vrijdag 29 november 2013

Fanny (column Trouw 27 nov)


Ik wil het even over Fanny hebben, maar ik moet voorzichtig zijn, daarom verander ik wat dingen. Haar naam bijvoorbeeld. Fanny is half Amerikaans, half Indisch, en er is iets aan haar dat je doet vermoeden dat er nog een derde helft is. Op zijn minst. Misschien is het wel het slimste kind dat ik ooit lesgegeven heb, en het meest bescheiden. Teruggetrokken is ze niet, ze lacht veel, vraagt dingen, is afwachtend zonder passief te zijn. Ach, ik ben dol op Fanny. Dat is niet omdat ik een voorliefde heb voor slimme braveriken – oké, ik kom graag voor ze op, maar aan de andere kant is het vaak onmogelijk tot ze door te dringen. Dit geldt ook een beetje voor Fanny. Maar dat hindert niet, ik vind het mooi om te zien hoe zij zachtmoedigheid aan een ijzeren wilskracht koppelt.
Er is echter één probleem.

Fanny lijdt aan anorexia.

Ze loopt al twee jaar klinieken in en uit. Ze mag nu weer naar school, maar de situatie blijft – ja, de artsen zeggen het – heel ernstig. Ze wil gewoon zijn, ze wil met gezonde  leeftijdgenoten omgaan. Boven alles wil ze leren. Ze houdt van leren. Alleen, de hoogste cijfers zijn nog niet goed genoeg. In ieder klein foutje ziet zij een brevet van onvermogen. Ze kan niet voldoen aan haar eigen torenhoge eisen. Haar onvrede heeft zich op haar lichaam gericht, omdat dat makkelijker te straffen is dan een stel hersens. Zoiets moet het zijn, men zegt het, en ik kan het geloven als ik haar zie.

Onlangs kwam ze met een zelfgemaakte informatiebrochure over eetstoornissen, bedoeld voor leeftijdgenoten. Haar eigen ziekte, uitgelegd aan anderen. Een koel geschreven waarschuwing vanuit de hel, die juist door de zakelijke toon ontroerde.

Ik vind het moeilijk, de hele tijd wil ik haar influisteren dat ze het goed doet, dat een zes of een zeven ook prima kan zijn, zeker als je de helft van de lessen hebt moeten missen vanwege ziekenhuisafspraken, soms zeg ik het ook tegen haar, dan lacht ze vriendelijk. Soms zeg ik tegen de hele klas dat een zesje mooi kan zijn, dat er belangrijker dingen zijn dan cijfers, want dan ziet Fanny dat ik mijn mening niet aanpas aan haar. Dat het universeel is. Dat vind ik ook echt, alleen weet ik niet of ik geloofwaardig ben. Het huidige onderwijsbeleid heeft zich immers gericht op excellentie, cijfers, opbrengst, enzovoort. We kennen de riedel inmiddels. Be smart or be damned is de impliciete boodschap die leerlingen er feilloos uithalen. 

Fanny moet iedere dag knokken, tegen haar demonen, en tegen de riedel waarop die demonen dansen.

donderdag 14 november 2013

November (column Trouw 13 nov)


Het regent en het is proefwerkweek. Op heel veel scholen schijnt het proefwerkweek te zijn in november, als de dagen grijs worden en het licht ongekleurd. Proefwerkweek is stil en gelaten, nog minder dan anders valt er te ontkomen aan de tijd. Om de vijf minuten vraagt een leerling ‘hoe lang hebben we nog?’ Ik heb altijd de aandrang om een tegenvraag te stellen. Tja, hoe lang hebben we nog? Hoe lang nog klopt dit lege hart?

Proefwerkweek is saai en bloedeloos, er heerst gelatenheid, precies zoals J.C. Bloem beschrijft in het gedicht dat ik nu al zinnenlang parafraseer.

Al die scholen, al die proefwerkweken. Afschaffen zeg ik. En zoiets zeg ik niet snel, want ik ben voorzichtig van aard. Weg ermee. Er is geen enkele week in het schooljaar waarin kinderen minder leren dan in de proefwerkweek. Ik snap best dat dit paradoxaal klinkt, maar het is waar: het is een en al herhalen, herkauwen, voor de twintigste keer hetzelfde opschrijven, en in het beste geval een paar uur per dag boven een leerboek hangen om te weten komen wat je eigenlijk al wist.

Voor een leraar geldt dat overigens ook, dat je te weten komt wat je al wist.
Natuurlijk weet je wat je leerlingen kunnen. Je weet het allang. Het enige wat met een proefwerk gebeurt is dat je er harde bewijzen voor verzamelt, zodat de kinderen zelf - en de ouders - het ook geloven. De leerlingen die niet aan het verwachtingspatroon voldoen hebben last gehad van stress. Faalangst is onverbrekelijk verbonden met de proefwerkweek. Nog een reden om het af te schaffen.

Ik moet surveilleren bij het schoolexamen natuurkunde, en ik laat mij in de koffiekamer ontvallen dat ik daar tweeënhalf uur voor lul zit, want afkijken is zinloos bij natuurkunde. Geschiedenisleraar Eric, een jolige hipster met het misplaatste zelfvertrouwen van een Ajax-spits, zegt: ‘maar jij staat toch altíjd voor lul? En als je staat, dan stá je voor lul, haha!’ Tegen zoveel kleedkamerhumor kan ik niet op, zo vroeg in de ochtend. Ik mompel wat terug van ‘lees jij volgende week de Trouw maar niet.’ Hij: ‘ach, die schijnt toch niemand te lezen!’ Ik slof naar het lokaal waar ik moet surveilleren, mijn heimelijke pijnen dragend. Straks zal ik de pijnen van de examenleerlingen verzachten door hen om de paar minuten mede te delen hoe lang ze nog hebben.

Korte inhoud van dit stukje, speciaal voor geschiedenisleraren die nog niet ontdekt hebben dat hun leerlingen voor het proefwerk ook alleen maar de samenvattingen lezen: Proefwerkweek moet weg. Kinderen leren niks, wij zitten voor lul, het is saai, het is november.

vrijdag 8 november 2013

Stank (column Trouw 6 nov)


Beste leraren, ik zeg het even recht-voor-de-raap: het stinkt in uw lokaal. Het is er niet te harden, het is er te warm, de vochtigheid is 250%, ventilatie bestaat in het beste geval uit het wapperen met een wiskundeboek (of iPad), er zit ongedierte achter de verwarming dat nergens anders op aarde wordt aangetroffen, en verder is er eigenlijk geen enkel leven mogelijk. Laat staan intelligent leven. De kinderen die zich elk uur uw lokaal naar binnen duwen, die vormen een wetenschappelijk gezien onverklaarbare uitzondering. Men onderzoekt nu of ze wellicht kieuwen hebben ontwikkeld.

Ach, u kent hun kreetjes van walging wel, hun quasi-geschokte getverdegetvers, het cartooneske gewapper met de handen, maar u dacht dat ze een act opvoerden, dat het een territoriumdingetje was (zelfs de subtielste lucht van een ander is slechte lucht, omdat het niet je eigen lucht is), dat ze uw les traineren, uw autoriteit betwisten. Niet waar! Het is onderzocht en het is bewezen, de luchtkwaliteit in Nederlandse scholen is verschrikkelijk. Met andere woorden: het stinkt, het is ongezond, en dat die kinderen nog iets leren is een wonder.

Ik was zelf in niet geringe mate opgelucht met de uitkomst van dit onderzoek, want ik trok mij de klachten van leerlingen over het broeikaseffect in mijn lokaal tot nu toe persoonlijk aan. En daar had ik redenen voor. Ja, ik deed wel alsof ik het wegwuifde, en ik zei wel dat ik ze aanstellers vond, maar ondertussen wist ik maar al te goed hoe het zat. De hele dag sta ik daar te springen, te zingen, te roepen en wild te gebaren. Ik verspreid meer afvalstoffen dan een ontplofte vuilniswagen. Ik ben ook niet verbaasd dat niemand mij thuis na een werkdag enthousiast om de hals vliegt. Meestal word ik eerst in de tuin afgespoten. Mijn schoenen dien ik aan te laten tot de gemeentereiniging is gearriveerd. 

Het ligt aan mij. Dat is wat ik dacht. Maar ik heb mij vergist! Nu is er dit onderzoek, dat uitwijst dat het bij jullie allemaal stinkt als in de machinekamer van een baggerschip. Het is gewoon een landelijk milieuschandaal! De oorzaak moet gezocht worden bij die dertig dampende puberlijven, de veel te kleine ruimtes en de slecht gebouwde scholen. Dat ik nog niet eerder op dat idee ben gekomen!

Het zal voor de bewindslieden van Onderwijs ook een openbaring zijn: Excellentie, heel veel pubers in een hok, dat schijnt helemaal niet lekker te ruiken! Dat schijnt zelfs ziekmakend te zijn! Verdikkeme! Ze hebben het op de burelen van het ministerie altijd over kwaliteit, maar nimmer over luchtkwaliteit. Benieuwd hoe fris het daar is.

vrijdag 1 november 2013

Treurwilgen


De laatste dagen voor de herfstvakantie waren zwaar, we banjerden met zijn allen door de mist en een laag natte bladeren tot kniehoogte. Dat kwam natuurlijk door Krijn, ik heb vorige week over hem geschreven, maar je kan schrijven wat je wil, het maakt het niet lichter, je zit maar te malen over of je überhaupt iets kan doen, of je niet bemoeizuchtig bent, of te afstandelijk, en het komt er uiteindelijk op neer dat je je wentelt in je eigen droefheid. Je, ik, wij, ik weet het niet, persoonsvormen vervagen in barre tijden.

De reeds geplande herfstborrel in de koffiekamer ging gewoon door, en dat was goed want meer dan ooit hadden we behoefte met elkaar te praten, zonder dat er over luttele minuten weer een volgende les was, en zonder die eeuwige automatenkoffie die een eenvoudig mens tandbederf bezorgt en in de armen van een najaarsdepressie kan drijven. Het was half vijf, er was bockbier en er waren stukjes kaas. Ik zeeg neer in de L-vormige doorzitbank van de gymdocenten, in de hoop dat er wat te lachen zou vallen.

Mooi niet. We mochten niet praten, we moesten stil zijn, want we kregen een powerpoint presentatie van een aannemer en een hovenier, over de verbouwing van de koffiekamer en de patio. Dit stond ook al lange tijd gepland, en moest doorgaan. Dat begrepen wij wel, alleen hadden we er totaal geen zin in. Uit baldadigheid verzon ik met een paar gymmers een bullshitbingo. Het ‘binnen- en het buitengebeuren’, het ‘uitrollen van plannen’, ‘de aanvliegroute’ – allemaal kwamen ze langs. Ik won, omdat de hovenier sprak van ‘een stukje beleving’ toen het ging over... nu ja, ik kan wel doen alsof ik nog weet waar het over ging, maar ik heb geen idee. Iets met bloembedden of borders. Ik probeerde mij onze rector voor te stellen, rokend in de patio tussen de nieuwe bloembedden, met zijn dure schoenen in het nieuwe maar evengoed natte grind. De beelden bleven in mist gehuld.

Onder normale omstandigheden zou het powerpointplebs na het obligate ‘zijn er nog vragen?’ gefileerd worden door een bloeddorstige bende bockbier drinkende docenten. Wat ze met de ginkgo zouden doen, want kijkt u eens hoe mooi geel hij in het blad staat, ziet u dat? En vindt u die nieuwe plantenborders zelf ook niet een beetje truttig? En wat moet dit allemaal kosten?

Nu bleef het stil. Geen vragen. Gesprekken kamen niet meer op gang. Alsof wij samen dachten: gooi maar vol met treurwilgen die patio, het maakt ons niet uit, doe ons nog een biertje en laat die stukjes kaas maar zitten, die blijven zo in je keel steken.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010