vrijdag 18 juli 2014

Gestolen dagen

Het is een lome, warme vrijdagmiddag. Plukjes scholieren fietsen door de stad, traag, zwabberend, en ogenschijnlijk zonder doel of zelfs maar een richting.

Het noorden van het land is geruisloos de zomervakantie ingegleden. Ik woon in het deel van het land dat nog niet officieel is bevrijd, maar dat hindert niet, want de laatste les is gegeven. Wat volgt is die merkwaardige wapenstilstand van anderhalve week die ouders nooit begrijpen (‘Dat kind zit zowat de hele dag thuis! Het is toch nog geen vakantie?’) Ik ben opgehouden uit te leggen waarom we na alle toetsen nog minimaal zeven werkdagen nodig hebben om de boel af te ronden. Ze moeten het maar geloven.

Maar ik wilde het hebben over de plukjes scholieren, die op een tijdstip dat normaal het vierde of vijfde uur heet, ineens de openbare ruimte vullen. Ze zijn vrij, nu ja, misschien nog boeken inleveren, rapport halen, het voelt als vakantie. Ja, deze dagen, waarin hun leraren saai nakijkwerk doen, vergaderen, plannen, opruimen enzovoort, zijn voor de leerlingen de mooiste dagen van het jaar, al zijn die oelewappers zich daar natuurlijk helemaal niet bewust van, die doen maar wat, alles gaat vanzelf en niets noopt tot reflectie.

Heeft u ze ook al gesignaleerd, de plukjes? Ze gaan naar het zwembad, ijs eten, shoppen zonder geld, of naar de Mac. Misschien heeft u het wel eens gewaagd ze terecht te wijzen (‘Niet met zijn drieën naast elkaar op het fietspad jongens!’) met uw meest begripvolle-doch-dwingende stem. Nadat u was gepasseerd hoorde u gegniffel. Het zweet brak u uit, u wilde zich omdraaien om ze flink de waarheid te zeggen, maar ze zijn onaantastbaar, ze zijn van hun leraren en andere kwelgeesten verlost, en u kunt ze nooit de baas.

Dit zijn gestolen dagen, dagen van kriebelend gras en klotsend water. De klas is de klas niet meer, maar in kleinere eenheden hokt het stel nog bij elkaar. De echte zomervakantie heeft de kleefstof, die de kunstmatige eenheid ‘klas’ bij elkaar houdt, nog niet opgelost. Mijn zoontje heeft het eerste jaar op het gymnasium erop zitten. Hij gaat deze dag met klasgenoten in de Rijn zwemmen. Ergens bij Hazerswoude. Of zoiets. Het is niet helemaal duidelijk. Ik wil meer weten.
‘Met wie ben je daar?’
‘Dat weet ik niet precies.’
‘Wat ga je daar dan allemaal doen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Varen daar geen grote boten?’
‘Kweenie’. Op welk adres het was, en hoe laat het was afgelopen wist hij ook niet.


Na dit beroerdste mondelinge tentamen aller tijden vloog hij de deur uit. Verschrikkelijk veel zin had hij in al deze onduidelijkheid. Dat is vakantie, dat je een ruime hoeveelheid niets om je heen schept. Dat lukt het best als je twaalf bent, op deze gestolen dagen.

donderdag 10 juli 2014

De Keizer des Baards

In mijn krant las ik dat Robben in een interview had gezegd: ‘Zaterdag is een wedstrijd om des keizers baard’.

Dat klopte niet, althans, natuurlijk is die wedstrijd zaterdag tegen Brazilië om des keizers baard, alleen zo had Robben het niet gezegd. Ik had het live op televisie gezien. Direct na de wedstrijd werd hij geïnterviewd en zijn woorden waren: ‘het is een wedstrijd om de keizer des baards’. De keizer des baards, dat zei hij.

Voor de camera praten coaches, voetballers, wielrenners en ander sportvolk wel eens een beetje raar. Ze maken zinnen niet af, hakkelen een paar clichés aan elkaar, raken steeds de draad kwijt, roepen willekeurig wat woorden die ze te binnen schieten, en zijn niet te volgen. Meestal valt het nauwelijks op. De getekende koppen, strenge blikken, lege ogen, de tranen, de rochels, het hoge ademen, dit alles eist onze aandacht op.

Het zijn ook maar woorden, denk ik dan. Soms lees ik een roman, en dan denk ik hetzelfde. Maar nooit met dezelfde diepe behoefte te vergeven als bij het live-interview na een sportwedstrijd.

Het verslag in de krant, waarin de woorden altijd netjes in de juiste volgorde worden gezet, is zoals ik het zie, meer dan een vorm van hygiene. Het is ook een vorm van vergeving. Onze jongens hebben een paar penalty’s gemist, en een handvol kansjes, maar wij vinden het niet erg. Omdat het raar is om in de krant te schrijven dat wij het niet erg vinden, alleen maar jammer - en dan vooral voor Robben zelf - daarom schrijven we zijn verhaspelde woorden correct op, en praten we er verder niet meer over. Precies zoals ik het haar van mijn zoontje snel even goed leg als hij met een windkapsel en een warrige blik thuis komt en onsamenhangend, bijna huilend, vertelt dat hij een vier voor Frans heeft gehaald.


Het terloops corrigeren van woorden of een haardracht, dat is een vorm van barmhartigheid die mij goed bevalt.

vrijdag 20 juni 2014

Bellen (Column Trouw 18 juni)

Het is vijf voor half zeven. Ik zit nu al geruime tijd klaar, alles bij de hand: telefoon, cijferlijst, A4’tje met telefoonnummers. Voor het eerst in mijn carrière ben ik mentor van een aantal examenleerlingen, en nu valt mij dit erebaantje toe: ik mag de geslaagden bellen. Om half zeven. Geen minuut eerder. Vier jongens. Ik ben de brenger van het beste nieuws uit hun leven tot nu toe, en ik ben nerveus. 

Misschien voel ik de spanning die zij nu voelen, met de hele familie zitten ze natuurlijk met samengeknepen billen rond de telefoon, al een uur. Wie in dat uur gebeld is, is gezakt. 

Dit is de belangrijkste dag van het jaar. Het hele jaar hebben wij toegewerkt naar dit toneelstukje. Alles is voorbereid, alles loopt volgens het script. Wij zijn nauw met elkaar verbonden. Alleen het Grote Weten en Niet-weten scheidt ons. Ach, die jongens. Op dit moment zijn het nog leerlingen van me. Na mijn belletje niet meer, dan zijn het oud-leerlingen, voor de rest van mijn leven. Nee wacht, leven of dood maakt niet uit, dat is het aardige. Oud-leerlingen blijven het.

Nog twee minuten. Ik controleer de telefoon. Dat had ik eerder moeten doen, de indicator van de batterij geeft een flinterdun streepje aan. Hoe krijg ik dat nou weer voor elkaar! Ik moet reusachtig belangrijke telefoontjes plegen met een toestel dat ieder moment kan uitvallen (‘Hallo met Martijn.’ ‘Ja hoi, met Gerwin, je bent ge... tuut-tuut-tuut.’).
Half zeven. Opgewekt klinken, niet té. Uitbundigheid aan hen overlaten. Zouden ze eigenlijk wel zelf opnemen? Ik wil nu beslist geen moeder of zesjarig zusje aan de lijn...

            ‘Met Marius.’
            ‘Hoi Marius, van harte gefeliciteerd, je bent geslaagd.’
            ‘Ja, dat dacht ik al...’
            Even ben ik sprakeloos.
            ‘Eh, je hebt één vijf, verder zessen, en je ‘dacht het al’?’
            ‘Ja, want het is toch half zeven?’
Punt voor Marius. Ik hang snel op, want de anderen wachten ook in spanning.

            ‘Met Juul. Geslaagd jongen!’
            ‘Ooooooooh, yes!’
Gebrul op de achtergrond. Hebben ze de hele buurt uitgenodigd? De telefoon geeft een scherpe piep in mijn oor. De batterij! Ik groet Juul hartelijk. Hij is hoorbaar geëmotioneerd, maar ik kan er niet bij stilstaan, de boodschapper moet verder. Het is werk. Wietze. Blij, maar droog als altijd. Piep zegt de telefoon. Dan Teun. Teun, onze sterzanger die naar het Conservatorium gaat. Ook hij neemt zelf op.

            ‘Zooo, hèhè, ik dacht al: wanneer belt-ie nou eens!’
De telefoon piept nu om de twee tellen. Snelle felicitaties, door het gepiep heen. Geen idee of hij er iets van verstaan heeft.

Het is tien over half zeven. In vier woningen heb ik het bal geopend. Ik pak een biertje. De boodschapper brengt een eenzame toast uit op zijn oud-leerlingen.


donderdag 29 mei 2014

Faust (column Trouw 29 mei)

Faust in het Muziektheater, allemachtig wat een spektakel. Krankzinnige beelden, heerlijke regie, superieure zang. Wereldklasse En het was nooit eerder tot mij doorgedrongen dat die muziek van Gounod zo goed is. Het allermooiste is echter dat ik het niet voor mijzelf gehouden heb, maar dat ik zesentwintig leerlingen uit 5 vwo en 4 havo bij me had. Voor een tientje per kaartje. Een tientje!

Ik doe altijd met genoegen verslag van kleine nederlagen, lachwekkende missers en jammerlijke mislukkingen. Maar als iets een keer verschrikkelijk goed gaat, dan kan ik dat toch ook niet voor mij houden - hoewel mijn enige verdienste in dit geval bestaat uit het feit dat ik het lef heb gehad die pubers mee te slepen naar een operavoorstelling van vier uur, inclusief een dramaworkshop in de middag.

Het woord ‘dramaworkshop’ jaagt me altijd de stuipen op het lijf. Bij ‘dramaworkshop’ denk ik aan een gesjeesde student van de toneelacademie die ons een gebakken eitje of een augurk-in-het-zuur laat imiteren, en die - als dat op weerstand stuit - gaat zuchten en zeggen dat hij nog nooit zo’n ongemotiveerde groep heeft gehad. En dat je dan nog twee uur door moet... Maar niets van dat alles! We speelden scènes uit Faust, we zongen het soldatenkoor, analyseerden de juwelenaria. Na afloop konden de leerlingen niet wachten om het echte werk te zien.

In de ietwat langdradige derde akte hadden sommigen een kleine inzinking (ach, wat zijn die stoelen toch heerlijk zacht), maar na de pauze werd iedereen volledig uit zijn stoel geblazen.
‘Het was echt gaaf, ik ben de tweede helft niet eens meer in slaap gevallen!’ zei Julia. Ik weet zo’n compliment op waarde te schatten, want de hemel weet hoe vaak ik heb gedommeld in het pluche van het muziektheater. Ik viel vroeger al in slaap als Wodans speer uit de coulissen prikte.


Waarom wil ik over deze Faust schrijven? Uit enthousiasme ja, maar ook omdat ik ongerust ben. Heeft het ministerie over tien, vijf, of zelfs twee jaar nog geld over dit soort educatieve projecten? Daar kunnen wij niet zeker van zijn. Het ‘leerproces’ bij zo’n project is niet meetbaar, er is geen zichtbare opbrengst, geen ‘rendement’. Maar wat niet meetbaar is kan nog wel zichtbaar zijn. Alleen al het beeld van zo’n vijftig soldaten (met uniformen waarin ze op reusachtige torren lijken) die zwaar gehavend terugkomen uit de oorlog, en die het magnifieke koor zingen terwijl ze verzorgd worden door barbies met verpleegsterskapjes. Een soort parodie op militairisme, machismo dat in zijn eigen staart bijt. Dit beeld herinneren ze zich hun hele leven. Is dat niet wat leren is: dat er iets beklijft, voorgoed, iets dat waardevol is en moeilijk te meten?

vrijdag 23 mei 2014

Allemaal geslaagd (column Trouw 21 mei)

Ik zit in het voetbaldoel achterin de sporthal. Op een podiumpje. Ik ben weer keeper en centrale verdediger tegelijk, drie en een halfuur lang. Ik kijk naar de ruggen van het hele 5 havo niveau. Het is mooi om te zien hoe iedere leerling het examen na ruim een week op zijn eigen wijze heeft geritualiseerd. Pennen rechts, eten en drinken links, papieren geordend, sommigen schroeven hun gele oordoppen in. Een eind verderop zitten Wietze en Barend, mijn mentorleerlingen, ze dragen de zweetbandjes die ze van mij gekregen hebben. Ik denk niet dat ze het ding bovennatuurlijke krachten zijn gaan toeschrijven, maar leuk vind ik het wel. Nu ja, misschien zweten ze gewoon als koeien. Het is warm.

Vlakbij mij zit Milan. Wat een boom van een kerel is dat geworden! Ik gaf hem nog les in de derde, lastige jongen. Zijn handen waren toen al twee keer zo groot als de mijne en zijn vingers altijd een beetje vuil. In zijn buurt gingen steevast dingen kapot: snoeren, gitaarsnaren, drumvellen, versterkers. Je kon hem nooit echt de schuld geven, zijn puberbrein kon dat omhoogschietende lijf gewoon niet helemaal onder controle krijgen. Dat morsige, dat vijftienjarige jongens kenmerkt, heeft hij van zich afgeschud, de vuistdikke gebruiksaanwijzing lijkt niet meer nodig. Totaal ongevaarlijk is hij geworden. Het is net alsof wij hem getemd hebben, zoals hij daar zit.

Op het tafeltje van Milan liggen de volgende versnaperingen uitgestald: drie stroopwafels, twee kruidkoekrepen, zes sultana’s, pakje Dextro Energy. Twee pakjes chocolademelk en een halve liter ice tea staan naast hem op de grond. Het valt me op dat havoleerlingen aanzienlijk meer etenswaren de zaal in slepen dan vwo’ers. Ik zie broodjes tonijnsalade, kaasstengels, bakken met nootjes. Zelfs een zak paaseitjes. Aan de vwo-kant overheerst een meer ascetische benadering: een flesje water en een ligakoek. Na een uur moet Hakan plassen. Het is een eind lopen, alle kandidaten waar hij langskomt kijken even op. Daarna spoelt een pisgolf door de havo-afdeling die drie kwartier aanhoudt. Havisten moeten vaker naar de WC dan vwo’ers. ‘Zelfs in de examenzaal zijn die havo-gasten nog bewerkelijker,’ zei de collega die steeds mee moest lopen naar het toilet.

Zo kijk ik langzaam de vijf in de klok. Het is nog steeds warm. Milan heeft nog drie sultana’s over. Ik bedenk ineens dat van deze kinderen een op de vijf niet in één keer zal slagen, want dat is ieder jaar zo, overal. Een ijzeren wet. Ik vind die gedachte op dit moment onverdraaglijk. Ik zie honderd gekromde ruggen, honderd harde werkers. Ik kan mij domweg niet voorstellen dat er ook maar één van hen dit examen niet zal halen. Het gaat er gewoon niet in bij mij, nee, geen twijfel mogelijk. Allemaal geslaagd.


trailer "Een Onbarmhartig Pad"