maandag 12 april 2010

Over leven en dood

Nog drie dagen, dan krijg ik het boek in handen. Natuurlijk is dat een magisch moment, maar ik denk dat ik de tijd niet krijg het tot mij door te laten dringen. “Hoe voelt dat nou?” zullen de mensen vragen, en als ik niet gelijk iets terug zeg zullen ze zelf het antwoord geven: “’t is toch een beetje je kind dat je nu vasthoudt hè.” Ik vind die vergelijking een beetje moeizaam, alsof je een zuurtje aangeboden krijgt, waarvan je gezien hebt dat de gulle gever het zojuist uit zijn mond heeft gehaald.

Dat je de tijd niet krijgt het tot je door te laten dringen: tot zover gaat de vergelijking nog wel op – met dat kind bedoel ik. Ik herinner mij een tafereel in een Leids ziekenhuis. Ik was op van de zenuwen, mijn vrouw voelde niets meer vanaf haar middel. Alle uren hadden we langs zien komen toen ik iets vreemds in mijn armen gedrukt kreeg, iets dat warm was en bewoog alsof het mij niet wilde kennen. Ik kon het niet plaatsen, en ik kreeg geen tijd want het jongetje moest poepen en in bad en van die dingen. Pas bij de geboorte van mijn dochter, twee jaar later, herkende ik het gevoel en begon ik meteen te janken omdat ik mij geen raad wist. Mooi, maar met boeken heeft het natuurlijk geen zak te maken. Dat boek dat ik donderdag in mijn verbijsterde handen geduwd krijg beweegt niet, het laat mijn geliefde niet uitgewoond achter en zich ontlasten doet het ook niet, goddank, want er zijn er heel veel van. Dat zou een mooie boel worden. Literair meconium, daar is al genoeg van.

Het boek leeft niet, het is dood, het was al overleden toen het naar de drukker ging. Net op tijd, man wat een beproeving. Het was een levend organisme, het bleef maar in beweging, er kwam geen einde aan zijn stuiptrekkingen, ik moest het wekenlang tegen de grond aan duwen, de luchtpijp dichtknijpen, het bleef maar ademen. Maar ik kreeg 'm eronder. De boekpresentatie is een feestelijke begrafenis, en god wat ben ik bang dat die toch nog een dramatische wending neemt. Het zou zomaar kunnen dat de overledene opstaat en zijn moordenaar ten overstaan van iedereen ter verantwoording roept: “Hé man wat maak je me nou? Twaalf spelfouten en die rode jas is op pagina 165 ineens een witte jas!”

Ach, topzware metaforen over leven en dood: grote woorden die je met lege handen achterlaten.

Ik kijk uit naar donderdag. Wie weet tot dan!

zaterdag 3 april 2010

Kruishoutem in de Ronde van Vlaanderen

Morgen, Eerste Paasdag, trekt de wielerkaravaan door Kruishoutem.
Dit is echt waar.
Tijdens de Ronde van Vlaanderen zal de nieuwe eigenaar (betere service) van de benzinepomp uit mijn verhaal Strovuur weinig klandizie hebben, want 'er wordt gefietst', zoals Smeets zou zeggen. Vroeger zei hij overigens 'we gaan fietsen', prachtig vond ik dat, ik was ook altijd buiten adem na het televisieverslag. Maar dit terzijde.
Lava 16.1 is nog altijd te koop in de beste boekhandels. Ik kan dit weten, ik check het aantal onverkochte exemplaren bij mijn bovenstebeste boekhandel wekelijks. Dit om mijzelf vast te oefenen in het niet neerslachtig worden. Ik hoorde laatst dat de boekhandel verkochte exemplaren direct weer aanvult, het gaat vanzelf, dankzij de barcode. Dingen die ik niet begrijp vind ik makkelijker te geloven. Geloven: tegen beter weten in voor waar houden.
Kruishoutem, dat zei ik. Het is niet ondenkbeeldig dat u het dorp tijdens het live-verslag morgen op televisie kunt bezichtigen. Ik zeg: kijken.
Met de kronkelwoordenwedstrijd meedoen kan ook nog altijd. Dat het aantal inzendingen nog onder de tien ligt sterkt mij in het vermoeden dat iedereen het boek toch liever koopt, net als Lava nummer 16.1. Zulke dingen begrijp ik heel goed.

donderdag 25 maart 2010

Boekpresentatie 15 april in De Nieuwe Anita

Het is bijna zover.

Op donderdag 15 april wordt Gewapende man voor het eerst aan het volk getoond. Deze feestelijke gebeurtenis zal plaatshebben in De Nieuwe Anita te Amsterdam. Zaal open 19:00 voor genodigden, aanvang 19:30. Om de feestvreugde te verhogen zullen The New Beetles vanaf 20:30 optreden in een uniek “unplugged” concert, voor iedereen toegankelijk.

Volgers van dit blog zijn zonder meer uitgenodigd het evenement bij te wonen. Wie bovendien kans wil maken op een gratis exemplaar van het boek moet het volgende doen:

  • reageer op dit blogje
  • typ voordat je je bericht verzendt het kronkelwoord* in je reactie
  • het winnende kronkelwoord wordt getrokken op de avond zelf door ondergetekende (moet je je kronkelwoord wel onthouden..)

Een heel gedoe, en dat voor een prutsboek, maar wij vertrouwen op massale deelname.

Word Volger, reageer, kom langs in De Nieuwe Anita op 15 april, en win!


* de zogenaamde ‘woordverificatie’, dat u een woord moet intypen zoals fnokkel, knough, prsig, plogro, twinnik. Enfin, u ziet het wel.

maandag 22 maart 2010

Oeverloos

Gisteren was ik te gast in het programma “Oeverloos” op KinkFM. Twee uur lang heb ik met Leon Verdonschot geoudehoerd over muziek, muziekles, schrijven en over m’n boek. Ik heb Strovuur voorgelezen (uit Lava 16.1) en de proloog van Gewapende man. Ik verbeeld mij niets hoor, ik mocht komen omdat Elke Geurts ziek was. Die heeft namelijk alweer een mooi boek geschreven, terwijl het mijne nog niets eens is verschenen. Enfin, op stel en sprong dus in de auto naar het Mediapark, dat ik uitsluitend ken als een woestijn van beton en glas waar honderd ingangen zijn die nergens naartoe leiden. Puur Kafka. Dit zouden meer mensen zich moeten afvragen: hoe is het mogelijk dat al die duizenden gasten op radio en tv altijd op tijd in de studio arriveren? Uiteindelijk troffen wij elkaar op de parkeerplaats, later in het gesprek vonden wij elkaar ook wel. Het was leuk dat ik met mijn eigen cd collectie te koop mocht lopen. Ik had ook een stapeltje boeken meegenomen. Dat sloeg nergens op, maar het gaf mij het gevoel dat ik een paar oude vrienden bij mij had.

Dit was mijn playlist:

  1. Ray Charles – What’d I say
  2. Beatles – She said she said
  3. Beach Boys – Wouldn’t it be nice
  4. Beatles – Hey Bulldog
  5. John Mayall & the bluesbreakers – What’d I say
  6. Johannes Ockeghem – Kyrie uit Missa l’homme armé (Ockeghem op KinkFm, echt waar!)
  7. Zijlstra - Kyrie
  8. Eels – Fresh feeling
  9. Ray Charles – Mess around

Mijn kleine meid heeft ook geluisterd. Ze zwaaide naar de speakers en fluisterde “kan papa mij nu horen?” Daarna moest ze lachen want “papa zegt zo vaak ‘uuuh’.” Deksels, dat kan natuurlijk niet. De eerste mediatraining heb ik al op zak. Prima, de rest van de wereld heeft het toch niet gehoord, er was immers ook Studio Sport. O ja, ik vrees dat ik zelfs een altvioolmop heb verteld. Dit om te bewijzen dat ik niet van de straat ben.

maandag 15 maart 2010

Boekenborrel

Ik zie het meteen: je kan de gasten op de boekenborrel van Contact in twee groepen indelen: zij die zodadelijk naar het Boekenbal gaan, en zij die op volgend jaar hopen. De eerste groep straalt en is black tie, de tweede loopt steeds bier te halen en is in non-descripte lompen gehuld. Het is druk op zolder. Om bij mijn mede-debutant Henk Rijks te komen pers ik mij indiscreet (maar met toestemming) langs het achterwerk van een oudere dame in een rode avondjurk (duidelijk Boekenbal). Ik zeg “het spijt me, en ik kén u helemaal niet eens.” Dankbaar tikt ze die voorzet in: “maar nu wel!” Ik weet heel goed dat je niet de leukste moet willen zijn, zo’n eerste keer. Bovendien mag ik niet naar het Boekenbal, want ik heb nog geen boek.

Henk neemt mij direct voor zich in, niet alleen omdat hij Lennon-adept is en een cd'tje bij zich heeft voor mij, maar vooral door net zo weinig zelfverzekerd over zijn debuut te praten als ikzelf. Op het wanhopige af. Zo hoort het. Wat leuk is: hij kent iedereen hier. De dame met de rode jurk komt bij ons staan, niet voor mij maar voor Henk, hij moet met haar mee een computer kopen, liefst deze week nog. Je zal maar met een boek in je hoofd zitten en geen computer hebben, denk ik. Daar is Henk dus ook voor. “Hij kan bij mij in de kattenbak komen zitten en daar iets heel vreselijks doen” zegt ze, “dan nog is het een geweldige vent.” Het blijven toch schrijvers, dus ik probeer mij voor te stellen op welke manier Henk dat grenzeloze krediet bij haar heeft opgebouwd. Het gaat mijn voorstellingsvermogen te buiten. Gelukkig valt het te rijmen. Hij heeft haar pas bijgestaan bij een computercrash. Hij had haar zwarte doos gevonden, zeg maar.

Als ze weer weg is vraag ik beschroomd wie de rode dame toch ook al weer is. Dat ‘ook al weer’ zeg ik erbij om de schijn te wekken dat ik haar best ken, dat alleen haar naam mij even is ontschoten. “Dat is Yvonne Kroonenberg” zegt hij. Ik vind het wat al te gratuit om “o ja!” te roepen, dus kijk ik beschaamd naar mijn schoenen. “Je zit nu in de eredivisie hoor”, zegt hij. Ik lach, ik drink nog wat, en daarna sta ik nog een half uur als een schooljongen te dralen tot ik P.F. Thomése ga zeggen dat ik zijn boeken zo prachtig vind.

Ik mag dan in de eredivisie zitten, ik voel mij heel erg RKC Waalwijk. Linkerrijtje, onderaan, provinciaal, hard werken, niet naar het Boekenbal. Volgend jaar, met het zelfvertrouwen van een Gast met een Uitnodiging op Zak, zal ik mij nogmaals stijf langs Yvonne persen, en dan weet u natuurlijk wel wat ik ga zeggen...

maandag 8 maart 2010

Gerwin leest zetproeven

Zetproef vind ik een mooi woord. Zetproef. Er ligt een hele wereld verborgen in dat woord. Voor mij ligt die wereld in Rotterdam-Zuid, het is een wereld van tien meter lang en drie meter breed, waarin zwarte machines staan die boven mij uit torenen, een wereld die ruikt naar tabak, drukinkt en iets metaalachtigs: loden lettertjes. Ik ben zes, ik ben met mijn opa meegegaan naar zijn werk, een kleine drukkerij in de buurt van de Maashaven. Ik vind het er een bende, je kan bijna nergens je voeten neerzetten. Soms is het een enorme herrie, soms ook is het doodstil, dan staan de machines een beetje uit te puffen. Er werken twee mannen die mijn opa ‘jongens’ noemt. De jongens dragen blauwe schorten, er zitten zwarte vegen op, ze halen blokjes met letters uit houten letterkasten. Mijn opa controleert ze de hele tijd, want ‘de jongens’ maken vaak fouten. Ik vind het helemaal geen ‘jongens’, ze zijn groter dan mijn opa, ze hebben lang haar, harde stemmen, ze praten over Feyenoord en Zwart-Wit ’28. Mijn opa heet Gerrit Vink, hij zit in het bestuur van Zwart-Wit ’28, je kan merken dat hem dat aanzien geeft, hij draagt zijn naam met trots. Ze maken zetproeven, die gaan ‘naar kantoor’. Ik weet niet waar dat kantoor is, het klinkt als iets dat zich boven hen bevindt, op de tweede verdieping.

De zoete geur van zetproeven.

Een paar jaar later is het gedaan met die drukkerij. Weer een jaar later is het gedaan met opa.

De zetproef van Gewapende Man ruikt niet zoet, er zijn geen ‘jongens’ ziek geworden van gepruts met loden blokjes, zoals mijn opa. Toch steek ik mijn neus tussen de vellen, en adem ik diep in, want het is mijn zetproef en het is bijna mijn boek dat ik ruik. De eerste letter van ieder hoofdstuk is mooi ouderwets groot, alsof het een rijk versierd handschrift is. Kijk, die H lijkt wel van 'Hosanna in excelsis' uit het Sanctus van de Mis. Het past goed bij het boek, ik vind het heel mooi.

Alleen, mijn hemel, er staan nog wel veel fouten in...

maandag 1 maart 2010

No8Do

Wij waren een paar dagen in Andalusië, om een beginnetje te maken met een flinke klus: het laten verdwijnen van het geld van de Turingprijs. Wij hebben genoten, laat dat voorop staan, en we hebben er een paar dingen opgestoken. Ten eerste:

De mooiste toren van de hele wereld staat in Sevilla en heet La Giralda.

La Giralda is een van oorsprong Moorse minaret, waar de Spanjaarden na de Reconquista een Renaissance-verdieping op hebben gebouwd. Dat is reisgidsentaal, ik zie u nu al uit elkaar vallen van verveling, maar wacht! Stoer, strak, en toch oneindig elegant, rijk versierd zonder pompeus en opzichtig te zijn, hemel hoe zeg je zoiets, waarmee moet je La Giralda vergelijken? Het is net alsof zij door mensen is gemaakt noch bedacht, maar dat zij er altijd al was, als de sterrenhemel.

Ik weet niet wat er in mij gevaren is, normaal loop ik niet zo te dwepen. Heeft u wel eens gehad dat de tranen in uw ogen sprongen bij het zien van een gebouw? In Andalusië is het mij een aantal malen overkomen.

De toren draagt het motto van de stad Sevilla: NO8DO. De ‘8’ staat voor een streng wol, in het Spaans ‘madeja’. “No m’ha dejado” betekent “zij heeft mij niet verlaten”. Het is een uitspraak van Alfonso X, koning van Castilië. De man was een dichter, dat zie je zo. Dichters mogen denken dat een pen scherper is dan een zwaard, een koning weet wel beter. Hij lag overhoop met zijn zoon Sancho, die het bestond om gedurende de Reconquista de Spaanse nobelen tegen zijn vader op te zetten en zodoende een burgeroorlog te ontketenen. Alleen de stad Sevilla bleef Alfonse ‘de Wijze’ trouw: zij heeft mij niet verlaten. NO8DO, ultieme sms’taal uit de 13e eeuw! Nu prijkt het motto op alle trams, rioolputten en andere gemeentevoorzieningen.

Sevilla barst van de poëzie, en over al die verzen waakt La Giralda, het mooiste vers van allemaal.

donderdag 18 februari 2010

“We zouden naar Parijs, maar we strandden in Kruishoutem”

De winnaar heet Jos Jansen, hij woont in Apeldoorn, is 49 jaar en kan verschrikkelijk goed schrijven. De Brandende Pen 2010: de wedstrijd die ik na Turing alleen maar kon verliezen. Geen nood. Jos zijn verhaal is gelukkig beter dan het mijne, zodat ik niet hoef te stikken in heilige verongelijktheid (‘ze gunden het mij niet, nóg een prijs’). Integendeel, het voelt wel vertrouwd, dat verliezen, alsof je na een paar te dure hotelvakanties terugkeert naar de immer verregende camping in de Achterhoek waar je vroeger altijd de zomer uitzat. Hèhè, lekker, de regen tikt op het tentdoek, je doet een plas in een steelpannetje, je eet zes Bastognekoeken. Maar helemaal hetzelfde wil het niet worden...

Koop Lava 16.1, er staan jaloersmakend goede verhalen in. Mijn verhaal Strovuur (“zo belandden wij in het Vlaamse dorp Kruishoutem”) mag er best zijn, maar Ockhams scheermes knijpt meteen je keel dicht en laat je pas los na een kleine tweeduizend woorden.

De uitreiking zelf was lekker rommelig en knullig. We dronken wat, maakten kennis ("ben jij die van die gedichtenprijs?"), dronken nog wat, vroegen "waar blijft Arie Storm", dronken meer, Arie stormde (sorry) binnen, haalde een tweemaal gevouwen A4'tje uit zijn binnenzak, vroeg of wij droevige mensen waren (daar dronken wij op), zei dat de Turingprijswinnaar ditmaal niet had gewonnen al was zijn verhaal wederom hoog geëindigd (waarvan akte), maakte de terechte winnaar bekend. De winnaar nam de Pen in ontvangst, wij klapten en wij dronken verder. Na afloop hadden Jos en ik al het bier opgedronken. Ik schudde Arie Storm de hand, zei dat hij mijn boek maar moest recenseren, hij zei "de meesten die dat vragen krijgen daar spijt van", ik zei haha, had spijt, maar er was niets meer te drinken. Nog even koppelbaas uitgehangen, waarbij ik uit het oog verloor of ik het belang van de winnaar of dat van mijn uitgeverij diende.

Morgen hard aan de slag. Het persklaargemaakte manuscript uitvlooien. Alle komma’s goed zetten, de laatste wijzigingen, de laatste twijfel (dat is de ergste). Dan is er over twee weken een drukproef. Nog een paar bergen over, op naar Parijs.


donderdag 11 februari 2010

naar Oegstgeest

Ik fietste van Leiden naar Oegstgeest. Ik bevond mij tussen Kraekstaete en de spoortunnel. Een gure plek. De tegenwind kroop in mijn broekspijpen. Verder waren er geen bijzonderheden, ik fiets daar zowat dagelijks. Bij het Centraal Station maakt de wind altijd een hoop heibel, alsof ‘ie net als de stadsbussen van daaruit een dienstregeling door de stad begint. Vanochtend was het wel heel bar, van alle kanten – behalve van achteren - trok de wind aan mijn muts, met mijn diepste frons hield ik 'm op mijn kop. Twee meisjes zweefden mij op hun meisjesfietsen tegemoet. Voor hen was de ochtend licht en gemakkelijk.

Nog voor zij mij bereikt hadden ving ik een zin op, hij zeilde in mijn gezicht, ik kon er weinig aan doen.

“Naar welke McDonalds zullen we gaan?”

Het antwoord van het andere kind werd de stad in geblazen door de wind, ver buiten mijn bereik, ik was alweer vijf pedaalslagen richting Oegstgeest. Zou het andere meisje misschien voorstellen “die in Moskou”, of zeggen “ik vind die in Teheran toch het chillst”? Van dergelijke uitzinnige keuzemogelijkheden kan ik heel opgewonden raken. Ik vermoed echter dat er een beperking in de vraag besloten lag: de Beestenmarkt of Bakkersteeg, want meer keus hebben wij niet in Leiden, als om de befaamde natte hamburger gaat. Gemakshalve vergeet ik het filiaal bij het transferium langs de A44, dat is meer een plek voor ontvoering en dubbele moord, niets voor fietsende meisjes.

“Wat ga je nu doen? Ga je nou gedichten schrijven?” vraagt men mij de laatste tijd nog wel eens. Wat een vraag. Ik weet het niet, ik denk het niet, misschien wel, of liever verhalen, ik eh... het lijkt erop dat ik de keus heb. Ik kan naar de Beestenmarkt of de Bakkersteeg. Misschien wel verder weg, A44, Moskou, Beijing, Emiraten.

Maar voorlopig ga ik naar Oegstgeest. Daar is overigens geen McDonalds.

zaterdag 6 februari 2010

Er staat niet wat er staat

Ik denk dat dit waar is: het mysterie van de dichter is groter dan het mysterie van de (proza)schrijver. Nog nimmer vroeg iemand mij naar de Betekenis van een verhaal, goddank. De afgelopen week ben ik minstens twintig, dertig keer bevraagd over de Diepere Betekenis van mijn gedicht. Ik vroeg mij af of dat was omdat het woord ‘pik’ erin voorkomt. Het lijkt net of de mensen bang zijn dat hen iets ontgaat, dat het over dampende seks gaat en dat uitgerekend zij het niet zien. Ik denk dat dit ook waar is: als het over seks gaat wil niemand iets missen. Helaas, “Misbruik” gaat niet over seks, van je langzalzeleven niet. Misschien gaat het over angst, verwarring, gekte, hoop. Maar ik moet er niet aan denken dat ik dat zou moeten uitleggen, ik zou verzuipen in die grote woorden.

Verhalen hebben geen betekenis nodig, het verhaal is de betekenis zelf. Ik denk dat lezers dat aanvoelen. Ik denk dat ik het daarom zo leuk vind ze te schrijven. Ik heb een nieuwtje: ook gedichten hebben geen uitleg nodig, het gedicht is de betekenis zelf. Als je dat niet ziet, heb je pech. Of de dichter heeft pech. Of het is een slechte dichter. Daar heb ik geen verstand van, wilde ik zeggen. Maar ik kan niet eeuwig de dilettant uithangen, het schuchtere joch met de kabeltrui. “Jij hebt toch dat gedicht geschreven” vroeg de dame van de schmink, “dan ben je dus een dichter.” Noblesse oblige, en als het geen noblesse is, dan zijn het nog altijd 10.000 ballen die ik zal moeten verantwoorden. Vijfhonderd euri per regel, sodeju, er zijn vast dichters die mij voor minder dood zouden willen schieten.

Die visagist van De Wereld Draait Door bestierde ook een koffietent, vertelde ze. Op een dag gaf een vaste klant haar een gedicht cadeau. Geen liefdesprul, een gedicht over de koffietent. Tenminste, zo begreep ze het. Eigenlijk begreep ze er niet veel van, zei ze, maar het was mooi, en het voelde alsof het over haar ging, en over die koffietent.

Als ik niet zo onder de plamuur had gezeten, had ik haar zeker drie zoenen gegeven. Afschminken knul. Er is geen mysterie, er is alleen een gedicht. En een spiegel.

Het was een malle week.

trailer "Een Onbarmhartig Pad"