vrijdag 14 september 2012

Sir, what will you vote?


Ik hou van mijn school, maar op sommige momenten zou ik het gebouw wel uit willen rennen. Tijdens de onderbouwdisco bijvoorbeeld. En op de dag van de scholierenverkiezingen. Of liever: de dag van de uitslag van de scholierenverkiezingen. De VVD is namelijk altijd de grootste partij onder onze leerlingen, met afstand. Ik kan mijn diepe teleurstelling daarover moeilijk verbergen. Een jongere hoort sociaal bewogen, milieubewust, solidair en links te zijn, vind ik, omdat ik denk dat de wereld daar beter mee af is. Maar misschien moet ik er niet te zwaar aan tillen. De school staat in welgesteld Oegstgeest, wat wil je?

Bij de vorige Kamerverkiezingen, in 2010, was het nog erger dan andere jaren: Wilders haalde een kwart van de stemmen onder onze leerlingen. De uitslag hing op posters, overal in school. Het was 9 juni, de dag van de ‘echte’ verkiezingen. VVD nummer 1, PVV nummer 2. Ik liep met een kwaaie kop door de gang, zei niemand gedag en bekeek iedere leerling wantrouwend. Ik bereikte mijn lokaal, de klas die op mij stond te wachten was een internationale klas, met leerlingen uit vijftien verschillende landen. Deze kinderen volgen een internationaal curriculum, in het Engels.

Majid, een beer van een knul kwam naar me toe. Zestien jaar, één meter tachtig in het vierkant, afkomstig uit Turkije. Hij klampte me aan en wees in de richting van de centrale hal, waar een paar honderd leerlingen zich verdrongen rond de kapstokken en de lockers. ‘They want me out of the country sir!’

Wat moest ik zeggen? Dat het wel meeviel? Dat het slechts een kwart van hen betrof? Dat ze hém niet bedoelden, maar die ‘anderen’? Welke anderen? Ik kon het toch niet voor die vormloze massa potentiële PVV-stemmers gaan opnemen? De week daarvoor was Majid de Schrik van Sportdag, hele voetbalteams weken voor hem uiteen. Ik niet, ik maakte een sliding en gleed met gestrekt been op hem in. Tachtig kilo Turk viel over mij heen. Het was een grapje, want ik was eigenlijk de scheidsrechter. Hij stond lachend op, wij deden alsof wij geen pijn hadden.

Ik wilde voorstellen samen het gebouw uit te rennen. Maar ik diende op mijn post te blijven, dus ik zei: ‘Natuurlijk willen ze dat. Ik wil je soms ook wel het land uit hebben, je bent een crimineel als je voetbalt.’ Ik sloeg een arm om hem heen. Hij liet zich meevoeren het klaslokaal in. ‘Sir, what will you vote?’ vroeg hij. Het leek alsof hij dacht dat zijn redding van mij afhing, van mijn stem. Ik moest mijn ontroering wegslikken, toen ik begreep dat hij eigenlijk maar één ding wilde weten: of zijn leraar aan zijn kant stond. 

maandag 10 september 2012

Alles wordt beter


Goede Voornemens. Je kent ze wel, oude vrienden die op 1 januari op de rand van je bed zitten, die de hele dag blijven, luidruchtig zijn, en altijd iets goedkoops en morsigs hebben. De volgende dag zijn ze verdwenen, en je hoort een jaar lang niets meer van ze.

Een veel beter moment voor goede voornemens is eind augustus. Iedereen die op een school rondloopt weet dat. Iedereen op school heeft ze ook, die voornemens. Dat komt omdat we allemaal lang genoeg vakantie hebben gehad.

Ik begin altijd met een lege tas. Niets erin, geen boeken, nog geen pen. Alleen een paar dossiermapjes, zonder inhoud, voor iedere klas één. Langzaam komen er spullen in, dat is niet te vermijden. In een schooljaar vergaar je dingen die je nodig denkt te hebben. Vooral papier. Aan het einde blijkt het allemaal nutteloze rommel te zijn. Het is net als in het leven. Het voornemen bestaat hieruit: ik moet voor de herfstvakantie mijn tas nog zelfstandig kunnen dragen.

Ik heb nog een voornemen: ik wil in één klas de indruk wekken dat ik een docent ben die precies weet wat hij doet. Geen malloot die wankele puberbreinen ontregelt, en zichzelf nog het meest. Een oase van rust zal ik zijn, een nestor, een vaderfiguur. Dit heb ik nodig voor zo’n voornemen: een nieuw schooljaar, en een stel kinderen dat mij niet kent.

Ik ga zitten, ik knip met mijn vingers, ik heb mijn minzame glimlach zojuist nog op het toilet geoefend. De klas wordt stil. ‘Jongens,’ zeg ik, ‘muziek... dat is... dat is...’ Ik heb nog geen idee wat het is, muziek, maar het wordt vast prachtig. Mijn borst zwelt. ‘Mijn broer heeft u gehad’ zegt een jochie dwars door de stilte, ‘hij zegt dat u echt gek bent!’
In de pauze kies ik op de koffieautomaat voor de optie ‘extra sterk’.

Wat mij niet lukt, lukt kinderen vaak wel. Hun voornemens kunnen erg ontroerend zijn. Alles wordt ieder jaar beter, dat is waar leerlingen vast in geloven. In de koffiekamer vertelt José, docente Frans hoe twee meisjes gearmd haar klas in kwamen zweven, de lichte tred verried hun goede voornemens. ‘Ik ga een acht voor Frans halen dit jaar mevrouw, en Lotte ook! Lotte wilde eerst niet, maar we hebben gepraat en nu wil Lotte het ook!’

Zo legt ieder kind zijn dromen voor je voeten. Voorzichtig lopen, niets kapot maken, je tas draagbaar houden - dat is wat je moet doen. En af en toe denken aan de woorden van T.S. Eliot: ‘For last year’s words belong to last year’s language, and next year’s words await another voice.’  

Trouw, 5 september 2012

donderdag 2 augustus 2012

Crises


Ik zag Mike Oldfield op TV, bij de opening van de Olympische Spelen. Ze hadden iets met  Tubular Bells uitgehaald, bij een act met ziekenhuisbedden. Mike mocht meespelen op een bas die volgens mij niet was ingeplugd. Ik weet niet waar ze hem vandaan hadden gehaald, ik vind het altijd bijzonder dat ze die oude rotten weten te vinden. Zou iemand gewoon zijn nummer hebben? Als iemand mij vroeg of ik even Vader Abraham zou willen optrommelen voor de opening van de Paralympics zou ik werkelijk niet weten wat ik moest doen. Wat ook zo knap is dat die mensen kunnen onthouden wie er allemaal nog niet dood zijn. Ik weet bijvoorbeeld ook niet of Vader Abraham dood is. Maar goed, Mike Oldfield was er, hij leefde, had zijn haar laten verven, en leek gelukkig. Ik zwaaide, hij glimlachte, knipoogde en speelde expres een foute noot.

Dit was de oorzaak dat ik Moonlight Shadow weer eens wilde horen. Toen, in 1983, wist ik niet wat ik nu weet: dat het een simpel popliedje is met vier akkoorden. Toen was het magie. De muziek, de half gedempte gitaar, de ijle folkzang van Maggie Reilly, in combinatie met een tekst die ik niet helemaal begreep: het raakte aan iets waar ik niet bij kon – en uit mijzelf ook nooit bij zou kunnen. Daar had je mensen als Mike Oldfield bij nodig. Het besef dat er een land bestond waar je niets begreep – domes of sun with caves of ice – en dat er mensen bestonden die je er heen konden voeren, dat was een grote troost voor een jongen van 13 die nog geen vriendin had. Ik haalde meteen de LP waar het nummer op stond uit de bibliotheek.

De plaat heette Crises. Het titelnummer besloeg een hele plaatkant. Ik wist niet dat zoiets kon! Bij voorbaat al ademloos van bewondering legde ik de schijf op de pick-up. Al bij de eerste klanken werd ik behekst. Zoiets had ik nog nooit gehoord. Na een minuut probeerde ik het al niet meer te begrijpen, ik liet me maar meevoeren naar dit wonderlijke land. Gezongen werd er niet, het was instrumentaal, maar echte instrumenten herkende ik ook niet. Reuzenschaduwen werd ik gewaar, draaikolken, sterren en planeten, nee, helemaal geen beelden, het was puur muziek, klank, geluid, alleen niet van hier. Na ruim een kwartier was het afgelopen. Ik zweette alsof ik zojuist mijn masturbatie-schema had aangepast naar drie keer per dag. Toen ik de LP van de draaitafel haalde, zag ik dat de pick-up op 45 toeren stond.

Ik probeerde het nog eens op het juiste toerental. Ik vond er niets aan. Het was traag, zompig, en het gevoel van zalige richtingloosheid was verdwenen. Deze muziek leek ergens naartoe te willen, zich voort te slepen door de modder, op naar de volgende loopgraaf. Moeizaam geploeter naar het soort verlossing dat nooit kan bevredigen. Nog altijd onbegrijpelijk, zeker, maar zonder de magie.

De hele plaat kopieerde ik op een cassettebandje, maar het nummer Crises op 45 toeren.

zaterdag 7 juli 2012

Teenslippers (column Trouw 4 juli)


Ineens lopen alle leerlingen op slippers. Het is helemaal geen mooi weer, het is net warm genoeg om met je regenjas losjes opengeritst te fietsen, maar de leerlingen komen op teenslippers naar school. Boven de slippers dragen de meisjes hotpants en een zo eenvoudig mogelijk topje, de jongens een wijde zwembroek tot net over de knieën en een shirt met een stripfiguur erop.

Het is de laatste schoolweek, de zomer bleef al die tijd weg, het zag er serieus naar uit dat ze dit jaar geen enkele kans zouden krijgen om door de gangen te flaneren in strandoutfit. De wanhoop was voelbaar. Voor ieder kind betekent zomervakantie natuurlijk bevrijding, verlossing zelfs, het is het hoogste, het heerlijkste, de hemel. Maar er is wel een probleem, want in de vakantie is er niemand aan wie je je zomeroutfit kan tonen. Ja, het bejaarde stel in de caravan tegenover je, en de gezellige familie met zes kleine kinderen. Niet aan de mensen die ertoe doen: je klasgenoten.

Alles komt dit jaar aan op de laatste week, weer of geen weer. Zodoende zie ik op een grijze dag een kleurrijke parade van badgasten langstrekken. Ze komen nog even een proefwerk inhalen, sprokkelen om een vijf naar een zes te krijgen, boeken inleveren,  en vooral rondhangen op het plein – bij regen in de gangen. Het leven op slippers is licht.

Wat grappig is, ze gaan zich in zo’n laatste week ook anders gedragen tegenover hun  leraren. Ze hebben veel meer geduld met ons. Ze begrijpen ons wel. ‘Wij zijn ook niet gemakkelijk geweest hè meneer?’, ‘het was een chill jaar meneer’, en de allerergste: ‘u heeft het goed gedaan hoor!’ Ze zijn gul met hun genade. Alle leraren zijn ineens wel oké, behalve zij die halsstarrig weigeren een 5,49 op het rapport af te ronden tot een zes.

De leraren zelf hebben een heel andere beleving. Ik zeg het maar zoals het is. Wij zijn ze wel een beetje zat, die wereldwijze, modieuze namaakvolwassenen. Hup, naar het strand, stelletje energievreters, wegwezen! Over zeven weken houden we weer van jullie, maar nu even niet. Heerlijk is het om de laatste dagen de school voor ons alleen te hebben. Een school zonder leerlingen! Flip-flap doen onze slippers door de gangen, ónze gangen. Op de allerlaatste avond houden wij een feest, teachers only, waarop wij drinken en dansen alsof er geen september bestaat.

Ik zou geen enkele beroepsgroep kunnen noemen die in zijn totaliteit alle sores zo lichtvaardig opzij kan zetten als de onze. Studieplanners, inhaaltoetsen, leerlingvolgsystemen, schoolwerkplannen, exameneisen, inspectierapporten, ridicule plannen uit Den Haag, lastige leerlingen, probleemouders. Ze bestaan voor zes weken niet. Wat een feest. Ik stap in mijn teenslippers. Gegroet.

maandag 2 juli 2012

Spieken (column Trouw, 27 juni)


Als het bijna gedaan is, dan is er nog een proefwerkweek. In stikbenauwde lokalen leveren de afgematte kinderen nog één keer strijd. Leraren zijn bijfiguren geworden, schimmen zijn het, alleen aanwezig om het spieken spannender te maken.

Ik mag surveilleren bij het proefwerk Grieks, derde klas. Dit is te beschouwen als een erebaantje. Leerlingen Grieks - een handjevol is het - die durven niet eens te spieken. Bovendien hebben ze goed geleerd. Daar ga ik althans vanuit. Braaf schuiven ze hun tafels uit elkaar. De meisjes doen hun armbanden af, ze schuiven de rinkelende boel naar de hoek van de tafel. Armbanden schrijven niet lekker. Ze zetten ook een flesje water voor zich. Een flesje water is een onmisbaar accessoire geworden, voor meisjes in ieder geval. Om de paar minuten nemen ze een minuscuul slokje. Jongens tekenen op hun vlakgommen, net als vroeger, en staren verlangend uit het raam. Heerlijk. Dit zijn de kinderen die onze beschaving gaan redden.

Ze moeten een ingewikkeld schema invullen, met vervoegingen van Griekse werkwoorden. Daarnaast moeten ze een tekst vertalen. De tekst gaat over Odysseus en de tovenares Circe. Ik zie een jongen wat al te nadrukkelijk opzij kijken, op het blaadje van zijn buurman. De buurman kijkt ook. Dit kan ik niet laten passeren. Ik loop naar hen toe, een strenge blik zal hen tot inkeer brengen. Mijn strenge blik wordt alom gevreesd. Dan zie ik dat op hun beider blaadjes nog helemaal niets staat. Geen woord! Het schema is oningevuld. Spieken op een leeg blaadje, is dat wel spieken? ‘Ga eerst maar verder met de tekst’ fluister ik bemoedigend.

Twintig minuten later brengt één van de jongens zijn blaadje netjes bij mij. Hij is klaar. Het schema is nog steeds niet ingevuld. ‘Ik laat het toch vallen,’ zegt hij. Hij gaat weer naar zijn plaats, om de rest van de tijd verlangend naar buiten te staren.

Pas vlak voor de bel zijn de meisjes met de waterflesjes ook klaar. Zij hebben wél alles ingevuld. Zij laten het Grieks niet vallen. Ze doen hun armbanden weer om. Ik lees de laatste regel van hun vertaling. ‘Zo waren zij geen beesten meer’. Prachtig. Odysseus redt zijn vrienden, die door Circe in varkens zijn veranderd. ‘Zij waren geen beesten meer.’ Dit is zo’n beetje mijn definitie van beschaving.

Het is pauze. Een collega heeft iets buitgemaakt waar zij veel publiek mee trekt. ‘De nieuwe standaard in spieken!’ Ik ga ook kijken. Het is een waterflesje. Het etiket is aan de binnenzijde bedrukt met piepkleine lettertjes. Een mooi stukje werk, maar ik krijg het ineens heel warm. Ik durf niet te kijken. Ik moet er niet aan denken dat er Griekse woordjes op staan...

maandag 25 juni 2012

Moorkop (Trouw 20 juni)


Wij zitten met vijftig leraren in een vergaderzaal, wij wachten op de uitslag van het examen. Er staan vier dozen gesorteerd gebak. Ik was de laatste die een gebakje mocht kiezen, en nu zit ik met een moorkop, want er was niets meer te kiezen. Een moorkop is nooit een goed idee, als vijftig man kunnen zien hoe jij hem gaat opeten. Naast mij zit Adri, die heeft een veilig zandgebakje met vruchten. Niemand heeft een moorkop, alleen ik. ‘Succes’ grijnst Adri.

Op hetzelfde moment zitten onze honderdvijftig examenkandidaten thuis op hun nagels te bijten. Wij weten de uitslag eerder dan zij. Op de uitslag ligt een embargo. Telefoons gaan uit, internet gaat op zwart, lippen zijn verzegeld. Ik voel mij slecht op mijn gemak, en niet alleen vanwege die moorkop. Een goede vriend had gevraagd of ik een sms’je wilde sturen als zijn dochter geslaagd was: hij zou niets tegen zijn dochter zeggen, heus niet, hij hield het gewoon zelf niet meer. Ik geloof dat ik niet duidelijk ‘nee’ heb gezegd, ik zal wel weer dom gelachen hebben. Mijn loyaliteit is groot, maar gaat soms alle kanten op. Nu heb ik spijt, want als ik niets laat horen denkt hij misschien dat ze gezakt is.
Het begint. De rector opent met de mededeling dat hij de hele dag is platgebeld door persmuskieten. ‘Ze ruiken bloed,’ zegt hij. Dat komt door de nieuwe eis van het ministerie – het gemiddelde van het Centraal Schriftelijk Eindexamen moet hoger dan 5,5 zijn. Ze hopen op een slachting, de journalisten.

De rector meldt ons met een opgeruimd gezicht dat er volstrekt geen sprake is van een slachting. Het percentage geslaagden is zelfs iets hoger dan vorig jaar. Iedereen zet opgelucht de vork in het gebakje. Ik kijk naar de moorkop als Jozua naar de muren van Jericho.
Dan volgt de uitslag per leerling. Wij krijgen een boekwerk vol cijfers. Er wordt gelachen als we bij een leerling komen die gemiddeld 5,51 gehaald heeft.

Uiteindelijk blijken drie leerlingen te zijn gezakt door de 5,5-eis. En jawel, één van de drie is de dochter van mijn vriend. Ze moet een ‘her’ doen. Nijdig prik ik het plastic vorkje in de moorkop, en nog eens, en nog eens. Ik stel mij voor ik het ding uitsmeer over het gezicht van de ambtenaar die deze regel bedacht heeft. Dit is de opbrengst: één leerling die 0,2 punt hoger moet halen op een herexamen. Zo ziet ‘kwaliteitsverbetering van het onderwijs’ er in de praktijk uit.

Ik lepel de slagroom uit mijn aan stukken gereten moorkop. Tot zover de slachting. Mijn telefoon brandt in mijn zak, maar hij zal daar blijven.

woensdag 25 april 2012

Knoeiers (column Trouw 25/4)


Vorige week kwam het rapport van de Onderwijsinspectie uit. Het hakte er weer in. U kunt zich de bedrukte stemming in de lerarenkamer wel voorstellen. Iedereen zat naar elkaar te loeren, tenminste, wie boven zijn wallen uit kon kijken want menigeen had er natuurlijk een slapeloze nacht opzitten. Ik denk dat zo’n veertig van ons daar zaten, zwijgend boven de koffie om kwart over acht. Wij wisten: tien van ons kunnen het niet. Het had in alle kranten gestaan. Een kwart van alle leraren bestaat uit knoeiers. Wie van ons waren het?

Een montere gymnastiekdocent vroeg of iemand gisteren de voetbalwedstrijd had gezien. Je zag de anderen denken: Dat is er alvast één. Want welke knuppel kijkt er nu naar een voetbalwedstrijd als het nieuwe rapport van de Onderwijsinspectie net verschenen is?

Ik heb het gelezen, het rapport. Er stond van alles in, maar ook dit: 72% van de docenten op het havo beheerst de basisvaardigheden van zijn vak - uitleggen en orde houden. Het klonk eigenlijk als goed nieuws. De kranten schreven het anders op: een derde van de leraren presteert onder de maat.

Dat het zo in het nieuws zou komen wist inspecteur-generaal mevrouw Roeters natuurlijk best. Toch laat ze in haar slotwoord weten dat ze het beste met ons voor heeft. Ze hoopt dat het rapport een ‘inspiratiebron is voor leraren.’ Nou en of generaal, wij vatten nieuwe moed. U staat immers achter ons, een kilometer of vijftig. Wat ik mij afvraag: de troepen van de inspecteur-generaal, deugen die eigenlijk wel? Of is ook van hen één derde onbekwaam? Het zou gemakkelijk kunnen – zij worden nooit gecontroleerd dus misschien is het percentage knoeiers daar wel veel hoger.

Er zullen altijd leraren blijven met ordeproblemen. Daar helpen geen drieduizend rapporten aan. Autoriteit staat in ons land constant ter discussie – dit maakt het leraarschap tot het moeilijkste vak dat er bestaat. Weet u hoe ik het gered heb? Door aardig te zijn, altijd geduldig, altijd lachen, zodat ze wisten: hij staat aan onze kant. Nu gaat het trouwens beter. Nu ben ik een Terminator. Soms loop ik gewoon de klas uit, dan grom ik: ‘I’ll be back’. Als ik terugkom, meestal met koffie, kan je een plectrum horen vallen. Maar ooit hoorde ik, denk ik, tot dat falende kwart dat in de krant stond.

Misschien moeten we het die kinderen af en toe gunnen, zo’n leraar die geen orde kan houden, zo’n excentriekeling die van de zenuwen krijtjes eet, die blind van woede mobieltjes uit het raam gooit. Zo’n antiautoritaire lieverd die Schubert zingt of goocheltrucs doet die altijd mislukken. Je kan je leven lang met weemoed terugdenken aan zo’n schlemiel, terwijl je al die gedateerde lesstof allang bent vergeten. 

trailer "Een Onbarmhartig Pad"