maandag 26 september 2011

Een teaser van papier

“Kunst faalt als zij er niet in slaagt de cross-over te maken, de eigen grenzen te overschrijden” schrijft P.F. Thomèse in het NRC van afgelopen zaterdag. Bent u er nog? Mooi zo. Herman Brusselmans was namelijk al pissen op dit punt.

Hoe pak je zoiets aan – ik bedoel niet het pissen, maar zo’n crossover maken? De succesauteur Ivo Victoria lanceerde vandaag een app voor zijn nieuwe roman, compleet met filmpjes enz. Een enhanced e-book heet het wondertje. Wauw. Respect. Ik weet niet of zijn boek ‘kunst’ is of wil zijn, maar grensoverschrijdend is het in ieder geval wel. Hierbij vergeleken heeft mijn zelfgeknutselde trailer-filmpje voor WILD de uitstraling van een door opoe handgeknede kruidkoek. Met die kledinglijn voor kinderen ga ik het ook niet redden. Wat te doen? Ik wil ook boeken verkopen! Ik ben zo radeloos dat ik in staat ben weg te kruipen als een pornodwerg in een dassenhol. Moet ik een game-app laten maken ter promotie van mijn boek? Is dat niet de ultieme cross-over?

Go 'Wild’ in the Woods! (hierbij te harde muziek en onweergeluiden) een ‘bikkelharde roleplaying-action-shooting-game’ over een jongen in het bos die de uitgang moet vinden om een nieuw leven te kunnen beginnen. Wham. Tussentijds is zijn missie zoveel mogelijk schurken uit bomen enz. te schieten. Kaboem. Kies als je wilt het perspectief van de opportunistische boswachter of de geile dochter die zoveel mogelijk van die blagen in de broek wil graaien. Vroooooar. Er zijn ook zwijnen die alle partijen het leven zuur maken, en o ja: hou je konijn in leven! Heel veel mindblowing levels in multiplayer mode. Ik ga ook die taal gebruiken, weet je. Ja, weet je, dat boek maakt eigenlijk geen fuck meer uit. Het is een soort, eh, teaser van papier. Alleen, damn aan games schijnt je ook geen stuiver meer te kunnen verdienen. Alles wat digitaal wordt, wordt uiteindelijk gratis.

Overigens, als u alle hyperlinks in de eerste alinea heeft aangeklikt (wat overigens best de moeite waard is), is de kans verwaarloosbaar klein dat u het einde van dit artikel gehaald heeft. Mocht u er wel in geslaagd zijn, dan bent u misschien geïnteresseerd in dit boek: Het ondiepe, hoe onze hersenen omgaan met internet van Nicholas Carr. In het overschrijden van de grenzen raakt onze aandacht verstrooid over talloos veel activiteiten die alle de diepgang hebben van, eh, een stukje als dit. Nog even en dan kunnen onze hypersensitieve breinen niets meer dan in sneltreinvaart over de oppervlakte surfen. Helemaal niet erg, misschien, voor de mens als soort. Alleen, boeken – in de betekenis van: teksten die je van begin tot eind moet lezen – zullen wel zo'n beetje verdwijnen, zowel de digitale als de papieren. Wie voor die kwade tijd nog boeken weet te verkopen, al dan niet dankzij apps en andere hippe cross-overs, verdient mijn bewondering.

F.B. Hotz, het leven

Ik fiets bijna dagelijks langs het huis van Hotz, op weg naar mijn school. Het huis ligt aan de Rijnsburgerweg, tussen Leiden en Oegstgeest. Gelukkig weet bijna niemand van dat huis, en als ze het wisten zou het ze koud laten, want haast niemand leest Hotz. Dat is erg jammer. Aan de andere kant, het zou ook maar vreselijke opstoppingen geven op de toch al overvolle Rijnsburgerweg, als iedereen ineens interesse zou tonen. Het huis heeft een mooie gevelsteen gekregen. Het heeft iets te maken met weerspiegelingen van de tram die Hotz als kleine jongen zag in de bolle vazen op de vensterbank.

Ik lees de biografie over Hotz met veel genoegen. En langzaam, zeer langzaam. Het verbaast menigeen dat er zo’n dik boek over zo’n saai leven geschreven kan worden. Ik vind het juist het een grote troost voor de mensen, dat dat kan.

Van Hotz kan je leren dat er twee dingen nodig zijn om een goede schrijver te worden: gevoel voor stijl en een fenomenaal geheugen. Die man herinnerde zich werkelijk alles van zijn kindertijd. Wat een zegen voor een schrijver! Je vindt zijn vroegste herinneringen terug in veel verhalen. En veel van die herinneringen komen uit dat huis aan de Rijnsburgerweg. Hij kon zich ook de grote treinramp bij Leiden de Vink herinneren, september 1926. Hij was toen vier en hoorde een onheilspellende dreun, en kort daarop de sirenes. Zijn moeder trok hem naar binnen.

Toen hij achttien was zocht hij alles uit over dit treinongeluk. Hij vatte bovendien een levenslange belangstelling op voor machines en techniek, in het bijzonder voor de momenten dat de onbeheersbare krachten in die machines zich tegen de mens keren (denk aan De tramrace en Ernstvuurwerk). Hij zocht ook alles uit over de slachtoffers van de ramp. Er waren vier doden. Een van de ernstigst gewonden van het ongeluk was een mevrouw die woonde in de Breestraat, en die een voet verloor. Ze wilde naar het toneel, maar die droom was in duigen. Even verbeten als vergeefs bleef ze vechten om schadeloosstelling. De spoorwegen boden haar een vakantie naar Katwijk aan, en één steunzool. Aldus is zij een voetnoot in de rechtsgeschiedenis. Vele jaren laten maakte Hotz van deze vrouw een personage in de novelle De voetnoot (1990). Hij noemt haar ‘Ina’. In het boek loopt het niet goed af met Ina. Ze sterft aan de gevolgen van een operatie aan haar been.

Ik smul van deze verhalen. Maar dan komt Aleid Truijens, de auteur van de biografie, met een zin die mij verontrust:

“Er is één postume troost voor ‘Ina’. Ze bracht het tot hoofdpersoon in een van de mooiste novellen die in de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw zijn geschreven. ‘Ina’ heeft toch niet voor niets geleefd.”

Het lijkt mij dat Truijens hier iets aardigs voor Ina wil zeggen, uit mededogen. Maar de schrijfster veronderstelt twee dingen. Het eerste: er bestaat zoiets als postume troost. Dat lijkt mij hoogst onzeker. Zou Truijens de biografie als postume troost voor Hotz beschouwen?De tweede veronderstelling grijpt me bij de strot: ‘Ina heeft niet voor niets geleefd’. Au. Hebben wij voor niets geleefd als wij het niet schoppen tot personage in een roman of novelle van een groot schrijver? Of geldt dit alleen voor mensen als Ina, die hun dromen en hun voeten vermorzelt zien onder een trein? Zomaar ineens zegt de schrijfster iets waar ik bang van word: het is heel erg om voor niets geleefd te hebben.

Het is een prachtig boek. Maar ik denk dat Hotz deze zin van Truijens over postume troost en 'voor niets leven' afgekeurd zou hebben. Ik hoop het in ieder geval.


Aleid Truijens, Geluk kun je alleen schilderen, F.B. Hotz, het leven

maandag 19 september 2011

Kuut !

Vandaag besluit ik mij te gedragen als een kerel, en niet als een theemuts. En reken erop dat vandaag nog maar het begin is. Ik verdraag mijn eigen cultuurpessimisme niet meer. Ik walg van mijn depressieve defaitisme. Ik begin mijn strijd tegen de verrotting en Grote Vergeefsheid-in-het-algemeen bij het balkonhek. Het is van hout, heeft honderdtien spijlen, die alle aan de onderkant bladderen. Het lijkt een rot gebit. Het is een takkenklus. Als je spijltje nummer honderdtien hebt afgelakt begint nummer één alweer open te barsten. Het is, net als het schilderwerk aan de Eiffeltoren, Sysifusarbeid. Dit heb ik ooit gelezen, over de Eiffeltoren. Het is iets dat je graag gelooft, al heb ik nog nooit een schilder bij de Eiffeltoren gezien.

Het balkonhek en de Eiffeltoren vertellen een verhaal: de natuur is mijn vijand, ik moet mij er tegen blijven verzetten. De natuur wil ook dat mensen lamlullen zijn, hopeloze egoïsten en gemakverslaafde pantoffeldiertjes, die stiekem kijken naar porno op internet en openlijk naar House Ibiza op televisie, het is de natuur dat ze de ganse dag met hun duim en wijsvinger over een glazen plaatje wrijven, dat ze 'app' een normaal woord vinden, dat ze nergens hun aandacht meer bij kunnen houden en dat boeken ongelezen blijven – het mijne zeker, jaja dat weet ik best. Diezelfde natuur zal hen wegvagen, en ik blijf overeind. Ik ben een kerel. Met een goed onderhouden geweer. Je wint met mij de oorlog niet, maar je overleeft hem wel. Zo.

Als je op een ladder staat met een beest van een schuurmachine in je kladden lééf je. Ja léééven doe je dan, met van die irritante accent-aigu’s. Een kuut heet zo’n accentje in de drukkerswereld. Kuut. Dubbel-u. Schitterend woord. Weet je waarom je op een ladder lééft-met-lange-kuten? Omdat je leven in gevaar is, daarom. Zeker op die ladder van mij, want het is een uitklapladder die niet is goedgekeurd door de Bond van Huisvrouwen. Fuck de Bond. Als de schuurmachine jankt voel ik mij de schrik van de buurt, en zo gedraag ik mij ook. Ik roep gewoon hardop en onafgebroken scheldwoorden door het lawaai heen. Ondertussen eet ik stof, ik lik het van mijn lippen.

Nu rammel ik dit stukje er even uit, quick & dirty, dat is mijn stiel vanaf nu. De natuur kan naar de bliksem lopen, overleven zullen we tot de dood erop volgt. We geven zo nu en dan een balorige schop tegen een schurftige hond die op ons pad komt, zoals Kluun of Rik Launspach – en verder zal het ons de pis niet doen schuimen. Voorwaar, ik zal eens een strijdbaar stukje schrijven. Je moet toch wat ondernemen, tegen de weemoedigheid die des avonds komt voor men aan de drank gaat, en soms nog veel vroeger. Dat kreng krijgt geen kans meer.

Ik ga weer verder met schuren, en daarna misschien nog een hoge schutting timmeren, want timmeren is ook niets voor theemutsen.


(foto: www.koningdak.nl)

zondag 18 september 2011

tante Frida

Ik heb er al een tijdje vrede mee dat ik sinds een jaar of wat meer uitnodigingen krijg voor begrafenissen dan voor bruiloften. Het liefst krijg ik helemaal geen uitnodigingen, maar als het moet ga ik, geloof ik, liever naar begrafenissen. Dat kan je abnormaal vinden, maar begrafenissen ontroeren mij en bruiloften eigenlijk nooit. Bovendien komt de familie van mijn vaders kant beter uit op een kerkhof dan in een partytent.

Er is overigens één zijtak van deze familie voor wie dat minder geldt. En juist zij moesten afgelopen week hun moeder/grootmoeder begraven. Mijn tante Frida, de oudere halfzus van mijn vader, was acht jaar geleden uit mijn beeld weggeschoven, gesloopt door Alzheimer. En nu was ze dood.

Wij bekijken geprojecteerde jeugdfoto’s van haar. Zwaagwesteinde, eind jaren veertig. Je ziet dat er een moderne vrouw in haar sluimert. Helaas kwam die er nooit helemaal uit. Het was de tijd niet. En Zwaagwesteinde, dorp van bonkig volk, niet echt de plaats. Er had meer in gezeten, dat is wat ik in haar ogen lees, op foto’s van latere leeftijd. Het was een lief mens. Ze heeft mij en mijn zus leren kaarten. Zelf zat ze op een bridgeclub, wat in onze kringen gold als excentriek en een tikje lichtzinnig. De altijd wat opgetrokken wenkbrauwen maakten dat zij keek met een blik waarin welwillendheid en milde spot om voorrang streden. Het is de blik die ik nog van mijn grootvader ken, al is die overleden toen ik negen jaar oud was.

Wij Van der Werven uit de Friese Wâlden zijn introverte doch taaie zwartkijkers met een sterk praktische inslag. Mijn grootmoeder zei vijftien jaar geleden op haar sterfbed, toen ik vertelde dat mijn tijdelijke betrekking na de zomer zou worden omgezet in een vaste baan: ‘betalen ze je in de vakantie wel door?’ Het waren niet haar laatste woorden geloof ik, maar het had niet misstaan. Wij zijn geen gekende beoefenaars van de levenskunst, maar tante Frida kwam - denk ik - het dichtst in de buurt.

De laatste acht jaar bracht zij door in een tehuis. Het ging erg slecht met haar, maar verder ging het goed. Het is pijnlijk erover te horen – en grappig. Als ze een goede dag had, mocht ze wel eens mee naar huis met haar dochter, om te eten. ‘Wat heerlijk, een huis waarin écht gekookt wordt. Dat maak ik nooit meer mee!’ Later, toen er nauwelijks nog een herinnering over was, kreeg ze er poffertjes met slagroom, en een gas witte wijn: ‘Oh, lekker! Mag ik dit ook op mijn verjaardag eten? ... Ah, mag het? Dan hoef ik verder geen cadeau!’

Ik neem die woorden mee naar huis. Ik heb ineens verrekte veel zin in poffertjes, maar ik denk dat ik toch gewoon ga koken, ik ga het hele huis vullen met kooklucht.

maandag 12 september 2011

Kleedkamerhumor

Het woord ‘kleedkamerhumor’ staat niet in mijn D. van Dale. Wat mij betreft ten onrechte. Zonder kleedkamerhumor zou ik, geloof ik, niet goed kunnen leven. Kleedkamerhumor kan omschreven worden als een vorm van grappenmakerij ten koste van een ander, die desondanks goedmoedig is, en waarbij de humorist en het slachtoffer beide in hun blote reet staan. Dat kan ook overdrachtelijk, je hoeft er niet per se voor in een kleedkamer te zijn, maar het helpt wel. Een kleedkamer is immers een plek waar niemand meer weet welke stank precies van wie is.

‘Sorry jongens, vanaf volgende week speel ik in een hoger elftal.’

‘Lazer op, Gerrit, echt niet!’

‘Niet gaan janken dames. Is het zo erg?’

‘Ja, heel erg, want dan zien we je vrouw nooit meer.’

Muzikanten zijn vileiner in hun kleedkamerhumor. Dat komt omdat zij ijdel zijn, en overgevoelig. En omdat de meesten niet eens een kleedkamer hébben.

‘In die bridge miste jij dat a mineur akkoord.’

‘Hoor hem! Dus jij hoort het verschil niet tussen een C en een a mineur akkoord?’

‘Nee, niet als jij het speelt.’

Onder motorrijders is het doelwit van kleedkamerhumor niet de mens, maar de machine, en juist daarom is deze variant zo verrukkelijk meedogenloos. Het stuk haperende techniek kan zich immers niet verdedigen, en de mens mag zijn motor nooit afvallen op de momenten dat het olieverbruik, het brave viercilinder-karakter of de sneue valbeugels op de hak genomen worden. Zo valt de eigenaar samen met de gebreken van zijn eigendom. Als je de motorfiets klunzig laat omvallen, bijvoorbeeld tegen de betaalautomaat van een tolpoortje, dan ben je helemaal gezien. Je kan dan enkel afwachten en hopen op een fout van je tegenstanders vrienden.

Want hier gaat het om: kleedkamerhumor is een sterke aanwijzing dat je vrienden hebt. Ik zeg: een aanwijzing. Geen bewijs. Voor bewijzen moet je niet bij mij zijn. Ik weet het, vriendschap en vertrouwen zijn woorden die ruiken als een oude sporttas, maar evengoed horen ze bij de ware KKH als al die blote konten.

Er is ook valse kleedkamerhumor: de spot van verwerpelijke lieden die zelf niets op het spel zetten.

‘Kenne we je boek al kopen voor 'n ramsjprijs?’, ‘Als je ‘m signeert is-ie zeker niks meer waard!’, ‘Wanneer ga j d’r uit voorlezen in DWDD, met een lekkere beat eronder?’

Die laatste heb ik trouwens zelf verzonnen. Je kan de barbaren soms beter voor zijn en je eigen winkel plunderen. Kleedkamerhumor te moeten ondergaan van lui die je in de verste verten niet tot je vrienden rekent – God wat een beproeving. Jij staat in je blote reet, en die klootzakken houden hun kleren aan.

maandag 5 september 2011

Smurfenijs

Het parkeerterrein, een blinkende zee van blik tussen de duinen. De laatste stranddag van het jaar had iets jachtigs. Iedereen voelde aan dat de hele zomer in deze ene middag geleefd moest worden. De mensen hadden een haastige blik in de ogen en keken steeds naar de lucht, ieder wolkje keurend. Een mannenstem: of de Albert Heijn op zaterdag tot acht uur open was? Ik zei dat ik het niet wist, maar hij bleek het helemaal niet tegen mij te hebben, hij rende gewoon toevallig net langs met zijn vriendin, op weg naar het Wassenaarse strand.

De zee was, ja, gewoon de zee. Daar kan je altijd op vertrouwen. Het was jammer dat het water afging, zo’n laatste stranddag schreeuwt om hoge golven waar je in kan verdwijnen. Maar evengoed was het de Noordzee, de enige plek waar je even van dat rottige Nederland af bent, waar je in kan zwemmen en een kort moment denken dat je de keuze hebt, dat je kan kiezen niet meer naar het land terug te keren.

Het ging snel. Het was tijd voor een ijsje. Morgen kon het allemaal niet meer.

Het laatste ijsje van het jaar! riep ik, want ik leg mijzelf en anderen graag nodeloos veel druk op. Het kiezen van een smaakje duurde daarom zeer lang. De kinderen kozen allebei smurfenijs. Ja, dacht ik, dit is nu precies waar het altijd fout gaat: haast, gekoppeld aan het besef dat het je laatste kans is. Het leidt tot de meest beroerde keuzes in het leven, zoals smurfenijs. Ik vroeg of het ijs ook naar Smurfen smaakte, en zij zeiden ja, het smaakt precies zoals Smurfen eruit zien. Zelf nam ik bosbessenijs. Het smaakte naar kauwgom van vroeger.

Toen we van de parkeerplaats wegreden zag mijn vrouw Willem-Alexander door de duinen lopen. Ik zag hem niet, ik zag wel veel kale mannen in kantoorkleding met headsets. Zij zei ‘daar, daar’ tot ik zowat wanhopig werd. Eindelijk zag ik hem ook, met zijn hond en twee oudste dochters. Hij droeg een poloshirt met pastelkleurige streepjes. Daar loopt de koning! zei ik tegen de kinderen, en vroeg mij af hoe geloofwaardig het klonk. Net zo geloofwaardig als smurfenijs.

maandag 29 augustus 2011

Vluchteling

De schilders zijn er weer. Voor ieder raam in mijn woning staat een schilder. Dat doet iets met een mens. Ze staan op trapjes en steigers. Het is één grote publieke tribune rond mijn huis. Hun voetafdrukken – vanaf maat 45 – koloniseren alle kamers. Ik weet wanneer ik teveel ben. Ik zet koffie, liters koffie, want behalve niet in de weg lopen moet je koffie zetten voor schilders. Daarna vlucht ik naar de openbare bibliotheek, het enige gebouw dat op maandagochtend geopend is, op een enkel pompstation na. Ik installeer mij tussen de studieboeken op de eerste verdieping, ter hoogte van rubriek 100. Daar is het rustig. Leesboeken en studieboeken had je vroeger. 'Fictie' en 'non-fictie' is van later.

Hier zijn geen schilders. Maar er is wel een lelijke vrouw in een lichtblauwe kabeltrui die met een stoel langs de boekenkasten schuift. Ze kijkt me aan alsof ze mij vanmorgen is vergeten bij de vuilnis te zetten. Heel even weet ik hoe een vluchteling zich misschien voelt. De lelijke vrouw zet haar stoel neer bij rubriek 000 ('Algemeen': dit is een mysterieuze rubriek) en laat haar handen razendsnel langs de boekruggen gaan. Het duurt even voor ik door heb dat ze de boeken rechtzet. Alles netjes opgelijnd. Voor de lage planken gaat ze op de stoel zitten, zodat ze niet diep hoeft te bukken. Soms blijft ze op die stoel een tijdje kijken naar haar werk. Ik weet zeker dat zij niet in dienst is van de bibliotheek.

Ik kies een boek uit van Rudy Kousbroek, Einsteins poppenhuis, een boek van Stine Jensen over liegen – ik heb een zwak voor Stine Jensen, hoewel wat minder voor haar boeken - en zo gaan er nog wat titels door mij handen. Met een stapeltje studieboeken loop ik terug naar mijn tafel.

Ik begin in een boek over depressiviteit bij kinderen. Ik leer hieruit dat pubers die belangstelling voor literatuur aan de dag leggen waarschijnlijk aanleg hebben voor depressiviteit. In Stine Jensen lees ik dat Maarten ’t Hart in zijn jeugd twee romans per dag las, bij wijze van pil tegen de werkelijkheid. Kousbroek ergert zich op zijn beurt aan des mensen gecultiveerde weerzin tegen techniek - die toch immers aan een spatzuivere logica voldoet - tegenover hun welwillendheid ten aanzien van raadselachtige nonsens zoals astrologie. Deze leugenfabriek bij uitstek noemt hij ‘tot mode verheven onverstand’. Dat was in de jaren tachtig. Over welke vormen van modieus onverstand zou hij thans zijn knoet zwaaien?

De vrouw komt naderbij. Ik weet nu zeker dat het een gekkin is, want ze mompelt de hele tijd. Dat doen gekken, ze mompelen wat af op een dag. Ze is bij rubriek 300. Dat zijn de managementboeken. Boeken vol leugens en modieuze waanzin waar ik dooddepressief van wordt. Voor de gekkin maakt het geen verschil. Het zijn boeken, en ze moeten in het gelid.

maandag 22 augustus 2011

Voor het begint...

“Was van alle dingen alleen maar het begin” laat P.F. Thomése zijn hoofdpersoon denken in het verhaal Zuidland. Deze dolende figuur (de hoofdpersoon, niet Thomése) heeft zelfs genoeg aan enkel het voornemen, en laat de uitvoering er dikwijls maar bij zitten. ‘Kent u dat gevoel?’ zou ik bijna willen zeggen. De strijkstok die stilligt op de vioolsnaar, de bal die met het ventiel naar boven op de stip ligt, een stuk appeltaart waar je het puntje vanaf gaat prikken, het mes op het moment dat het door het gladde oppervlak van een nieuw aangebroken pot pindakaas steekt.

Zaterdag was ik een dagje op Lowlands. Zoals de meeste bezoekers haastte ik mij van tent naar tent, en telkens miste ik het begin van de optredens. Geen enkel optreden kon mij vervolgens echt boeien. Allemaal aangebroken potten pindakaas. Alleen bij het slotoptreden van Elbow beleefde ik het magische moment van een concert-voordat-het-begint. De tent die volloopt, mensen die gaan staan, het aanzwellende geroezemoes, geschuifel, rook, een donkere lage toon die je in je buik voelt. Pats, de lampen knallen aan, je ziet niets meer, behalve de contouren van duizenden handen die de lucht in worden gestoken. Gejuich, alsof je oren zich vullen met water. Een enkele ijle toon van een synthesizer, een bezwerend gitaarmotiefje, langzaam loopt het weefsel van geluid vol. En dan: de drums. Het concert is losgebarsten. De band speelt geïnspireerd en nauwgezet zijn repertoire van warme (‘gloedvolle’?), zij het soms wat modderige pophymnes. Maar toch, vanaf het beginpunt is het gedoemd alleen maar minder te worden.

Soms is een boek op zijn het mooist vóór je het gaat lezen. Of voor je het gaat schrijven. Ik geniet het meest van een nieuw verhaal voordat er een letter op papier staat. Van een idee over een ploeterend personage, een pijnlijke situatie, een enkel dodelijk woord, een geur, een geluid. Het is de belofte van een boek dat zo zal schokken, ontroeren en amuseren dat het een begin nog niet verdraagt. Van mij hoeft het begin eigenlijk niet eens te komen. Het moment vóór het begin, dat is het moment waar ik naar verlang. De rest is iets onvermijdelijks dat altijd teleur stelt.

Afgelopen week hield ik het eerste exemplaar van mijn tweede roman in mijn handen. Daar had ik heus lang naar uitgekeken. Ik bladerde wat en dacht: hm, beetje goedkoop papier. Dat ‘hm’ dacht ik ook echt het was een niet geslaakte zucht. Goed kijken durfde ik niet, bang op de eerste de beste bladzijde een zin te ontdekken die mij toch niet beviel. Ik kijk uit naar de presentatie donderdag, de muziek, de ontmoeting met vrienden en andere excentriekelingen die mijn boek misschien willen kopen. Wat daarna volgt is niet af te wenden. Ach, bestond van die dingen alleen maar dat zoete moment vlak voor het begin.

vrijdag 12 augustus 2011

In Memoriam: Annemiek van den Berg

geen geluid nu

luister hoe de verf

van het paneel brokkelt

hoe het zijden doek zich schikt

als een plas op de vloer

ik moet denken aan je handschrift

hoe mooi jij schrijft ook zonder papier

geruisloos in de lucht

met een sigaret


we kunnen zeggen dat alles licht is

dat het voor een afscheid nog niet vroeg genoeg is

en we drinken nog een glas

zo zou jij het doen

grote woorden passen jou

zoals te dure schoenen

geloof hoop en liefde

die drie maar de grootste is de drank

die des avonds komt als je alleen bent


wacht, we doen alsof er nog tijd is

dan gaan wij nog een keer naar Parijs

vertel je je verhalen voor de laatste keer

je vertelt van Camille Claudel en Rodin

aan je hofhouding

de leerlingen luisteren en tekenen

ze doen dat voor jou

heb ik je dat wel eens verteld


daarna gaan wij oesters eten in La Procope

we heffen het glas en drinken op de baas

want die betaalt al weet hij het nog niet

en we lachen maar betalen natuurlijk

alles gewoon zelf

en o ja, je rookt

gauw nog een sigaretje

in schitterende stijl

de zorg uit je gezicht


dan is het tijd, ik houd je vast

te kort en halfhartig

want je lijkt van gips en gerookt glas

ik weet hoe dat komt

je moet straks terug naar je droom van

geloof hoop en liefde

en de grootste zal de drank zijn

die kruipt des avonds in alle hoeken van je eenzaamheid

vult kelders waar geen mens meer bij kan

maakt alles mogelijk

op een ding na


dat je nog hier bent

maandag 8 augustus 2011

Homecooked food

Ik zit in een pub in York waar ze homecooked food serveren. In Engeland is ‘homecooked’ een aanprijzing. Soms zetten ze er nog good bij: homecooked good food. Dat is ook bedoeld als aanprijzing. In Engeland maken ze echt werk van aanprijzingen, meer dan van het eten zelf. Je moet voor alles vooraf betalen.

Ik eet gefrituurd korstdeeg waar zich een garnaal in schuilhoudt. Het is een echte Engelse pub, dus moet ik bij iedere hap mijn onderarmen van het tafelblad losrukken. Dat vermoeit mij zo dat ik ervoor kies mijn armen stil te laten liggen en mijn hoofd te bewegen richting het voedsel. Zo doet de Engelsman die een tafeltje verderop zit het ook. Het is een potige vent en hij lijkt op Wayne Rooney, maar hij draagt een shirt van Manchester City – de voetveeg van United, het lelijke eendje van het Engelse voetbal (homecooked good football, zeg maar). Wayne eet steak-and-kindeypie met aardappelpuree. Zijn onderarmen blijven nagenoeg stilliggen. Ze zijn pakweg zo dik als mijn bovenbenen en bedekt met een bizarre potpourri van tatoeages. De randomness van al die versieringen heeft iets ontroerends. Hier zit geen concept achter, het is een door de jaren heen aangelegd rariteitenkabinet waar je nimmer iets van weg kan gooien. Ik kan mijn blik er niet van af kan houden, en ik denk dat de man het in de gaten heeft. Ik denk ook dat hij Will heet, en niet Wayne.

Ik zie een zwaluw met een banner in zijn bek, een grote draak, een paar kleine tribals en chinese tekens. Hij heeft alle decennia in de vorm van tattoo-modes in zijn armen staan. Maar centraal op zijn rechteronderarm staat een perfecte cirkel met het logo van zijn voetbalclub. Manchester City is ooit opgericht door de kerk om het ongebreideld masturberen van de Engelse jongens te bestrijden. Dat is goed gelukt. Nu is Engeland het land met het hoogste aantal tienerzwangerschappen in Europa. De kerk zou het masturberen nu juist moeten stimuleren: Jesus loves a homecooked good wank. Ik weet alleen niet of er in Engeland nog naar de kerk geluisterd wordt. Manchester City is ondertussen opgekocht door een oliesjeik en heeft na jaren miserie eindelijk weer iets te vieren: de FA Cup. Het is Will van harte gegund.

Ik kijk steels opzij en zie hoe Will met zorg de puree door de met jus gevulde pastei prakt, en zijn hoofd naar de natte prut op zijn vork brengt. Direct nadat hij de hap naar binnen heeft geschoven kijkt hij ook opzij, recht in mijn gezicht Ik voel mij betrapt, ik moet iets doen. Ik ruk mijn onderarmen los, ga staan. Ik wijs naar zijn shirt. ‘Congrats’ zeg ik. Het kan van alles betekenen. Hij knikt en grijnst. Er plakt mash potatoe in zijn mondhoek. Ik loop naar buiten. Dat kan zomaar. Dat je in een pub voor alles vooraf moet betalen vind ik getuigen van een groot inzicht in de menselijke geest.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"