zaterdag 6 februari 2010

Er staat niet wat er staat

Ik denk dat dit waar is: het mysterie van de dichter is groter dan het mysterie van de (proza)schrijver. Nog nimmer vroeg iemand mij naar de Betekenis van een verhaal, goddank. De afgelopen week ben ik minstens twintig, dertig keer bevraagd over de Diepere Betekenis van mijn gedicht. Ik vroeg mij af of dat was omdat het woord ‘pik’ erin voorkomt. Het lijkt net of de mensen bang zijn dat hen iets ontgaat, dat het over dampende seks gaat en dat uitgerekend zij het niet zien. Ik denk dat dit ook waar is: als het over seks gaat wil niemand iets missen. Helaas, “Misbruik” gaat niet over seks, van je langzalzeleven niet. Misschien gaat het over angst, verwarring, gekte, hoop. Maar ik moet er niet aan denken dat ik dat zou moeten uitleggen, ik zou verzuipen in die grote woorden.

Verhalen hebben geen betekenis nodig, het verhaal is de betekenis zelf. Ik denk dat lezers dat aanvoelen. Ik denk dat ik het daarom zo leuk vind ze te schrijven. Ik heb een nieuwtje: ook gedichten hebben geen uitleg nodig, het gedicht is de betekenis zelf. Als je dat niet ziet, heb je pech. Of de dichter heeft pech. Of het is een slechte dichter. Daar heb ik geen verstand van, wilde ik zeggen. Maar ik kan niet eeuwig de dilettant uithangen, het schuchtere joch met de kabeltrui. “Jij hebt toch dat gedicht geschreven” vroeg de dame van de schmink, “dan ben je dus een dichter.” Noblesse oblige, en als het geen noblesse is, dan zijn het nog altijd 10.000 ballen die ik zal moeten verantwoorden. Vijfhonderd euri per regel, sodeju, er zijn vast dichters die mij voor minder dood zouden willen schieten.

Die visagist van De Wereld Draait Door bestierde ook een koffietent, vertelde ze. Op een dag gaf een vaste klant haar een gedicht cadeau. Geen liefdesprul, een gedicht over de koffietent. Tenminste, zo begreep ze het. Eigenlijk begreep ze er niet veel van, zei ze, maar het was mooi, en het voelde alsof het over haar ging, en over die koffietent.

Als ik niet zo onder de plamuur had gezeten, had ik haar zeker drie zoenen gegeven. Afschminken knul. Er is geen mysterie, er is alleen een gedicht. En een spiegel.

Het was een malle week.

woensdag 27 januari 2010

Gerwin wint Turing Gedichtenwedstrijd

Ik liep vannacht over het Leidseplein met een stuk bordkarton onder de arm dat een meter naar voren en een meter naar achteren uitstak. Het woog vrijwel niets, en dat had de wind ook in de gaten, pesterig duwde hij beurtelings tegen de voor- en de achterzijde, als hij dat deed maakte ik een hupje waaraan niemand kon zien dat het me moeite kostte met dat stijve stuk karton te lopen. In de zaal had ik het ding moeiteloos boven mijn hoofd gehouden, dat leek mij een leuk gebaar.

Op straat zag niemand dat ik een winnaar was, want ik liep met de bedrukte zijde tegen mij aan. Niemand zag dat tegen mijn jas aan vier nullen en een één aanschurkten. Dat wilde ik ook niet. Het is toch Amsterdam, dacht ik, en ook al zal de meest ongeschoolde struikrover begrijpen dat je met dat bord zelfs bij de ABN-Amro niet hoeft aan te komen, helemaal gerust was ik er niet op. Ik hield al die nullen verborgen. “Voor zoveel geld slaan ze je graag dood,” zeggen we bij ons thuis dan.

Enkele reacties:

“Zo, dat is mooi! En hoe is ’t weer bij jullie?” (vader)

“Schrijf je wel vaker?” (zomaar iemand die mij hartelijk feliciteerde)

“Jammer dat je er niet op gekleed bent” (John Jansen van Galen)

“O, en je zit morgen in de Wereld Draait Door” (meneer van de organisatie die dat ook echt hoopte - en die gelijk kreeg)

“Misbruik, de perfecte titel voor dit misbaksel” (lezersreactie van do. 21 jan op de site van “Met het Oog op Morgen")

"Ik vind het boek beter" (Gerwin)


Het fragment uit De Wereld Draait Door

Pers: Trouw NRC AD NOS Parool Leids Dagblad NU.nl

En geloof niet alles wat op Wikipedia staat

Fragment uit het NOS Journaal


zondag 24 januari 2010

Ecce homo

Het journaal van donderdag houdt mij nu al dagen bezig. Er was iets in te zien waar ik geen raad mee weet, ik weet evenmin of ik daar wel over moet schrijven.

Het meisje vertelt over haar jongste broertje van vijf, met wie zij klem zat onder het puin. Zij werd gered, voor het jongetje kwam de hulp te laat.

“Hij vroeg om water op woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag.”

Die woorden heb ik ingeslikt. Nu zitten ze binnen in mij.

Op het derde net was tezelfdertijd de vrolijke, razendsnelle show “Nederland helpt Haïti.” Er mocht gelachen worden van de presentator, want met kniezen hielpen we Haïti niet. Ik wilde er niet naar kijken, onder geen voorwaarde. Ik wendde mij af en bleef op die woorden kauwen, op woensdag, op donderdag, vrijdag, maar vooral op zaterdag. Ik vroeg mij af hoe zaterdag geklonken had. Ik bedacht mij dat ik op die zaterdag ook naar water had gezocht, in de supermarkt, ik had vastgesteld dat er prachtig vormgegeven flessen water te koop waren voor 1 euro vijftig, poepsjiek water, maar ik koos voor een simpele plastic fles voor minder dan een derde van die prijs.

Wat moet water eigenlijk kosten?

En wat kost het om je waardigheid terug te krijgen?

Nu wil ik dat ik toch had gekeken naar de grote Haïti-show. Ik geloof dat het daar te zien was, hoe je je waardigheid behoudt als je het Lijden gezien hebt zonder eraan deel te nemen: door haar buitenspel te zetten, te ontkennen, te vieren dat jij leeft en geloven dat je iets kan doen. Pessoa schreef: het hart kan niet denken, als het zou denken zou het stilstaan.

Waarom bleef ik de woorden van dat meisje herhalen? Waarom ging ik in gevecht met mijn waardigheid? Op net drie had ik kunnen delen in de grenzeloze vitaliteit en veerkracht van het wezen dat ik soms zo veracht:

ecce homo.

maandag 18 januari 2010

Top 100

Net als duizenden anderen stuurde ik een rijmpje in voor de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Ze hebben bijna 16.000 gedichten moeten lezen. Nu is er een top 100 gemaakt, en mijn rijmpje zit daar ook bij. Er zijn serieuze prijzen te verdelen, een andere reden om mee te doen had ik niet nodig, dat begrijpt u. Als ik die laatste honderd niet had gehaald, dan had ik beslist gezwegen als het graf, net als de handvol professionele dichters die zich nu wijselijk van de domme houdt. De uitverkorenen moeten trouwens ook hun grote mond houden, ze mogen niet zeggen welk gedicht van hen is. De winnaar is spekkoper, “die hoeft nooit meer te werken” zeggen we dan bij ons thuis. Gerrit Komrij en Giel Beelen moeten het nu eens zien te worden. In dat zinnetje zit een wereld van ellende verborgen, ik kan zelfs niet vermoeden wat voor narigheid die twee met elkaar gaan krijgen. Maar ik weet zeker dat ze er wel uit komen.

Ziehier de top 100

maandag 11 januari 2010

Belangrijk en nederig werk

Er loopt een man door mijn huis.

Het is een vriendelijke man, maar hij loopt wel door mijn huis. Hij is ruim in de vijftig, hij ruikt niet raar, hij stampt niet als hij loopt, en hij heeft zo’n krans van pluizig grijs rond zijn oren. Hij zegt ‘u’ en hij bedankt mij twee keer voor de koffie. Een fijne man, alleen, hij is de hele tijd overal, en dus kom ik tot niets. Daar gaat mijn vrije dag! Het lijkt mij ongepast om boven de krant wat te niksen terwijl hij, een oudere man, aan het werk is. Ik veins allerhande bezigheden in de keuken, in de slaapkamer, zelfs in de schuur waar het bijna vriest. In huis is het anders ook kil, want de man repareert de verwarming, er moet een nieuwe knop op een radiator en de ketel moet schoongemaakt. Ik begrijp best dat de kachel dan uit moet, anders brandt hij zijn handen of zoiets, of het wordt een knoeiboel.

Ik heb hem gezegd dat hij moet uitkijken dat hij zijn hoofd niet stoot tegen de plafondbalk waarachter de ketel zich bevindt. Verder weet hij zelf wel wat hij moet doen denk ik. Die indruk wekt hij in ieder geval wel, want hij banjert niet willekeurig wat door mijn huis, hij loopt omzichtig maar doelgericht, draait aan de kranen en de verwarmingsknoppen. Mij rest niets anders dan te doen alsof zijn geloop mij volstrekt onberoerd laat. Ik besluit de stoep sneeuwvrij te maken, maar als ik buiten kom zie ik dat mijn vrouw dat gisteren al gedaan had. Ik kan geen ander klusje meer verzinnen dat de indruk zal weten te wekken even belangrijk en tegelijk even nederig te zijn als het repareren van de verwarming. Dan maar een stukje typen. Het ongemak van die man in huis geeft mij stof genoeg.

Even denk ik dat ik zal schrijven over de kilte in mijn woonkamer: “een klem die mij gevangen houdt in mijn lethargie,” of over de onrust “die mijn gedachten in een vijzel tot pulp maalt” maar ik vind het allemaal even bespottelijk en overdreven. Ik vraag mij af ik ooit nog in staat zal zijn zulke dingen te schrijven, fraai bombast als “voorparadijselijke modderpoelen” (Hannah van Munster) of quasi-onbedoelde grapjes als “kuchen als een motor bij koud weer” (Wieringa). Ik vraag mij af of dat door die man komt. Dat het door hem komt dat ik denk: schrijven is belangrijk en nederig werk. Net als lesgeven. Hij bedankt mij voor de derde maal voor de koffie, ik vraag of hij nog wil. Hij bedankt opnieuw. Ik wil vragen of hij vaker kan komen om een beetje door mijn huis te lopen. Ik weet niet of ik het durf, maar als hij het een vreemd verzoek vindt kan ik altijd nog een paar radiatorknoppen afbreken.

dinsdag 5 januari 2010

Griezels

Er is hier een kleine noodsituatie.

Mijn jongen heeft morgen zijn eerste boekbespreking.

Hij zit in groep vijf.

Acht. Ik vind dat best jong voor het houden van een boekbespreking voor de klas. Maar mij zal je die dingen niet meer in het openbaar horen zeggen, ik dacht ook dat zeven jong was om op voetbal te gaan, zes jong voor een fluorbehandeling bij de tandarts, vijf voor zwemles, vier voor seksuele voorlichting, drie voor pianoles, twee voor een vriendenboekje, één voor een emailadres en nul voor een geboorte. Ik houd ermee op achter te lopen.

Een kleine noodsituatie dus. Een heel gedonder, zo kan je het ook zeggen. Dat komt zo, hij maakt zich er voor geen sikkepit druk om, die boekpresentatie. Het doet hem hoegenaamd niets! En dat kan natuurlijk niet. Zoiets als een boekbespreking vraagt erom bloedserieus genomen te worden.

Hij leest “De Griezels” van Roald Dahl. Aardig boekje, maar ik vind het eigenlijk te dun, en ik denk dat iedereen dat vindt. En hij oefent helemaal niet, ik denk dat hij geen flauw benul heeft wat hij moet zeggen! Hij leest en hij lacht af en toe wat, dat is alles! Ik zie al voor me hoe al die voorlijke meisjes uit zijn klas avond aan avond voor de spiegel hun gelikte voordracht over Tonke Dragt of Thea Beckman staan te schmieren terwijl achter hen de Powerpoint snort. Die van mij staat straks mooi met een mond vol tanden (minus twee) voor het bord, vurig te hopen dat een ruimteschip vol lange blauwe mannetjes hem komt ontzetten. Moet ik hem vertellen wat er kan gebeuren als je iets als een boekbespreking te licht opvat? God, hoe behoed ik dat kind voor de vernederingen die mij ten deel zijn gevallen? Moet ik het echt vertellen?

Dat je eerst duizelig wordt omdat je kop te weinig bloed krijgt, dat je daardoor niet meer kan denken, en niet meer kan horen wat je zelf precies zegt? Dat je daarom op een kwaad moment gaat hakkelen en wartaal uitslaan, tot je tenslotte helemaal niets meer zegt. Dat het dan stiller in de klas wordt dan het ooit geweest is, nee niemand kan zich achteraf herinneren dat het ooit stiller was in het lokaaltje met de eeuwig beslagen ramen, zelfs de hoofdmeester krijgt een klas niet zo stil als jij als je op het punt staat te breken. Dat komt omdat je klasgenootjes aasgieren zijn die weten dat jouw ondergang fraaier afsteekt tegen hun zwijgen. De stilte, jongen, o god, die pakt je als een wurgslang beet, zij drukt alle lucht uit je lijf, en dan zal je bewustzijn het voor gezien houden bij je en rondjes gaan zweven langs het plafond, het zal minzaam lachen want ten diepste wil het jou zien sterven! Kijk achter in de klas, de vikingen op de plaat van Isings ("de verovering van Dorestad") beginnen te zwaaien met hun bijlen, maar mooi dat ze niets doen om je te helpen. Dan krijgen de stilte en de warmte een kleur, echt waar: eerst blauw, dan paars, dan zwart, gitzwart. En als het zover is dat alles tolt en kantelt zal de juf eindelijk spreken en zeggen “Floris, Floris, gaat het?” En dan jongen, dan zal je beginnen te zweten, eerst in je nek en tenslotte onder je voetzolen, en dan zal je weten dat alleen dat boek lezen en er om lachen niet genoeg is. En ook de juf zal het zeggen: het is niet genoeg, niet genoeg, niet...

Ik denk dat ik mijn kop maar hou.

Vanmorgen zag ik in het klaslokaal een hip kind met Harry Potter onder de arm lopen, ik weet het niet zeker, ik zag het in een flits, het kon ook Dan Brown zijn, of Stieg Larsson. Wat hamer! "De Griezels" is dan misschien niet zo dik, ’t is wel literatuur. Vraag me niet waarom, maar zo is het. Dan is het maar niet genoeg, wanneer is het nou genoeg?

woensdag 30 december 2009

Losse bollen


De Leidse oliebollenbakker O is honderdvijftigste en laatste geworden in de Nationale Oliebollentest. De gevreesde fijnproevers van het AD noemden zijn bollen “braakballen”. Nu ken ik O tamelijk goed, dat wil zeggen, ik weet hoe hij ruikt, en dat is zo'n beetje mijn definitie van iemand goed kennen. Ik krijg dagelijks de volle laag vette baklucht als ik langs zijn “Oud Hollandsche Gebakkraam” fiets. Ik houd van die lucht, de lucht van de platvloerse verleiding, zoals de geur van dieselolie en hoerenbedden (dat laatste heb ik van horen zeggen). O geeft mij een goed gevoel, want ik ben nog nooit gezwicht voor zijn verlokkingen. Eén man bleef dapper weerstand bieden. Zo zorgt O ervoor dat ik mij iedere dag met mijn wapperende fietstassen en klamme oksels een overwinnaar voel.
Honderdvijftigste godbetert.
De aangeslagen O reageerde in het Leids Dagblad, onze eigenste-echtste kwaliteitskrant, want de koningen van de komkommertijd zijn er bij zoiets natuurlijk als de kippen bij. “Er is niks mis met mijn bolletje” pruilde hij, “en iedereen kan wel eens een mindere dag hebben.” Dat laatste trof mij diep, ik heb in deze tijd van het jaar namelijk de ene ‘mindere dag’ na de andere. O klaagde over die “slinkse banketbakkers” die twintig bollen komen kopen om ze pas uren later, lekker warm in hun bakkershol, te proeven. “Mijn bol moet je warm aan de kraam eten”, beweerde O, “mijn bol is gewoon wat losser van structuur, en die patisseriekakkers houden nu eenmaal meer van stevige bollen.”
Het water liep me in de mond bij deze volzin. O met zijn lekkere losse bollen. “Een prima bolletje, niks mis mee” besloot O zijn verdediging.
Vanochtend was er een kleine oploop op de Garenmarkt, wat heet, het zag gewoon zwart van de mensen, op de plek waar op gewone dagen de Oudhollandsche Gebakkraam staat te pronken in zijn eigen licht. Aan de bijna tastbare vetlucht te oordelen stond de kraam er wel degelijk, hij was alleen aan het oog onttrokken. Als die mensenmassa klandizie voor O betekende dan werd mij duidelijk dat de honderdvijftigste plaats net zo begerenswaardig moest zijn als de eerste. Ik geloof dat ik begrijp waarom. Boeken die een vernietigende recensie krijgen kan ik vaak niet laten liggen, films die als een ‘dieptepunt in de filmhistorie’ worden beschouwd kunnen rekenen op mijn belangstelling, en de bollen van O ga ik aanschaffen voor deze oudejaarsavond, als hij tegen de tijd dat ik aan de beurt ben tenminste nog beslag over heeft. Bij nader inzien houd ik ook veel meer van losse bollen.
Ik wens u een lekker los oudjaar en een stevig 2010.

maandag 21 december 2009

Sneeuwengel

Een hoogst enkele keer komt het voor dat ik echt uitkijk naar het achtuurjournaal, dat ik bijna niet kan wachten. Meestal is dat op een dag dat wij ons in onze brakke regenput – waar het overigens ook flink kan waaien – kunnen verheugen in Weer dat Er Toe Doet. Weer dat ons dwingt het serieus te nemen. Het journaal is op die dagen een baken, de lat waar wij ons eigen ongemak aan meten. Eerst staan de treinen stil, dat is het eerste teken, dan de bussen, vervolgens blijven alle kisten aan de grond, geeft de ANWB negatieve reisadviezen, vragen de taxi’s het tienvoudige voor een ritje, valt de stroom plaatselijk uit, ligt het telefoonverkeer plat, sluiten de winkels, wordt geadviseerd binnen te blijven, warme dekens te zoeken en in de kelderkast te gaan zitten. Tenslotte worden zelfs voetbalwedstrijden in de eredivisie afgelast.

Dat was zondag. Heerlijk. Wij keken naar het journaal – het beeld bewoog naar alle kanten, het was duidelijk dat het ieder moment afgelopen kon zijn. Beelden van gekantelde camions, zwaailichten in alle kleuren, van de weg geraakte strooiwagens, en niet te vergeten: de gestrande reizigers – kleine pareltjes van vraaggesprekken, de een toont zich opstandig, de ander berustend (onze sympathie gaat steevast uit naar die laatste). Het leed van barre weersomstandigheden is het enige leed waar ik met openlijk plezier naar kijk. Dat komt omdat ik er deel van uitmaak, van dat leed. Ik heb ook in de trein gezeten, of in de file gestaan, of ben gevallen met de fiets op een opgevroren bruggetje. Ik stond mijn mannetje, en ik heb overleefd. Denk erom, wij hadden het ook niet gemakkelijk, dames en heren van het journaal! Kijk, valt er een bom op het huis van de buren, dan ben jijzelf als bij toverslag veranderd in een winnaar, zonder dat je het recht op medelijden verliest. Zo moet het zijn.

Wij gingen sleetjerijden op de Bult, een fietscrossterrein tussen de rafelranden van de stad. Op de terugweg werd mijn kleine meid (5) niet lekker van de kou, en ik droeg haar een kilometer lang op de arm, langs het kanaal met de wind vol op mijn smoelwerk. Fluimen sneeuw bleven in mijn wimpers plakken, sommige drongen in mijn ogen. De weg zag ik niet meer, tot tweemaal toe was ik één pas van een val in het kanaal verwijderd. Ik zag de brug pas toen de weg al begon te stijgen en in mijn kuiten te happen. Ik voelde mij euforisch: dit is wat ik verlang van de winter, dit is wat ik wil dat hij mij geeft. Er bestaat even niets anders dan dit: kou, wind, sneeuw, een wereld die alle geluiden dempt, die alle verlangens smoort behalve deze: thuiskomen.

Later op de middag hield het op met sneeuwen en maakten we een sneeuwengel in de achtertuin, bij wijze van dankoffer. Daarna was het wachten op het achtuurjournaal.

woensdag 16 december 2009

Grensgeval

Dit is zo'n geschrapte passage, een wees. Misschien komt er nog eens een ver familielid langs die 'm oppikt. Deze wees ging mij aan het hart omdat ik het ben die hier spreekt, en ik spreek over mijzelf. Een grensgeval, toch vond ik dat het weg moest, het deed niet ter zake...

"Het helmgras zwiepte langs mijn spijkerbroek. Hier en daar moest ik over de kale takken van een duindoorn stappen, het pad werd hoe langer hoe zanderiger. Sommige duindoorns hadden nog plukjes oranje bessen, door de vorst ingekapseld en door de dooi vormloos geworden, overrijp en gistend. Strandplevieren konden daar katjelam van worden. Het grijs dat boven mij hing strekte zich uit tot over het strand. Verder op zee leken er gaten in te zitten. Op het strand liep wat volk, het schorrengebied was van de vogels, meeuwen en steltlopers voor zover ik het kon zien.

De natuur en haar uitwerking op mij, wat moet ik daar over vertellen? Ik vind er geen godsbesef, geen rust, geen inspiratie, al die dingen waar men de mond vol van heeft. Ik heb het allemaal geprobeerd, maar het lukt me niet. Meestal vind ik er geen bal aan, natuur. Soms is dit wat de natuur mij biedt: ernst. De wind die rimpels in het water trekt, het helmgras dat naar het noordoosten waait waardoor het hele duin lijkt te golven. Dodelijke ernst, speelse ernst, saaie ernst, alle soorten van ernst, ik kan daar soms zo naar verlangen! Zonder schaamte geef ik toe achter allerlei filosofische vindingen van anderen aan te lopen, mits ze mooi zijn verwoord en op niet al te goedkoop papier gedrukt staan. Maar deze waarheid heb ik zelf moeten vinden – al wil ik niet beweren de eerste te zijn die er opgekomen is: de natuur kan niets anders zijn dan ernstig.

Kijk, zodra er twee mensen bij elkaar komen is er ogenblikkelijk één die inziet dat hij zich dan maar beter kan vermaken, als het dan toch moet. Ik ben die andere, die overigens even noodzakelijk is, die zich uitput in leukheid, geveinsde interesse, lof en bewondering. Alleen dan is menselijk verkeer te harden, als er armelui zijn zoals ik, die bereid zijn te luisteren naar de opschepperij van vermaakbeluste domkoppen. Zelfs zijn arbeid neemt de mens niet meer ernstig, ook dat moet tot vermaak strekken of ironisch opgevat worden. Nooit met de ernstige gratie waarmee de zilvermeeuwen op de thermiek glijden, waarmee de steltlopers zonder ooit hun toewijding te verliezen de snavels in het zand prikken."

zondag 6 december 2009

Alles moet weg

Wat een rare vorm van genot, twintigduizend woorden schrappen.

Alsof je de rommelzolder opruimt.

Je zit tussen je eigen troep, je weet niet waar je moet beginnen. Je hebt geen plan, steeds pak je iets op en leg je het weer terug. Dan zie je ineens de kerst-onderzetters liggen, die foeilelijke krengen, tante Gré had ze je geschonken, en zij had ze weer gratis gekregen op de kerstmarkt in Dortmund, bij aanschaf van een torenhoge witte kunstboom. Je hebt ze bewaard, tante mocht het een keer in haar weke hoofd halen rond kerst op de koffie te komen. De stuitende nutteloosheid van die onderzetters grijpt je bij de keel. Je weet: als ik niet in staat ben dit in de vuilniszak te flikkeren, is het afgelopen, dan zal ik op een dag stikken in mijn eigen rotzooi, ik zal verdwijnen in mijn bijzaken, in alle versierselen die er nooit toe gedaan hebben.

Dat helpt. Het lukt! Op het een volgt het ander. De ban is gebroken, binnen een paar minuten ben je in een trance, een gelukzalig gevoel maakt zich van je meester, het gaat gepaard met het idee dat je de baas bent over je eigen leven, dat je je ontdoet van het deel ervan dat je kan missen als kiespijn. Wat er in werkelijkheid aan de hand is: je bent redeloos geworden. Blind smijt je weg wat voor je voeten komt, al gauw heb je niet genoeg aan één zo’n grauwe KOMO-zak. Een uur later moet je een nieuwe rol halen.

Twintig volle zakken voer je af. Alles moet weg.

Niets blijft er over dan een gelukzalig gevoel en een paar muizen die je achter een wand hoort knagen.

Hoe lang zal het duren voor schuld en spijt komen knagen?

Een verontrustende vorm van genot.

20.000 woorden... even geen tijd voor stukkies.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"