
Mopperdemopper.
Maar dat is dus
in mijn vrije tijd. Doordeweeks, als ploeterende muziekleraar, laat ik mij
zonder scrupules in met bands als Maroon 5 en Coldplay. ‘Jongens, Clocks. Nummer twaalf
in de Top 2000!’ Je snapt het niet, maar bij mijn leerlingen staat de Top 2000 hoog
in aanzien. Ze lijken een beetje bedwelmd door het odeur van valse religiositeit
dat het radio-evenement omgeeft. ‘Spelen we écht een nummer uit de Top 2000?
Kunnen wij dat?’ Mijn vaderlijke lach tovert hun onzekerheid om in een rotsvast
vertrouwen. Wij kunnen dat. Het is magie!
En de zachte, zilverachtige
klank van gebroken drieklanken vult mijn lokaal. ‘Clocks’ op twintig keyboards.
Soms voel ik mij
slecht, omdat ik zo gemakkelijk mijn idee van goede smaak opzijzet. Ik troost
mij met de gedachte dat ik fraaie didactische doelen ophang aan zo’n nummer. Sterker
nog, ik mag die Top 2000 wel dankbaar zijn. Ik denk nog wel eens terug aan de
tijd van de Grote Ordeproblemen. Soms was ik echt bang, en was ik al blij als ze
het liedje pruimden. Want dan pruimden ze mij ook, en dan zou ik blijven leven.
Weer een dag. ‘Layla’ (nr. 198) van Clapton en ‘One’ (nr. 19) van U2 hebben mij
jarenlang door bange lesuren heengesleept.
In mijn
allereerste jaar kwam ik eens aanzetten met ‘Baker Street’ (Gerry Rafferty, nr.
349) in 4-mavo. Het leek mij dat ze de eenvoudige, catchy saxofoonsolo wel konden spelen.
Op een keyboard. Na een half uurtje modderen verloste een brutale meid mij uit
mijn lijden.
‘Maar meneer,
vindt u dit nou een leuk nummer?’
De klas werd
stil, de instrumenten zwegen.
‘Het is toch
saai?’ ging het kind verder.
De stilte suisde
in mijn oren. Roken ze bloed?
‘Ja, je hebt
gelijk,’ zei ik. ‘Oersaai eigenlijk.’
Gelach. Ze leken
opgelucht dat ze mij niet hoefden te executeren.
‘Gaan we dan
Bohemian Rhapsody doen meneer? Dat is pas een vet nummer!’
Iedereen
juichte. Ik keek op de klok en zag dat ik nog een kwartier te gaan had.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten