vrijdag 28 januari 2011

Leuk is anders, maar Gedichtendag moet blijven

In de NRC van woensdag staat een opiniestuk van Chrétien Breukers dat zo goed geschreven is dat ik eigenlijk niets liever wilde dan het roerend met hem eens zijn. Hij wil Gedichtendag afschaffen. “Een uitzichtloze paradox” noemt hij het. Een soort Groundhog Day, zo zou je het ook kunnen noemen, waarbij wij bij wijze van symbooldaad de Poëzie voor het oog van het volk tevoorschijn halen - zoals de dikke bosmarmot in Punxatawny - en er een feestje omheen bouwen, terwijl we de hoop dat daardoor de lente zal aanbreken al lang hebben laten varen. Ik durf niet meer te gaan slapen. Straks is het morgenochtend weer Gedichtendag.

Centraal in Breukers’ betoog staat de vaststelling dat iedereen maar denkt dat-ie kan dichten en – erger nog – dat iedereen dat ook doet. Dichten, schrijft hij, dat kan bijna niemand. Het moet dus afgelopen zijn met het “aanzetten tot het schrijven van gedichten”, wat zo’n beetje het mission statement van Gedichtendag en, niet te vergeten, de Turingprijs is. Het leidt enkel tot een modderstroom aan flutversjes van zondagdichters met totaal onrealistische ambities.

Het stuk leest als een hartenkreet van iemand die al jaren met wisselend succes knokt goede dichters voor het voetlicht te brengen, die tegelijk verzuipt in de ongevraagde manuscripten, en die het gefröbel meer dan zat is. Het is een invoelbaar probleem, en juist daarom is het zo buitengewoon jammer dat het betoog volstrekt buitenissig is: amateurs moeten ophouden met dichten, en daartoe moet Gedichtendag sneuvelen. Lezen van gedichten, dat mag wel, dat spreekt.

Het zou best kunnen zijn dat nogal wat amateur-dichters zijn die hun kwaliteiten te hoog inschatten, en het leidt zonder twijfel tot treurige taferelen (‘Hannie de Hoogh uit Usquert is al tientallen jaren niet weg te denken uit het Noordgroningse haikoe-leven’ en dan zie ik voor mij hoe honderden Groningse boeren met verweerde koppen proberen Hannie weg te denken, heel ver weg). Maar het is bijzaak. Wat telt is dat het dichten, of het musiceren, schilderen, punniken of weet ik wat, hen genoegen verschaft. Ik zou mijn zoon van gitaarles moeten halen, als ik naar Breukers zou luisteren, want waarom zou die exclusiviteit alleen voor de poëzie gelden? Heel goed gitaar spelen, dat kan immers ook bijna niemand. Daar kan dat kind van mij dan mooi naar luisteren, naar die goede gitaristen. Mijn dochtertje leert schrijven. Vorige week schreef ze ineens een zelfverzonnen verhaaltje. Slecht dat het was! Dat kan natuurlijk niet. Nou vooruit, laat die kinderen hun gang gaan. Maar al die dichtende oudjes (waar zou Breukers de grens willen trekken?) kunnen zich in hun schaarse vrije tijd beter toeleggen op de vervolmaking van hun huishoudelijke taken en andere onbegrijpelijk tragische plichten. Laatbloeien is voor losers.

In werkelijkheid is het natuurlijk glashelder dat er zonder bloeiende amateurkunst geen beroepsleven op hoog niveau mogelijk is, in de dichtkunst noch in de muziek. Er moet een rivier zijn, wil men de kans krijgen boven te komen drijven. Je zou hen die dat achteloos terzijde schuiven, de Halbe Zijlstra’s van dit land, de kost moeten geven! Ik geloof nooit dat Chrétien dat zo bedoelt. Hij is begaan met de poëzie, maar hij klinkt vermoeid. Ondertussen, onder het maaiveld, krioelt het van het leven, onder het kronendak vecht van alles zich een weg naar boven, naar het licht. Het geeft een hoop rommel, maar het is nu eenmaal wat wij doen. Van dit verschijnsel is de Turingprijs een van de aardigste manifestaties die ik ken. Gedichtendag moet natuurlijk blijven, betrek er zoveel mogelijk scholen bij, beschouw al de opgepoetste onzin als folklore ("wake up, it's Groundhog Day!") en laat ondanks alle vermoeide bezwaren iedereen gewoon doorploeteren op al dan niet acceptabele dichtwerkjes. Godfried Bomans schreef “Mondharmonica spelen is nog altijd een hogere bezigheid dan luisteren naar Bach.” En al klinkt er ironie door in zijn woorden, zo is het maar net.

vrijdag 21 januari 2011

Nog één keer: De Turingprijs

“U heeft toch die prijs gewonnen bij De Wereld Draait Door?” vroeg een schooljongen - ik denk een tweedeklasser - onlangs aan mij. “Ja, inderdaad” loog ik gemakzuchtig, omdat de waarheid vaak net iets teveel woorden nodig heeft, en waar veel woorden zijn ligt verveling op de loer. Zeker bij snotapen van dertien. Bij “inderdaad” zag ik hem al afhaken. En dan, wat zou ik zo’n jongen beleren? Alsof ik er zelf in het geheel niet door overrompeld was geweest, alsof al die heisa rond de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd zelf bedacht had. Alsof al het niet een jaar geleden was.

Ik zie mij nog staan, in het licht van mijn eigen witte kabeltrui, ik schudde de hand van de grote Komrij, en had hem wel willen zeggen dat ik het rijm en het ritme van mijn gedicht had ontleend aan een vers van hem - maar ik wist niet meer hoe het vers heette, en ik zei niets. “Eer zal men kakken in zijn hoed - dan dat ik hier mijn ziel blootleg - en zeg wat ik thans lijden moet.” Zwijgzaamheid. Ja nu weet ik het wel weer, want ik heb het opgezocht. Ik wist weinig van poëzie, en nog minder van ‘het wereldje’. Ik herinner me dat er later op de avond wat ophef ontstond omdat van de (overigens voortreffelijke) derdeprijswinnaar werd gezegd dat hij een slammer was. Dat werd een kostelijk misverstand gevonden. Een slammer? Ik wist niet wat het was, al kon ik mij er allerlei wildwest en penoze bij voorstellen. “En nu betalen gringo anders stuur ik mijn slammer op je af.” Als de slammer langs was geweest kon je het grofvuil bellen, meedogenloos was die gast, niets lieten zijn verzen heel.

Ik wist nada, ik was de reine dwaas in de graalburcht. Ik belde naar mijn ouders, om te zeggen dat ik op het journaal zou komen. “Dat is mooi’” zei mijn vader, “en hoe is ’t weer bij jullie?” Mijn vader wist tenminste hoe je die dingen in perspectief moest zien. Ik denk soms terug aan al die mensen die ineens met mij moesten praten, van radio en tv. Zij deden gewoon hun werk, ik groeide in mijn rol van outsider die met de verkeerde trui op het verkeerde podium terecht was gekomen, en die voor een draaiende camera zijn vrouw belde dat “de nieuwe keuken er zou komen.” Er volgden optredens in het Huis van de Poëzie en in DWDD met dat ene gedicht. Alsof ik even Für Elise mocht spelen in het Concertgebouw, louter omdat ik een dag Nieuws was. Na mij zou Kluun komen om een hilarische versie van de vlooienmars te spelen. Zo voelde het. Zo was het eigenlijk ook.

Daarna werd het stil, zo stil dat ik de zee hoorde. Ja, zegt u, wat had je dan gedacht? Dat je de superster van het poëziecircuit zou worden? Natuurlijk had ik dat gedacht! Dames, dames toch, zou ik de ganse dag roepen. “Oo, wil je nog één keer dat versje opzeggen, dat dure versje? Voor mij...mmmm?” Je hoeft die dingen maar één keer te denken. Daarna kan je het aan je stakkerige brein overlaten om er een verwachting van te maken. In gloeiend heet licht van dampende zalen, rood en geel, zou de belofte van mijn opkomst zich aftekenen: “De line-up van vanavond bestaat uit Beau vED, Gordon en Kluun, en als headliner –dames en heren, rustig, niet dringen, allemaal even een stap naar achteren graag - hebben wij: (mijn naam door gejuich en hoog gekrijs onverstaanbaar)”

Ik zou nooit meer hoeven werken! Heeft u daar nooit aan gedacht dan, dat u nooit meer zou hoeven werken?

Ik hang graag de dilettant uit, maar waak voor overdrijving. Ik weet inmiddels precies wat slammen is (en bewonder de beoefenaars heimelijk), ik weet wie er in elkaars balboekje staan en ik weet hoe hard men knokt. Ik hoop oprecht dat de volgende winnaar van de Nationale Gedichtenwedstrijd iemand is die de prijs kan zien als loon naar werken. Ik ben blij dat ik overeind kan houden dat ik mijn loopbaan als schrijver van de grond af heb moeten opbouwen (mocht de dag komen dat ik daadwerkelijk van de grond kom), dat het winnen van die Turingprijs en al het lawaai eromheen op geen enkele manier van invloed is geweest. Wat die prijs dan wel voor mij gedaan heeft? Nou, ik heb een nieuwe keuken. En een Höfner-bas. Vette shit. Punt.

vrijdag 14 januari 2011

Ondertussen, op het kinderdagveblijf

Op de buitenschoolse opvang van mijn dochter werken twee mannen. Ik weet dat je zo’n zin niet argeloos kan opschrijven - want wij zijn slaven van het nieuws - maar ik doe het lekker toch. U denkt maar wat u wilt van die mannen. Dat doe ik ook. Ik vind het namelijk vreemde snuiters, en ze hebben ook heel vreemd haar en rare brilmonturen, maar ik wil benadrukken dat ik hiermee op geen enkele wijze suggereer dat zij vieze dingen doen met kinderen - het gebruikelijke gehannes met knutsellijm en schaar daargelaten.

Het viel mij nochtans op dat een van de heren dit jaar overenthousiast was in het overbrengen van zijn nieuwjaarswensen. Terwijl ik de jongeman eigenlijk helemaal niet ken – laat staan hij mij - werd mij een “vooral heel gezond nieuwjaar” toebedeeld, alsof ik afgelopen jaar voornamelijk bezig ben geweest een slopende ziekte te overwinnen. Ik zei, enigszins van mijn stuk gebracht, toch min of meer hetzelfde terug, zij het iets gereserveerder. Hij wist van geen ophouden, er kwam nog geluk en zelfs gezelligheid in wensvorm achteraan. Ik wilde een zich opdringende gedachte tegenhouden, maar er was niets meer aan te doen. Ik dacht: hij verdenkt mij er dus van dat ik hem voor een kinderschender aanzie. Hij overlaadt mij met groteske gelukwensen om mijn vertrouwen terug te winnen. Hij had ook niets kunnen zeggen. Dan had ik gedacht: het kan hem niks schelen dat ik mogelijk denk dat hij een pedofiel is. Hij had ook kunnen zeggen “even over de eh.. actualiteit, en eh... over mij: ik doe dat soort dingen natuurlijk niet, nooit, bah, afschuwelijk” In dat geval had ik mijn dochter ogenblikkelijk van die tent afgehaald, want door het te zeggen doet hij die dingen toch – in zijn hoofd, en in het mijne. Gruwel! Zo houdt de waan van de dag ons gevangen, en wij kunnen niets anders doen dan elkaars verdenkingen afprijzen met nieuwjaarswensen.

Terwijl de gruwel zich hier helemaal niet in het verborgene afspeelt. Zij voltrekt zich onder onze ogen. De naschoolse opvang is een speciaal voor kinderen ontworpen verbeelding van het voorgeborchte, losjes gebaseerd op afbeeldingen van Jeroen Bosch. Het is zeer vakkundig gedaan. Je kunt je geen voorstelling maken van de herrie, totaal verwilderde jochies rennen door de gangen, struikelen over schoenen en jassen die her en der verspreid liggen. “Kutding” roept een ventje dat tot net boven mijn knie reikt. Hij schopt het Dora-rugzakje dat hem ergerde woedend weg. Een ander onopgevoed mormel vraagt mij “wat kom jij doen, wat kom jij doen, van wie ben jij de papa?” en slaat mij op het achterwerk.

De beerlucht van de WC’s dringt overal door, behalve in de ruimte waar de rijstwafels zojuist zijn uitgedeeld. K3 schalt door het gebouw, meisjes in prinsessenjurken verdringen elkaar op het kleine podium, ze knijpen elkaar om de nep-microfoon te bemachtigen. “HAND IN HAND, OOG IN OOG ...” Mijn dochter knutselt iets met veel lijm en glitters. De glitters zitten op haar trui, in haar haren, “ik ging Emma mooi maken” zegt haar gelegenheidsvriendin “...ALLE KLEUREN VAN DE RE-GEN-BOOG.” Moeders roepen dat ze nu écht weg gaan, en dat Storm, Wander en Lulu nu écht op moeten schieten verdorie, en dat ze hun potje tafelvoetbal niet mogen afmaken, “nou vooruit dan maar, nog drie doelpunten, maar wel snel dan, en oké die telde niet, niet huilen, goed dan ga ik eerst Beer ophalen, maar als ik terugkom dan sta jij klaar!” Een vader sleurt zijn zoon aan een been over het zeil, in de richting van de kapstokken. Hij doet alsof ze dat allebei geweldig leuk vinden.

“Dag Emma, dagdag,” zegt de jongeman met het vreemde haar. Hij heft zijn hand voor een ‘high-five’, maar mijn dochter geeft geen sjoege. De geheven hand gaat dan maar zijn vreemde haar in, struint daar wat doelloos rond en maakt dat het nog vreemder zit. Hij ziet er doodmoe uit. “Dag” zegt Emma plichtmatig. “En nog de allerbeste wensen” roept hij ons achterna.

vrijdag 7 januari 2011

Een Goed Jaar

Als ik geen torenhoge eisen stel – en waarom zou ik, als eenvoudig mens? – dan moet ik vaststellen dat het nieuwe jaar goed is begonnen. Het is acht uur ’s ochtends, mijn kinderen zitten aan tafel, ze eten boterhammen met appelstroop - ook zij stellen geen torenhoge eisen. Het jongetje leest in Het Leven van een Loser, ik vind hem drie jaar te jong om zichzelf met de hoofdpersoon te identificeren, maar vooruit. Het meisje kijkt verliefd naar een tekening die ze gisteren gemaakt heeft. Er staat een band op die bestaat uit Chinezen, “die allemaal door elkaar heen spelen.” De gitarist speelt “Dreamer”, zegt ze. Ik denk dat ze de muziek ook echt hoort, op het ritme van haar malende kaken.

Het is stil. Ik weet dat er ouders zijn die dat misschien niet kunnen geloven, maar het is echt stil. Er is geen ruzie, geen woordenstrijd, laat staan handgemeen en vliegende voorwerpen. Als ik zeg dat ze hun schoenen aan moeten doen zullen zij zich doof houden. Als ik het opnieuw zeg, op dwingender toon, zullen zij het terstond doen. Ik weet dat ik daar op kan vertrouwen. Ik denk: het wordt een goed jaar.

Ik verbreek de stilte. Ik ken mijn tekst. “Drink je melk op” zeg ik, “en daarna schoenen aan.” Ze pakken hun beker zonder te kijken. Twee jaar geleden vielen die bekers nog om als ze dat deden, maar nu niet meer. Alles loopt gesmeerd.

En toch ben ik bezorgd. Ik vind ze te braaf. Ik denk dat zij de vaardigheden missen die nodig zijn om echt vooruit te komen in de wereld. Ik denk bijvoorbeeld dat ze slecht zijn in frische fröhliche kletspraat, waarmee je zorgt dat je zelf goed uitkomt en waarmee je de mensen achter je plannen schaart. Ze missen het talent voor berekenend medeleven dat je – mits de juiste persoon toebedeeld – superieur maakt. Ze zijn te verlegen om te leren hoe je je omgeving naar je hand te zet, door met een simpel gebaar of een enkel woord coalities te smeden of te breken.

Zoals de dame bij de slager, die mij onderbreekt als ik reageer op de vraag van het winkelmeisje “wie mag ik helpen?” Ze is jonger dan ik, ze draagt modieuze laarzen, ze weet hoe je dingen voor elkaar krijgt. Ze zegt “pardon hoor, maar ik sta hier echt al héél lang,” en dan tot een bejaarde dame met een plastic regenkapje die met haar rollator in mijn kuiten bijt, “nietwaar mevrouw?” Ik kan daar niet adequaat op reageren, ik wil het niet op de spits drijven, ik kan mij enkel schamen, voor mijzelf en iedereen die in die winkel staat. Goed, thuis stel ik mij voor hoe de dame met bungelende laarzen aan een vleeshaak hangt en wordt uitgebeend door de slagersknecht, ik zie dat als mijn recht. Maar helpen doet het niet.

Of de vader van een leerling, die ineens opduikt, een onsamenhangend verhaal afsteekt over zijn zoon en diens narigheid, dan heel even zijn hand op mijn arm legt. “Dus je helpt hem hè, wij hebben alle vertrouwen in jou!” En voor ik kan vragen wat hij precies bedoelt heb ik al een vette knipoog geïncasseerd, en loopt hij achterwaarts bij mij weg. Zijn laatste woorden: “dus dat is dan afgesproken.” Dan draait hij zich om. Ik sta daar en ik begin te zweten, want ik weet dat die knipoog een verbeelding was van een vallende guillotine met mijn hoofd eronder.

“Moeten we onze schoenen nog niet aan, papa?” vraagt het meisje. “Ja, dat had ik toch al een keer gezegd?” antwoord ik afwezig. “Maar niet twee keer” zegt de jongen. Hij slaat Het Leven van een Loser dicht.

Een goed jaar, denk ik. Ik heb mijn eisen nog niet geformuleerd, en zolang ik dat weet uit te stellen zal het beslist een prima jaar zijn. Schoenen aan, voorwaarts!

vrijdag 31 december 2010

Het afsteken van astronauten

De jongen die ik mijn beste vriend noemde zei dat we astronauten gingen kopen. Veel astronauten. Twee sloffen per persoon. Tegenspraak was niet mogelijk, want ik diende te begrijpen dat er iets op het spel stond: we waren elf en het werd tijd dat wij in de buurt wat aanzien verwierven. Op oudejaarsdag werden de kaarten altijd opnieuw geschud, met behulp van astronauten. De jongens boven de twaalf die wat te betekenen wilden hebben sloten zich aan bij de meedogenloze melkbus-kanonniers op de boerenveldjes, maar bij het carbidschieten werden wij nog niet geduld.

Ik weet niet meer wat die twee sloffen mij gekost hebben, noch waar ik het geld vandaan haalde, ik weet wel dat een slof astronauten betekende dat je een lange, koude dag tot diep in het donker door de straten moest schuimen, om het allemaal de lucht in te krijgen. Om maar te zwijgen van twee sloffen. Nee, het verwerven van aanzien in de buurt was een hard gelag, je deed het niet voor je lol. Natuurlijk had alles en iedereen onder de twaalf jaar na een uur of wat pokkenherrie wel in de gaten dat wij er die dag toe deden. Die autoriteit schiep verplichtingen. Met de minuut werden wij roekelozer. Wij wachtten tot het lontje helemaal was opgebrand, precies tot het moment dat de vonk in het rotje verdween, om het projectiel dan pas weg te gooien, zodat-ie vlak boven je (of iemand anders) afging. We kenden geen genade, knallen moest het, op iedere straathoek. Ons mededogen beperkte zich tot de grootste nooddruftigen: dieren en peuters – want wij voelden dat bij macht verantwoordelijkheid hoorde, doch niet te veel. Volwassenen keken verstoord, jongere kinderen gaapten ons aan. Wij zagen hun angst voor bewondering aan en vergaten onze koude handen.

Die middag ontplofte er een astronaut in mijn hand. Ik was zo nonchalant geworden dat ik was vergeten dat ik het ding een paar seconden eerder nota bene zelf had aangestoken. Poef! Even leek het of mijn vingers weg waren, spoorloos verdwenen. Toen kwam het gevoel terug, alsof ik mijn vingers terugvond in een bankschroef. Ik stak mijn hand in mijn mond, hij smaakte naar kruit, ik duwde hem tussen mijn benen, daarna in mijn broek, ik wist niet waar ik er mee naartoe moest. Ik wilde geen gratis medelijden, ik snauwde de jongen die ik mijn beste vriend noemde af omdat hij vroeg of het ging. De pijn maakte mij misselijk, maar ook glashelder. Het was alsof ik eindelijk, na zo’n honderdtachtig kanonslagen, mijn doel had bereikt. Ik liet de tas met vuurwerk achter en liep met de gekwetste hand onder mijn oksel weg bij de jongen die ik mijn beste vriend noemde.

Indien er een hoger streven achter al die lawaaimakerij zat, dan was het misschien dit: de wens mijzelf te raken. Ik was niet op zoek naar aanzien, leek het, maar naar een hengst voor mijn harses. Het kwam er op aan net genoeg pijn te voelen om er een diep inzicht achter te durven vermoeden. Ik had mijzelf geraakt. Met een lullige astronaut weliswaar, maar toch. Ik nam mij voor dat vaker te doen, met andere middelen. Een paar jaar later kwam muziek daar het eerst voor in aanmerking.

Hoe ik de jongen die ik daar achterliet een jaar later noemde weet ik niet meer. Misschien wel bij zijn naam. Hij heeft mij nooit meer genoemd, voor zover ik mij kan herinneren.

donderdag 30 december 2010

Straf

Het kabinet-Rutte deelt weer straf uit. Ze zijn goed in straf bedenken. Er zijn mensen die daar echt plezier in hebben, het is voor hen een prettige uitlaatklep, straf verzinnen, de helft van de ergernis is daarmee al bedwongen. De landen die dwarsliggen bij het terugsturen van uitgeprocedeerde asielzoekers zullen minder ontwikkelingsgeld krijgen. Oei, daar zullen ze van ophoren. Het is bijna vermakelijk, als het niet zo treurig was. Rutte had ook strafregels kunnen geven, of verordonneren dat de presidenten van die nare landen zich een week lang om acht uur komen melden bij hem in het Torentje, met een briefje van hun ouders. “Als het werkt dan werkt het” hoor ik hem zeggen.

Natuurlijk gaat het er niet om of een straf werkt, maar of een straf bijdraagt aan de oplossing van het probleem. Straf maakt de problemen meestal groter, als je verder niets doet. Moet ik dat uitleggen? Gert Leers lijkt al wat langer op een boze papa die zoonlief (tweede leg) –die niet wil deugen en wéér pas in de ochtend terugkeert van een comazuipfeest- toebijt: “jij krijgt twee maanden geen zakgeld meer en nu opgehoepeld”. Zoon: “ik krijg al jaren geen zakgeld meer van jou, ik verdien mijn eigen geld sukkel, maar dat wist je zeker niet want je bent er nooit.”

Ik ben benieuwd welke landen het eigenlijk zijn, die dwarsliggers waar wij kennelijk een ontwikkelingsrelatie mee hebben. Dat wordt er nooit bij gezegd. Jemen? Burkina Fasso? Veel kunnen het er niet zijn. Het lijkt er meer op dat Rutte de rol speelt van de gespannen docent die ten overstaan van de hele klas uitroept: “en nu gaat er niemand meer naar de WC, en de eerste die zijn mond open doet vliegt eruit!” Heerlijk, want daarna kan je wachten op het moment dat hij hopeloos verstrikt raakt in zijn eigen strafmaatregel. De eerste die de mond opendoet is namelijk dat brave meisje met een gebrekkig werkende sluitspier.

vrijdag 24 december 2010

De Grote Hongaarse Kerstmis Partiturensmokkel

Boedapest 1989 staat in mijn herinnering overeind als mijn krankzinnigste Kerst ooit. Samen met goede vriend Petrus T. was ik de week voor Kerstmis naar Boedapest afgereisd om een zwendel op poten te zetten die de geschiedenis in is gegaan als de Grootste Partiturensmokkel Aller Tijden.

Boedapest was in rep en roer vanwege de revolutie in buurland Roemenië. Ceaucescu stond nog overeind, men hoopte op zijn val, men vreesde een keiharde ingreep van zijn leger, waarbij de miljoenen etnische Hongaren in het westen het zouden moeten ontgelden, men vreesde oorlog en zag de bommenwerpers al boven de stad hangen. Hongaren zijn geen vrolijke mensen, ontdekten wij.

In dit decor van nerveus patriottisme waren wij beschäftigt met zoiets verwerpelijks als smokkel. En niet van sigaretten of wapens, nee, van keiharde waar: muziekpartituren! Het idee was verpletterend in zijn eenvoud: in Boedapest drukten de staatsuitgeverijen muziek van Beethoven, Mozart, Brahms, en de plaatselijke helden Liszt en Bartók met enorme staatssubsidies en in grote hoeveelheden. In staatswinkels werden ze verkocht voor een knaak. In Nederland kostten die boeken minimaal het tienvoudige. Wij namen onder Nederlandse studenten muziekwetenschap en op het conservatorium de bestelling op. Wij boden enorme kortingen, want wij vroegen slechts het vijfvoudige van de Hongaarse prijzen (wat wij uiteraard niet in de folder hadden gezet).

Na een week klaplopen, in badhuizen liggen, op straat geld wisselen, in grand-café New York hangen, en tussendoor in etappes (om ‘geen argwaan te wekken’) de muziekwinkels leegkopen, hesen wij uiteindelijk vier enorme sporttassen vol bladmuziek de trein in. Bloednerveus knikten wij naar de douanemensen. Wij hadden Deutsche Marken en Marlboro sigaretten ingeval zij de tassen wilden controleren, want wij waren net twintig en wij wisten hoe je die dingen elegant oploste. Ondertussen drukten wij muzieknoten in de broek.

Een maand of twee later begonnen de Beethoven-banden die ik bewaarde ‘voor eigen gebruik’ (je kunt ze echt voor van alles gebruiken) geel te worden en uit elkaar te vallen. Ik heb ze nog steeds. Ze liggen in een klimaatkast. Als ik ze aanraak verkruimelen ze. Ik zal ze voor altijd bewaren, ter herinnering aan die krankzinnige Kerstavond in Boedapest, waarop Petrus T en ik koud en ellendig door de straten schuimden, omdat er in geen enkele herberg plaats was, en in onze kamer in het flatje van een seniele hospita ook niet: de partituren lagen daar tot het plafond opgestapeld. Die vervloekte boeken waren toen al begonnen ons te straffen. En ja, wij hoorden engelen zingen. Er was iets met meisjes, inderdaad, ach laat maar.

De prijzen voor bladmuziek liggen in Hongarije al jaren op West-Europees niveau. De partiturensmokkel is volledig ingestort, er is geen droog brood meer in te verdienen. Een gevoelige slag voor de misdaadsyndicaten. Velen hebben nadien hun toevlucht moeten nemen tot de drugs- en vrouwenhandel.

Ik heb mij nooit meer in zaken begeven. Ik ben er niet voor in de wieg gelegd. Ik haat alle soorten van commerciële activiteit. Maar als u ten overstaan van mij, ter wille van de beschaafde conversatie, en bovendien volkomen terecht uw beklag doet over de misdadige uitverkoop van het Kerstfeest, dan zal ik zwijgen. Ik zal na enige tijd vragen wat u in de koffie heeft. Ik verspeelde mijn recht van spreken op sublieme wijze in Boedapest, Kerst 1989.

zaterdag 18 december 2010

SCHOP ZE TOT ZE EEN BOEK GAAN LEZEN

“Kunst is wat mensen mooi vinden” stond er gisterochtend in de krant. Ik las het om 7:15, zittend aan de ontbijttafel, en wilde niets liever dan op handen en voeten terug naar mijn bed kruipen. De uitspraak was afkomstig van VVD-kamerlid Bart de Liefde, die – let goed op - eerder deze week één van de opmerkelijkste jonge talenten in het parlement werd genoemd. Razend benieuwd ben ik naar zijn talenten, maar zolang ik ze niet ken blijf ik sceptisch. We zijn er uit, hoera! Wat is kunst? “Nou, kunst is wat ik mooi vind, zoals de kerstverhalen uit de Margriet, de muziek van Andre Rieu, de watervallen van Coo, de witte Bentley op onze trouwfoto, de motorcross op het Hengelse zand (de vrouwen en de kinders langs de kant).”

Kunst is wat mensen mooi vinden. Is het nou afgelopen! Is het nou eindelijk eens klaar met de debilisering van het discours! Zitten er tussen die “jonge talenten” nog types die wel eens een fucking boek gelezen hebben?

Bart de Liefde heeft allerlei ideeën, die alle voort lijken te komen uit het Gapende Niets dat achter zijn definitie van kunst zit. Hij wil alleen nog geld geven aan instellingen die in staat zijn veel bezoekers te trekken. Tja, het mag waanzin zijn, er zit wel lijn in. Dit kabinet blijft immers ook pal achter de hypotheekrenteaftrek staan, het wil dolgraag geld blijven geven aan mensen die genoeg verdienen om een huis te kunnen kopen. Of we wel wisten dat het budget voor cultuur sinds 1970 met vierhonderd procent is gestegen! Nee Bart, dat wisten we niet. Maar nu wel! Wij hebben meteen even verder gegoogeld. Wij weten nu ook dat de prijs voor een brood met vijfhonderd procent is gestegen sinds 1970, en de uitgaven voor onderwijs met ruim negenhonderd procent. Ga je die misstanden ook snel aan de kaak stellen Bart?

Weet je Bart, kunst is datgene dat onze aandacht belangrijke doch verwaarloosde richtingen uitstuurt. Dat zal het blijven, daar doe jij niets aan, want dat is waar de mensen naar zoeken, waar iedereen die kunst maakt naar streeft: een hoogstpersoonlijke verbeelding van de werkelijkheid, waarin wij kunnen zien wat anders verborgen blijft. Dat krijg je niet kapot, al schrap je alle subsidies. Dit is mij tot grote troost. Er is iets anders dat mij dwars zit. Dat is dat jullie met zijn allen, grote baas Halbe Zijlstra voorop, onuitstaanbare leeghoofden zijn die onuitstaanbare leeghoofdige dingen zeggen.

Kijk, ik wordt niet vaak boos. Ik ben bijwijle wat somber, defaitistisch, een tikje zwartgallig. Meestal verdrink ik iedere woede, iedere wanhoop, iedere angst, in de zure wijn der ironie. Maar nu ben ik woest en ken ik geen ironie meer! Verwoest ons culturele klimaat, doe het als het echt nodig is, maar weet tenminste waar je over praat. Wees belezen, intelligent, nederig. Pisnijdig word ik van al die dombo’s die ze op Cultuur hebben gezet. Hou je vast, de eerste generatie leeghoofden die ons doodhervormde onderwijssysteem heeft afgeleverd, krijgt het nu voor het zeggen. Circusclowns die een leeuwenact opvoeren. Kunst is wat mensen mooi vinden, ‘tuurlijk joh, en humor is waar mensen om moeten lachen. Oliebol is wat mensen lekker vinden, automatenkoffie is wat mensen graag drinken, neuken wat ze het liefst doen, behalve als ze daar net gereed mee zijn, of erg nodig moeten plassen. Ziedend ben ik, ik ga er zelfs van in kapitalen spreken, met dank aan Louis Paul Boon:

SCHOP DIE BARBAREN, SCHOP ZE TOT ZE EEN BOEK GAAN LEZEN EN DEEMOEDIG WORDEN OMDAT HEN IS GEOPENBAARD DAT ZIJ NIETS WETEN EN NIETS BEGRIJPEN, NIETS!

maandag 13 december 2010

Cake voor Ethiopio

De laatste dag voor de Kerstvakantie is het "Actie Paardenkracht" op mijn school. Ik kijk er weer reikhalzend naar uit. De ganse schoolpopulatie doet klusjes of verkoopt rotzooi om geld in te zamelen voor projecten in India, Malawi of Ethiopië van de stichting Edukans. Een of twee leerlingen reizen daar ook daadwerkelijk naartoe om te kijken hoe het geld wordt besteed. Kritiek op dit punt (“betalen we hun reisje dan?”) pareer ik op traditionele wijze (“Vindt u één keer kijken veel? Als Amerika ergens een oorlog begint, gaan ze soms zelfs wel drie keer kijken”) zoals alles een beetje geïnstitutionaliseerd is rond deze Actie. Vast onderdeel is bijvoorbeeld het grote Open Podium benefietconcert dat ik als muziekdocent organiseer, ieder jaar levert dat meer dan duizend euro op.

Maar in de eerste plaats denkt iedere docent bij de Actie Paardenkracht aan zelfgebakken narigheid, ziekmakende hoeveelheden muffins, koekjes, zoete broodjes en andere rommel die wij allemaal in bulkhoeveelheden opkopen omdat ze door leerlingen gebakken zijn, en omdat de schade groot is als ze het allemaal weer mee naar huis moeten nemen, want dan kan Ethiopië het volgend jaar wel schudden. Dan wordt er in Oegstgeest en omstreken niet meer gebakken.

Een jaar of wat geleden kwam er een jongen met een in keurige plakjes gesneden cake de docentenkamer binnenvallen. Hij bood de plakjes te koop aan, voor slechts 1 euro per stuk. “Zelfgebakken” zei hij, “voor Ethiopio”. Het was zo’n jongen die ook altijd zijn huiswerk zelf gemaakt heeft ingeval je er naar vraagt. Het was een prachtige fabriekscake met van die regelmatige ribbeltjes langs de zijkanten. “Ik ga nu met jou mee naar huis” zei Cees, mijn collega Drama, “en dan bak jij precies zo’n cake voor mij, en als dat je lukt krijg jij van mij honderd euro voor Ethiopio!”

Docenten zelf blijven niet ongeschonden. Er zijn collega’s met blauw haar geëindigd, kaalgeschoren, tot nieuwjaarsduiken gedwongen, in clownkostuums gehesen. Ik moet zelf weinig hebben van die fratsen, ik vraag mij altijd af wiens populariteit daarmee gediend is. Met blauw haar lopen voor Ethiopio is meer iets voor de Bono’s van deze wereld. Wel zong ik een aantal jaren met een ijzersterk vocaal kwartet vierstemmig Christmas Carols in de Haarlemmerstraat, op koopavond, voor de warmeworstenkraam van de Hema. Dat ging jarenlang naar tevredenheid van ons, de Hema en Ethiopië. Echter, het jaar dat wij een opbrengst van min-drie euro noteerden (we begonnen met vijf euro startgeld, eindigden met twee), na talloze bedreigingen geïncasseerd te hebben (‘homo’ + een dodelijke ziekte naar keuze) zijn wij er definitief mee gestopt. Weldoeners wilden wij zijn, geen martelaren.

Later bleek dat een eindje verderop, ter hoogte van het Kruidvat, een paar meisjes van onze school hadden gestaan. Ze hadden leuke rode mutsjes op, zongen “Jingle bells” en het door mij verfoeide “Rudolph the red-nosed reindeer”, eenstemmig, en noteerden een opbrengst van 65 euro schoon aan de haak.

Vorig jaar was de hal vakkundig omgetoverd tot een knusse espressobar, door een stel doortastende bovenbouwleerlingen. Samen met Cees vertoefde ik daar de hele ochtend, dronk veertien espressootjes voor Malawi, tegen een prijs waarvoor je er nog geen vijf koopt bij de Starbucks, kocht vierentwintig cakejes die ik geen van alle opat, bestelde twee peperdure kerstballen met de naam van mijn kinderen erop, terwijl acht bruggers mijn auto wasten tegen een woekerprijs. Wij waren gelukkig omdat het Actie Paardenkracht was, en we niet hoefden les te geven. Wij hadden ons in Gorillapakken kunnen hijsen en met accordeonbegeleiding hits van Rick Astley kunnen zingen voor de Blokker teneinde 'Ethiopio' een hart onder de riem te steken, maar wij wisten dat je die dingen aan de meisjes moest overlaten, leuke meisjes met rode mutsjes. Op Actiedag zijn wij, docenten, live-support-systems van onze portemonnee, anders niet. En dat is goed zo. Ik kan niet wachten.

vrijdag 10 december 2010

WikiLeaks: The Dark Knight

Het is even schrikken. Het lijkt alsof er van de een op de andere dag een generatie is opgestaan die weer idealen heeft, en die bereid is ervoor te vechten. Het lijkt of deze generatie geduldig heeft gewacht tot de tijd rijp was, totdat hen een motief in de schoot geworpen werd om in opstand te komen. Enter WikiLeaks.

Opeens valt alles op zijn plek: er is een groot Kwaad, een in het nauw gedreven maar onkreukbare Held, en een Conflict dat een nieuwe, internetwijze generatie, in het hart raakt. Het Kwaad manifesteert zich natuurlijk in de Amerikaanse overheid, de Held is Julian Assange en het Conflict draait om Internet, het domein van deze jongeren, hun speelweide, hun toekomst. Het is al wat zij hebben. Landsgrenzen en oude politieke machten zeggen hen niets. Zij zitten in hun eigen wereld, en stellen daar hun eigen regels. Nu blijkt dat de Staat die wereld wel heel nadrukkelijk binnendringt, is de beer los. Met een paar grote statements erbij krijgt het conflict razendsnel focus: onze Vrijheid is in het geding.

Ze gaan niet de straat op, ze schuimen over het web. Ze schreeuwen geen leuzen, ze typen ze in een computer. Ze gooien geen stenen door ruiten, ze kopiëren codes en leggen websites van slippendragers van de Vijand plat.

De meeste van hen zijn piepjong, hun voortrekkers zijn twintigers, onnavolgbare whizzkids, de talkshows zijn gek op ze, want ze etaleren een aanstekelijk élan waar die belegen oldboys-kliek volledig bij verschrompelt, die jonge mannen met een blauwe gloed op hun gelaat omdat hen wordt toegestaan een gesprek te voeren terwijl ze met een schuin oog naar hun laptop kijken. Ze roepen dat de Amerika deze strijd gaat verliezen en dat de wereld er over een paar weken al anders uit zal zien. Hun wereld, wel te verstaan, Internet dus.

Ze maken op zijn minst één lelijke vergissing. Julian Assange is geen held. Assange’s drijfveren zijn in nevelen gehuld, maar verraden de houding van een cynicus. De cynicus weet dat de wereld slecht is en de mensen doortrapt, hij weet dat niets is wat het is, en hij ziet het als zijn taak ons dat op superieure toon en met grote gebaren te onthullen. De cynicus kan niet zonder het schandaal. Dat is zijn wraak op de wereld. Achter die show gaapt het grote Niets. Assange is een superieure klikker, verder heeft hij ons niets te bieden. Hij mag uitgroeien tot een martelaar, een held of een groot leider is hij niet.

Ook op die authentiek klinkende roep vrijheid is wel wat af te dingen. Over wat voor vrijheid hebben ze het? Over de kinderlijke drang om ons onverantwoordelijk, naar eigen luim te kunnen gedragen? Bevechten zij het soort vrijheid dat ons in staat stelt de meest krankzinnige beledigingen op het net te kwakken, de meest stupide poeplogica de wereld in te helpen, de vrijheid die ons slaven maakt van onze impulsen, en die ons en iedereen om ons heen ellendig maakt en eenzaam?

Voor er een antwoord op die vraag komt zullen onze vrijheidsstrijders doorgaan met het afdraaien van hun revolutie. In hun kielzog noteren de eerste digitale relschoppers hun eerste criminele successen. Allen voeren zij de vlag van de bittere zwarte ridder Assange.

Het is onbegrijpelijk dat Amerika niet aandringt op onmiddellijke publicatie van alle WikiLeaks cables, zodat dit uit de hand gelopen boosheidsfeestje ten einde komt.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"