zaterdag 30 augustus 2014

Terso (column Trouw 27 aug)

De eerste dag van de vakantie reisde ik met mijn gezin af naar Terschelling. Onze camping nabij het gehucht Formerum bleek niet ver van de beruchte camping Appelhof te liggen, dus ik was de eerste dagen een beetje benauwd dat ik leerlingen tegen het lijf zou lopen. Van het ene op het andere moment verander je door zo’n ontmoeting van een argeloze vakantieganger in een ontsnapte leraar op slippers waar kinderen enorm van schrikken. En wat zeg je tegen een leerling die acht kratten bier in zijn winkelwagentje heeft gestapeld? ‘Zo, gaan jullie het gezellig maken, jongens?’ of het meer pedagogisch verantwoorde doch oersaaie ‘Pas op hoor, doen jullie het rustig aan?’ 

In de bomvolle Jumbo van Formerum hingen groepjes jongens besluiteloos voor de schappen met kant-en-klaarmaaltijden. Een groep meisjes debatteerde fel over welk kuipje boter aan te schaffen. Gemengde groepen zag ik niet. Brave huisvaders zoals ik manoeuvreerden hun karretjes met verbeten blikken tussen de samengeklonterde jongeren door. De Jumbo van Formerum, een prachtige naam, een naam als een gevaarlijke pretparkattractie, en dat was het eigenlijk ook. Nergens leerlingen te zien.

Gerustgesteld ging ik eens kijken of het waar was wat ze zeiden over de Appelhof, of er nog zo gezopen werd als ‘vroeger’, ondanks de nieuwe drankwet. Het was midden op de dag. Ik schrok behoorlijk. Zoiets had ik nog nooit gezien. Ik bedoel niet het drinken, nee, ik bedoel hoe de camping was ingericht. Allemaal dezelfde groene tenten, allemaal keurig een picknicktafel voor de luifel, strakke heggetjes, ieder een eigen vak. Het hield het midden tussen een militair vluchtelingenkamp en een vinexwijk. Zo zag een weekje ‘Terso’ er dus uit. Eindelijk vrij van ouderlijk gezag onderwierpen tieners zich hier aan een lijst met dertig huisregels en sprongen zij keurig uit de band in een honderd procent voorspelbaar pleziertraject. Geen spoor van vrolijke anarchie, wildgroei aan kleurige tentjes en torens van bierkratten. Plichtmatig, zo oogde het. 

Zou het kunnen zijn dat deze generatie tieners gewend is geraakt aan regels en controles, overal en altijd? Dat ze hun schouders ophalen, dat ze vinden dat het er nu eenmaal bij hoort? Het polsbandje dat hen toegang verschafte tot de camping droegen zij niet als een hinderlijk merkteken maar als een trofee. Ik durf mijn eigen, door mijn dochter gemaakte, loom-armbandjes erom te verwedden dat ze de Appelhof-polsband nu, aan het begin van het schooljaar, nog steeds met trots dragen.

Op de boot terug hingen plukjes jongens en meisjes. Gescheiden. De jongens zwegen en zaten bleekjes over hun smartphones gebogen. Sommigen droegen wel zes polsbandjes, van de camping de discotheek, het zwembad, weet ik het al. De meisjes praatten met gedempte, schorre stemmen. Een enkeling dronk kleine slokjes water.



Gerwin in DWDD 28 januari 2010