog maar net uit de blubber gekropen, ik heb alle tijd (dit is een leugen). 

Proficiat Dimitri Verhulst. Het is verdiend (dit is de waarheid).

trailer "Een Onbarmhartig Pad"