Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

maandag 10 oktober 2011

De knoeiers van Komrij

De altijd scherpe Gerrit Komrij had mij afgelopen week weer bij de kladden met zijn wekelijkse column over internet & de literatuur. Als de oude meester spreekt moet men luisteren, vind ik. Nooit kiest hij gemakzuchtig de kant van de mopperaars, nooit vervalt hij in optimistische platitudes. Deze week stelde hij vast dat iedereen tegenwoordig op zoek is naar ‘een verhaal’. En raad nu eens wie goed zijn in het verzinnen van verhalen? Uiteindelijk kwam het onvermijdelijke Facebook ter sprake.

er zijn schrijvers die beweren zonder Facebook te kunnen, en dat zal wel zo zijn. Maar Facebook kan niet zonder schrijvers.”

En verder:

“Facebook wordt een dagelijks intenser samenstel van facade, omkeringen, karikaturen, massage, list en bedrog – typisch literaire zaken – en dat kun je niet aan amateurs overlaten. Dat loopt verkeerd af in de handen van knoeiers.”

Ik vond het er erg mooi staan. Vooral dat van die knoeiers. Knoeiers, bah. De hel dat zijn de knoeiers, en de knoeiers zijn altijd de Anderen.

Maar toen begon de twijfel aan mij te vreten. Twijfel, de ellendige rat. Ik dacht: verdraaid mijnheer Komrij, misschien is het wel helemaal niet waar wat u zegt. Wij hebben daar geen enkele zekerheid over. U niet, ik niet. Het is een aanname, dat Facebook niet zonder schrijvers kan, en omdat het zo’n mooie omkering is wil ik het geloven. Omdat het een goed, eh, ja, verhaal is, dus.

Het is een grappig idee, dat de schrijvers Facebook moeten beschermen tegen knoeiers. Dat Facebook niet zonder hen kan. Ik kan mij voorstellen dat het gilde van automonteurs in 1930 bijeenkwam om te besluiten dat men moest optreden tegen knoeiers. Om het land te beschermen. Daar hebben wij nu nog plezier van: de BOVAG. De Bond van Huisvrouwen moet ook ooit gemeend hebben dat het slecht zou aflopen met de wereld als amateurs met schuursponsjes en bleekmiddelen gingen knoeien.

Het is een fraai verzinsel. Een beetje romantisch ook. Een kruistocht tegen de knoeiers. Te paard! Ik denk de marsmuziek erbij. Kan mij het schelen dat het helemaal niet waar is. Ik zou de rest van de dag gezellig willen sabbelen op deze fopspeen van Komrij.

Maar het lukt me niet.

“Alle literatuur is bestemd om te eindigen op internet” schrijft hij schijnbaar achteloos in hetzelfde stuk. Alles wat op internet komt, wordt uiteindelijk gratis, zou ik eraan willen toevoegen. Ook dit is misschien niet waar. Maar ondertussen plaats ik weer een stukje in de wolk, gratis en voor niets, en is er niemand die uitsluitsel kan geven over de kwestie of ik een schrijver ben of een knoeier.

dinsdag 19 juli 2011

Zeep & Glimmende Neuzen

‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde en de zeep, opdat men die zou kunnen meenemen in een rugzak.’

Deze zin las ik in In de ban van de tegenstander van Hans Keilson. Ik vind dit misschien de beste zin uit het boek. Niet omdat er waarheid in schuilt. Integendeel – ik denk dat er geen mens is die gelooft dat er ook maar een greintje waarheid in die zin zit, christenmensen noch godloochenaars. Ik vind hem ook niet goed omdat hij zo absurd is, want ook dat is hij bij nader inzien niet.

De vader van de hoofdpersoon pakt met zorg een rugzak in, met spullen die hij noodzakelijk acht voor de reis naar een vernietigingskamp. De jongen vraagt naar de inhoud. Het eerste dat de vader noemt is het stuk zeep. ‘Zeep was dus het eerste wat hij had meegenomen. Alsof er op de hele wereld niets belangrijkers was dan een stuk zeep om mee te nemen op zo’n reis, en alsof God op de eerste scheppingsdag meteen ook de zeep had geschapen.’ Daarna komt die zin.

Dit is genoeg uitleg waarom het zo’n mooie zin is. Meer uitleg zou misdadig zijn. Zoiets als een mop uitleggen, maar dan erger. Zeggen waar je verstopt zit, terwijl degene die hem is nog staat te tellen met zijn gezicht tegen een muurtje. Maar dan erger, veel erger.

Ik denk dat het hele oeuvre van Grunberg schatplichtig is aan deze zin over de schepping van de zeep, ook al heeft Grunberg de zin misschien nooit gelezen. De zin is geschreven in 1959. Ik vind deze zin van Grunberg ook heel goed: ‘Toen ik klaar was zei Broccoli: “nu zullen wij niet terechtkomen in de lade met glimmende neuzen”’. Ik vind heel veel zinnen van Grunberg goed, maar deze schiet me nu toevallig te binnen. De zin van Grunberg krijgt net als bij Keilson genoeg context om boven zijn absurditeit uit te stijgen en eh, waar te worden. Volgens Broccoli rangschikken filmproducenten acteurs naar lichamelijke gebreken, ieder gebrek zijn laatje. Een glimmende neus is een akelig gebrek. Een glimmende neus moet gepoederd worden, want Broccoli wil een ster worden. Vandaar.

Toch is de zin van Keilson veel beter en mooier, en ook dat verdraagt geen nadere uitleg. Grunberg heeft geloof ik niet zoveel met mensen. Keilson wel, en zeker met zijn vader, die hij grondig veracht om de komedie met de rugzak en de zeep. Ja, misschien is het bij nader inzien wel de beste zin die ik dit jaar las.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"