Steeds als ik zin krijg om te roken, en sigaretten wil gaan
kopen, dan ga ik naar de poëziewinkel en koop een dichtbundel. Het is in de Herenstraat in
Leiden, de winkel zit tussen twee kappers in. Het is de best gesorteerde poëziewinkel van de Benelux. Dit is echt waar. Ik heb ooit geweten wat dat is, Benelux. Sigaretten of poëzie, het is
praktisch even duur. Mijn huis puilt inmiddels uit van de gedichten, maar goed.
Het ruikt in ieder geval niet naar rook.vrijdag 9 november 2018
Sigaretten kopen
Steeds als ik zin krijg om te roken, en sigaretten wil gaan
kopen, dan ga ik naar de poëziewinkel en koop een dichtbundel. Het is in de Herenstraat in
Leiden, de winkel zit tussen twee kappers in. Het is de best gesorteerde poëziewinkel van de Benelux. Dit is echt waar. Ik heb ooit geweten wat dat is, Benelux. Sigaretten of poëzie, het is
praktisch even duur. Mijn huis puilt inmiddels uit van de gedichten, maar goed.
Het ruikt in ieder geval niet naar rook.dinsdag 7 juli 2015
Gestolen Dagen (column Trouw 1 juli)
Het is een lome, warme middag. Plukjes scholieren fietsen
door de stad, traag, zwabberend, en ogenschijnlijk zonder richting. Op een
tijdstip dat normaal ‘het vijfde uur’ genoemd wordt vullen ze ineens de
openbare ruimte. Ze zijn vrij, nu ja, misschien nog boeken inleveren, rapport
halen, het voelt als vakantie. Deze dagen, waarin hun leraren saai nakijkwerk
doen, vergaderen, opruimen enzoverder, zijn voor de leerlingen de mooiste dagen
van het jaar. Al zijn die oelewappers zich daar natuurlijk helemaal niet van bewust,
die doen maar wat, alles gaat vanzelf en niets noopt tot reflectie.
Het is mijn vrije dag, en ik vermaak mij met het observeren
van die plukjes. Ze gaan naar het zwembad, ijs eten, shoppen zonder geld, of
naar de Mac. Vroeger waagde ik het wel eens ze terecht te wijzen, vriendelijk
bestraffend (‘Niet met zijn drieën naast elkaar op het fietspad jongens!’). Nadat
ik was gepasseerd hoorde ik altijd gegniffel. Woede steeg dan naar mijn hoofd, ik
had me willen omdraaien om ze eens de waarheid te zeggen. Maar ze zijn
onaantastbaar, ze zijn van hun leraren en andere kwelgeesten verlost.
Die fout
maak ik nu niet meer, ik laat ze begaan. In de supermarkt stuit ik op zo’n plukje.
Ze zijn niet van mijn school. Met zijn tienen verdringen ze zich voor de kassa
om één blikje Red Bull af te rekenen. ‘Pardon...’ zeg ik, want ik wil mijn
boodschappen graag op de band leggen. ‘Moven! Er wil er één langs!’. Duwen en
trekken. ‘Hé, doe ’s chill, gast’. ‘Sorry meneer, hij wil niet aan de kant.’ Dat
bekende samenzweerderige gegrinnik. Geduld, gun het ze vandaag, over een week
zitten ze op de camping met hun ouders.
Dit zijn gestolen dagen, dagen van kriebelend gras en klotsend
water. Geen school meer, maar de officiële zomervakantie heeft de kleefstof die
de kunstmatige eenheid ‘klas’ bij elkaar houdt, nog niet opgelost. Mijn zoon
heeft het tweede jaar op het gymnasium erop zitten. Hij gaat deze dag met klasgenoten
ergens langs de Vliet zwemmen en in het gras liggen. Of zoiets. Het is via
Whatsapp geregeld. Hij moet twee flessen Fanta meenemen, dat is alles wat ik
weet. Ik heb dus nog wat vragen.
‘Wie komen er allemaal?’
‘Weet ik niet.’
‘Tot hoe lang duurt het?’
‘Weet ik niet.’
‘Gaat er ook een leraar mee?’
‘Huh? Nee, natuurlijk niet.’
Daarna vliegt hij de deur uit. Verschrikkelijk veel zin heeft
hij in al deze onduidelijkheid.
Dat is vakantie, dat je een ruime hoeveelheid Niets
om je heen schept. Dat lukt het best als je dertien bent, op deze gestolen
dagen. Soms ga ik, tussen twee rapportvergaderingen door, in het gras van het
sportveld liggen, en dan voel ik het ook.
vrijdag 26 juni 2015
Een heel raar boek (Column Trouw 24 juni)
Heel 4-havo moest mijn boek lezen, mijn tweede roman ‘Wild’.
Dit hadden de leraren en leraressen Nederlands bedacht, ze gingen er zelfs een
proefwerk over geven dat voor het examen meetelde. Meetellen voor het examen,
dat is de grootst denkbare eer voor een schrijver.
In alle klassen gaf ik voor
de aardigheid een gastles. De havisten vroegen of het bos dat ik beschrijf echt
bestond, en het dorpje, en de mensen, en of er dingen echt gebeurd waren. Ik
zei dat ik alles had verzonnen, en op een of andere manier schaamde ik mij
daarvoor.
‘Ik vind het wel een heel raar boek,’ zei een meisje
achterin.
Volgens optimisten is het literatuuronderwijs niet dood, het
ruikt alleen maar een beetje vreemd. Kun je nagaan wat de pessimisten vinden.
Iedereen klaagt over de staat van het literatuuronderwijs, en dat al tientallen
jaren. In onderzoeken gebruikt men woorden als ‘leesattitude’ en ‘leeszwakke
leerlingen’. Van zulke woorden ga ik stil in een hoekje zitten huilen.
In het licht daarvan moet je onderstaande gebeurtenissen misschien
een wonder noemen.
De dag voor het proefwerk literatuur hing een plukje jongens
in de hal. Eén maakte zich los uit het plukje. Hij kwam dreigend op me af.
‘M’neer, ik heb een vraag over uw boek. Zitten er open
plekken in?’
Ik stamelde dat ik niet wist wat hij bedoelde. Hij legde het
korzelig uit. Intussen had een groepje meisjes zich aangesloten.
‘M’neer, wat is het thema en het motief?’
‘M’neer, wat is er met de vader gebeurd?’
‘M’neer, wat bedoelt u met dat konijn? Waarom gaat dat
konijn dood?’
Op niet alle vragen wist ik direct een antwoord.
‘M’neer er staat twee keer ‘hoofdstuk 35’ in. Heeft u daar
een bedoeling mee?’
Ik zei dat het een drukfout was.
‘O, ik heb ook een drukfout gezien!’ riep een meisje. Ze wees
de drukfout aan.
De dag van het proefwerk was het nog drukker. Havisten stonden
te dringen voor de koffiekamer, allen moesten mij wat vragen. Annet, mentor van
4 havo, vertelde dat er whatsapp-groepjes waren rond het boek. Ze liet het
zien. Honderden appjes over motieven, vertelsituatie en open plekken. De
laatste die ik las: ‘Nou, ze kunnen niet zeggen dat we niet met dat boek bezig
zijn!’
Over een paar dagen, als de cijfers bekend zijn, verwacht ik
opnieuw ophef. Alle onvoldoendes zijn natuurlijk mijn schuld (‘Hij wist zelf ook
geen open plekken!’). Tot die tijd geniet ik van het idee dat het
literatuuronderwijs even springlevend was. Een wonder? Ik denk het niet, ik
denk dat het overal kan. Kies een boek uit dat iedereen moet lezen, nodig de
schrijver uit en boven alles: laat hem een dagje rondhangen in de gangen, liefst
vlak voor het proefwerk. Goud!
zaterdag 20 juni 2015
Wij zijn saai (column Trouw 17 juni)
Het was warm. In de koffiekamer probeerde ik het folie van een bekertje halfvolle melk te pulken.
Ondertussen las ik in de krant dat VVD-kamerlid Duisenberg vond dat meer dan de helft van de leraren saai en totaal niet inspirerend zijn. Ik zette de melk neer en keek om mij heen of er nog iets anders te drinken was, iets minder saais. Een wodka-martini of zo. Naast mij stond een collega een theezakje op en neer te bewegen in heet water.
Ondertussen las ik in de krant dat VVD-kamerlid Duisenberg vond dat meer dan de helft van de leraren saai en totaal niet inspirerend zijn. Ik zette de melk neer en keek om mij heen of er nog iets anders te drinken was, iets minder saais. Een wodka-martini of zo. Naast mij stond een collega een theezakje op en neer te bewegen in heet water.
‘We zijn saai,’ zei ik. ‘Het staat in de krant.’
De collega haalde het theezakje omhoog, liet het even uitdruppen en kneep het voorzichtig uit boven zijn bekertje. Ik zag donkere plekken onder zijn oksels. Ik dacht: misschien heeft die Duisenberg wel een punt. Ik liep ruim voor de bel terug naar mijn lokaal terwijl ik nadacht of mijn volgende les niet te saai zou zijn.
Zo tegen het einde van het schooljaar wordt een les een tijdseenheid die alleen tot doel lijkt te hebben de naderende vakantie mooi uit te lichten. Alle leerlingen zijn door het fraaie weer veranderd in recreanten, en ik moet doen alsof er belangrijker dingen zijn dan warmte en zon op je gezicht. En die zijn er natuurlijk niet.
Een eerste groepje meisjes kwam de klas binnen
‘Warrum hier! Pffff.’
Opzichtig gewapper met de handen.
‘Meneer, gaan we wat leuks doen?’
‘Ja, niet iets supersaais hè?’
Ik wist niets te zeggen. Ik wenste dat het VVD-kamerlid Duisenberg er was om mij iets inspirerends in te fluisteren. Een tweede groepje meisjes:
‘Jemig, ik stik zowat!’
‘Mogen wij onze waterflesjes vullen meneer?’
Ik zei dat het mocht, als ze snel waren.
De jongens kwamen binnen, met zo’n cool loopje, allemaal tegelijk, bezweet, want ze hadden voor de les nog even gevoetbald of elkaar geslagen met hun tassen.
‘Zooo, wat meurt het hier! Zullen we naar buiten meneer?’
‘Jaaaa, buiten les meneer.’
Ik stond vurig te hopen op regen.
Vroeger durfde ik gemakkelijker zo’n buitenles aan. Gitaartje mee, beetje zingen. Experimentele slagwerkstukken maken met takken, sleutels, blikjes, lantaarnpalen. Nu had er niet zo’n zin in. Ik moest nog proefwerkstof uitleggen. En ik wil collega’s niet tot last zijn, enz. enz.
In tijden van saaiheid klamp ik mij vast aan successen uit het verleden. Ik kreeg ooit een cadeautje van een meisje uit de zesde, een strandhanddoek met daarop de tekst geborduurd ‘Gerwin, great inspirator’. Lief en ontroerend, al durf ik me er zelfs binnenshuis niet mee af te drogen. Maar soms kijk ik er even naar, op zo’n dag als vandaag. Want je kan zeggen wat je wilt, maar ík heb zo’n handdoek, en kamerlid Duisenberg van de VVD niet. Zo, nou hij weer.
vrijdag 5 juni 2015
Filmpje (Column Trouw 3 juni)
Aan het einde van de schooldag zet ik de tafels en stoelen
recht, een werkje dat precies onnozel genoeg is om prettig te zijn na zo’n dag.
Het schuiven van de stoelen over de vloer, de tafels die tegen elkaar ketsen,
het zingen van de gitaarsnaren als ik ze rechtzet in het rek, zo vertrouwd zijn
alle geluiden, dat het een stil verbond wordt tussen mij en mijn lokaal.
Er komen drie brugklasmeisjes binnen. Ik ken ze niet, ze
zijn niet uit mijn brugklas, maar ze zien er lief uit. Een van hen vraagt beleefd
of ze het lokaal mogen gebruiken voor een filmproject.
‘Eh, hier?’ stamel ik. ‘Een filmpje?’
‘Een filmprojéct,’ verbetert ze mij.
‘Hoe heten jullie?’ vraag ik om tijd te winnen.
Ze stellen zich voor. Ik onthoud niet één naam, maar het
kind dat het woord voert doet mij aan Dora denken, dat tekenfilmfiguurtje.
Ik wil
zeggen dat het niet mag, dat ze moeten opkrassen en mij alleen laten, dat er veel betere plekken zijn om te filmen, maar ik
doe het niet. Het zou oneerlijk zijn. Deze school staat hier niet voor mij, mijn vreemde verbonden met de meubels en mijn behoefte aan stilte. De school is
er voor de leerlingen, opdat zij kunnen leren en filmprojecten doen.
Ik mompel
dat ze niet aan de spullen mogen komen, en dat ze alles keurig moeten
achterlaten. Dora knikt gretig. De anderen zijn al begonnen alle tafels en
stoelen tegen de wanden te schuiven.
‘Het mag!’ roept Dora de gang in.
Er komen nog een grote groep meisjes het lokaal binnen. Deze
zijn een stuk luidruchtiger. Een nogal dik kind gooit met de deur. ‘Hela!’ roep
ik.
Dora wijst het wicht terecht, streng en adequaat. Er zijn er
nu ongeveer twaalf kinderen in mijn lokaal, ze horen er allemaal bij. Ik vraag
hoe ze gaan filmen. Dora zegt dat ze kostuums hebben meegenomen, en
grimespullen. En mobieltjes voor het filmen. Ik knik, alsof ik het begrijp.
In een oogwenk is mijn lokaal veranderd in een filmset. Maar
dan zonder camera’s. Dora geeft iedereen instructies. ‘Er is geen tijd te
verliezen,’ zegt ze. ‘Als iedereen doet wat ik zeg dan gaat het lukken.’
Ik druip af.
Een uur later loop ik terug om te kijken hoe het gaat met
het filmproject, en om te controleren of het geen bende is. Ik kijk door het
raampje. De meisjes hebben rare kleren aan, ze maken ruzie. Misschien hoort het
bij de film. Dora staat druk te gebaren, midden in mijn lokaal. Precies op de
plek waar ik altijd sta. Ik blijf staan met de deurkruk in mijn hand. Eerst
houd ik mij voor dat ik het filmproject niet wil verstoren.
Dan zie ik de
waarheid onder ogen: ik durf niet naar binnen.
vrijdag 29 mei 2015
Rookpaal (column Trouw 27 mei)
| Vlnr: Ed, Adri |
De school is sinds vorig jaar rookvrij, inclusief de
pleinen en het sportveld. De elektrische sigaret van de rector en een enkel
mislukt experiment bij scheikunde daargelaten zal je geen zacht kringelende damp meer aantreffen in en om het gebouw. Erg bijzonder is dit nu ook weer
niet, want de meerderheid van de scholen is de afgelopen jaren rookvrij
geworden. Het is immers, eh, de tijdgeest.
“Kinderen moeten leren dat niet-roken de norm
is” volgens de directeur van het Longfonds. Dat
zijn wij natuurlijk allemaal met hem eens. De kinderen die graag afwijken van
de norm roken hun peuken nu leunend tegen het hek van het schoolplein, maar dan
vanaf de buitenkant.
De grote verliezers zijn de verstokte rokers onder de
leraren. Ook onze eigen patio, het teachers
only plein, is rookvrij. De officiële rokersruimte is nu een hokje van twee
bij twee, in de kelder onder het toneel, eigenlijk een inbouwkast waar vroeger
theaterlampen opgeslagen werden.
Ik kom daar nooit, want het is er niet te
harden, maar ik zie kantinedames Coby en Jannie regelmatig afdalen naar de
kelder, net als coördinator bovenbouw Ed en Adri van Natuurkunde. Adri is nog
van de tijd dat leraren en leerlingen gezellig samen rookten in de klas. Dat
was in de jaren zeventig. ‘Adri, mag ik een vuurtje’ vroegen de brugklassers
dan aan hem.
Met rokende leerlingen heb ik niets, ik vind het bijna
altijd aanstellers. De ergste rokende leerlingen zijn de rokende leerlingen die
net 'gestopt' zijn, en die iedereen snakkend naar adem en hunkerend naar
bewondering vertellen hoeveel dagen ze al niet gerookt hebben. Een dag later
zijn ze weer begonnen, ‘omdat het écht te zwaar was.’ Die paffende pubers waren
me een doorn in het oog, de bewijsdrift en groepsdwang wolkte boven hun hoofden
en woei uit over het hele plein. Liever één stiekeme blower in de bosjes dan tien
wijsneuzen op het plein die opzichtig een wereldwijze houding oefenen met een
filtersigaret.
Maar rokende collega’s, dat is een ander verhaal. Rokende
leraren geven blijk van een sympathieke vorm van karakterzwakte. Het is erg belangrijk
dat leraren soms blijk geven van karakterzwakte, door het proefwerk te
verplaatsen, een punt hoger te geven, of helemaal niet door te laten gaan, door
voor een keer spiekbriefjes te gedogen of een keer wat lawaai toe te staan. Ik
denk dat rokende leraren rekkelijker zijn. Ze weten de boel een beetje leefbaar
te houden, omdat ze weten dat ze zelf zwak zijn. Daarom moet er op de patio een
mooie rookpaal komen, een monument voor de rekkelijkheid, voor Adri, Ed en de
anderen. Het zijn er nog maar een handjevol, die moeten we koesteren.
Ik ben een roker in het diepst van mijn gedachten.
Abonneren op:
Posts (Atom)


