vrijdag 10 januari 2014

Top 2000


In mijn vrije tijd mag ik graag afgeven op de Top 2000 van Radio 2. Het is de meest futloze, voorspelbare vorm van radiomaken die ik ken. De jury van de AD-oliebollentest ontdekt op haar tocht langs alle Oud-Hollandsche Gebakkramen meer variatie in smaak dan een luisteraar van de Top 2000 in zes lange decemberdagen. Diezelfde jury is trouwens ook een stuk kritischer, want de fanatiek bellende en twitterende radioslaven dwepen als bakvissen met de flauwe, kinderachtige muziekjes uit hun eigen jeugd, en gaan prat op hun slaaptekort dat ontstaan is omdat ze niets van de Top 2000 willen missen... wat een treurnis.
Mopperdemopper.

Maar dat is dus in mijn vrije tijd. Doordeweeks, als ploeterende muziekleraar, laat ik mij zonder scrupules in met bands als Maroon 5 en Coldplay. ‘Jongens, Clocks. Nummer twaalf in de Top 2000!’ Je snapt het niet, maar bij mijn leerlingen staat de Top 2000 hoog in aanzien. Ze lijken een beetje bedwelmd door het odeur van valse religiositeit dat het radio-evenement omgeeft. ‘Spelen we écht een nummer uit de Top 2000? Kunnen wij dat?’ Mijn vaderlijke lach tovert hun onzekerheid om in een rotsvast vertrouwen. Wij kunnen dat. Het is magie!

En de zachte, zilverachtige klank van gebroken drieklanken vult mijn lokaal. ‘Clocks’ op twintig keyboards.

Soms voel ik mij slecht, omdat ik zo gemakkelijk mijn idee van goede smaak opzijzet. Ik troost mij met de gedachte dat ik fraaie didactische doelen ophang aan zo’n nummer. Sterker nog, ik mag die Top 2000 wel dankbaar zijn. Ik denk nog wel eens terug aan de tijd van de Grote Ordeproblemen. Soms was ik echt bang, en was ik al blij als ze het liedje pruimden. Want dan pruimden ze mij ook, en dan zou ik blijven leven. Weer een dag. ‘Layla’ (nr. 198) van Clapton en ‘One’ (nr. 19) van U2 hebben mij jarenlang door bange lesuren heengesleept.

In mijn allereerste jaar kwam ik eens aanzetten met ‘Baker Street’ (Gerry Rafferty, nr. 349) in 4-mavo. Het leek mij dat ze de eenvoudige, catchy saxofoonsolo wel konden spelen. Op een keyboard. Na een half uurtje modderen verloste een brutale meid mij uit mijn lijden.
‘Maar meneer, vindt u dit nou een leuk nummer?’
De klas werd stil, de instrumenten zwegen.
‘Het is toch saai?’ ging het kind verder.
De stilte suisde in mijn oren. Roken ze bloed?
‘Ja, je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Oersaai eigenlijk.’
Gelach. Ze leken opgelucht dat ze mij niet hoefden te executeren.
‘Gaan we dan Bohemian Rhapsody doen meneer? Dat is pas een vet nummer!’

Iedereen juichte. Ik keek op de klok en zag dat ik nog een kwartier te gaan had.

donderdag 2 januari 2014

Een schoen voor Donker (Trouw 28 dec 2013)

Mijn lokaal is een kleine archipel die bestaat uit vijf eilanden. Ik noem ze even, nogal voor de hand liggend, naar de vijf Wadden. Ieder eiland bestaat uit zes tegen elkaar aangeschoven tafeltjes, van bovenaf bekeken vormen de eilandjes een U. 

Net als de echte Wadden lijken mijn eilanden erg op elkaar, al vinden de bewoners van niet. Eigenlijk moeten de bewoners weinig van elkaar hebben. Ze denken dat ze niets gemeen hebben, dat ze uniek zijn in hun cultuur en omgangsvormen, en dat de buitenwereld die bedreigt. Ze hebben niet in de gaten dat er veel meer is dat hen bindt dan dat hen scheidt. Dat ze samengehouden worden door natuurkrachten. Door het dagritme, de plaats, de tijd. En door mij, de leraar.

Volgens het cliché wordt Texel bewoond door de ‘gewone jongens’, een groepje dat zijn hechtheid niet ontleent aan een duidelijke identiteit, maar juist aan het ontbreken daarvan. Aardige jongens. Ze voelen zich veilig, ze gaan graag naar school, maar zeggen beroepshalve van niet. Texel bevindt zich dicht bij mijn bureau. Dat vinden de jongens niet erg. Helemaal aan de andere kant, ook vooraan in het lokaal, zitten de meisjes van Schiermonnikoog. Ze werken hard, ze houden ervan om hard te werken, half werk vindt geen genade in hun ogen. Ze zijn beleefd, maar hun groep is moeilijk toegankelijk.

Op Terschelling zitten de jongens die ‘populair’ genoemd worden, hoewel niemand weet wat ‘populair’ precies betekent. Het is in ieder geval niet hetzelfde als ‘geliefd’. ‘Luidruchtig’ komt dichter in de buurt. Ze haten school, of doen alsof, en veronachtzamen in die houding het feit dat zij de school nodig hebben om iedere dag langdurig in elkaars gezelschap te verkeren, en in dat van de meiden van Vlieland. 

Op Vlieland klitten de populaire meisjes samen. Populair wil bij hen soms zeggen ‘mooi’, en soms ‘brutaal’, zeker niet altijd, maar in ieder geval ‘beschikbaar voor de aandacht van de populaire jongens’ onder ingewikkelde en steeds veranderende voorwaarden. Vlieland en Terschelling spelen dat ze elkaars aartsvijanden zijn, en zijn zodoende de hele tijd met elkaar in de weer.

Ten slotte: Ameland. Hier bevinden zich: een jongen met een ‘rugzakje’, twee jongens in dezelfde H&M trui die aan Minecraft verslaafd zijn, en een gothic meisje dat basgitaar speelt. Allemaal karaktervolle types, maar er is tussen hen geen samenhang. Het zijn al die andere, voor hen moeilijk te voorspellen stromingen, die hen op Ameland gevangen houden. Het is duidelijk: als er in deze klas gepest wordt, dan zijn de Amelanders de klos. Als alles goed gaat worden ze door klasgenoten liefdevol genegeerd en beschouwd als ‘rare snuiters, maar wel ónze rare snuiters.’

Ook buiten mijn lokaal bestaan die eilanden, júist buiten mijn lokaal, want ik kan die groepjes door elkaar husselen wat ik wil, maar na mijn les schuift alles weer in elkaar, alsof het een door een hogere macht opgelegde orde is.

Eigenlijk geloof ik niet in het clichébeeld van die sociale groepjes. Ik geloof, zoals het een leraar betaamt, dat alle kinderen anders zijn en dat zij allemaal dezelfde verlangens hebben. Maar ik geloof ook dat één van die verlangens is om gewaardeerd te worden, of nog beter: bewonderd. Geliefd of gevreesd. Om een keer een hele Piet zijn. Het liefst veilig, in een sterke sociale groep. En als iemand hogerop wil, dan ontstaan er problemen, want wie hogerop wil moet naar beneden schoppen.

Ik moet denken aan een verhaal dat ik ooit probeerde te schrijven, toen ik zelf veertien of vijftien was, en Amelander. Het verhaal gaat over een jongen die graag bij een clubje wil horen rond een knul die Donker heet. Waarom ik hem de naam Donker gegeven heb weet ik niet meer, ik kende niemand met die naam en aan frivoliteiten als symboliek maakte ik mij in die jaren nog niet schuldig. Enfin, die jongen, die Tjeerd heet, wil bij het groepje van Donker, voornamelijk om van zijn ‘beste vriend’ Pim af te komen. Pim heeft een klompvoet, en legt in weerwil daarvan een voor Tjeerd onbegrijpelijke zelfverzekerdheid aan de dag. Pim wil altijd dat Tjeerd bij hem thuis komt spelen. In het clubje van Donker maken ze voortdurend grappen over Pim, en Tjeerd wil ook grappen over Pim maken in plaats van met Pim spelen.

Tjeerd vraagt op een dag of de club nog nieuwe leden aanneemt. Dan gebeurt het. Donker grijnst, denkt even na en geeft hem dan een duivelse opdracht. Tjeerd moet in het holst van de nacht inbreken bij Pim, om Pims speciale klompvoetschoen stelen. Als hij die schoen kan overhandigen, dan zal hij voorgoed bij Donkers’ club horen. ‘Goed’, zegt Tjeerd, omdat het makkelijker was om ‘goed’ te zeggen en dan later maar te zien wat er van komt, dan om het vlakaf te weigeren.

Donker en een paar anderen van de club staan ruim na middennacht verscholen in het plantsoen achter een paar struiken. Tjeerd klimt langs de regenpijp omhoog naar de het balkon op de eerste verdieping en kruipt door een openstaand badkamerraampje naar binnen. In verhalen staan badkamerraampjes vaak open. In het echt ook trouwens. In de badkamer wacht hij heel lang, tot hij zeker weet dat er niemand wakker is geworden. Dan staat hij op. Maar waar moet hij die schoen zoeken? In de bijkeuken?
Hij loopt naar beneden. Dan schrikt hij zich een ongeluk, want er brandt licht in de keuken. De moeder van Pim zit aan de keukentafel. Ze heeft een glas dampende melk voor zich staan en leest in de Bijbel. ‘Hallo Tjeerd,’ zegt ze. ‘Wat kom jij nou doen?’ Ze lijkt niet geschrokken. Tjeerd krijgt ook een beker warme melk.

Tjeerd vertelt van de schoen, en dat de club van Donker buiten staat. ‘Die gaan vanzelf weg,’ zegt de moeder. Ze lijkt helemaal niet verbaasd. Ze wijst naar de keukenmat. Daar staat de schoen. ‘Weet je wat zo’n schoen kost? Tweehonderd gulden! Eén schoen voor tweehonderd gulden!’ Ze vertelt dat ze ook nog een gewoon paar moest kopen, en ze kreeg geeneens korting vanwege het feit ze alleen de rechterschoen nodig had voor Pims normale voet. ‘Trouwens, die linkerschoen, die gewone, die mag je best hebben, jongen. Wil je die? Ik heb hem ergens bewaard, want het is toch zonde zoiets weg te gooien. Als ik jou ermee kan helpen...’
Tjeerd ziet een traan in haar ogen glinsteren. Dan gaat ze de schoen zoeken.

Even later loopt Tjeerd met die schoen het huis uit, de schoen die Pim nooit gedragen heeft – maar toch, Pims schoen. Donker is inderdaad al vertrokken. Tjeerd loopt het plantsoen in, hij is niet bang, alleen maar moe. Hij gooit de schoen in de vijver. De schoen zinkt niet meteen, even blijft hij liggen op het water, het is net een eilandje. Dan loopt hij vol water en zinkt heel snel, de kringen in het water lichten op in het schijnsel van de maan. Een paar tellen later is het wateroppervlak weer glad en roerloos.

Dit is het einde van het verhaal, althans in mijn herinnering. Misschien heb ik het niet eens echt afgemaakt, en dat laatste beeld er later bij verzonnen. Hoe dan ook, van Ameland ben ik dat jaar niet afgekomen, en mijn ziel verkocht heb ik evenmin. Maar misschien, ik weet het niet, misschien had ik het wel gedaan, en zonder wroeging, als de gelegenheid zich had aangediend. Want ook ik kende dat verlangen naar waardering, bewondering, en een veilige hoogte. En ik ken het nog.

vrijdag 29 november 2013

Fanny (column Trouw 27 nov)


Ik wil het even over Fanny hebben, maar ik moet voorzichtig zijn, daarom verander ik wat dingen. Haar naam bijvoorbeeld. Fanny is half Amerikaans, half Indisch, en er is iets aan haar dat je doet vermoeden dat er nog een derde helft is. Op zijn minst. Misschien is het wel het slimste kind dat ik ooit lesgegeven heb, en het meest bescheiden. Teruggetrokken is ze niet, ze lacht veel, vraagt dingen, is afwachtend zonder passief te zijn. Ach, ik ben dol op Fanny. Dat is niet omdat ik een voorliefde heb voor slimme braveriken – oké, ik kom graag voor ze op, maar aan de andere kant is het vaak onmogelijk tot ze door te dringen. Dit geldt ook een beetje voor Fanny. Maar dat hindert niet, ik vind het mooi om te zien hoe zij zachtmoedigheid aan een ijzeren wilskracht koppelt.
Er is echter één probleem.

Fanny lijdt aan anorexia.

Ze loopt al twee jaar klinieken in en uit. Ze mag nu weer naar school, maar de situatie blijft – ja, de artsen zeggen het – heel ernstig. Ze wil gewoon zijn, ze wil met gezonde  leeftijdgenoten omgaan. Boven alles wil ze leren. Ze houdt van leren. Alleen, de hoogste cijfers zijn nog niet goed genoeg. In ieder klein foutje ziet zij een brevet van onvermogen. Ze kan niet voldoen aan haar eigen torenhoge eisen. Haar onvrede heeft zich op haar lichaam gericht, omdat dat makkelijker te straffen is dan een stel hersens. Zoiets moet het zijn, men zegt het, en ik kan het geloven als ik haar zie.

Onlangs kwam ze met een zelfgemaakte informatiebrochure over eetstoornissen, bedoeld voor leeftijdgenoten. Haar eigen ziekte, uitgelegd aan anderen. Een koel geschreven waarschuwing vanuit de hel, die juist door de zakelijke toon ontroerde.

Ik vind het moeilijk, de hele tijd wil ik haar influisteren dat ze het goed doet, dat een zes of een zeven ook prima kan zijn, zeker als je de helft van de lessen hebt moeten missen vanwege ziekenhuisafspraken, soms zeg ik het ook tegen haar, dan lacht ze vriendelijk. Soms zeg ik tegen de hele klas dat een zesje mooi kan zijn, dat er belangrijker dingen zijn dan cijfers, want dan ziet Fanny dat ik mijn mening niet aanpas aan haar. Dat het universeel is. Dat vind ik ook echt, alleen weet ik niet of ik geloofwaardig ben. Het huidige onderwijsbeleid heeft zich immers gericht op excellentie, cijfers, opbrengst, enzovoort. We kennen de riedel inmiddels. Be smart or be damned is de impliciete boodschap die leerlingen er feilloos uithalen. 

Fanny moet iedere dag knokken, tegen haar demonen, en tegen de riedel waarop die demonen dansen.

donderdag 14 november 2013

November (column Trouw 13 nov)


Het regent en het is proefwerkweek. Op heel veel scholen schijnt het proefwerkweek te zijn in november, als de dagen grijs worden en het licht ongekleurd. Proefwerkweek is stil en gelaten, nog minder dan anders valt er te ontkomen aan de tijd. Om de vijf minuten vraagt een leerling ‘hoe lang hebben we nog?’ Ik heb altijd de aandrang om een tegenvraag te stellen. Tja, hoe lang hebben we nog? Hoe lang nog klopt dit lege hart?

Proefwerkweek is saai en bloedeloos, er heerst gelatenheid, precies zoals J.C. Bloem beschrijft in het gedicht dat ik nu al zinnenlang parafraseer.

Al die scholen, al die proefwerkweken. Afschaffen zeg ik. En zoiets zeg ik niet snel, want ik ben voorzichtig van aard. Weg ermee. Er is geen enkele week in het schooljaar waarin kinderen minder leren dan in de proefwerkweek. Ik snap best dat dit paradoxaal klinkt, maar het is waar: het is een en al herhalen, herkauwen, voor de twintigste keer hetzelfde opschrijven, en in het beste geval een paar uur per dag boven een leerboek hangen om te weten komen wat je eigenlijk al wist.

Voor een leraar geldt dat overigens ook, dat je te weten komt wat je al wist.
Natuurlijk weet je wat je leerlingen kunnen. Je weet het allang. Het enige wat met een proefwerk gebeurt is dat je er harde bewijzen voor verzamelt, zodat de kinderen zelf - en de ouders - het ook geloven. De leerlingen die niet aan het verwachtingspatroon voldoen hebben last gehad van stress. Faalangst is onverbrekelijk verbonden met de proefwerkweek. Nog een reden om het af te schaffen.

Ik moet surveilleren bij het schoolexamen natuurkunde, en ik laat mij in de koffiekamer ontvallen dat ik daar tweeënhalf uur voor lul zit, want afkijken is zinloos bij natuurkunde. Geschiedenisleraar Eric, een jolige hipster met het misplaatste zelfvertrouwen van een Ajax-spits, zegt: ‘maar jij staat toch altíjd voor lul? En als je staat, dan stá je voor lul, haha!’ Tegen zoveel kleedkamerhumor kan ik niet op, zo vroeg in de ochtend. Ik mompel wat terug van ‘lees jij volgende week de Trouw maar niet.’ Hij: ‘ach, die schijnt toch niemand te lezen!’ Ik slof naar het lokaal waar ik moet surveilleren, mijn heimelijke pijnen dragend. Straks zal ik de pijnen van de examenleerlingen verzachten door hen om de paar minuten mede te delen hoe lang ze nog hebben.

Korte inhoud van dit stukje, speciaal voor geschiedenisleraren die nog niet ontdekt hebben dat hun leerlingen voor het proefwerk ook alleen maar de samenvattingen lezen: Proefwerkweek moet weg. Kinderen leren niks, wij zitten voor lul, het is saai, het is november.

vrijdag 8 november 2013

Stank (column Trouw 6 nov)


Beste leraren, ik zeg het even recht-voor-de-raap: het stinkt in uw lokaal. Het is er niet te harden, het is er te warm, de vochtigheid is 250%, ventilatie bestaat in het beste geval uit het wapperen met een wiskundeboek (of iPad), er zit ongedierte achter de verwarming dat nergens anders op aarde wordt aangetroffen, en verder is er eigenlijk geen enkel leven mogelijk. Laat staan intelligent leven. De kinderen die zich elk uur uw lokaal naar binnen duwen, die vormen een wetenschappelijk gezien onverklaarbare uitzondering. Men onderzoekt nu of ze wellicht kieuwen hebben ontwikkeld.

Ach, u kent hun kreetjes van walging wel, hun quasi-geschokte getverdegetvers, het cartooneske gewapper met de handen, maar u dacht dat ze een act opvoerden, dat het een territoriumdingetje was (zelfs de subtielste lucht van een ander is slechte lucht, omdat het niet je eigen lucht is), dat ze uw les traineren, uw autoriteit betwisten. Niet waar! Het is onderzocht en het is bewezen, de luchtkwaliteit in Nederlandse scholen is verschrikkelijk. Met andere woorden: het stinkt, het is ongezond, en dat die kinderen nog iets leren is een wonder.

Ik was zelf in niet geringe mate opgelucht met de uitkomst van dit onderzoek, want ik trok mij de klachten van leerlingen over het broeikaseffect in mijn lokaal tot nu toe persoonlijk aan. En daar had ik redenen voor. Ja, ik deed wel alsof ik het wegwuifde, en ik zei wel dat ik ze aanstellers vond, maar ondertussen wist ik maar al te goed hoe het zat. De hele dag sta ik daar te springen, te zingen, te roepen en wild te gebaren. Ik verspreid meer afvalstoffen dan een ontplofte vuilniswagen. Ik ben ook niet verbaasd dat niemand mij thuis na een werkdag enthousiast om de hals vliegt. Meestal word ik eerst in de tuin afgespoten. Mijn schoenen dien ik aan te laten tot de gemeentereiniging is gearriveerd. 

Het ligt aan mij. Dat is wat ik dacht. Maar ik heb mij vergist! Nu is er dit onderzoek, dat uitwijst dat het bij jullie allemaal stinkt als in de machinekamer van een baggerschip. Het is gewoon een landelijk milieuschandaal! De oorzaak moet gezocht worden bij die dertig dampende puberlijven, de veel te kleine ruimtes en de slecht gebouwde scholen. Dat ik nog niet eerder op dat idee ben gekomen!

Het zal voor de bewindslieden van Onderwijs ook een openbaring zijn: Excellentie, heel veel pubers in een hok, dat schijnt helemaal niet lekker te ruiken! Dat schijnt zelfs ziekmakend te zijn! Verdikkeme! Ze hebben het op de burelen van het ministerie altijd over kwaliteit, maar nimmer over luchtkwaliteit. Benieuwd hoe fris het daar is.

vrijdag 1 november 2013

Treurwilgen


De laatste dagen voor de herfstvakantie waren zwaar, we banjerden met zijn allen door de mist en een laag natte bladeren tot kniehoogte. Dat kwam natuurlijk door Krijn, ik heb vorige week over hem geschreven, maar je kan schrijven wat je wil, het maakt het niet lichter, je zit maar te malen over of je überhaupt iets kan doen, of je niet bemoeizuchtig bent, of te afstandelijk, en het komt er uiteindelijk op neer dat je je wentelt in je eigen droefheid. Je, ik, wij, ik weet het niet, persoonsvormen vervagen in barre tijden.

De reeds geplande herfstborrel in de koffiekamer ging gewoon door, en dat was goed want meer dan ooit hadden we behoefte met elkaar te praten, zonder dat er over luttele minuten weer een volgende les was, en zonder die eeuwige automatenkoffie die een eenvoudig mens tandbederf bezorgt en in de armen van een najaarsdepressie kan drijven. Het was half vijf, er was bockbier en er waren stukjes kaas. Ik zeeg neer in de L-vormige doorzitbank van de gymdocenten, in de hoop dat er wat te lachen zou vallen.

Mooi niet. We mochten niet praten, we moesten stil zijn, want we kregen een powerpoint presentatie van een aannemer en een hovenier, over de verbouwing van de koffiekamer en de patio. Dit stond ook al lange tijd gepland, en moest doorgaan. Dat begrepen wij wel, alleen hadden we er totaal geen zin in. Uit baldadigheid verzon ik met een paar gymmers een bullshitbingo. Het ‘binnen- en het buitengebeuren’, het ‘uitrollen van plannen’, ‘de aanvliegroute’ – allemaal kwamen ze langs. Ik won, omdat de hovenier sprak van ‘een stukje beleving’ toen het ging over... nu ja, ik kan wel doen alsof ik nog weet waar het over ging, maar ik heb geen idee. Iets met bloembedden of borders. Ik probeerde mij onze rector voor te stellen, rokend in de patio tussen de nieuwe bloembedden, met zijn dure schoenen in het nieuwe maar evengoed natte grind. De beelden bleven in mist gehuld.

Onder normale omstandigheden zou het powerpointplebs na het obligate ‘zijn er nog vragen?’ gefileerd worden door een bloeddorstige bende bockbier drinkende docenten. Wat ze met de ginkgo zouden doen, want kijkt u eens hoe mooi geel hij in het blad staat, ziet u dat? En vindt u die nieuwe plantenborders zelf ook niet een beetje truttig? En wat moet dit allemaal kosten?

Nu bleef het stil. Geen vragen. Gesprekken kamen niet meer op gang. Alsof wij samen dachten: gooi maar vol met treurwilgen die patio, het maakt ons niet uit, doe ons nog een biertje en laat die stukjes kaas maar zitten, die blijven zo in je keel steken.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"