Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

maandag 5 september 2011

Smurfenijs

Het parkeerterrein, een blinkende zee van blik tussen de duinen. De laatste stranddag van het jaar had iets jachtigs. Iedereen voelde aan dat de hele zomer in deze ene middag geleefd moest worden. De mensen hadden een haastige blik in de ogen en keken steeds naar de lucht, ieder wolkje keurend. Een mannenstem: of de Albert Heijn op zaterdag tot acht uur open was? Ik zei dat ik het niet wist, maar hij bleek het helemaal niet tegen mij te hebben, hij rende gewoon toevallig net langs met zijn vriendin, op weg naar het Wassenaarse strand.

De zee was, ja, gewoon de zee. Daar kan je altijd op vertrouwen. Het was jammer dat het water afging, zo’n laatste stranddag schreeuwt om hoge golven waar je in kan verdwijnen. Maar evengoed was het de Noordzee, de enige plek waar je even van dat rottige Nederland af bent, waar je in kan zwemmen en een kort moment denken dat je de keuze hebt, dat je kan kiezen niet meer naar het land terug te keren.

Het ging snel. Het was tijd voor een ijsje. Morgen kon het allemaal niet meer.

Het laatste ijsje van het jaar! riep ik, want ik leg mijzelf en anderen graag nodeloos veel druk op. Het kiezen van een smaakje duurde daarom zeer lang. De kinderen kozen allebei smurfenijs. Ja, dacht ik, dit is nu precies waar het altijd fout gaat: haast, gekoppeld aan het besef dat het je laatste kans is. Het leidt tot de meest beroerde keuzes in het leven, zoals smurfenijs. Ik vroeg of het ijs ook naar Smurfen smaakte, en zij zeiden ja, het smaakt precies zoals Smurfen eruit zien. Zelf nam ik bosbessenijs. Het smaakte naar kauwgom van vroeger.

Toen we van de parkeerplaats wegreden zag mijn vrouw Willem-Alexander door de duinen lopen. Ik zag hem niet, ik zag wel veel kale mannen in kantoorkleding met headsets. Zij zei ‘daar, daar’ tot ik zowat wanhopig werd. Eindelijk zag ik hem ook, met zijn hond en twee oudste dochters. Hij droeg een poloshirt met pastelkleurige streepjes. Daar loopt de koning! zei ik tegen de kinderen, en vroeg mij af hoe geloofwaardig het klonk. Net zo geloofwaardig als smurfenijs.

dinsdag 2 augustus 2011

IJs met kutsmaak

Zaterdag reed ik op de motor van Innsbruck naar Leiden, in de regen.

Dat kan je zo zeggen, het klinkt simpel, het klinkt als ‘ja... en toen?’ Niemand die er erg in heeft dat het zinnetje een verhaal op zich is, dat er een wereld van ellende in schuilt.

Bij München waren mijn handen zwart, omdat de handschoenen lekten. Bij een pompstation legde ik ze op het motorblok. Ik wachtte tot de regen ophield en at drie Snickers. De handschoenen waren nog steeds nat. Daarna reed ik drie uren hersendood op de Autobahn. Bij Karlsruhe ging mijn uitlaat loszitten. Eindelijk klonk mijn Yamaha als een Harley. Bij Koblenz begon ik de plaatsnamen die op de borden stonden hard te schreeuwen in mijn helm. Dat geeft veel genot, met Duitse plaatsnamen, zeker als je oordoppen in hebt en je het geschreeuw van binnenuit hoort.

Bij Keulen begon het opnieuw te regenen, en hard te waaien. Duitsland is inderdaad een kutland, maar Nederland is nog veel erger. Het is maar goed dat het een stuk kleiner is dan Duitsland. Bij Eindhoven ging het serieus regenen. Mijn helm begon te lekken. Ik lachte een kwartier lang om een oude mop: ‘ober, ik had ijs met kutsmaak besteld, maar ik proef duidelijk poep!’ ‘Dan moet u kleinere likken nemen m’neer.’ Ik zeg niet dat ik dit een geweldig leuke mop vind, ik zeg alleen dat ik er als een krankzinnige om lachte, hard en eenzaam, zodat mijn vizier ervan besloeg.

Ter hoogte van Zaltbommel stormde het zo hard dat de regen horizontaal viel. Die viel dus niet, hoor ik u denken. Nee, die is nu nog op weg naar Duitsland. Een vrachtwagen schaarde zowat op de Nijhoffbrug, en als motorfietsen konden scharen had het er slecht voor mij uitgezien. Ineens werd ik doodsbang dat die uitlaat eraf zou vallen. Ik voelde het vermogenverlies. Vermogenverlies ja. Heeft niks met banken te maken. Bij Utrecht moest ik tegen de wind in hangen om de fly-over te kunnen nemen. Bij Woerden sloeg de regen recht tegen mijn smoel. Ik dacht aan een warm bad, en toen dacht ik dat het eigenlijk niet uitmaakte of je tijdens het noodweer van de eeuw op een motorfiets zat of in een warm bad lag, omdat niets nog een pest uitmaakte. Trenchfeet, inderdaad. Toen ik bij Leiden de snelweg afdraaide belandde ik in een diepe plas die de motor bijna omtrok. Ik dacht: ik wil niemand midden in de nacht in dit weer tot last zijn, dus laat mij overeind blijven...

Thuis kreeg ik de handschoenen niet meer uit, noch de leren broek. Ik stond in de gang en het suizen in mijn oren hield mij gezelschap.

(dit bericht verscheen eerder op Torpedo magazine)

maandag 18 juli 2011

Oefeningen in verveling

Binnenkort gaan wij weer heel lang met elkaar in een auto zitten, want het is vakantie. Ik kan niet goed zeggen wat precies het mooiste van de vakantie is: het moment dat we in die volgepropte auto stappen of het moment dat we er met doorzitplekken weer uitkomen. Ik denk toch het eerste, omdat de Hoop dan nog door geen enkele tegenslag besmet is. Het idee dat je op Avontuur bent loopt meestal de eerste deukjes op bij aankomst op de camping. Natuurlijk, thuiskomen is ook mooi, maar om redenen die niets te maken hebben met Hoop en Avontuur.

Hoop en Avontuur beginnen bij een schone auto. Voor vertrek zuig ik de wagen daarom grondig uit. Daartoe zat ik vanmiddag op de achterbank, een gebied waar ik nimmer kom. Ik zette de stofzuiger uit en bleef een tijdje zo zitten. Ik kreeg een oeroud gevoel, het achterbankgevoel. Het was mooi en het leek mij ineens belangrijk dat ik niet zou vergeten hoe het voelde om uren-, zo niet dagenlang op de achterbank je biotoop te hebben, vroeger, wanneer de vakantie was aangebroken.

De machtsspelletjes met mijn zus, het treiterige afbakenen van de ‘eigen helft’, het snauwen van mijn moeder, het over de schouder aanreiken van de rol fruitella. Met je hoofd tegen het venster hangen, de kuiten tegen het warme kunstleer geplakt. Het kroeshaar op het achterhoofd van mijn vader, waar ik tegenaan keek omdat er nog geen hoofdsteunen bestonden - behalve in Mercedessen, maar wij hadden natuurlijk een Kadett.

Maar terwijl ik daar zo zat moest ik vooral denken aan die onverzettelijke ruitenwissers, en hun hopeloze strijd tegen de regen. Als je zelf rijdt, zie je het niet zo, hoe de wissers het water naar beneden duwen, en dan weer opzij – met ferme hand, zou je bijna zeggen - hoe bij harde regen het water aan de zijkant wegkruipt en ontsnapt, en hoe op de snelweg de wind het water weer omhoog blaast. Je keek bij welk punt het water de wissers weer ontmoette, en of dat veranderde – of een van de twee aan de winnende hand was. God, wat een verrukkelijke oefening in verveling.

Dat zat ik zo te bedenken, met een stofzuigerslang in mijn poten, op mijn eigen achterbank die voor mij zo weinig betekenis heeft. Het achterbankgevoel van mijn eigen auto is voorbehouden aan mijn kinderen. Die moeten er straks een week of twee rondhangen. Wij hebben wel hoofdsteunen, maar er zitten om de dooie donder geen dvd- of aanraakschermpjes in gemonteerd. Ook zij zullen zich dus moeten vermaken met de ruitenwissers en de regen. Het wordt fijn, want het ziet ernaar uit dat zij daar ruimschoots gelegenheid voor krijgen.

vrijdag 8 juli 2011

Schouders

De schouders van mijn zevenjarige dochter ontroeren mij. Vooral als ze zo’n zomerhempie draagt waar ik haar schouderbladen doorheen voel prikken, als ze naast me fietst en ik mijn hand op haar rug leg. Ja, soms ben ik net een oud wijf. Maar goed. De punten van beide schouderbladen passen net in mijn handpalm, ik voel ze bewegen als zij op de pedalen trapt.

Ach misschien zijn het niet die schouders die mij ontroeren, maar de dingen die zij zegt. Ze zegt dat het niet lang meer duurt voor wij op vakantie gaan naar Engeland. Ja, het is nog twee weken, maar we gaan allemaal leuke dingen doen tot die tijd, zoals logeren, dus lijkt het kort. Ze vraagt ook waarom in Amsterdam bijna iedereen Engels praat en rare schoenen draagt. Ze trapt flink door, haar schouderbladen golven.

Ze vraagt ineens waarom ze leeft. Ik probeer recht te blijven fietsen. ‘Wat zeg je?’

Zij: ‘Ik bedoel, hoe wéét je nu dat je leeft?’

Ik vraag mij af of zij mij iets duidelijk probeert te maken. Iets wat tussen die woorden in hangt. Er knettert een dikke vrouw op een scooter langs.

‘Nou, daarom dus,’ zeg ik als het mens een eind voorbij is, hopend dat ik ermee weg kom. Maar ik kom er niet mee weg. Ze trekt haar schouders en zucht, zo’n diepe meisjeszucht die jou declasseert tot een knuppel-eerste-klas.

‘Omdat je deze dingen nu denkt, en zegt,’ zeg ik snel, een Franse filosoof napratend. Het blijft even stil.

‘Dan is het dus niet erg om dood te zijn,’ zegt ze, ‘want dan kan je niet denken, dus ook niet denken dat je dood bent.’

Mijn dochter zegt vaak ‘dus’. En ze ouwehoert vaak over de dood. Dat heeft niets te maken met dat gaatje in haar hart, waar ze honderd mee wordt. Ik denk dat het komt omdat ze haar overgrootmoeder krijtwit, dood en strak gekapt in de kist heeft zien liggen. Of omdat ze het leven soms geen bal aan vindt, en dat ook gewoon zegt.

Maar nu zegt ze dat niet. Ze piept van de levenslust en fietst als een gek - ik duw haar niet eens, ik geloof dat ze mij trekt want mijn hand plakt aan haar blote bovenrug. Aan het einde van deze zomer passen haar schouders niet meer in één hand, vermoed ik.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"