vrijdag 22 maart 2013

Schoolreis (2) - column Trouw 20/3


Van alle 22 leerlingen die mee zijn naar Spanje is er één die ik helemaal niet ken: Pim. Hij staat op de lijst. Hij is er ook, maar hij zegt geen woord. Ik wil dat hij zich op zijn gemak gaat voelen, dus ik vraag hem of hij lekker heeft geslapen, ik vraag of hij honger heeft, of hij het niet koud heeft. Bij alle vragen haalt hij zijn schouders een centimeter op. Ik vraag aan de anderen bij wie Pim in de klas zit. Er is niemand die het weet. Ik vraag of hij op de havo zit. Ook dat weet niemand. Ik vraag of hij bij ons op school zit. Er wordt gelachen.

Op de derde dag, als wij in Granada zijn, begint Pim zomaar te praten, zonder dat hem iets is gevraagd. Een wonder! Hij zit aan tafel bij een groepje dat op gedempte toon het gedrag van Joost bespreekt, Joost die ‘zo graag de chillste gast wil zijn’. Dan spreekt Pim. ‘Ik heb een voortand minder,’ zegt hij. Hij grijnst, wij kijken goed en zien inderdaad dat hij maar drie snijtanden heeft. Niemand lacht. Iedereen lijkt zich bewust van de importantie van het moment.

De volgende dag is Pim zijn rugzak kwijt. Hij wuift het weg. ‘Er zit niks in, alleen een handdoek en wat kleren.’ Dat kan zijn, maar hij moet toch schone kleren hebben? Ik verzin een spel waarbij men in groepjes in de stad op zoek moet gaan naar spullen voor Pim, met een budget van 2 euro. Ze vinden het nog leuk ook. De ene groep komt met oude handdoeken uit een hotel, de andere met een paar sokken, weer een andere met een tandenborstel. Zo heeft Pim een mooie uitzet bij elkaar. Het groepje waar hij zelf deel van uitmaakt heeft een onderbroek gescoord. Pim zwaait met de onderbroek. De onderbroek ziet er niet nieuw en schoon uit. Dat blijkt hij ook niet te zijn: hij heeft zijn eigen onderbroek uitgetrokken, op een openbaar toilet. Hij had er gelukkig een goede reden voor: ‘Ik wilde het spel winnen.’

Op de slotavond heeft Pim het naar zijn zin. Hij drinkt vier cola. Sommige leerlingen willen met hem op de foto. ‘Pim zit bij mij in de klas!’ roept Sjaak. ‘Vet he? Dat wist ik niet!’ Later vertelt men mij dat Pim een reuzengarnaal uit de paella heeft gepikt, ‘om iemand mee te laten schrikken.’ 

De volgende ochtend spreekt Pim mij aan. ‘Wilt u een cadeautje?’ Ik neem een smoezelig servetje aan waar iets ingevouwen zit. Het is de garnaal. ‘Getver,’ zeg ik, ‘lekker ben jij,’ en bedenk te laat dat ik het misschien als teken van waardering moet zien.

vrijdag 15 maart 2013

Schoolreis (1) - column Trouw 13 maart


Het vliegtuig maakt zich los van de grond. We zijn op weg naar Madrid. De leerlingen acteren tijdens het opstijgen een zekere onverschilligheid die begrepen moet worden als wereldwijsheid. Sjaak niet, Sjaak gaat uit zijn pan. ‘Dit is niet normaal! Moet je kijken naar die huizen! Whoaaaa!’ Ik vraag of hij voor het eerst vliegt. ‘Nee dat niet,’ zegt hij, ‘ik vind het gewoon gaaf.’

In de metro begint Joost tegen mij te praten. ‘Weet u wat het is met meisjes? In de eerste en tweede klas kan je ze allemaal krijgen, maar in de vierde gaan ze ineens beginnen over zelfrespect en zo.’ Ik zucht diep. ‘Joost, doe normaal,’ zeg ik. Hij lacht breed. ‘Ik maak natuurlijk maar een grapje he!’ Ik houd niet van types die zeggen dat iets een grapje is wanneer ze merken dat een opmerking slecht valt. Joost is een poseur, de tegenpool van Sjaak.

De eerste avond eten we broodjes ham en spelen we voetbal op Plaza Mayor. Een zwerver doet mee. Madrid is een tolerante stad, en voetbalgek. Joost is na afloop zoek. Hij blijkt met zijn maat in een kroeg te zitten. Hij verklaart dat hij niet helemaal had begrepen dat zulks niet de bedoeling was, maar dat hij ‘ons standpunt wel ziet’.

De eerste nacht is altijd de lastigste. Wat je nu toestaat, is de rest van de week niet meer te bevechten. We gaan drie keer naar de rumoerigste zaal om de boel tot de orde te roepen. Rond één uur wordt het stil. De grootste herrieschoppers vallen het snelst in slaap en blijken ook het hardst te snurken. Zo wreed is de natuur.
De volgende dag klaagt Teun dat hij slecht heeft geslapen, zijn spierwitte haar hangt voor zijn ogen. ‘Het komt door het bed,’ zegt hij. ‘Heb je dan zo’n slecht bed?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt hij, ‘maar het is niet mijn eigen bed.’

We sjouwen door de stad met een gids, een Ierse studente waar alle jongens meteen verliefd op zijn. ’s Middags, in het museum Reina Sofia, vertellen Ruth en ik iets over Guernica van Picasso. Ik zie dat de kinderen best onder de indruk zouden willen zijn, maar ze krijgen nauwelijks de kans, want het is veel te druk, en ze moeten van de suppoosten blijven staan. Kunst kijken met vermoeide benen is net zoiets als muziek luisteren met hoofdpijn. In een andere museumzaal zitten vijf jongens, onder wie Teun, zwijgend op een bankje naar een film van Luis Buñuel te kijken. Op de vraag of het een goede film is antwoordt Teun: ‘Dat weet ik niet, maar je kan hier lekker uitrusten.’

vrijdag 1 maart 2013

Het duel (Column Trouw 26/2)


Ik neem gemakshalve aan dat we de laatste sneeuw van het jaar nu wel gezien hebben. Het is mooi geweest, we hebben het spul niet meer nodig. Er is meer dan genoeg gelegenheid geweest kleine onrechtvaardigheden recht te zetten met een welgemikte sneeuwbal. Want dat is waar sneeuw op het schoolplein goed voor is: kleine, zoete wraak.

Een sneeuwbal die ik nooit zal vergeten was een sneeuwbal die mij niet raakte, die mij nooit had kunnen raken, want er zat een stevige ruit tussen mij en de werper. Maar hij was wel degelijk voor mij bedoeld.

Ik was stagiair op een school in Doorn, had de verantwoordelijkheid over een paar onderbouwklassen en moest het zien te redden zonder stagebegeleider. Dat ging slecht. ‘Wanneer komt meneer De Boer weer terug?’ vroegen de kinderen mij iedere ochtend. Misselijk begon ik aan mijn werkdag. Toch was er maar één jongen die een serieuze hekel aan mij had. Dat kwam, denk ik, omdat ik hem eruit had gestuurd terwijl hij vond dat hij niets verkeerd deed. Hij heette Harro. Misschien had Harro wel gelijk, ik kon de chaotische situaties in de klas totaal niet beoordelen. Vanaf die dag haatte hij mij, ja, het moet haat zijn geweest wat in die kop broeide. Zijn gezicht leek eeuwenoud als hij mij aankeek. Het was niet op te lossen, ik moest zijn verachting ondergaan, en hij mijn onverzettelijkheid.

Zijn haat vond een uitweg toen er sneeuw lag. Hij moet in de pauze lang op mij gewacht hebben. Maar ik kwam niet. Ik zat in mijn lokaal, so’tjes na te kijken. Toen kwam die doffe dreun. Baf! De ruit trilde in zijn sponningen. Tegen het glas plakte een kwak sneeuw die langzaam naar beneden zakte. Een meter of tien verderop zag ik Harro staan. Hij keek mij brutaal aan, hij lachte niet, rende niet weg. Verder was er niemand, althans niet in mijn herinnering. Het was iets tussen Harro en mij en het leek een eeuwigheid te duren.

Ik wenste op dat moment dat die sneeuwbal dwars door de ruit was gegaan, en samen met een handvol glasscherven tegen mijn gezicht was geslagen, dat Harro zich kapot geschrokken was en dat ik - afgevoerd met bebloed gezicht - had kunnen zeggen: ‘het is niets, het is niets, maak je geen zorgen Harro,’ en dat hij geroerd door mijn vergevingsgezindheid zou rondbazuinen dat ik de beste leraar van de school was.

Maar dat gebeurde allemaal niet. Die sneeuwbal droop langs de ruit, en wij zaten allebei gevangen achter glas en de winter was nog maar net begonnen. Ik weet niet meer wie het eerst wegkeek, hij of ik.

vrijdag 15 februari 2013

Hotcha! Jazz!


De school is veranderd in een Theater. Nee, ik heb het niet over knullig stukje schooltoneel in een meurend gymzaaltje waar een paar klapstoelen en een rek met lampen zijn neergezet. Ik zei: Theater,  en dan bedoel ik dat ook. Ik praat over zes tracks met honderd theaterlampen, een groot toneel, apart muziekpodium. Driehonderd zitplaatsen. Vijf avonden uitverkocht. Een cast van dertig leerlingen en een evenzo groot orkest spelen de musical Chicago: ‘een  verhaal over moord, hebzucht, corruptie, overspel, kortom, over al die dingen die ons zo dierbaar zijn.’ Het stuk speelt in een vrouwengevangenis. Er loopt derhalve een twintigtal pikant geklede moordenaressen over het toneel. De jongste is dertien. Het klinkt als een avondje ongemakkelijk op je stoel draaien en doen alsof je niet kijkt. Maar niets van dat alles. Het is ontroerend. En het is een heerlijke show.

Een collega Nederlands vertelde mij in de pauze van de voorstelling nogal aangedaan dat de hoofdrolspeelster Roxie bij haar in de les een dweil is. Ze was verbijsterd. Ik ook, want ik kende het meisje alleen van de repetities, waarbij ze alles prachtig zong, en uit het hoofd, anderen coachte, en uiterst geconcentreerd was. Het tegendeel van wat wij op school een dweil plegen te noemen. Vaak zien wij maar één kant van onze leerlingen, soms nog minder, en over die helft klagen we steen en been in dodelijk voorspelbare rapportvergaderingen.

Vandaar dat ik denk alle leraren komen kijken naar de musical, want zo’n prachtige kans om zicht te krijgen op het talent en het doorzettingsvermogen van die ‘dweilen’ laat je toch niet schieten? Het ene kind zingt zo zuiver en gemakkelijk dat de tranen in je ogen schieten, ze wordt uitgelicht met een volgspot die bediend wordt door een ander kind. Weer een ander heeft driehonderd gaatjes geboord in een stuk triplex, daar driehonderd kerstlampjes in gepeuterd, de boel opgehangen aan een track en tijdens het nummer het licht aangezet: ROXIE staat er in lichtpuntjes geschreven. 

Het jongste orkestlid is een tromboniste van dertien. De laagste noot op het instrument kan ze niet goed spelen omdat haar arm te kort is. De bassist uit 5 vwo heb ik net zoveel foute noten horen spelen als woorden spreken: niet één. De meest opmerkelijke verschijning in het orkest is de vibrafonist. Hij speelt eigenlijk trompet, maar kreeg een maand geleden een klaplong. Hij mag gelukkig meedoen met de slagwerkers en noemt zich nu Verecund, the Voracious Vindicator of the Vibraphone.

Het is nog steeds een school - er zijn bijvoorbeeld lessen, rapportvergaderingen, proefwerkinhaaluren - maar al die dingen zijn nulliteiten. Deze week draait alles om de musical. 
Hotcha. Whoopee. Jazz!

vrijdag 8 februari 2013

Open Dag


Mijn zoon zit in groep acht. Hij is de afgelopen weken bij vijf middelbare scholen op de Open Dag geweest. Hij vond het overal leuk. Soms word ik doodmoe van het woord leuk.

Voor leraren is de Open Dag ook heel leuk. Al die blije gezichtjes! En hoe ruimhartig iedereen je het voordeel van de twijfel gunt! Mijn meest rampzalige Open Dag was die in het jaar van de verbouwing. Ik moest mijn rattenvangers-act doen in een ontruimd lokaal, met een drumstel, een gitaar en twee bruggers die daar op konden spelen. De oranje vloerbedekking krulde omhoog bij de naden. Achter de verwarming zaten nog verfrommelde pakjes Fristi. De ruimte ademde verval. Ik stelde daar leuke stamp- en klapoefeningen met de aanwezige groep-achters tegenover. De ouders zaten in de vensterbank toe te kijken. Halverwege de show rolde de luxaflex spontaan af, hij landde in de nek van een vader. De vader keek mij eerder teleurgesteld dan geschrokken aan. Een paar moeders gilden. Dat jaar hadden wij minder aanmeldingen dan normaal. Daar werd druk over gespeculeerd, en ik zweeg in alle talen.

Dit jaar mocht ik dus de concurrerende scholen eens bekijken op hún Open Dag. Ik inspecteerde de verwarmingen op kauwgom en de toiletdeuren op schunnige teksten en tekeningen van piemels. Voor mijn zoon betekende het gewoon vijf dagen gratis entertainment. Hij heeft nu vijf rugzakjes met viltstiften, opschrijfboekjes, liniaaltjes en glossy folders, en niet meer dan een vaag idee over waar hij volgend jaar naartoe wil. 

De vijf schoolgebouwen zijn allemaal oud, staan bijna allemaal in dezelfde straat, ze zijn katholiek, protestant-christelijk of openbaar, en zien eruit alsof ze van geen ontzuiling weten. Maar een keuze is allang niet meer vanzelfsprekend. Scholen moeten knokken voor iedere leerling. Dus hebben ze mooie logo’s, catchy slogans, kunstklassen, sportklassen, scienceklassen, topklassen, Spaans, Chinees, en wat al niet om zich te onderscheiden. Meestal gaat het bij die extra programma’s om een uurtje tekenen, sporten, proefjes doen, of een taal leren. Een uurtje in de week. Het moet wel leuk blijven. Leuk, inderdaad. En betaalbaar. Je kan er werkelijk niks op tegen hebben, en iedereen doet geweldig zijn best. Maar onderscheidend zijn de scholen er nauwelijks mee. Na een jaar of tien experimenteren en innoveren doet iedereen uiteindelijk weer zo’n beetje hetzelfde. 

Innovatieve visies op onderwijs zie je veel minder. Er is een school met een iPad-klas gesignaleerd, maar mijn zoon wil niet naar de school met de iPad, hij vond het gebouw oud en de wc’s vies. Hij kijkt naar wat zijn vriendjes doen, en zij naar hem. Alles schuift nog. Alle scholen lopen spitsroeden. Een luxaflex die naar beneden lazert kan zomaar het verschil maken. 

trailer "Een Onbarmhartig Pad"