woensdag 30 december 2009

Losse bollen


De Leidse oliebollenbakker O is honderdvijftigste en laatste geworden in de Nationale Oliebollentest. De gevreesde fijnproevers van het AD noemden zijn bollen “braakballen”. Nu ken ik O tamelijk goed, dat wil zeggen, ik weet hoe hij ruikt, en dat is zo'n beetje mijn definitie van iemand goed kennen. Ik krijg dagelijks de volle laag vette baklucht als ik langs zijn “Oud Hollandsche Gebakkraam” fiets. Ik houd van die lucht, de lucht van de platvloerse verleiding, zoals de geur van dieselolie en hoerenbedden (dat laatste heb ik van horen zeggen). O geeft mij een goed gevoel, want ik ben nog nooit gezwicht voor zijn verlokkingen. Eén man bleef dapper weerstand bieden. Zo zorgt O ervoor dat ik mij iedere dag met mijn wapperende fietstassen en klamme oksels een overwinnaar voel.
Honderdvijftigste godbetert.
De aangeslagen O reageerde in het Leids Dagblad, onze eigenste-echtste kwaliteitskrant, want de koningen van de komkommertijd zijn er bij zoiets natuurlijk als de kippen bij. “Er is niks mis met mijn bolletje” pruilde hij, “en iedereen kan wel eens een mindere dag hebben.” Dat laatste trof mij diep, ik heb in deze tijd van het jaar namelijk de ene ‘mindere dag’ na de andere. O klaagde over die “slinkse banketbakkers” die twintig bollen komen kopen om ze pas uren later, lekker warm in hun bakkershol, te proeven. “Mijn bol moet je warm aan de kraam eten”, beweerde O, “mijn bol is gewoon wat losser van structuur, en die patisseriekakkers houden nu eenmaal meer van stevige bollen.”
Het water liep me in de mond bij deze volzin. O met zijn lekkere losse bollen. “Een prima bolletje, niks mis mee” besloot O zijn verdediging.
Vanochtend was er een kleine oploop op de Garenmarkt, wat heet, het zag gewoon zwart van de mensen, op de plek waar op gewone dagen de Oudhollandsche Gebakkraam staat te pronken in zijn eigen licht. Aan de bijna tastbare vetlucht te oordelen stond de kraam er wel degelijk, hij was alleen aan het oog onttrokken. Als die mensenmassa klandizie voor O betekende dan werd mij duidelijk dat de honderdvijftigste plaats net zo begerenswaardig moest zijn als de eerste. Ik geloof dat ik begrijp waarom. Boeken die een vernietigende recensie krijgen kan ik vaak niet laten liggen, films die als een ‘dieptepunt in de filmhistorie’ worden beschouwd kunnen rekenen op mijn belangstelling, en de bollen van O ga ik aanschaffen voor deze oudejaarsavond, als hij tegen de tijd dat ik aan de beurt ben tenminste nog beslag over heeft. Bij nader inzien houd ik ook veel meer van losse bollen.
Ik wens u een lekker los oudjaar en een stevig 2010.

maandag 21 december 2009

Sneeuwengel

Een hoogst enkele keer komt het voor dat ik echt uitkijk naar het achtuurjournaal, dat ik bijna niet kan wachten. Meestal is dat op een dag dat wij ons in onze brakke regenput – waar het overigens ook flink kan waaien – kunnen verheugen in Weer dat Er Toe Doet. Weer dat ons dwingt het serieus te nemen. Het journaal is op die dagen een baken, de lat waar wij ons eigen ongemak aan meten. Eerst staan de treinen stil, dat is het eerste teken, dan de bussen, vervolgens blijven alle kisten aan de grond, geeft de ANWB negatieve reisadviezen, vragen de taxi’s het tienvoudige voor een ritje, valt de stroom plaatselijk uit, ligt het telefoonverkeer plat, sluiten de winkels, wordt geadviseerd binnen te blijven, warme dekens te zoeken en in de kelderkast te gaan zitten. Tenslotte worden zelfs voetbalwedstrijden in de eredivisie afgelast.

Dat was zondag. Heerlijk. Wij keken naar het journaal – het beeld bewoog naar alle kanten, het was duidelijk dat het ieder moment afgelopen kon zijn. Beelden van gekantelde camions, zwaailichten in alle kleuren, van de weg geraakte strooiwagens, en niet te vergeten: de gestrande reizigers – kleine pareltjes van vraaggesprekken, de een toont zich opstandig, de ander berustend (onze sympathie gaat steevast uit naar die laatste). Het leed van barre weersomstandigheden is het enige leed waar ik met openlijk plezier naar kijk. Dat komt omdat ik er deel van uitmaak, van dat leed. Ik heb ook in de trein gezeten, of in de file gestaan, of ben gevallen met de fiets op een opgevroren bruggetje. Ik stond mijn mannetje, en ik heb overleefd. Denk erom, wij hadden het ook niet gemakkelijk, dames en heren van het journaal! Kijk, valt er een bom op het huis van de buren, dan ben jijzelf als bij toverslag veranderd in een winnaar, zonder dat je het recht op medelijden verliest. Zo moet het zijn.

Wij gingen sleetjerijden op de Bult, een fietscrossterrein tussen de rafelranden van de stad. Op de terugweg werd mijn kleine meid (5) niet lekker van de kou, en ik droeg haar een kilometer lang op de arm, langs het kanaal met de wind vol op mijn smoelwerk. Fluimen sneeuw bleven in mijn wimpers plakken, sommige drongen in mijn ogen. De weg zag ik niet meer, tot tweemaal toe was ik één pas van een val in het kanaal verwijderd. Ik zag de brug pas toen de weg al begon te stijgen en in mijn kuiten te happen. Ik voelde mij euforisch: dit is wat ik verlang van de winter, dit is wat ik wil dat hij mij geeft. Er bestaat even niets anders dan dit: kou, wind, sneeuw, een wereld die alle geluiden dempt, die alle verlangens smoort behalve deze: thuiskomen.

Later op de middag hield het op met sneeuwen en maakten we een sneeuwengel in de achtertuin, bij wijze van dankoffer. Daarna was het wachten op het achtuurjournaal.

woensdag 16 december 2009

Grensgeval

Dit is zo'n geschrapte passage, een wees. Misschien komt er nog eens een ver familielid langs die 'm oppikt. Deze wees ging mij aan het hart omdat ik het ben die hier spreekt, en ik spreek over mijzelf. Een grensgeval, toch vond ik dat het weg moest, het deed niet ter zake...

"Het helmgras zwiepte langs mijn spijkerbroek. Hier en daar moest ik over de kale takken van een duindoorn stappen, het pad werd hoe langer hoe zanderiger. Sommige duindoorns hadden nog plukjes oranje bessen, door de vorst ingekapseld en door de dooi vormloos geworden, overrijp en gistend. Strandplevieren konden daar katjelam van worden. Het grijs dat boven mij hing strekte zich uit tot over het strand. Verder op zee leken er gaten in te zitten. Op het strand liep wat volk, het schorrengebied was van de vogels, meeuwen en steltlopers voor zover ik het kon zien.

De natuur en haar uitwerking op mij, wat moet ik daar over vertellen? Ik vind er geen godsbesef, geen rust, geen inspiratie, al die dingen waar men de mond vol van heeft. Ik heb het allemaal geprobeerd, maar het lukt me niet. Meestal vind ik er geen bal aan, natuur. Soms is dit wat de natuur mij biedt: ernst. De wind die rimpels in het water trekt, het helmgras dat naar het noordoosten waait waardoor het hele duin lijkt te golven. Dodelijke ernst, speelse ernst, saaie ernst, alle soorten van ernst, ik kan daar soms zo naar verlangen! Zonder schaamte geef ik toe achter allerlei filosofische vindingen van anderen aan te lopen, mits ze mooi zijn verwoord en op niet al te goedkoop papier gedrukt staan. Maar deze waarheid heb ik zelf moeten vinden – al wil ik niet beweren de eerste te zijn die er opgekomen is: de natuur kan niets anders zijn dan ernstig.

Kijk, zodra er twee mensen bij elkaar komen is er ogenblikkelijk één die inziet dat hij zich dan maar beter kan vermaken, als het dan toch moet. Ik ben die andere, die overigens even noodzakelijk is, die zich uitput in leukheid, geveinsde interesse, lof en bewondering. Alleen dan is menselijk verkeer te harden, als er armelui zijn zoals ik, die bereid zijn te luisteren naar de opschepperij van vermaakbeluste domkoppen. Zelfs zijn arbeid neemt de mens niet meer ernstig, ook dat moet tot vermaak strekken of ironisch opgevat worden. Nooit met de ernstige gratie waarmee de zilvermeeuwen op de thermiek glijden, waarmee de steltlopers zonder ooit hun toewijding te verliezen de snavels in het zand prikken."

zondag 6 december 2009

Alles moet weg

Wat een rare vorm van genot, twintigduizend woorden schrappen.

Alsof je de rommelzolder opruimt.

Je zit tussen je eigen troep, je weet niet waar je moet beginnen. Je hebt geen plan, steeds pak je iets op en leg je het weer terug. Dan zie je ineens de kerst-onderzetters liggen, die foeilelijke krengen, tante Gré had ze je geschonken, en zij had ze weer gratis gekregen op de kerstmarkt in Dortmund, bij aanschaf van een torenhoge witte kunstboom. Je hebt ze bewaard, tante mocht het een keer in haar weke hoofd halen rond kerst op de koffie te komen. De stuitende nutteloosheid van die onderzetters grijpt je bij de keel. Je weet: als ik niet in staat ben dit in de vuilniszak te flikkeren, is het afgelopen, dan zal ik op een dag stikken in mijn eigen rotzooi, ik zal verdwijnen in mijn bijzaken, in alle versierselen die er nooit toe gedaan hebben.

Dat helpt. Het lukt! Op het een volgt het ander. De ban is gebroken, binnen een paar minuten ben je in een trance, een gelukzalig gevoel maakt zich van je meester, het gaat gepaard met het idee dat je de baas bent over je eigen leven, dat je je ontdoet van het deel ervan dat je kan missen als kiespijn. Wat er in werkelijkheid aan de hand is: je bent redeloos geworden. Blind smijt je weg wat voor je voeten komt, al gauw heb je niet genoeg aan één zo’n grauwe KOMO-zak. Een uur later moet je een nieuwe rol halen.

Twintig volle zakken voer je af. Alles moet weg.

Niets blijft er over dan een gelukzalig gevoel en een paar muizen die je achter een wand hoort knagen.

Hoe lang zal het duren voor schuld en spijt komen knagen?

Een verontrustende vorm van genot.

20.000 woorden... even geen tijd voor stukkies.

zondag 22 november 2009

Coachen

Voor het eerst sinds mijn jongen op voetbal zit, sta ik zonder paraplu langs de lijn. Kou, regen, kraag omhoog, de essentie van het voetbalvaderschap bij de F-jes. Langs de lijn regent het veel harder dan in het veld, dat is bekend, langs de lijn is men doorgaans ook stukken fanatieker dan daarbinnen. Ik moet daar overigens niets van hebben.

Deze zaterdag sta ik er voor de vijfde keer, naast de andere vaders van F10, en we staan in de zon. Het is nog warm ook. Dat kan niet goed gaan. Geen regen te bekennen en na een kwartier kijken we tegen een 4-0 achterstand aan. Mijn jongen moet de eerste helft keepen. Hij dreigt als het Lek van Leiden de geschiedenis in te gaan. Een ander joch rent huilend naar zijn vader die hem na wat troostende woorden het veld weer in jaagt. Aan de overkant staan de vaders van de tegenstander, en je hoeft niet eens naar ze te kijken om te weten dat zij oorlogszuchtiger zijn dan een bende Comanches... 5-0! Rechterbovenhoek. Ik ben blij dat het projectiel het hoofd van mijn jongen niet geraakt heeft. Hij kijkt naar een vogel of zo, hij weet niet eens dat de bal achter hem ligt. De woestelingen langs de lijn juichen als holbewoners die na een maand jagen een mammoet omgelegd hebben. Ze blaffen hun nakomelingen nog harder af: “Den, voor jou!”, “Kef, naar vooooren!”. Het zijn net dieren, hun bloeddorst kent geen grenzen.

Wij, vaders van de F10, kijken elkaar aan.

“Wat een zielige vertoning”, zegt de vader links van mij. Doordeweeks is hij medewerker bij de griffie.

“Ze hebben waarschijnlijk een rotleven”, zeg ik, “ze zijn bang dat hun zonen dat ook krijgen.”

Er wordt instemmend gemompeld. Ze weten niet dat ik leraar ben. Ik ben nieuw. Van dat schrijven weten ze al helemaal niets. Het is rust. Ik kijk omhoog. Geen regenwolk te bekennen.

In de kleedkamer troosten wij onze zonen. Ze zitten stuk voor stuk bij hun vader op schoot. Sommige snikken. Mijn jongen is de enige zonder pruillip, want hij hoeft na rust niet meer te keepen. We zeggen dat het niet erg is, en we menen het ook wel, maar toch knaagt er iets. We jagen de ventjes de mat weer op, wij nemen onze posities langs de lijn weer in. Voordat we weer een beetje aan de zon op onze koppen gewend zijn staat het 6-0. Het geschreeuw aan de overkant begint ook van voor af aan. Wij kijken elkaar niet aan, maar wij verstaan elkaar heel goed.

“Naar vooooren Leiden!” roept de papa naast mij, in het dagelijks leven ICT medewerker. “Blijven beweeeegen!”. Dat is de kale belastingambtenaar die er altijd doodmoe uit ziet door die grijze zakken onder zijn ogen. “Méélopen” roep ik naar mijn jongen “meelopeeeeen!”. Het is geen roepen, het is schreeuwen.

Vanaf dat moment komt er niets dan vormloos gebrul uit onze kelen. Merkwaardig genoeg lijkt het effect te hebben. De F10 begint te draaien, het is krankzinnig, die jochies doen nog wat wij schreeuwen ook. Zo fanatiek heb ik ze niet eerder gezien, die keren dat ik als een natte hond stond te druipen langs het veld. Goed, het wordt weliswaar 7-0, maar wij, vaders, weten dat we zeker tien minuten een veldoverwicht hebben gehad. Bijna juichend rennen we de wei in na het fluitsignaal. We zijn zo trots dat we onze zonen optillen als waren het winnaars. In de kleedkamer wordt gelachen en met handdoeken gemept.

“Ze pikken het wel op” zeg ik, “dat, eh... coachen”

“Volgende week moeten we het weer doen” zegt de belastingman.

“Ja” zegt de ICT’er, “ook als het regent”

maandag 16 november 2009

Omslag

De post brengt drie stukken. De Autokampioen, een envelop van Dela verzekeringen en een dikke envelop van uitgeverij Contact.

De inhoud van die eerste twee mag er wezen: de Kampioen bevat een bijzonder leerzame test van wel honderd parkeergarages, de envelop van Dela onze nieuwe uitvaartpolis. Mijn aandacht gaat echter uit naar die andere envelop: de voorjaarsbrochure 2010.

Ik probeer niet te wild, te ongeduldig te scheuren.

Ha, het is een aardig boekje geworden, mooi stevig kringlooppapier. Kijk nu toch eens. Pagina vijf. Gewapende man, trefzeker debuut bladiebla. De omslag! Ik vind ‘m meteen prachtig. Net een reparatiehandleiding voor een Zündapp, en inderdaad juist daarom zo goed. Dat valt tenminste op tussen al die landschapjes en zeegezichten.

Ik voel mij fier, heel even, dan dient het getob zich weer aan: verdomme nu kan ik niet meer terug, ze hebben al aardig wat centen aan mij uitgegeven, maar hoe zit het met mijn prestaties? Lopen die een beetje in de pas met deze promotieblabla? Kannutnietisnikswordtnooitwat. Gadverdamme. Ik kan zo doodmoe worden van mijzelf. “Say it loud: I’m black and I’m proud!” In The Commitments moet een zootje werkloze wannabe-muzikanten die woorden van James Brown hardop zeggen van hun ‘manager’, zelf ook zo’n doodsbleke slungel. “Amblackanamprow”, je hoort hun gemompel niet, je ziet dat ze de woorden in Dublins accent op de tong proeven.

Ik oefen het ‘doe-maar-gewoon-repertoire’ dat mij van pas zal komen als familie en vrienden dit zien. Of ik ‘s net zo indringend wil kijken als op de auteursfoto? Moet je me eerst een slok petroleum geven. Duur? Tja, negentienvijfennegentig, kost wat maar dan heb je ook niks. Dik? De slechte seksscenes worden er nog uit geredigeerd dus dat kon nog wel eens meevallen. Brommer? Die staat erop omdat de titel anders zo gay lijkt. Boekenbal? welnee, daar hebben ze ook een deurbeleid.

Laat mij voor een keer trots zijn, ik ben het bagatelliseren zo beu.

Ik lees de andere post door.

Mijn uitvaartpolis leert mij: het leven is kort, de dood kost niet meer dan een habbekrats.

De ANWB Autokampioen leert ons dat men in de binnenstad van Leiden werkelijk nergens fatsoenlijk kan parkeren. Gelukkig hoef ik in de Leidse binnenstad niet te parkeren. Ik woon er. Ik grijp weer naar de folder, pagina vijf. Ik leg mijn hand op de foto (Tommy Wieringa met haar, whoehaha), ik kijk weer naar die cover.

Ik heb genoeg geleerd vandaag, genoeg om een omslag te maken. Ik ga anders denken, bedoel ik. Cynisme is uit! Ik roep het de nacht in, ik schreeuw het van de daken: “Alle mensen die iets getimmerd, iets bedacht, geschreven, geknutseld of gekleid hebben! Iedereen die iets voor elkaar krijgt, zoals een gedicht maken, een toilet plaatsen of een cadeau door een schoorsteenkanaal proppen! Roep het hard: ik ben trots en ik ben zwart!”

maandag 9 november 2009

Boekenbal (2, slot)

De man met de tas liep altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen.

Het was een dienstknecht, of een dienstmaagd, dat boek, zo één waar ze nooit meer dan drie exemplaren van op voorraad hielden. De omslag was het jonge meisje wel opgevallen, door die oranje brommer, maar ze had er nog niet één van verkocht. Als er andere klanten waren stond de man daar heel nadrukkelijk te lezen, het jonge meisje wist niet dat je zo opzichtig kon lezen. Het was alsof hij voorlas maar de woorden achter zijn tong bleven plakken. Na een poosje legde hij het weer terug, dan deed hij alsof hij andere boeken uitzocht. Maar die las hij nooit, hij keek alleen bedachtzaam naar de achterflappen en legde ze hoofdschuddend terug. Daarna pakte hij nog één keer het boek met de brommer, las nog wat, hield het omhoog en legde het weer terug.

Als hij de winkel uit was liep het jonge meisje wel eens naar de plek waar hij had gestaan, en dan zag ze iets raars. Van een dozijn didi’s die in de buurt van het boek met de brommer lagen, was de achterzijde naar boven gekeerd in plaats van de omslag, het was net alsof de brommer de andere boeken had onderworpen, zijn eigen dienstknechten en dienstmaagden. Het jonge meisje legde ze dan gauw weer goed, zonder de geitenbreier er bij te halen.

Vandaag was anders.

In de eerste plaats stond zijn kraag niet overeind, en de muts was ook niet op. Hij groette haar! Vervolgens liep hij naar de grote tafel. Hij bleef staan en zag wat het jonge meisje al wist: de boeken met de brommer lagen niet meer op de tafel. De grijze geitenbreier had ze verplaatst naar de grote kast met fictie. De grote kast was de voorhof van de vergetelheid, ze mochten daar nog een maand, hooguit twee antichambreren, die boeken, wennen aan het idee dat het gedaan was, dat het slachthuis wachtte, en dat dat goed zou zijn.

Het jonge meisje keek wat de man zou gaan doen. Ze zag zijn blik van links naar rechts over de grote tafel gaan, zoals je in het rond kijkt als je fiets is gestolen. Hij liep om de tafel heen, twee, drie keer. Hij nam de tas op de andere schouder. Nu hingen beide schouders zwaar en moe, hij boog voorover en bleef zo een tijdje staan, als een verzakte wilg. Hij richtte zich op en liep naar de kast, het jonge meisje kon duidelijk zien dat er weer een doel achter zijn passen zat. Hij wist kennelijk waar hij moest zijn, want hij pakte een boek uit de grote kast en liep direct terug naar de kassa, naar haar! Hij legde het boek op de toonbank met de omslag boven. Het was het boek met de brommer.

“Deze wordt het?” zei het jonge meisje.

“Ja, deze graag” zei de man.

Ze draaide het boek om, om de barcode te scannen. Voor het eerst zag ze de foto. Ze schrok, keek hem aan. Hij zette juist zijn kraag omhoog. Ze keek nog eens naar de foto, daarna weer naar hem. Hij tuurde op zijn bankpasje.

“Eh, pinnen meneer?”

“Ja graag”

“Is het een cadeautje?”

“Nee, eh ja, doe maar gewoon in een zakje”

“Veel leesplezier en tot ziens!”

Hij griste de papieren zak van de toonbank, propte het in zijn schoudertas en haastte zich de winkel uit zonder nog om te kijken. Bijna rennen was het.

maandag 2 november 2009

Boekenbal (1)

Het was maandag, en hij was er weer, de man van het boek.

Het jonge meisje werkte sinds vijf weken bij de boekwinkel, en de eerste klant die ze begon te herkennen was de man van het boek.

Het was goed beschouwd niet eens een klant, want hij kocht nooit iets. De eerste keer had hij vriendelijk gegroet, haar iets te lang aangekeken. Gewoon, net wat te lang, alsof hij iets zag wat vroeger van hem was. Niets geks, dat deden er wel meer. Ze had zich het groeten herinnerd door wat daarop volgde. Hij liep door naar de tafel met nieuwe uitgaven. Ze schonk verder geen aandacht aan de man, was bezig een kinderboek in te pakken voor een oude dame toen plotseling het flitslicht van een fotocamera de zaak vulde. Ze keek op, zag nog net dat de man een digitaal cameraatje in zijn jaszak stopte. Hij bleef daar nog wat dralen, en liep toen snel naar buiten zonder te groeten of te kijken, zelfs niet kort.

Sindsdien kwam hij iedere maandag, woensdag en vrijdag rond een uur of vier met een schoudertas om waar hij scheef van liep. Vanaf de derde of de vierde keer groette hij niet meer, soms rommelde hij wat in die zware tas precies op het moment dat hij de kassa passeerde. Na een week of twee had hij de kraag van zijn jas hoog opgezet, en zag het jonge meisje alleen twee zware wenkbrauwen, in week drie had hij ineens een muts over zijn oren, en herkende ze hem enkel aan de schoudertas. Voor het overige volgde ieder bezoek hetzelfde patroon: hij liep naar de tafel met nieuwe boeken. In het midden van die tafel hadden zij twee torens gebouwd van goed verkopende romans, als bakstenen gestapeld. Dat waren de boeken waar het om ging. Op een zaterdag verkocht je er soms wel twintig van. Om de torens lagen de romans die niet zo liepen, de “dienstknechten en diensmaagden” kortweg “didi’s”, zo noemde de grijze geitenbreier ze, “want zij zorgen ervoor dat hun heren gunstiger afsteken, dat is hun taak, zonder die heren zouden zij immers niet eens bestaan. De armen leven dankzij de rijken!”. Alsof hij hoerageroep verwachtte, zo zei hij die dingen. De grijze geitenbreier ging over de Nederlandse en vertaalde fictie, hij regeerde met ijzeren hand over het boekenbal op de grote tafel.

De man met de tas liep dus altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen...

(wordt vervolgd)

zondag 25 oktober 2009

Twee Kanaries en een Vlieger

Arne loopt met de vlieger de school uit. Dat bevalt mij al niet, ik weet dat ik moet zeggen dat hij ook van mij is, de vlieger. Anders neemt hij hem gewoon mee naar huis, zonder iets te zeggen. We hebben de vlieger samen gemaakt, Arne en ik, met stokjes die goed konden buigen en knalgeel en groen vliegerpapier. De meester had laten zien hoe het moest, en wij deden het na.

Dat is al een week geleden. Vandaag hebben wij hem uitgeprobeerd. Hij deed het niet. Er is niet genoeg wind, zei Arne, en de meester zei het toen ook maar, want er was niet één vlieger die de lucht in wilde. Nu mogen ze mee naar huis.

Dat is het probleem.

“We kunnen er om loten” zeg ik, “wie ‘m mag hebben”.

“Hè nee” zegt Arne, “als ik dan win vind ik het zielig voor jou.”

Hij loopt gewoon door, met de vlieger tegen zijn borst. Hij is net een kanarie met dat groen en geel. Ik loop met hem mee, maar ik moet eigenlijk de andere kant uit. Ik denk dat hij het wel merkt, want hij begint er uit zichzelf weer over.

“Ik neem ‘m eerst een week, en dan jij, en dan ik weer, en zo steeds door”

Ik moet er over nadenken, dat mag ik niet te lang doen, want dan gebeurt het zo, eerst hij, dan ik. En ik geloof niet dat ik dat wil. Ik probeer mij voor te stellen hoe de vlieger eruit ziet nadat Arne hem een week gehad heeft. Zijn broer heeft er mee gespeeld, hij heeft tien keer in een boom gehangen, de vlieger, en de broer daarna ook, ze hebben het papier beklad, met van die vechttekens en “AF1”, Arne Fighter één, heel lelijk geschreven. Gescheurd, het gaat natuurlijk scheuren, het papier, oh nee!

“Nee, ik weet wat, jij laat hem thuis zien en daarna mag ik hem een week en daarna jij en...”

Arne blijft staan. Hij kijkt alsof hij hard naar huis wil lopen, de staart van de vlieger tussen zijn benen. Als hij dat doet grijp ik de staart natuurlijk mooi beet.

“Ik vandaag” zegt hij, “jij morgen”

“Ik vandaag” zeg ik, “jij morgen”

Arne zucht.

Hij geeft de vlieger aan mij. Nu heb ik een kanarieborst.

“Jemig” zegt hij, “okee dan, maakt mij het uit!”

Hij draait zich om, maar hij loopt niet weg.

Er is iets raars. Ik wil de vlieger niet meer.

“Weet je wat het beste is?” zeg ik.

Arne draait terug, kijkt mij aan alsof hij denkt dat ik de vlieger toch aan hem ga geven. Ik pieker er niet over.

“Gewoon geen van beiden” zeg ik.

“Geen van beiden” zegt Arne, ik weet niet of hij het als vraag bedoelt, of dat hij instemt.

Met mijn voortanden bijt ik het touwtje door.

“Hop” zeg ik. Ik gooi de vlieger in de lucht

Nu doet hij het wel. Hij tolt rond, echt hoog komt hij niet. Hij boort zich in de meidoorn langs de vijver. Te hoog om er bij te kunnen

“Zo”, zeg ik

“Ja” zegt Arne.

Het lijkt of er een dikke reuzenkanarie in de struiken hangt, met zijn kop naar beneden.

vrijdag 9 oktober 2009

Auteursfoto

De fotograaf kwam helemaal uit Amsterdam. Het was een geschikte kerel, echt waar. Hij vroeg of de motor op de stoep van mij was, en wat mijn favoriete Beatles-nummer was. Terwijl ik antwoordde (de eerste vraag was gemakkelijk) stond ik een dikke lap klapstuk aan te braden. Wij eten in Leiden namelijk hutspot op 2 oktober, en ook op 3 oktober, als we tenminste nog iets lusten na het nachtelijk drinkgelag en het poffertjesbacchanaal op de kermis.

De fotograaf was ruim tien jaar ouder dan ik, ook dat maakte hem heel geschikt. Moet ik dat uitleggen? Wie schept er genoegen in op de plaat gezet te worden door een jonge god die geen andere gedachte kan hebben bij de klus dan: “gadver, ouwe harses, zelfs bij het warmste strijklicht een kop van papier-maché, geen porem, gauw schieten en moven”?

Hij vroeg of ik zelf een gedachte had over de locatie. Ik monsterde de puinhoop in de kamer. Speelgoed, half afgemaakte puzzel op tafel, rommelige boekenkast, stapels post op de piano. “Buiten”, zei ik.

Het regende.

“Klaart zo wel op” zei ik.

Ik bluste het klapstuk af. Hij vroeg naar de ins en outs van het gerecht. Een geschikte kerel, dat zei ik. Ik vroeg ook dingen, want ik wilde in geschiktheid niet voor hem onder doen. Hij had Maarten ’t Hart nog geschoten, met zijn camera bedoel ik, een hele rare man, zei hij.

“De polder hierachter” zei ik, “een beetje landelijk past goed bij het boek”

Ik bedacht dat dit een zin was die mij in de meeste omstandigheden aan het lachen zou maken, maar op dat moment niet. Toen het klapstuk braaf sudderde ging de regen over in mot. Het leek erop dat wij zo’n gluiperig buitje wel zouden kunnen negeren.

Ineens was ik blij met dat snertweer. Ik had er niet aan moeten denken om bekenden tegen te komen in parkpolder Cronensteyn tijdens de fotoshoot. Bruidegom die zijn bruid kwijt is. “Nu even over je schouder kijken!”. Naar wie? Niets te zien daar. Een boom. Ik probeerde te kijken alsof ik een heel interessante vorm van bladschurft zag. Maarten ’t Hart schoot in mijn gedachten en bleef er nogal dwangmatig hangen. “Kijk maar even over je andere schouder”. Over die schouder kon ik kijken tot de einder, maar er was evengoed niets te zien. Hallo heeft u misschien een dame in een witte jurk gezien? En zo stond ik daar te sudderen, het duurde en duurde, mijn hemel, zeker vijf minuten. Het regende niet meer. Nu moet ik eigenlijk mijn kinderen halen, zei ik. “Klaar” zei hij, “prima”. Ik weet niet waar dat ‘prima’ op doelde, maar het klonk heel geschikt.

Thuis rook het naar vet draadjesvlees. Hij zei hartelijk gedag. Ik dacht: tot het volgende boek dan maar - ik kijk er nu al naar uit, want dat is mijn favoriete boek.

Nu de foto’s binnen zijn begin ik toch te twijfelen. Zal ik vragen of er een foto van mijn motor op de achterflap mag?

trailer "Een Onbarmhartig Pad"