maandag 27 juni 2011

Yo man, gitaarles

Mijn jongen speelt gitaar. Hij zit op een hele rare muziekschool. De leraren van deze muziekschool kunnen geen noten lezen, doen alleen aan rockmuziek. Ze krijgen geen subsidie. Ze hebben een kale etage betrokken in een vierkante doos op een sinister bedrijventerreintje. Ik weet niet of die dingen iets met elkaar te maken hebben, ik bedoel de subsidie en de rockmuziek. Als je geen subsidie krijgt ben je misschien gedwongen rockmuziek te onderwijzen - en om rockmuziek te spelen, op bruiloften en bedrijfsfeestjes. Dat laatste weet ik zeker.

De leraren zijn er cool, op het griezelige af. Ze hebben tribal tattoo’s in hun nek en spelen in bandjes (voor op bruiloften & bedrijfsfeestjes) waar de zangeressen altijd boos uit weglopen. Ze praten daar ook vaak over, over die zangeressen. Ze wisselen magic handshakes uit die mij moeilijker te onthouden lijken dan de drie-akkoorden liedjes die zij op genoemde breifeestjes en bedruiloften weghakken.

Ik durf eigenlijk niet eens gewoon ‘goedenavond’ te zeggen op die muziekschool. Er lopen kale mannen van vijftig plus rond die er drumles nemen, en bij binnenkomst een high five incasseren van de drumleraar. “Yo man, dude” zeggen ze er op joviale toon bij. Het is een ontroerend gezicht. Maar ik begin er niet aan. Mijn zoon trouwens ook niet, maar dat is een verlegen druiloor. Verlegen druiloren die gitaar spelen (en geen noten kunnen lezen), daar loopt het slecht mee af – kijk naar Kurt Cobain. Maar dit terzijde. De leraren op mijn zoons muziekschool heten Ron, Tony en Bud. Ze dragen T-shirts met namen van bands die ik wel ken maar hier niet opschrijf omdat ik dan allerhande gespuis naar mijn blog trek.

Ach, ik wil heus niet beweren dat een gitaarleraar die er nu eens niet uitziet alsof-ie al een maand of wat dood is, die geen ruitjesoverhemden draagt en niet uit zijn mond ruikt naar de knoflook die hij de avond ervoor medicinaal over zijn likdoorns heeft uitgewreven, dat zo iemand geen goede leraar kan zijn. Ik zeg alleen dat ik de kans kleiner acht. Dat komt omdat ik geloof dat muziek maken veel meer te maken heeft met het gevoel te falen – met het besef er nét niet bij te kunnen - dan met dit gemakzuchtige vertrouwen in eigen eeuwige jeugd en cool. Bij dit grote falen hoort dat je je het apelazarus studeert op dat weerbarstige notenschrift, toonladders speelt en andere vormen van zelfkwelling ondergaat die je misschien een sleutel in handen geven tot de geheimen die verborgen liggen in de allermooiste en moeilijkste muziek. Maar dat het evengoed vergeefs kan zijn. Dat is wat ik denk.

Maar ik ben ook niet helemaal normaal.

maandag 20 juni 2011

Requiem

Ik heb misschien een ietwat zwaarmoedige natuur. Toen ik tien was zat ik op het einde van de wereld te wachten. Soms staarde ik uren uit het raam, omdat ik het toch ook niet wilde missen. Op mijn negentiende begon ik met het componeren van een dodenmis. Moet je voorstellen: Requiem opus 1. Het werd gelukkig niks, en ik heb er ook nooit iets over verteld, aan niemand. Ja, nu dan, maar kom op: wij zijn ruim twintig jaar verder en wij leven nog steeds. Het Pie Jesu heb ik toentertijd wel afgemaakt. Briljant is het niet, een soort oudbakken bananensoes, maar ach. Ik betrapte mij erop dat ik de melodie ervan gisteren neuriede, na afloop van een uitvoering van het War Requiem van Benjamin Britten. Het duurde trouwens nog een halve nacht voor ik erachter kwam waar het deuntje vandaan kwam. Geen spoor meer van Britten.

De uitvoering van het War Requiem in de Hooglandse kerk werd overigens voortreffelijk verzorgd door Leidse studenten. Ze vierden een lustrum, de studenten, met het War Requiem. Dat u niet denkt dat studenten liederlijke lui zijn, integendeel, ze zijn tegenwoordig zelfs wat zwaar op de hand. Ik mag dat wel. War Requiem - opus 66 - zwaardere kost vind je alleen bij de Chinees, zo’n beetje vanaf opus 220 met bami en sambal bij.

Componisten schrijven maar één requiem. Een ongeschreven wet waar grote troost van uitgaat. De eerste zetting die bewaard is gebleven is van - wie kent hem niet - Johannes Ockeghem. De meeste componisten van requiemmissen sinds Mozart zijn zelf helemaal niet gelovig, maar kennelijk is het niet moeilijk dat bezwaar opzij te zetten. Ik vermoed zelfs dat mijn eigen geloofsval zich definitief voltrok na kennismaking met het Roomse geloof. Het katholicisme is de bijkeuken des geloofs: er staat een wasmachine en een krat bier, en zet je één stap verder dan sta je buiten.

Het requiem van beroepsatheïst Benjamin Britten is een vermoeiend ding. Met een voetbalwedstrijd heeft het stuk gemeen dat het 90 minuten duurt en dat er veel strijd is, maar een kwartiertje pauze met thee tussendoor ho maar. Er is werkelijk geen moment rust, de volle speeltijd worden karrenvrachten dissonanten over je uitgestort. Van een marteling wil ik niet spreken, maar erg lekker zit je niet, op die kerkbankjes tijdens zo’n muzikale donderpreek.

In het slotdeel barstte het onweer boven Leiden los. De donder ging gelijk op met de pauken. Dertig jaar geleden had ik hier het einde van de wereld in herkend. Gelukkig ben ik nu een stuk minder tobberig. De laatste warme koorklanken bleven lang hangen, maar ze waren al minutenlang uit de kerk verdwenen toen de dirigent eindelijk zijn armen liet zakken en ons verloste. Iedereen stond schielijk op, luid applaudisserend. Het was een bijzonder gezicht - alsof al die mensen tegelijk uit de dood herrezen.

zondag 12 juni 2011

Halbe en de Enclave Cultuur

Halbe de Sloper zwaaide vrijdag met zijn loden bal. In de NRC las ik enkele reacties van directeuren wiens nering gespaard blijft. De baas van het Rijksmuseum was “opgelucht”, en blij dat er "heldere keuzes" zijn gemaakt. Jan Raes van het Concertgebouworkest was “tevreden dat er is gekozen voor kwaliteit.”

Ik stel mij voor hoe de opluchting en tevredenheid van deze Judassen, zo zedig onder woorden gebracht, binnenskamers gevierd is. Met een oerkreet waarmee je een ADO-supporter de stuipen op het lijf zou jagen, gebalde vuisten, witte knokkels. Zij, zij gaan er aan! Niet wij! Van Judas weten we overigens dat hij de dertig zilverlingen terugbracht en zichzelf verhing. Van deze heren hoeven we dat niet te verwachten. Natuurlijk zijn ze blij, ze houden hun baantje en hoeven niemand te ontslaan. Maar waar bleven de uitingen van solidariteit, van strijdlust, de wijde blik, de visie op kunst in dit land, net even voorbij het eigenbelang van de heren? Waarom riposteerden ze niet pissig dat Halbe zijn met bloed besmeurde zilverlingen in zijn reet kon steken, als hij nu werkelijk denkt dat hij de top van het bouwwerk overeind kan houden terwijl hij de rest afbreekt?

Het is zonde dat ik het zeg, het is misschien zelfs te erg: het magere verweer, de bange lijdzaamheid van de hele sector in het idee dat er ‘natuurlijk wel bezuinigd moet worden’, het gedienstige meedenken van de RvC - het doet mij sterk denken aan de houding van onze overste Karremans tegenover generaal Mladic. ‘Don’t shoot the piano player’. ‘Wat? Nee aan jou verspil ik geen kogel. Je krijgt gewoon geen geld meer. O, wacht, je krijgt het toch wel. Haha.’ ‘Hoera, dank, dank, wat een opluchting!’ Wat is macht toch verrukkelijk als je geen donder geeft over de dingen waar jou macht zich over uitstrekt.

Zo staat het er dus voor. In de hoop nog iets te kunnen redden – bij voorkeur het eigen hachje - werkte iedereen mee aan de ontmanteling van de enclave Cultuur. Nu de sloophamer is gevallen, heerst Halbe, want de sector is verdeeld in haves en have-nots en die twee bleken niets gemeen te hebben dan de stille hoop te overleven ten koste van de ander. Wat ze in ieder geval niet gemeen hadden was een visie op kunst en cultuur die dwingend genoeg was om ten overstaan van de vijand een front te blijven vormen.

Het is ontluisterend.

Halbe zal op de schouders geslagen worden. Ik denk dat hij "tevreden" en "opgelucht" geracefietst heeft deze Pinksterdag.

vrijdag 10 juni 2011

Lonely Planet

Ik ken een jonge kerel die veel heeft gereisd. Het zit in zijn bloed, zegt hij. Na zijn examen nam hij een gap year. Zo begon het. Toen heeft hij ‘de wereld leren kennen’ en ‘zichzelf gevonden’. Ik weet niet precies in welk werelddeel zijn zelf op hem lag te wachten, maar ik denk dat het ergens in Zuid-Amerika is geweest, omdat hij een soort Inca-amulet om zijn nek heeft hangen. Hij zal altijd een reiziger blijven, zegt hij, en om de zoveel tijd voegt hij de daad bij het woord door een maand of wat onbetaald verlof op te nemen.

Vanaf half april loopt hij op etnische teenslippers, die hij eind oktober verruilt voor Australische outback boots. Hij is ‘heel erg voor cultuurrelativisme’, want op al die vreemde plaatsen hebben de mensen namelijk ook een prachtige cultuur – hoewel soms een beetje onhygiënisch (‘in Cambodja eten ze dikke torren, echt zoooo niet chill’). Hij kent een uitspraak van Mark Twain: ‘Travel is fatal to prejudice and narrow-mindedness’. Hij zegt er dan gauw achteraan dat het ook fataal is voor je darmflora. Daar wordt altijd om gelachen. Hij is niet dom, hij weet dat ruimdenkendheid moet worden opgediend op een bedje van ironie.

Om zijn rechterpols draagt hij een hele serie armbandjes, van stof en leer en kraaltjes. Als je ernaar vraagt krijg je de wonderlijkste verhalen te horen. Als je hem beter kent laat hij zijn slangenbeet zien, uit Sri Lanka.

Hij heeft ook nog een paar maanden in Afrika ‘gewoond’. Als hij niet op doorreis is, dan ‘woont’ hij ergens. Gewoon op vakantie is hij nooit. ‘Mijn hart ligt in Afrika’ zegt hij, ‘en mijn blindendarm in Australië’ grapt hij daar achteraan. In Azië zal ook wel iets van hem liggen, overtollige bagage misschien, of op zijn minst een dikke drol, gekneed door zijn in de war gebrachte darmflora. Zo heeft hij zichzelf verspreid over alle continenten.

Ik heb overigens de indruk dat de wereldreiziger mij een beetje mijdt. Misschien komt dat omdat ik bij de eerste gelegenheid al liet weten dat ik niet van vliegen houd – dat vliegen misschien zeer veilig is, maar dat niet te ontkennen valt dat neerstorten levensgevaarlijk kan zijn.

Of misschien heb ik laten doorschemeren dat zijn avonturen mij koud laten, die keer dat ik vroeg of hij als gekend Wereldreiziger wel eens in Zwinnerschans, Zeeuws-Vlaanderen, was geweest. Na zijn ontkennende antwoord vertelde ik hem ongevraagd dat ik daar ooit vijf dagen heb gewoond en bevriend raakte met een dichter die vijf honden had die hij iedere dag om beurten uitliet, waarna hij bij thuiskomst direct en zonder haperen een gedicht neerschreef. Dat hij het dorp verder niet uit hoefde had hij te danken aan zijn goede gezondheid en aan de SRV-wagen die tweewekelijks de boodschappen kwam brengen. ‘Inmiddels bestaan die wagens niet meer,’ besloot ik mijn verhaal, ‘dus ik maak mij grote zorgen over de dichter.’

Probeert u zich het ongeduldige, verveelde smoelwerk van onze wereldreiziger voor te stellen. Ik had het eigenlijk wel een beetje met hem te doen. Het moet hem een kwelling zijn, de rest van zijn leven door te moeten brengen temidden van lui als ik, toeristen en thuisblijvers. It’s a lonely planet when you travel.

vrijdag 3 juni 2011

Het mooie van sloten

Het kanaal is bezaaid met touwsloepen, die in een file richting de Kagerplassen varen. De zeelieden zit op zachte blauwe kussen. Ze hebben wijn en kaasjes aan boord. Sommigen hebben kinderen bij zich. Als je over de brugleuning hangt schrik je van hun gezichten, lijdzame blikken waarin geen ander verlangen schuilt dan te zitten in een motorsloep. De oudere stellen zijn samen eenzaam. Hun kroost zit misschien op Chersosi, Serchoni... nou ja, gewoon Kreta dus. Ja, dit volk weet wel wat leuk is. Leven Lééééééven willen ze. Bij ons thuis is men niet zo van de levenskunst. Wij slepen ons zo’n beetje door de dag heen en zeggen om tien uur ’s avonds: ‘Nou, dat hebben we weer gehad.’

Vandaag is Hemelvaartsdag. Wij lopen met een schepnet en een emmer de polder in, geschraagd door de overtuiging dat onze kinderen moeten leren ‘klooien in de natuur’. Vandaag spelen wij aflevering 1: ‘klooien rond de sloten’. In de sloten komen geen boten, da’s het mooie van sloten.

Overal hoor je kikkers, maar de beesten laten zich niet vangen. Wel vangen we minuscule visjes, massa’s watervlooien en een soort doorzichtige mini-garnaaltjes die ik nooit eerder heb gezien. Ik vind de vangst matig, maar het hindert niet. Dat de sloten in het echt lang niet zo vol zitten als op de schoolplaten van Koekoek weet ik al zo’n dertig jaar. Mijn kinderen hebben die platen - die vol beloftes zitten - nog nooit gezien.

Het is warm. Als we genoeg dorst hebben, gaan wij terug.

Emma draagt de emmer met de vangst. De watervlooien schieten heen en weer. Er drijven vier dode visjes op hun rug. Wij mogen van haar niet meer zeggen dat ze dood zijn. Het doet er niet toe, vindt zij, het blijven vissen. ‘Een dood mens noem je een lijk,’ zegt mijn zoon, ‘en een dood dier een kadaver.’ ‘Maar een dode vis noem je een vis!’ pareert mijn dochter. Wij lopen stil over de brug. Bij zo’n mystieke ontkenning van de dood past zwijgen. Het is immers Hemelvaartsdag.

Het lange lint van rosébootjes beweegt zich weer terug, naar Voorschoten, Leidschendam, de hemel weet waar al dat blauw-met-touw zich verbergt in de nacht.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010