vrijdag 25 maart 2011

dankjewelvoorhetspelen

Ik moest mijn dochter ophalen bij een vriendje. "Jij moet weg" zei het zesjarige joch, "jij bent stom." Hij stond bovenaan de trap en schoot een plastic pijltje naar mijn hoofd, zo’n quasi-ongevaarlijk ding met een zuignap op de plek waar een punt hoort. Die punt dacht dat kind er bij, dat zag ik in zijn ogen.

De vader stond even verderop iets te doen met een gebraden kip op een bakplaat. Hier laat ik de details achterwege. Ik weet zeker dat hij de schermutselingen had gezien en gehoord, maar verkoos te doen alsof allereerst die kip eens goed opgevoed moest worden.

Het joch schoot nog een pijl. Mijn dochter lachte besmuikt. Ik beet haar toe dat ze direct de schoenen moest aantrekken. Ik ben echt een pedagogisch wonder, moet u weten. Door mijn eigen kinderen af te snauwen laat ik buitenstaanders weten dat er met mij niet te spotten valt.

Het joch kreeg een opdracht, van zijn vader. Hij moest ook de schoenen aan doen, het was tijd voor zwemles. Maar dat ging niet gebeuren. Echt niet. Het kind begon te drenzen en te jammeren. Het duurde heel lang. Mijn dochter had de schoenen en de jas al aan. “Ik tel tot drie” zei de vader te langen leste, “en dan sta jij beneden”.

Leer mij de lui kennen die tot drie tellen om iets in gang te zetten. Je kan er veilig vanuit gaan dat er niets gebeurt bij drie, noch bij driehonderd of drieduizend. Ze halen de drie niet eens, bang voor gezichtsverlies stokken ze bij twee. "Een... twee.... en NU luisteren, anders..." Anders wat? Tel je nog een keer tot drie? Damn, dad, we are shitting our pants. Vader ging de jongen dus maar halen, greep hem vast na een korte achtervolging waarbij geschreeuwd en gehuild werd. Het liefst was ik de tent uit gevlucht, maar men dient toch fatsoenlijk afscheid te nemen nietwaar? Ik ben niet alleen een pedagogisch mirakel, ik ben eigenlijk soort heilige, gespecialiseerd in zelfkwelling, ik ben Sint Sebastiaan, het lijf vol pijlen met zuignappen. Het kind gaf de vader twee meppen voor zijn hoofd. “Pas op Daan” zegt hij, “pas op hoor”, en daarna, “ik begrijp het wel, maar het kan niet anders, het is jammer dat je op maandag...” Ik dacht: hoera, vader begrijpt het. Begrip is de brandstof van de onderhandel-opvoeding, mijnheer, die lange tragedie die ten slotte eindigt in de verzorgingsflat, als Vadertje Spijt de enige is die u nog komt bezoeken.

“Het is jouw schuld dat we op maandag naar zwemles moeten” schreeuwt het joch. “Ja ja, alles is papa’s schuld natuurlijk, hahaha” schampert vader in mijn richting. Op mijn bijval hoeft hij niet te rekenen, ik heb de pest aan precies dit soort genante ironie van intellectuelen. Ik laat mijn dochter dank-je-wel-voor-het-spelen zeggen en vlucht het huis uit. Het is een rijksmonument, zie ik als ik buiten sta. De types die per se in rijksmonumenten willen wonen zijn meestal niet degenen die zo’n pand, en hun leven, een beetje proper kunnen houden.

vrijdag 18 maart 2011

Boekenbal 2011 (sorry)


Als alle schrijvers over het Boekenbal gaan schrijven wordt het natuurlijk een janboel. Misschien wordt het zelfs wel knokken. Ik denk dat schrijven over het Boekenbal maar één keer leuk is, net als het Boekenbal zelf. Dat laatste weet ik ook niet zeker, ik vermoed het alleen maar. 

Om te beginnen, ik heb het VIP-kaartje van Vonne van der Meer. Ja, zo kan ik het ook, denkt u. Precies wat ik denk. Maar wel heel sympathiek, ik mag zelfs naar het voorprogramma. Pal voor mij zit Franca Treur. Die hoeft niet op het kaartje van een ander, terwijl zij toch ook maar één boek heeft geschreven. Ze heeft pijn in haar rug, zo lijkt het, want ze zit maar te schuiven en eraan te voelen. Nog voor het goed begonnen is staat ze al op. Bij ons thuis is zoiets onacceptabel, en ik weet zeker dat het in de gereformeerde kerk ook niet echt gewaardeerd wordt. Ze draagt trouwens een heel vreemd jasje met het soort klittenbandsluiting dat je wel eens ziet bij kampeeruitrustingen. Ze loopt moeilijk, maar ze is niet de enige vrouw die moeilijk loopt vanavond. Ik zie haar niet meer terug, wat mij zeer spijt – haar date is zanger/cabaretier Lucky Fonz III, die wel overal opduikt. Ik hoop maar dat haar rug het houdt vanavond.

Ik verbeeld mij dat ik Youp van ’t Hek in de richting van een camera hoor zeggen “je moet het Boekenbal leven alsof het je laatste dag is”. Youp ziet er in zijn zalmroze streepjespak uit als een verlopen clown die hard toe is aan zijn laatste dag. Ik denk dat het Boekenbal niet om door te komen is, als je niet doet alsof het je Eerste is. Ik zie dat aan al die Overbekende Nederlanders die heel geroutineerd dat oude advies van Mulisch opvolgen: verzamel een hofhouding van een man/vrouw of zes om je heen, beweeg daarna niet meer. Anders loop je collega’s tegen het lijf, en dat is verschrikkelijk, al die schrijvers die je haat, veracht en bovendien waarschijnlijk nog nooit hebt gelezen. Er zijn ook jongere lui, die doen niet zo moeilijk. Ze zijn allemaal fan van elkaar en zeggen de hele tijd dat ze elkaars boek geweldig vinden en dat ze vast van plan zijn het binnenkort ook echt te lezen.

Ik loop langs al die clubjes, met twee glazen bier in mijn hand. Een om uit de drinken, en één om de indruk mee te wekken dat ik iemand een biertje moet brengen. Houd je blik op de horizon, daar waar het tapijt roder is, daar waar je altijd bekenden mag vermoeden.
Ik voel me hoe langer hoe ongemakkelijker. Ik begin aan het tweede biertje. Nu val ik door de mand, denk ik, maar hier kijkt niemand ergens van op. Het schijnbare gemak waarmee iedereen onalledaags loopt te zijn begint mij te beklemmen. Panache alom, met een vleugje obligate platvloersheid – er zijn veel cabaretiers, heel veel – en iedereen loopt langs Hans Keilson met een blik van “wat doet die halve dooie in die rolstoel hier? Die zou er anders met geen enkel deurbeleid in zijn gekomen.” Ik wil iets aardigs tegen hem zeggen, maar ik weet niets te verzinnen, ik heb zijn boek niet gelezen.
Gelukkig kom ik Ellen Heijmerickx tegen. We kennen elkaar van ‘vroeger’, van VPRO’s 1000 woorden. “Het is te tuttig voor woorden,” zegt ze, “maar mijn man en ik werken in dezelfde bloemenzaak.” Dat zij dit zegt ontspant mij zo dat ik haar wel wil omhelzen.
Ik kom ook nog een oud-leerling tegen. Ze is ‘met haar vader’ en ze is veruit de bekoorlijkste verschijning van het bal. Ze herkent mij, en herinnert mij eraan wat ik ben en misschien altijd blijf: een leraar – één die in DWDD is geweest (want dat had ze gezien), maar een leraar. Hierna gaat het iets beter met mij.

Het is 1:30. Ik heb vier blauwe munten over. Daar kan ik nog één keer twee bier voor kopen. Nee, ik houd ’t voor gezien. Dat Kader ook aftaait verleent mijn vertrek iets verschoonbaars. Wij hebben het allebei niet gemakkelijk, Kader en ik. Wij hijsen ons zwijgend in onze jassen. Er is niemand die ons helpt.

maandag 14 maart 2011

Om te janken

Je hebt wel eens mensen die je een film aanbevelen door te zeggen “ik heb toch zooooo gehuild!” Ze zeggen het ook altijd op een manier alsof ze het een grote geestelijke prestatie vinden, huilen om een film, alsof het getuigt van een rijk en bloeiend gevoelsleven. Ik vind huilen om een film helemaal geen prestatie. Ik heb nog nooit echt gehuild om een film, dat vind ik trouwens evenmin een prestatie. Diep geraakt, dat ben ik heus wel eens, oeioei wat kan zo’n film soms hard binnenkomen. Geen kwaad woord over mijn gevoelsleven dus.

Ik zal het maar bekennen, ik heb onlangs zitten janken bij de slotscène van The King’s Speech, met Colin Firth, godbetert. Ik beet op mijn tong en schudde zowat in m’n stoel. Dat is niet best, janken om een meneer die wij thuis diep vanuit de keel “Mr Darcy” noemen, die een doorsnee oorlogstoespraak aflevert, en dat ook nog eens doet als een kleuter die zijn eerste spreekbeurt over konijnen hakkelt. Ik zal u zeggen, het was de schuld van Beethoven. Die filmboeven hadden onder de speech het Allegretto uit de Zevende Symfonie gezet. Als de koning zijn belastingformulier zou hebben voorgelezen zou het nog om te gillen zo ontroerend zijn geweest.

Zo zat ik dus te snotteren om een koning die zijn tekortkoming overwint, terwijl hij weet dat hij er nooit van verlost zal worden. Of was het om die lieve stotter-therapeut (Geoffrey Rush) die zijn eigen onbeduidendheid voor even wegvaagde door andermans woorden te dirigeren alsof het, ja, Beethoven was? Allemaal de schuld van Beethoven. Man, honderd woorden voor janken zat ik daar uit te vinden, en ik dacht: het is niet eerlijk. Ik kan nooit iets schrijven en daar dan voor de lezers Beethoven onder zetten, zodat de tranen hen over de wangen stromen.

Ik heb geloof ik nog nooit gehuild om een boek, maar wel vaak bijna. Ik denk dat het hier op aan komt, als je schrijft: dat je de mensen bijna aan het wenen krijgt. Veel schrijvers brengen zichzelf aan het wenen, en als je dan leest wat ze schrijven lach je je te barsten. Maar dat terzijde. Of het mij ooit zal lukken om de mensen aan het wenen te brengen? Ik ben bang dat ik tekort schiet. Ik heb muziek nodig. Muziek, anders wil het niet! Ach, ieder gebrek heeft zijn gek nodig, om het gebrek een gezicht te geven.

Woensdag zat ik bij La Bohème in Teatro La Fenice (dit schrijf ik op om een beetje mondain over te komen) en wederom moest ik huilen bij de dood van Mimi, of liever, bij de wanhoop van Rodolfo. Of nog preciezer: bij het cis-mineur akkoord, dat via E, fis en B7 belandt in een kwintvalsequens, enz... vroeger veronderstelde ik dat wanneer je muziek kundig aan scherven analyseerde er nooit meer om zou hoeven huilen, dat je als het ware controle kreeg over je jankorgaan. Maar als je ouder wordt leer je dat je eigenlijk nergens controle over hebt, en al helemaal niet over je organen.

Vannacht huilde ik in mijn slaap. Nee, niet echt, ik geloof dat ik het inhield, dat ik het wel graag wilde, maar toch inslikte. Ik weet niet of Beethoven eraan te pas kwam, en ook niet of ik een tekort overwon. Ik denk het niet. De hele nacht heb ik ‘toch zooooo niet gehuild.’ Toen ik wakker werd bleef de aandrang hangen, maar ik hield mij in, want mijn vrouw lag naast mij, en ik wil niemand tot last zijn.

Ja dat heb je wel eens. Nu ga ik mijn kop in de vissenkom steken om te kijken of de guppies nog een beetje gelukkig zijn.

donderdag 3 maart 2011

Ze gaan eraan

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was ik drugsdealer geworden” beweert Abdelkader Benali vandaag in mijn krant. Ik weet niet zeker of hij daarmee pleit voor het behoud van de bibliotheken. Ik sluit niet uit dat Abdelkader een uitstekende drugsdealer zou kunnen zijn. Misschien wel een betere drugsdealer dan schrijver. Nu hij het niet is geworden, dealer, is een ander het immers. Een of andere schietgrage amateur op een Vespa. Dat had beter gekund. Het is goed mogelijk dat de misdaadsyndicaten zich de haren uit het hoofd trekken na het lezen van de krant. Ik zie de scène zo voor me: de bibliotheek van Rotterdam Crooswijk is ons weer te slim af geweest! Benali! Dat is nu al de vijfde keer dat er een supertalent voor ons neus is weggekaapt door die m*therf8ckers van de bieb! We leggen dat wijf met die knot om, de eerstvolgende keer dat ze weer een toekomstige die-hard drugskoning verleidt met die bloedlinke boeken!

Ik ga het ook eens proberen.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan was...” eh, “dan was er in ons dorp helemaal geen ruk te doen geweest.” Dit zal wel niet zo krachtig overkomen als het statement van Abelkader, maar het is tenminste wel waar. Man, wat heb ik daar veel tijd doorgebracht. Lezen deden we trouwens niet, behalve strips en boeken over seksuele voorlichting, maar in ons dorp golden beide niet als lezen. Wat deden we er dan in godsnaam de hele middag? Tja, eruit gestuurd worden, dat ten eerste. Dat was zo’n beetje het hoogste doel. Ik was zo braaf, ik durfde alleen in de bieb een beetje stout te zijn (dit is: spionnetje spelen, hardloopwedstrijd met hindernissen, elkaar meppen met oude Tina’s, van die dingen). Het is goed voor mijn zelfvertrouwen geweest, geloof me, ik voelde mij beter als ik weer eens de bieb was uitgestuurd. Ik was elf en ik werd eindelijk mezelf. Een drugsdealer worden, dat was nog een brug te ver, maar je moest ergens beginnen en ik sloot niets uit. Dus.

“Als de bibliotheek er niet was geweest, dan had ik nimmer drugsdealer kunnen worden (mits ik dat had gewild).” Nou Abdelkader, eat your heart out.

Het is natuurlijk erg slecht nieuws, over de bibliotheken. Ze gaan eraan. Misschien is het wel het slechtste nieuws sinds het aantreden van dit kabinet. 'Mijn' oude bieb in Elburg zal er wel sneven. Die heeft dan 35 jaar bestaan in het 800-jaar oude stadje. Een mooie, maar erg korte tijd, als je het zo bekijkt, zeker als er nog 800 biebloze jaren achteraan komen. Een snippertje beschaving in een barbaarse eeuwigheid.

Er zal een landelijk online-bibliotheek over blijven. Ze beginnen er al mee in Vlissingen. Gatverdamme. Zit je dus weer thuis op je reet naar dat scherm te loeren, wachten tot je moeder je eruit stuurt. Als ze dat hier in Leiden ook gaan doen, ben ik er goed gereed mee. Effe checke bij de homeys van het Drugskartel Professorenwijk. Die zijn altijd op zoek naar talent.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010