vrijdag 30 december 2011

Closing Time

Als ik Closing Time van Tom Waits draai in deze tijd van het jaar, kruipt de weemoedigheid als een oud wijf tegen mij aan. Als het gaat om weemoed ben ik zelf een hunkerend kreng, dus zo’n kans laat ik niet lopen. ‘Never had no destination, could not get across...’ gromt hij in Grapefruit Moon. Rond sluitingstijd kan je niet meer vooruit denken. Je kijkt terug, en mijmert over je mislukkingen. Succes leent zich slecht voor reflectie. Succes is in beginsel oninteressant.

Dit jaar schreef ik 68 stukjes voor mijn weblog. Samen met de bijdragen aan Torpedo Magazine kom ik ruim over de 100 teksten die ik voor niemendal schreef. Over succes hoor je mij niet. Een leuke schnabbel bij een dag- of weekblad, of iets anders in klinkende munt, heeft het vooralsnog niet opgeleverd. Ik heb ook geen benul hoe je zoiets aanpakt. Een schrijver moet voortdurend zichtbaar zijn these days, roepen de profeten. Yeah right. Ik vind het wel even gescheten.

In januari van dit jaar schreef ik het laatste hoofdstuk van Wild. Daarna schreef ik nauwelijks nog iets anders dan die 100 stukkies. Het met afstand best gelezen artikel is ‘Wat je kan doen op de Veluwe’ (3.500 views) – niet bezocht, vermoed ik, door fans van Wild die interesse hebben in mijn research, maar door argeloze Henk en Ingrids die een stacaravan type 6MH-2 hebben gehuurd op Landal-park Voorthuizen. Rond oudjaar is het stuk ‘het afsteken van astronauten’ populair – ik vermoed onder runderen- en ook ‘Tuigdorp Telegraaf’ trekt nog dagelijks Telegraaflezers die verkeerd verbonden zijn. Ik heb overwogen een reeks sonnetten te publiceren onder de titel ‘Sonja Bakker Nude Sexy Bitch’. Maar nee, ik wil geen dingen meer doen ‘gewoon omdat het kan’, zoals ik bepaalde cynische types vaak hoor zeggen.... (eh, heeft u de link aangeklikt?).

Het is allemaal wel leuk, dat schrijven voor de verkeerde mensen, maar mijn werk lijdt eronder. Met ‘werk’ bedoel ik niet mijn inkomsten uit regelmatige arbeid, maar datgene wat ik het liefste doe: verdwijnen in mijn verhalen, knoeien met taal, met stokken op gedeukte ketels slaan en proberen de sterren tot tranen toe te roeren, zoals Flaubert het ongeveer zei. Hard falen, verder prutsen, hopen dat er dan een levende ziel is die het mooi vindt. Dat dus. Niet bedelen om aandacht, niet stug en met de kiezen op elkaar geklemd menen recht te hebben op de erkenning van hen die er toe lijken te doen in het spiegelpaleis der Letteren.

Het is genoeg geweest, voor een mooi poosje. Closing time. Het stemt mij passend weemoedig, maar het schenkt mij ook de illusie dat ik een daad stel, zo tegen sluitingstijd. Wij zijn voorlopig even dicht. Daarna zien we wel.

zaterdag 24 december 2011

Glazen Huis #6 - ik verkondig u grote blijdschap

Vandaag hadden ze me serieus bij de kladden, die 3FM jongens. Vroeg in de avond stond ik met Emma op mijn nek naar onze gladiatoren achter het glas te loeren.  ‘Ik zie Gerard’ riep mijn dochter van boven, ‘hij heeft een camera op zijn schouder!’ ‘Dat is de cameraman’ zei ik, mij afvragend of zo’n camera op je nek misschien zwaarder was dan een meisje van zeven. ‘Gerard is moeilijk te zien’ verdedigde zij zichzelf, ‘want hij is de kleinste.’ Daarna wandelden we naar de Lammermarkt, waar wij korte tijd keken naar het optreden van Di-rect – een bandje dat onder normale omstandigheden niet hoeft te rekenen op enig enthousiasme van mijn kant. En dan zeg ik het netjes. Maar nu, ach, nu... het donderde niet. Bedrieg me, dacht ik, roer mij tot tranen, laat me weer geloven dat mijn stad en mijn land het waard zijn om nog even niet door de zee te worden opgevreten – het is zo lang geleden dat ik het kon geloven.

Ik ben deze week al zo vaak fijn en knusjes opgelicht (cupcakes die toch weer niet zelf gebakken bleken, dat werk) dat ik best wil geloven dat het mogelijk is om in een paar uur van 5 komma nog wat tot 8,6 miljoen door te groeien, terwijl we na dag 1 al blij waren met twee ton. God mag weten hoeveel spindoctors er achter de schermen bezig zijn geweest om ervoor te zorgen dat er een scenario lag waarbij wij op het allerlaatste moment met zijn allen nog eens de portemonnee zouden trekken – uit angst een mislukking van minder dan 7 miljoen te moeten accepteren. Alle mystificaties en smooth & cunning plans ten spijt was ik diep ontroerd toen Coen, Timur, en die kleine naar buiten kwamen, ik proefde de lucht die zij proefden, ik voelde de honger die zij voelden. Ik kneep mijn handen tot vuisten toen zij op de grote rode knop drukten die het bedrag zou onthullen. Ik vreesde met grote vreze. En de engel sprak ‘Wees niet bevreesd, want zie ik verkondig u grote blijdschap die heel het volk ten deel zal vallen’ Lucas 2 gedeeld door 11. En het geschiedde. Acht miljoen zeshonderdduizend. Het is Kerst, een ouderwetse, want ik heb geweend en ik ben blij. 

Glazen Huis (#7 slot): Borden


Ten slotte is er nog iets dat ik kwijt wil. Een kwestie die mij de hele week al bezighoudt. Ja, heus niet de hele tijd, maar toch - eh, vaak. Is er misschien iemand die weet hoe iedereen toch aan die mooie borden komt? Ik bedoel, ik heb deze week honderden van die bedrukte borden langs zien komen met het gedoneerde bedrag erop. In alle kleuren, van alle materialen vervaardigd, maar altijd strak en stevig, duidelijk bedrukt met logo’s van het bedrijf, school of weet ik veel, en op een of andere manier getuigend van groot organisatietalent. Maar waar komen die borden vandaan? Wie maakt ze? Zelf kwam ik met een lullig geplastificeerd A3’tje aanzetten, ‘Rijnlands Lyceum Open Podium €1800’, inderhaast in elkaar geflanst. Maar ja, dat ben ik. Ik wil ook borden kunnen maken. Wie helpt me? Nederland bordenland, mijn bewondering is groot.

O ja, ik heb €125 gedoneerd aan Serious Request: €0,10 voor iedere klik op een Glazen Huis blogbericht. Dit is gedaan in de verwachting dat u nog wel even doorklikt...

vrijdag 23 december 2011

Glazen Huis #5

De schoolklas waar ik mentor van ben heeft meer dan €500 opgehaald voor het Glazen Huis met zelfgebakken koekjes en andere beperkt houdbare rommel, en nu moet ik als tegenprestatie een Nieuwjaarsduik nemen. Dat heb ik namelijk beloofd. Kijk, je hebt mensen met ordelijke levens die door vasthoudendheid en precisie dingen voor elkaar krijgen, je hebt artiesten die er een rommel van maken en min of meer toevallig toch ook dingen voor elkaar krijgen. Ten slotte heb je lui die daar zo’n beetje tussenin hangen en daarom nooit iets voor elkaar krijgen, en uit pure wanhoop dan maar gaan roepen dat ze rond het vriespunt in zee gaan liggen voor de aardigheid - en voor het goede doel. 

Deze groep noem ik de Sjaalmannen van deze wereld. Ze willen wel iets, ze proberen aandacht te trekken door wild met hun armen in het rond te maaien, maar zelfs de vliegen rond hun kop krijgen ze er niet mee weg en ze eindigen op een zolderkamer met een riem papier. Of in zee, op 1 januari, met een Unox muts en keiharde, kleine tepeltjes. Helaas zal ik rekening moeten houden met de mogelijkheid dat ik er ook weer uit kom - daar moet ik nog even niet aan denken. Er zal geen oorlogsmoeder mee geholpen zijn, maar een man een man, een woord een woord. De leerlingen van die klas noemen mij keurig ‘Sir’, ze gedogen mijn plaggenhuttenengels, en trappen geen rotzooi - dit wil ik graag zo houden, dus neem ik die duik, en als mijn gezin het wil kruip ik ook weer uit het sop, dat ruim zal zijn, en diep, en dat zal lonken.

Na vijf dagen Glazen Huis is er 3,5 miljoen opgehaald – de helft van het streefbedrag. De helft! Mijn hemel, hoe moet dat nu? Alle hens aan dek, wat hamer! Alle verkeersboetes naar Serious Request! De via internet vooruitbetaalde partijen illegaal vuurwerk niet leveren! Zouden we het bij elkaar krijgen als Maxime Verhagen toezegt de Noordzee in te lopen en niet meer terug te komen? Of.... of zou ook die opbrengst, en de logaritmisch lijkende groei ervan, netjes geregisseerd zijn, zoals alles rond het Glazen Huis? Mijn bewondering voor de hele organisatie kent geen grenzen. Daar is geen spoor ironie bij. Er lopen honderden lui rond die alles netjes voor elkaar hebben, en die alle dwaze artiesten die met hun kop voor de camera staan keurig poppenkast laten spelen op de momenten dat het moet. Het zijn lui aan wie je wel iets kan overlaten. Ik vertrouw ze blind. Dit zijn de vormgevers van het moderne Nederland. Die gaan niet in zee met 500 ballen. Het eindbedrag wordt 7,6 miljoen. Het staat in het draaiboek. 

donderdag 22 december 2011

Het Glazen Huis (#4)


Hitchcock schijnt gezegd te hebben dat film net is als het leven, maar dan zonder alle saaie stukken. Nu ken ik heel wat films waar saaie stukken in zitten, en soms vind ik dat de beste stukken. Films die alle saaiheid proberen uit te bannen vind ik meestal niet te harden. In de televisieregistratie van Serious Request die rond acht uur wordt uitgezonden krijg je het beeld voorgeschoteld dat het een flitsende, razendsnelle, van energie en plezier overkokende pan is de hele dag daar op de Beestenmarkt. Nu sta ik daar elke dag wel een tijdje en ik kan u zeggen: het is er aangenaam saai. 

Soms is het bomvol, meestal is het – tja, gezellig druk. Maar saai. Men brengt zijn offers, als in oude tijden, aan de voeten van de koning. Men wil opvallen, bij de vorst in de gunst komen. Het moeten in die oude tijden ook langdradige bijeenkomsten zijn geweest. 

Dinsdagavond stond er ineens een koor van 700 man op het plein. Ze brachten €20.000 en gingen een stuk zingen uit The Armed Man, a Mass for Peace van Carl Jenkins. Je merkte er eigenlijk niets van. Ik had niet in de gaten dat ik ertussen stond. Iemand vroeg of ik sopraan was. Ik knikte maar. Ze moesten lang wachten, al die zangers en toen ze eindelijk moesten zingen was het niet te horen. Zevenhonderd man, en niet te horen. En het kwam ook niet op televisie. Te saai? Ik vond het heerlijk, en ik heb sopraan gezongen.

Vanmorgen stond ik er weer, met vijftig musicerende leerlingen van mijn school, om geld in de brievenbus te gooien dat wij hadden opgehaald met het Open Podium. Drie trompettisten, vijf saxofonisten en nog zo wat spul toeterden ‘All you need is love’ over de Beestenmarkt. De aandacht van Gerard Ekdom trokken we niet, maar wie aandacht wil van Koning Ekdom moet denk ik iets anders aantrekken of met meer geld komen. Iemand die niet eet en slaapt mag je niets verwijten, vind ik. We moesten lang wachten, omdat een farmaceutisch bedrijf met €60.000 in kruiwagens aan kwam rijden. Die pillendraaiers kunnen het wel missen, maar dat hoor je niemand zeggen. Ze werden geïnterviewd met een camera op hun knikker, maar op tv kwamen ze niet. Saaie lui.

Verder wordt er bier gedronken, de hele dag en nacht door, uit enge aluminium flesjes. Vooral door studenten. ‘Een biertje voor het goeie deal’ hoorde ik er één met dubbele tong zeggen. Ze staren de hele tijd wat naar het licht. Het is net als het echte leven, daar op de Beestenmarkt, inclusief de lange, saaie stukken. 

dinsdag 20 december 2011

Glazen Huis #3 (fuck de Postcodeloterij!)

Er zijn Leidenaren die het Glazen Huis maar een sta-in-de-weg vinden. En niet alleen vanwege de verkeersomleidingen. Het is, denk ik, het soort mensen dat bijvoorbeeld meedoet met de Postcodeloterij. Zij vinden het vervelend dat alle scholieren momenteel op hun centen uit zijn ten bate van Serious Request. Je moet wel een hart van arctisch ijs hebben om je portemonnee op zak te houden als die bloedjes aan je deur komen met cakejes, koekjes, hyacintbollen, kerstballen, kaarten, tweedehands Donald Ducks, sponsorlopen, biermarathons, pizza-estafettes. Een slim kind uit groep 4 had het plan opgevat deurstickers te verkopen met de tekst ‘ik heb gedoneerd aan het Glazen Huis.’

De beroepsscepticus weet dat wij hypocriet zijn, en naar de portemonnee grijpen om ons geweten in slaap sussen. Rond de kerstdagen is dat extra dringend, dat is bekend. De cynicus gaat nog een stap verder: het is puur eigenbelang. Wij grijpen de kans ons smoezelige zelf uit een kwaad daglicht te halen. Het is een instinct.

Ik bekijk het liever vanuit praktisch oogpunt: je moet iedere mogelijkheid aangrijpen mensen geld uit de zak te kloppen voor een beter doel dan hun eigen vette pensen. Als dat met Kerst beter gaat dan rond Pasen, dan moet het maar met Kerst. Punt.

Serious Request gaat waarschijnlijk tussen de 7 en de 8 miljoen opleveren. Ik vind zeven miljoen veel geld. Veel geld. Maar..... Er is altijd een maar. Er is iets dat mij dwarszit. Overal in de stad hangen billboards met de mededeling dat de postcodekanjer 48 miljoen bedraagt. Zelfs rond de Beestenmarkt  hangen ze. Het is zogenaamd ook voor een goed doel, die loterij - een wel heel slecht verhulde cosmetische ingreep. De boodschap van de Postcodeloterij is een aartspessimistisch: de mens is nooit zo vrijgevig als dat hij hebzuchtig is. Vergeet niet: we leven in een land waar een kwart van de bevolking de ontwikkelingshulp die nog over is wil schrappen.

Ineens vind ik zeven miljoen voor Serious Request helemaal niet veel. Die 48 miljoen komt namelijk ook uit onze eigen zakken. Wat zeg ik: een veelvoud ervan! Want er zijn immers veel meer prijzen en Martijn Krabbé en zijn kornuiten moeten er ook iets aan overhouden.

Ik ben niet cynisch, zelfs niet sceptisch. Ik draag alle kinderen en jongeren die acties verzinnen om ons het geld uit de zak te kloppen een warm hart toe. Kom op kinderen, schud het geld uit onze zakken, tot de laatste cent, zodat we geen geld meer over hebben voor loten – ik ben pas tevreden als we 50 miljoen halen en de Postcodeloterij zo naar de kloten gaat dat ze het salaris van Martijn Krabbé niet meer kunnen betalen. This one’s for mama!

maandag 19 december 2011

Glazen Huis #2

Gerwin doet vanuit Leiden 'op geheel eigen wijze' verslag van Serious Request 2011. Voor iedere pageview doneert hij tien cent aan het Rode Kruis.

Het Glazen Huis is gesloten. Gisteren was de eerste live-uitzending vanuit Leiden. Het regende. Sophie Hilbrand was anchorwoman. Voorafgaand aan de opsluiting van de 3FM dj's zat zij samen met hen op een leren bank in een gebouwtje dat ik dacht te herkennen als de bloemenstal op de Beestenmarkt. De uitzending ging over van alles, maar toch vooral over het bijbelse offer dat de dj’s zouden gaan brengen. Drie Jezussen die zes dagen met elkaar in een glazen graf moesten zitten. Het ging over vruchtensapjes, en de man-met-de-hamer die langs zou komen op dag drie. Ze leken helemaal niet bang.

Het was gezellige tv, zonder beelden van hongernegers of verminkte kindsoldaten. Sophie Hilbrand stipte nog wel even aan wat het doel van de actie was: het helpen van moeders in oorlogsgebieden. Moeders die hun huis en bezittingen kwijt waren. Die hun man waren verloren. Veel moeders waren zelfs hun kinderen kwijt. Die opmerking bracht de dj’s zichtbaar in verwarring. Zijn het dan nog wel moeders? hoorde je ze denken, zijn het dan niet gewoon zielige vrouwen? Deejay Timur leek het toch te begrijpen: ‘ik kan wel een beetje meevoelen met die moeders in oorlog. Mijn moeder zit nu ook een hele week zonder mij.’

Toen kwam zangeres Do aanschuiven om bekend te maken dat zij 30.000 exclusieve ‘verwenpakketten’ (met doucheschuim en een nieuwe kerst-cd van haarzelf), wilde verkopen voor €50 per stuk. Van die €50 ging maar liefst €5 naar het Glazen Huis. Iedereen riep oe en aa en lang zal ze leven. Niemand die zei: wattefuk 5 euro, maak daar effe 25 euro van! Dan verdienen jij en je platenbaas er nog op! Ze ging nog zingen ook, en de dj's deden braaf of ze het mooi vonden. Iedereen was lief voor elkaar.

Daarna was het mooi geweest en werden de jongens van 3FM in hun glazen container opgesloten door de sympathieke Snow Patrol zanger Gary Lightbody, die het allemaal onderging met de verbazing van een misdienaar die voor het eerst in functie is. ‘Are all of these guys locked up with you?’ vroeg hij, wijzend op de haag van cameramannen. Niemand die de sukkelaar verklapt had dat er een achterdeur is die niemand kan zien.

zaterdag 17 december 2011

Raaf


Op onze school hebben wij heel wat kinderen onder onze hoede die – als wij daar niets aan doen - het ver gaan schoppen in deze wereld. Een van hen heet Raaf, hij zit in de brugklas. Hij is slim, manipulatief en leugenachtig. Hij knikt begrijpend als je hem onder vier ogen spreekt. In de klas echter dwaalt zijn blik af naar klasgenoten, want hij wil ze peilen en laten weten dat hij overal schijt aan heeft. Hij is uit op macht, over mij, over zijn klasgenoten. Het is hem nauwelijks te verwijten, het is een instinct – en hij is nooit gecorrigeerd. ‘Ben je tevreden Raaf’, vraag ik als hij een les niets gepresteerd heeft. ‘Bent u tevreden meneer?’ vraagt hij terug. Soms droom ik van een klas vol Raven en word ik wenend wakker.

Helaas, voordat het succes hem gaat toelachen, in de bankwereld, de wapenhandel of de vleesverwerkende industrie, komt hij mij tegen. Hij zal onderworpen worden aan mijn strenge tucht. Ik heb meedogenloze methodes. De meest rigoureuze komt hier op neer: ik bestrijd het tuig met hun eigen wapens. Er zijn er weinig die dat aankunnen. Raaffie zal niet weten wat hem overkomen is, als ik met hem gereed ben.

Het werkt zo: ik richt mijn pijlen niet op het rotzakje zelf, maar op zijn vriendjes, zijn hofhouding. Ik berisp ze, of geef ze complimentjes over van alles. En iedere les stuur ik er één uit. Omstandig en beslist. Na de les heb ik een prettig gesprek met hem. Ik vraag of hij komt om iets te leren. Ze zeggen allemaal ja, ook al weten ze het misschien helemaal niet zeker. Ik zeg dat ze dan beter niet in de buurt van Raaf kunnen gaan zitten. Ze krijgen geen straf. Wat blijkt? De jochies hebben zelf eigenlijk ook last van die Raaf. Ze zeggen het gewoon tegen me. 

Zo gaan ze een voor een voor de bijl, en keren ze zich van het monster af. Nu heeft het gedocht niemand meer om mee samen te spannen – en wat gebeurt er? Hij wordt lusteloos. Soms knijpt hij, of schopt hij iemand, uit ontreddering. Ik doe of ik het niet zie. Ik beloon daarentegen het goede gedrag van de ex-lakeien omstandig, geef ze extra verantwoordelijkheden. De hele klas bloeit op. We bereiken dingen. Raaf niet. Raaf is een zielig plasje op een stoel achter in de klas.

Pas als ik het Ungeheuer eenzaam en ellendig aantref tussen de gevonden gymspullen, zal ik mijn hand naar hem uitstrekken en met vrome blik vragen hoe het met hem gaat. De tranen zullen in zijn ogen opwellen. Zonder hem ook maar één keer te straffen heb ik hem naar mijn hand gezet. Ik zal ontferming tonen.

Daarna zal het beter met hem gaan, maar helemaal de oude wordt hij niet meer. Mocht u over een jaar of acht bij de aanschaf van een nieuwe keuken wordt geholpen door een chef verkoop die u ‘helemaal gratis’ een fonkelnieuwe combimagnetron en kookplaat aanbiedt bij de keukenkastjes met de woorden ‘ik ben pas tevreden als u het bent’, en hij heet Raaf - doe hem dan de groeten van mij.

maandag 12 december 2011

Glazen Huis

Zondag laten drie deejays van 3FM zich opsluiten in een glazen kooi op de Beestenmarkt. Ze gaan  24/7 radio maken, geheel belangeloos, een week lang. De rest van Nederland mag geld komen brengen. Voor het Rode Kruis. Dit is een korte uitleg voor iedereen die de wereld 'abhanden gekommen ist' en derhalve niet weet wat 'Het Glazen Huis' is. Voor wie niet weet wat de Beestenmarkt is: dat is een winderige plek in het centrum van Leiden, aan het water. Aan landzijde wordt het plein omzoomd door grillrooms en koffieshops. 

Op normale dagen hangen op de Beestenmarkt Marokkaanse jongens belangeloos 24/7 rond. Op dit moment wordt er hard gewerkt – niet door de Marokkaanse jongens, door bouwvakkers. De jongens kregen een schop onder hun kont, de reder van de rondvaartboot is afgekocht met een bedrag dat niet bekend mag worden. Maar de rest van het geld gaat dus naar het Rode Kruis. Dat is het idee. En het werkt. Vorig jaar werd ruim 7 miljoen euro opgehaald in Eindhoven. Dat is €32 per inwoner van Eindhoven. Wij gaan daar in Leiden vet overheen, kapitaalkrachtig als wij zijn. Met Drie Oktober slaat de gemiddelde Leidenaar €200 stuk.

Voordat het Glazen Huis kon komen moest er eerst gelobbyd worden. Net als bij de Olympische Spelen moet een stad in een soort ‘bid’ laten zien hoe graag ze het wil en hoe goed ze is toegerust op zo’n evenement. Het 3FM comité werd in een bootje naar de Beestenmarkt vervoerd. Op de route had men honderden posters geplakt langs de kade: ‘Het Glazen Huis hoort in Leiden thuis’. Een vriend van mij trof enkele van die posters aan op zijn woonboot. Hij wilde het Glazen Huis helemaal niet, want hij is bang dat men erachter komt dat men vanaf het dak van zijn boot een prachtig uitzicht heeft over de Beestenmarkt. Hij kreeg die posters er niet af. Het is een gepensioneerde leraar Latijn. ‘Hannibal ante portas!’ riep hij klagend. Ik adviseerde hem entree te heffen, €20 per staanplaats per uur, maximaal tien bezoekers, kopje koffie incluis, opbrengst geheel ten bate van het Glazen Huis. En voor zijn oud-leerlingen een bordje ‘Cave Canem’ op de deur.

Leiden zal weten dat het Glazen Huis er is, en niet alleen vanwege de verkeersomleidingen. Want iedereen die het hart op de goede plek heeft komt in actie.  Omdat ik dat ook wel wil, het hart op de goede plek, is het misschien leuk als ik op dit weblog zo nu en dan bericht over het Glazen Huis - op ‘eigenzinnige, tegendraadse wijze’ natuurlijk. Voor iedere pageview op die artikelen doneer ik tien cent aan het Glazen Huis. Voor aandacht het Goede Doel hebben we alles over nietwaar?

vrijdag 9 december 2011

Gevaarlijke Kletskoek


‘Woordjes leren, dat is echt niks voor mijn zoon...’ zei een moeder op de ouderavond  tegen een collega van mij, docent Duits, ‘en wij zien het nut er ook niet van in...’
‘Taal bestaat uit woorden,’ antwoordde de docent, ‘dat is het lastige ervan.’ ‘En grammatica, dat gaat ‘m ook niet worden,’ ging de moeder verder. Een snedig antwoord lag de docent op de tong, maar met mensen die dingen zeggen als ‘dat gaat ‘m niet worden’ moet je eigenlijk niet in discussie.

De jongen die het vertikt woordjes te leren heeft natuurlijk gelijk. Hij kan het niet. Hij zit in 3 vwo, en de hemel weet hoe hij er gekomen is, maar woordjes heeft hij er nooit in gekregen, in wat voor taal dan ook. Gelukkig is hij goed in Aardrijkskunde en Biologie, voor beide vakken heeft hij een zes plus. Waarom moet hij dingen doen die hij niet kan?

Dat moet hij omdat hij anders is afgeschreven. Zijn ouders weten het donders goed: het vwo is het nieuwe havo, havo is het nieuwe vmbo en het vmbo is een poel van ellende waar iedereen met wapens rondzeult. Voor een vmbo’er die niet kan zingen is een rol in Oh oh Cherso de enige hoop op een leven buiten de poorten van de Hel.

De Onderwijsraad bood gisteren een nieuw rapport aan. Na het haringhappen en het aanbieden van het eerste kievitsei is dit de grootste folkloristische gebeurtenis in een regeringsjaar. De symbolische waarde ervan is nauwelijks te overschatten. Van Bijsterveldt, die veel weet van symbolische waarde die woorden kunnen hebben (‘ouders zouden meer betrokken moeten zijn bij de scholing van hun kind – et in saecula saeculorum amen’), kreeg het rapport aangeboden. Ik vermoed dat er geklapt werd, en dat er na afloop een glaasje witte wijn werd geserveerd.

Er staat van alles in dit rapport, woorden vooral, in een grammaticale samenhang die ‘m maar niet wil worden. Toch valt er gemakkelijk een conclusie uit te halen: een lage opleiding is het grootste risico voor een kind. Geloof me, ik heb het rapport gelezen. Dit staat er in. Er staat ook in dat een kind van nu allerlei ‘advanced skills’ moet aanleren. Het gaat over computers en communiceren. Dit idee is overgewaaid uit de VS. Je zou wensen dat de wind eens anders stond. ‘Geen advanced skills zonder basic skills’. Let u op de subtiele vermenging van twee talen. Want onze kinderen moeten ook internationaler denken. Het staat eveneens in het rapport. Geen advanced skills zonder... enz. Wat een openbaring! Ik ga mijn zoontje vanmiddag meteen gebieden zijn studie sterrenkunde te staken en eerst de tafel van zeven te leren.

Mijn ouders hebben dertig jaar lang lesgegeven op een vmbo-school. Dagelijks zien zij oud-leerlingen terug in het stadje waar zij wonen. Ze hebben bedrijfjes, klussen bij in het weekend, runnen een gezin, geven voetbaltraining aan de pupillen. Ze hebben het gemaakt. Kennelijk hebben mijn ouders hen genoeg skills bijgebracht om het te redden, basic of advanced, de Onderwijsraad mag het zeggen, ik heb geen flauw idee. Een lage opleiding blijft het grootste risico: het is kletskoek, maar gevaarlijke kletskoek. Iedere opleiding kan leiden tot succes. Punt. Als een Onderwijsraad zoiets al niet duidelijk maakt, hoe moeten wij dan de komende jaren de ouders te woord staan die hun kind beschouwen als een project dat als mislukt beschouwd moet worden als het ‘m niet gaat worden op het vwo?

vrijdag 2 december 2011

Gekke Breivik en het Kwaad

Anders Breivik is ontoerekeningsvatbaar verklaard door zijn psychiaters. Psychiaters zijn artsen die zich jarenlang verdiept hebben in geestesziekten. Ik heb dat niet gedaan, bovendien ken ik Breivik niet, behalve uit de kranten, dus wie ben ik om hun oordeel te betwisten?

Toch geloof ik er geen zak van.

Het komt ons mooi uit, zo’n diagnose, te mooi, want wij weten ons sinds de dood van God geen raad met het Kwaad. Daarom hebben wij het Kwaad netjes ondergebracht in het domein van de Gekken. Wie 77 jonge landgenoten neermaait na jarenlange voorbereiding wordt achteraf krankzinnig verklaard. Vooraf was helaas niet mogelijk. Wij gedogen de gekken onder ons en accepteren dat het af en toe gruwelijk misgaat – wat moeten we anders? – maar wij houden niet voor mogelijk dat het kwaad ons ook in zijn greep kan krijgen. Sterker nog, dat wij er voor kunnen kiezen, evengoed als Breivik. Dat idee zou ons radeloos maken. Het Kwaad als keuzemogelijkheid is allang afgeserveerd. Ten onrechte.

Kijk mij, ik ben geen slechte man. Ik doe mijn plicht, hoewel ik moeite heb met discipline. Toch ga ik naar mijn werk, ook als ik mij niet lekker voel, of uitgeput ben. Ik sla nooit iemand, ik ben aardig tegen iedereen en omdat ik niemand wil teleurstellen loop ik soms op eieren. Ik ben soms te grof in de mond, en heb daar altijd spijt van. Als kind speelde ik zoet in mijn eentje, en was erg verlegen. Als er visite kwam kroop ik achter de bank en bleef daar urenlang zitten. Liever stond ik mijn speelgoed af dan dat ik in een conflict verzeild raakte. Eigenlijk is dat nog steeds zo. Af en toe rijd ik te hard. Ik voel mij daar nooit echt schuldig over. Schuldig voel ik mij wel als ik mijn plicht verzaak, en schaamte is mijn levensgezel. Ik ben soms jaloers. Ik werk hard. Ik heb te weinig zelfvertrouwen. Ik ben een doorzetter, als kost het me veel moeite. Ik ben dienstbaar, zeer dienstbaar. Ik kan diep ontroerd zijn als een kind, een leerling, een mens blijk geeft van talent of goedheid. Met mij is niet veel mis, nietwaar?

Maar als ik een schietwapen in mijn handen zou hebben, en ik zou in een winkelcentrum het vuur openen, twee Sinterklazen en veertien Pieten omleggen, dan ben ik ineens gek.

'Ja, knettergek,' denkt u, 'maar jij doet dat niet.' O nee? O nee? Oké, massamoord is niets voor mij – ik heb een zwakke maag - maar een lekkere dubbele moord zoals in Dostojevski's Misdaaf en Straf zou toch tot de mogelijkheden kunnen behoren. Waarom niet? Ik moet het Kwaad, net als u, op afstand houden, misschien niet dagelijks, maar vaak genoeg om mij diep te verontrusten. Mijn keuze het Kwade niet te doen lijkt niet eens ingegeven door mijn goede inborst, maar door wetten en praktische bezwaren. Ik heb immers geen effectieve moordwapens voorhanden, en ik zou niet graag van mijn gezin gescheiden worden.

Het kwaad is banaal en heeft iets raadselachtigs, zo concludeerde filosofe Hannah Arendt tijdens het Eichmann-proces. Iedereen kan erdoor betoverd worden. Begrip van het Kwaad stond centraal in haar boek over dit proces. Breivik krijgt mogelijk niet eens een proces. Gekken hoeven geen proces. Die zetten we twintig jaar in een gesticht, en die gaan we daar dan genezen. En wij, brave burgers, kunnen na op gepaste wijze blijk te hebben gegeven van onze afschuw rustig verder dwalen, en schaven aan het beeld dat wij van onszelf gemaakt hebben: dat wij weldenkend, constructief en redelijk zijn, een beetje drammerig en geldzuchtig bij tijden, maar ten diepste geneigd tot het goede. Slaap zacht.

vrijdag 25 november 2011

Maagden

Ik las ‘De Nederlandse Maagd’ omdat het boek de AKO literatuurprijs had gewonnen. Het is geen bijzonder goede reden, ik geef het toe, het is zoiets als naar FC Zwolle gaan kijken omdat ze bovenaan staan in de Jupiler league, maar ik was nieuwsgierig omdat halfvlieggewicht Marente de Moor de zware jongens Grunberg, Buwalda en Thomése het nakijken had gegeven. Je ziet het zo voor je, Grunberg met zijn kettingzaag, Thomése de honkbalknuppel, Buwalda de bijl, en Marente tegenover hen met een dunne floret, zo’n degen met een bolletje in plaats van een punt omdat het anders au doet. Laat maar, dachten de mannen, drie pils dan maar?

Op Recensieweb wordt als volgt samengevat waar De Nederlandse Maagd over gaat: September 1936. Een achttienjarig meisje wordt naar een bijna leegstaande villa op een verlaten landgoed gestuurd om daar schermlessen te krijgen van een verbitterde man met een groot litteken die vroeger een goede vriend van haar vader was maar nu om mysterieuze redenen niet meer.

Ik vind het altijd knap, zo’n samenvatting. Bovendien klopte het wel zo’n beetje, stelde ik vast nadat ik het boek had dichtgeslagen. Verder was ik teleurgesteld, maar wist niet precies waarom. Een paar dagen later zag ik een foto van Marente in de krant. Ik keek naar een zelfverzekerde, elegante jonge vrouw. Ze hield haar arm een eindje omhoog, licht gebogen, alsof ze een degen vasthield. Dit is wat ik ook tegen mijn vrouw zei. Mijn vrouw antwoordde: 'dat boek gaat dus over haar. Over dat ze eens lekker gepakt wil worden door een stevige ouwe vent.'

Ik zei: daar ging het boek helemaal niet over! Het is de schuld van Connie Palmen dat iedereen denkt dat vrouwen alleen over zichzelf schrijven. Dit boek ging over, tja... er waren toestanden met nazi’s, littekens en geheimen uit de Eerste Wereldoorlog, met schermlessen die op een zeker moment om onduidelijke reden nooit meer doorgaan, mysterieuze brieven die nooit verstuurd werden, oude vetes, dode paarden, toernooien, geile, geschifte tweelingbroers. Allemachtig, het ging over god weet wat, en het was allemaal opgeschreven om de aandacht af te leiden van iets anders. Maar wat?

Ik gaf mijn vrouw alsnog gelijk. Dit is gebruikelijk, maar in het onderhavige geval ook terecht. Marente de Moor wil schrijven over een meisje dat op Marente de Moor lijkt en dat lekker gepakt wil worden door een bonkige oude vechtjas, een huzaar, een echte kerel, met zoveel littekenweefsel dat hij pijnloos een trekhaak op zijn rug kan laten lassen. Als ze het boek gaan verfilmen moet hij gekleid worden, zo’n kerel. Daar wil ze over schrijven. Ze durft het alleen niet goed, en zodoende komt ze er een beetje bekaaid af. Een enkele terloops beschreven beurt, dat is alles. Het is een beetje sneu, vooral omdat het haar eigen schuld is: zij is de schrijfster, ze had het hele boek vol kunnen seksen, maar ze durfde het niet aan. Het boek werd, ik kan het niet anders zeggen, een keurige keukenmeidenidylle. Een goed gedocumenteerde kasteelroman. Het kasteel als hunkerbunker, u kent het. Eindeloze gangen, bedompte zolderkamers. Pak me dan als je kan. Maagden. Duh. Troika hier, troika daar, ja je ziet er veel dit jaar.

Ik moest denken aan die andere maagd die een grote prijs won, De maagd Marino. Op de achterflap kijkt Yves Petry ons brutaal aan. Zijn blik zegt: ik heb het geschreven, maar vergis je niet, ik heb er niets mee te maken. Petry werd ook een ‘verrassende winnaar’ genoemd. Het was in ieder geval niet een onterechte winnaar.

vrijdag 18 november 2011

Koning Faal

‘Meneer, meneer!’

Op het onverlichte fietspad richting de voetbalvelden staat een jochie van een jaar of acht naast zijn fiets. Ik heb grote haast. Wat moet hij van me? Een kilometer verderop staan tien van zulke jochies op mij te wachten voor de training. Zonder mij gaan ze van gekkigheid gras eten, met hun koppen tegen de doelpaal beuken en lelijke dingen zeggen over homo’s. Daar zijn ze immers zeven voor. Misschien gaan ze zelfs wel een potje voetballen zonder mij. Dan zijn de gevolgen helemaal niet te overzien.

‘Meneer, me ketting is eraf.’ roept het jochie, met een goed gesneden Marokkaans accent.

Ik knijp vol in mijn remmen. Het is een reflex, het gebeurt buiten mij om. Oerinstincten nemen vanaf hier alles over. Ik sta precies naast hem stil. Hij is alleen, hij heeft alleen mij.

‘Kunt u ‘m er weer omdoen?’ vraagt hij. Ik gloei. Het gezag van alle vaders, onderwijzers en trainers is voor even in mij samengebald. Ik kom te laat op de training, maar als ik hem laat staan, is deze jongen verloren voor de maatschappij. Hij zal nooit meer iemand vertrouwen.

Een fietsketting leg ik bovendien in een handomdraai om. Ik buk en rammel wat aan de ketting, ter oriëntatie. Die is gortdroog. Er komt hooguit roest aan mijn vingers. Dat is een meevaller. Ik spreek geruststellende woorden, en zeg daarna dat zijn vader de ketting moet smeren en aanspannen. Wat een autoriteit straal ik uit! Wat een kunde en inzicht! Ik ben zo’n beetje de vader aller vaders. Dan ontdek ik dat de ketting achter klem zit tussen het tandwiel en het frame, en niet zo’n beetje ook. Ik ruk en trek, fluit tussen mijn tanden om niet te vloeken. ‘Hij zit klem’ zeg ik. Ligt er wanhoop in mijn stem?

Het is even stil. Ik ruk nog een paar keer aan die ketting.

‘Het is wel eens eerder gebeurd’ zegt het joch. ‘Toen heeft een meneer er een schroevendraaier bij gehaald.’ Jonge Marokkanen articuleren scherp en zijn doorgaans stukken beter te verstaan dan hun Hollandse leeftijdgenootjes. Het zinnetje over die meneer met die schroevendraaier versta ik niet alleen heel goed, het komt ook tussen mijn ribben binnen, als een mes.

‘We zetten hem even op de kop’ zeg ik, om wat gezag terug te winnen. Met een soepele zwaai draai ik de fiets om. Ik begin weer aan de fietsketting te rukken. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan een schroevendraaier te gaan halen. Ik ben besodemieterd. Ik moet die ketting loskrijgen, het moet. Mijn ambassadeursschap voor vaders, voetbaltrainers en andere kordate mannen verdwijnt naar de achtergrond. Het gaat hier om een strijd die ik niet mag verliezen. Ik ben definitief een Mislukking in de Orde van de Nederlandse Leeuw als ik hier, in het donker, op dit fietspad dat nat is van de mist, die ketting er niet omkrijg. Ik zal niet meer met mijzelf kunnen leven. Het moet het moet het moet! Ik haal een sleutelbos uit mijn zak. Ik duw de lange sleutel van de schuurdeur tegen de ketting, op de plek waar hij klem zit. Ik zet kracht. Als de sleutel breekt zal deze jongen mij zijn leven lang herinneren als Koning Faal de Eerste...

De ketting schiet los. Mijn vinger komt tegen het tandwiel aan. ‘Zo!’ roep ik in plaats van te schreeuwen van pijn. ‘Het komt in orde’. Ik val bijna flauw van de opluchting. Ik ben gered.

Daarna probeer ik de ketting met de pedalen over het grote tandwiel te trekken. Een eitje, normaliter. Maar het lukt me niet.

‘Moet je niet aan de andere kant beginnen?’ Scherp als een Moors scheermes klinkt zijn stem. Het joch wijst naar de onderzijde van het grote blad, dat nu boven ligt.

‘We zetten hem eerst maar weer eens overeind’ zeg ik kribbig. Daarna volg ik zijn aanwijzing op, hopend dat hij dat niet in de gaten heeft.

De ketting ligt erom. Het joch zegt netjes dankuwel. ‘Wel goed smeren en aanspannen!’ roep ik hem na. De mist heeft hem al opgeslokt.

zaterdag 12 november 2011

Twee wekkers (voor mijn kinderen)

Ik liep zaterdagmiddag de Hema binnen. Dat is op zichzelf niet iets om een toestand van te maken, dat doen er zoveel. Ik liep zelfs behoorlijk vastberaden naar binnen, kan je wel zeggen, en toen ik daar stond, midden in de winkel – rechts een muur van chocoladeletters, links de omfietswijn, ertussen in de onderbroeken – wist ik niet meer wat ik er moest. Misschien was ik vergeten wat ik wilde kopen, misschien was ik vergeten dat ik helemaal niet naar de Hema hoefde, maar is de Hema nu eenmaal onweerstaanbaar voor mij, en was ik ook dat vergeten. Het leven begint met niets weten, en net als je daar van verlost lijkt te zijn, begint het vergeten.

Weten begint bij mij overigens de laatste tijd met het openklappen van mijn MacBook, en het vergeten begint met het dichtklappen ervan. Wat daartussen zit doet weinig ter zake. Het is in ieder geval niet blijvend, zoals de staat van het niet-weten en het vergeten.

Er verandert iets in mijn kop, en het komt door internet, en door het ouder worden, en door het feit dat ik mislukking gewoon weer toesta in mijn leven en dus niet krampachtig ‘plakband, plakband’ of ‘worst, worst, worst’ in mijn kop loop te repeteren, benend door de overvolle straatjes tussen Vroom en Dreesmann en de Hema.

Het resultaat was wel dat ik op zaterdagmiddag middenin de Hema stond zonder een flauw benul wat ik er deed.

Dus pakte ik maar een zak schuimpjes en liep naar de kassa. Ik moest wachten, niet lang, maar lang genoeg om te zien dat naast de kassa een rekje was opgesteld met een aantal exemplaren van een cd van Blof. Bluf. De bandnaam wordt gespeld met zo’n moeilijke ‘o’, dat weet ik best, maar die kan ik niet vinden op het toetsenbord, en ik heb geen zin om moeite te doen voor Blof. De cd heette Alles blijft anders.

Wat willen de mannen van Bloef zeggen met zo’n titel? Dat loop je dan te prakkiseren. Wat betekent het? ‘Alles blijft anders’. Je komt er niet uit. Ik moest ineens denken aan de eerste keer dat ik de film Back to the future zag. Michael J. Fox moest terug naar het verleden om te voorkomen dat zijn ouders elkaar niet zouden ontmoeten, waardoor hij niet geboren zou worden. Nachten niet van geslapen. Het was fascinerend, maar ik kwam er niet uit.

Dit zal mij met Blof niet gebeuren. Dat komt omdat hun muziek wel zo’n beetje ken, en er eigenlijk nooit iets ‘anders’ in te horen is. Wil je iets ‘anders’ horen? Heb je echt dat lef? Luister dan naar Janáček of György Kurtág. Die hebben ook moeilijke dingetjes in hun naam, maar voor hen doe ik graag moeite. Alles blijft anders is een titel uit een doe-het-zelfcursus poëzie. De opdracht van de naar urine riekende cursusleidster is: ‘hussel de woorden van twee akelige cliché’s door elkaar (voorbeeld: ‘alles wordt anders’ en ‘niets blijft hetzelfde’) en kijk toe hoe de woorden een nieuw verband aangaan.’ Juist. Laat een witregel volgen, en zelfs de grootste onzin wordt voor diepzinnig gehouden. Lukt het dan nog niet, maak er dan een titel van. Nieuw verband mijn zolen.

Alles blijft anders. Tja. Ik vind het nog het meest klinken als een gemiste kans. ‘Alles wordt hetzelfde’ was vele malen beter geweest. Het is namelijk ook waar. Tenminste, als het gaat om de muziek van Bløf.

Op weg naar huis verzon ik tientallen waardeloze titels. Voor cd’s, romans, dichtbundels, om het even wat. Al doende schoot mij weer te binnen waarvoor ik naar de Hema was gegaan. Twee wekkers, voor mijn kinderen.

Dat vond ik de mooiste titel van alle. Een titel, en een opdracht.

vrijdag 11 november 2011

It's wonderful, it's interesting, it's upperclass English

Goedopgeleide Britten zeggen nooit wat ze bedoelen. Ze spreken een codetaal. Met hun taal houden ze het uitgeholde klassensysteem overeind, en dat is een bron van groot vermaak. Behalve als je met ze moet werken. Britten kunnen karaktermoord plegen met een enkel goedgeplaatst woord, dat onschuldig oogt en hen daardoor te allen tijde vrijpleit van kwade bedoelingen. Echter, iedereen weet donders goed: zo’n zinnetje is een vonnis. Het verlies van status dat volgt op het incasseren van zulke woorden is blijvend en dient op een middelbare school zichtbaar te worden in de teacher’s lounge, alwaar de schikking van personeel rond verschillende koffietafels uitdrukking geeft aan klassenverschillen. Voor een botte doe-es-normaal-man-Hollander als ik is de Engelse upperclass-lingo een slangenkuil waar ik steeds opnieuw in donder. De executies gaan altijd gepaard met het omstandig uitspreken van mijn naam (‘Ghurrwin’ lijzig en vermanend uitgesproken), dit om de hele teaparty duidelijk te maken om wiens onthoofding het hier gaat.

Ik voorzie eenmalig een aantal veelgebruikte Britse uitdrukkingen in vergaderingen van de juiste, voor platlanders begrijpelijke, vertaling.

‘This might not be such a great idea’: ‘hierbij zet ik je volledig te kakken ten overstaan van alle anderen wier tijd jij nu zit te vermorsen – je kan een verbanning naar de koffietafel van de concierges tegemoet zien. Hou ze te vriend, want de kelders onder het schoolgebouw zijn donker en vochtig. Lach besmuikt, en alleen om ontoelaatbare grofheden.’

‘Well, I must say, I’m not jumping off the fence rightaway’: ‘ik zal alles doen wat in mijn vermogen ligt om dit krankzinnige plan te verijdelen. Je moet begrijpen dat je vanaf dit moment je mond niet meer open dient te doen in de veragdering. De gymnastiekdocenten zullen je morgen verwelkomen aan hun koffietafel. Niet meepraten over voetbal, toon bewondering en lach gul op het juiste moment.’

‘A most interesting idea’: ‘allemaal wel aardig, maar wat een tijdverspilling, laten we nu in godsnaam overgaan tot de orde van de dag. Probeer morgen de koffietafel van de kunstdocenten, en deins niet terug voor hun drankadem, daar zijn ze zeer gevoelig voor.’

‘That is possibly the most charming idea I heard today’: ‘je bent een lekker creatief kereltje, maar dit soort plannetjes zijn natuurlijk onhaalbaar en leiden op een vervelende manier af van mijn agendapunten. Koffietafel van de leraren Social studies en andere wereldverbeteraars die geen orde kunnen houden.’

‘You are absolutely right’: ‘maar jouw grote gelijk bezorgt ons een hoop ellende, dus als je zo vriendelijk zou willen zijn niet triomfantelijk in het rond te kijken en je shirt aan te houden, dan zie ik het door de vingers. Morgen wiskunde-koffietafel. Grote, brede tafel waar iedereen altijd gelijk heeft. Het tapijt is er futloos en versleten.’

‘Ghurwin, that is not bad at all’: ‘top, dat ellendige klusje, daar ben ik mooi van af. Je kan meteen beginnen. Op proef bij de tafel English literature, maar pas op, hier drinkt men thee en citeert men T.S. Eliot. De Russen en Klassieken worden ook gewaardeerd, mits in de originele taal, en met het juiste slisserige accent uitgesproken. Als niets je invalt, neem dan een minuscuul slokje thee en kijk alsof je een wandelstok hebt ingeslikt. Mocht je bevallen, dan behoort verdere scholing tot de mogelijkheden. De twaalfjarige cursus ‘how to be perfect’ begint in 2024.'

vrijdag 4 november 2011

Occupy Earth

Occupy. Wat moeten we daar nu weer van vinden? Tja, je moet wel een akelige zuurpruim zijn om de Occupy-beweging niet tenminste een beetje sympathiek te vinden, dunkt me. Ze zijn tegen dezelfde dingen als iedereen, zoals ‘de graaicultuur’ en ‘uitwassen van kapitalisme’, en bereid daarvoor tot nader orde in een koude tent te gaan wonen. Bovendien zijn ze nergens vóór, hetgeen sympathiseren vergemakkelijkt.

Ik herinner mij de dag dat ik mijn eerste hypotheek afsloot. Een knul in krijtstreep met een lichtblauwe stropdas liet ons twee grafiekjes zien. Twee lijntjes. ‘Twee wegen’ zei hij. De één was recht, de andere krom, maar beiden zouden leiden tot een fortuin. De kromme ging alleen harder, ‘maar droeg meer risico’s in zich.’ Ha, risico’s, die vrat ik ’s ochtends bij de Brinta. Ik was nog geen dertig. Ik stond op het punt godhemeltje rijk te worden. De knul was jonger dan ik, en hij rook lekker, vond mijn vrouw. Wij waren beide een kort moment bevangen door het graaivirus, wil ik maar zeggen.

Die droom van rijkdom en andere lichtblauwe heerlijkheden kwam niet uit. Een jaar of wat geleden moesten we halsoverkop de woekerpolis omzetten in iets waar geen dromen aan wilden kleven, het hypotheek-equivalent van november, nattigheid, dagen die gaan zoals zij gingen en een leeg hart. Wie een hypotheek heeft, kinderen en andere wurgtouwen om zijn nek, die is niet in de positie in een tentje op het Beursplein te gaan liggen. Die moet zich de tandjes werken om de graaiers af te betalen. Zodoende is mijn bijdrage aan Occupy noodgedwongen beperkt tot een vleugje sympathie.

Toch is zelfs dat niet altijd makkelijk. Ik voel ook weerzin. Ik herken in de Occupy’ers de behoefte onderdeel te zijn van iets dat groter is dan zijzelf. Het is religie zonder een leer, met een exhibitionistisch tintje. Een journalist vroeg een groepje tentbewoners of het allemaal wel zin had, zolang ze niet duidelijk konden maken wat ze eigenlijk wilden veranderen.

‘Zin? Natuurlijk heeft het zin! Jij bent hier nu toch?’ kreeg hij als antwoord.

Ja dacht, ik, dat is waarschijnlijk genoeg, een journalist met een camera. Nog beter zou het zijn als SBS vandaag overal camera’s ging opstellen om hun meetings, hun geruzie om eten en hun geflikflooi in de tent 24/7 te filmen. Zouden ze dat niet heerlijk vinden? Ze willen gezien worden, liefst geprezen, maar als dat niet gaat is gezien worden genoeg.

De sympathie die ik voel voor dit zooitje ongeregeld is goed beschouwd dezelfde die ik opbreng voor de gehele dwalende, verwarde, potsierlijk ploeterende en falende mensheid. Ik heb een groot hart, ik hou van hen allen evenveel, inclusief de graaiende blauwe stropdassen. Als vandaag alle insecten van de aardbodem zouden verdwijnen, dan zou al het leven op aarde binnen een jaar ten einde zijn. Als alle mensen vandaag stierven, zou al het leven op aarde tot bloei komen. Wij houden allen de aarde bezet. Dat is dan wel weer aardig van Occupy: ze demonstreren ook een beetje tegen zichzelf.

dinsdag 1 november 2011

Ik ben je beste vriendin

Soms loop ik, om mijzelf te straffen, een eindje hard door park Cronesteijn. Dit is een polder net buiten de stad die men met opzet verwaarloosd heeft, zodat er een ‘aantrekkelijk stukje natuur’ ontstaan is, of iets dergelijks. Ja mensen, waar jullie de handen vanaf houden, daar komt het bos vanzelf. Het is voor het overige het soort park waar je je dochter liever niet doorheen laat fietsen. Het is zo’n park met veel soorten lage begroeiing die wij vroeger ‘bosjes’ noemden. Ach, die oude tijd dat de dingen die je kon doen in de bosjes voor ons jongens nog geen zedendelicten waren, maar een bron van diepe en onbegrijpelijke verlangens...

Ik liep daar dus mijn wekelijkse gevecht te voeren tegen mijzelf en de aandrang voorgoed te stoppen met dat hardlopen. Ik doe dit het liefst alleen, op incourante tijdstippen, want een overstekende eend kan het wankele evenwicht al verstoren. Maandagochtend rond tien uur blijkt een geschikte tijd te zijn, hondenbezitters en sportievelingen zitten dan lusteloos thuis of op hun werk. Er zaten wel twee meisjes bij de picknicktafel – op het lange rechte stuk. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat het meisjes waren van het soort dat ik doorgaans grieten noem, en ze waren overduidelijk aan het spijbelen. Ik kon ze ook woordelijk verstaan, hoewel ik nog zeker dertig, veertig meter van hen verwijderd was. ‘Ik ben toch je beste vriendin’ zei de ene met een grietenstem.

Een ingewikkeld zinnetje – gemakkelijk om te zeggen, zeker, maar wat betekent het? De griet had geblondeerd haar en was zo te zien in de weer geweest met een krultang. Ik wilde eigenlijk iets kordaats zeggen als: ‘hela, gaan jullie eens snel naar school!’ want een docent ben je niet enkel tijdens kantooruren – het is een way of life (met deze uitspraak krijg ik altijd gemakkelijk de lachers op mijn hand). Maar precies op het moment dat ik ze passeerde – ik zocht al lucht voor mijn berisping – trok de griet haar broek naar beneden. Dit is echt waar. Ze trok haar spijkerbroek omlaag. Ik zie haar crèmekleurige dijen zo voor me. Dikke, stevige dijen. Ze riep ‘hallo meneer!’, en hurkte. Ineens was ik weer twaalf, alle dingen die je in bosjes kon doen op slag vergeten, en bang voor zulke grieten. Ik rende hard door. Een heel stuk verderop durfde ik om te kijken, heel kort. Het kind zat een plas te doen. Ondertussen praatte ze met haar beste vriendin.

Ik vergat mijn continue staat van uitputting, liep mechanisch naar huis, nogal in verwarring over mijzelf en de wereld waarin in leef. U kent die momenten wellicht. Iemand – God bijvoorbeeld - heeft de inhoud van een doosje lucifers over de vloer uitgespreid en je de opdracht gegeven: ‘haal drie lucifers weg om zes vierkanten over te houden’. Ik besloot dat men sommige voorvallen niet moet duiden, veroordelen of in breder perspectief proberen te zien. Men moet er geen vierkanten van proberen te maken. Men moet ze gewoon opschrijven en vergeten.

maandag 24 oktober 2011

De Eyserbosweg en eh... het leven

De Eyserbosweg is de zwaarste klim van Nederland. Dat is en feit dat men niet zomaar kan weglachen. De lengte is 1 kilometer en 20 meter, de top ligt op 195 meter. Niet lachen zei ik, fiets er eerst maar eens tegen op, met die domme grijns op je smoelwerk.

‘De Eyserbosweg is als het leven’ zegt de senior met wie ik vanuit Vijlen een eindje opfiets. Hij verwacht misschien dat ik nu verder vraag, maar hij weet niet dat ik niet veel moet hebben van metaforen over ‘het leven.’ Het leven is een pijpkaneel (en iedereen zuigt zich suf), een frikadel (‘er zitten twee kanten aan en ze smaken allebei naar niks’), een Limburgse vlaai (‘wat rest is kruimels en veel spijt’), en ga zo maar door. Het doet de pijpkaneel, frikadel en vlaai weinig recht. Ik ken een oud Perzisch spreekwoord dat luidt: ‘het leven is een aubergine, je krijgt hem één keer in je hand en tien keer in je aars’. Pardon.

De fietsende grijsaard heeft helaas geen aanmoediging van mij nodig. Hij wil iets vertellen, dus hij zal het vertellen. Hij stamt nog uit de tijd dat er wedstrijden zaklopen op de Eyserbosweg werden georganiseerd, zegt hij. De sterke jongens van Eys sjouwden dan met een zak zand van 100 kg tegen de helling op, en wie levend boven kwam had gewonnen.

Het eerste stuk in het dorp lijkt het gemakkelijk te gaan. Je lacht en kijkt brutaal om je heen. Het leven begint bij de overmoed van de jeugd. Dan begint de weg te klimmen, je begrijpt dat je het niet cadeau gaat krijgen. De adolescentie. Halverwege voel je voor het eerst serieuze pijn, je schakelt terug, stelt je verwachtingen bij, vraagt je af wat er nog gaat komen. Volwassenheid...’

Het is een heel verhaal. We fietsen door Nijswiller. Hij mag zich wel haasten, want ik moet er weldra af voor de Eyserbosweg. Als ik straks het leven in de ogen kijk, wil ik die man niet naast mij hebben.

‘En dan komt de klap!’ vervolgt hij. ‘De weg gaat recht omhoog. Je bent alleen nog maar aan het overleven. Je schiet tekort, en je weet het. Geslagen door het leven. Haha.’

Ik bedank de man hartelijk voor de informatie en sla af. Hij laat de Eyserbosweg links liggen, hij kijkt wel lekker uit. In het dorp Eys neem ik nog een slok water. Nu ga ik het leven ontmoeten, na de kerk en de kroeg rechtsaf. Bam, daar is het. Een strook asfalt richting hemel. Helemaal verlaten. De levensmetafoor heeft me lelijk bij de kladden. Het eerste stuk is steiler dan ik dacht. Ik probeer achteloos te neuriën en schakel terug. Het wordt stil. Alleen met mijn ademhaling. Ik probeer door mijn neus te blijven ademen. Nog één tandje over. Ik kijk omhoog en zie het bos, daar waar de weg onzichtbaar wordt en onbarmhartig steil. Bij de eerste boom zet ik het lichtste verzet er op. Ik moet gaan staan op de pedalen, maar ik zal niet buigen. Het lijden neemt een aanvang. De benen kraken. Ik hijg als een ziek paard. Ik schiet tekort, het asfalt, dat mij terug probeert te duwen, is diep zwart en gescheurd als mijn wil.

Er komt een ouder echtpaar uit het bos lopen. ‘Ik doe het je niet na, jong!’ zegt de man bemoedigend. Ik ontbloot mijn tanden.

Goddank, de weg vlakt af. De crucifix op de vijfsprong komt in zicht. Ik strek mijn rug. Op de top gebeurt iets wonderlijks. Ik begin te wenen, hardop, uit het niets. Ik kijk om mij heen, gelukkig is er niemand die mij ziet. Ik zit daar op die racefiets schokkerig te huilen en besef dat ik al maanden niet zo ontspannen ben geweest.

Ik veeg het zout uit mijn gezicht en daal af naar de voet van de Keutenberg. Het is de endorfine. Ik wil mijzelf nog één maal pijn doen. De Keutenberg is 1700 meter lang, het maximale stijgingspercentage is 22%, de top ligt op 170 meter boven NAP.

Hoor ik daar iemand lachen?

vrijdag 14 oktober 2011

Fokkin groen

Ik stond wat te dromen voor het stoplicht, met de zon op mijn gezicht. Dat was mijn eerste fout. Iemand achter mij riep “heeee!”, en met reden, want het stoplicht bleek op groen te zijn gesprongen. Dof gekletter van metaal, achter mij. Twee jongens slingerden aan mijn rechterzijde voorbij, maar één verloor de controle door de drieste manoeuvre. Aan zijn stuur, boven zijn voorwiel, zat zo’n plastic krat gemonteerd, het leunde op een stevig frame.

Dit is de laatste trend onder jongeren op fietsgebied, een zwaar krat voorop. Daar kunnen ze hun schooltas in doen, of een meisje, mits ze niet te groot is. Later als ze zelf groot zijn kan het plastic krat er af, dan kunnen ze met gemak twee bierkratten vervoeren. Of twee meisjes. De meisjes zelf vlechten kunstbloemen door de openingen van hun kratje. Dat hadden wij vroeger allemaal niet! Hun halve bakfietsen passen in geen enkel fietsenrek –dus dat is cool- en de jongsten (11 tot 14 jaar) vallen er heel akelig mee, omdat het stuur topzwaar is. Het is een naar gezicht, zo’n dubbelklappend stuur, en het geeft een ziekmakend geluid, maar het schijnt ook heel awesome te zijn. Enfin, het stuur van deze jongen sloeg dubbel, een handvat kroop in zijn knieholte, de punt van het krat kwam in zijn maag. De jongen viel tegen het asfalt.

Ik stapte af, het was toch alweer rood. De tweede fout. Ik vroeg de jongen of het ging. ‘Het was verdomme groen man’, zei hij. ‘Al een fokkin uur!’ ‘De zon scheen’, zei ik. Alsof dat een goed argument is, de zon, voor wat dan ook. ‘De fokkin zon scheen’ had misschien beter gewerkt. De knul krabbelde op, ik zag dat hij pijn had, maar hij gaf geen krimp. Hij trok zijn fiets-met-krat overeind en raapte zijn tas op. Het ging te langzaam naar de zin van een automobilist voor wie het nu groen was en die zijn weg versperd zag. Hij begon te toeteren. Twee keer kort en één keer lang. Ik maakte een gebaar dat men kan interpreteren als ‘kalm aan, kalm aan’. Dat was mijn derde fout, want veel mensen interpreteren het helemaal niet als ‘kalm aan’, maar als iets dat hen aantast in het diepst van hun wezen. De chauffeur stapte uit. Dat wil zeggen, hij opende zijn portier. Het was voor hem toch alweer rood. Ik zag nog net er een tattoo boven zijn kraag uit groeide.

‘Groen!’ riep ik. En dat was ook zo. Alles ging heel snel. Een stuk of vijf nieuwe fietsers, sommige met een krat voorop, reden tegelijk met mij de straat over, mij beschermend tegen de boze automobilist. Ook de jongen die gevallen was peddelde weg, met zwabberend stuur. ‘Fokkin groen’ zei ik zacht voor mij uit, ‘fokkinfokkingroen’, zwaar stampend op de pedalen terwijl het zonlicht langs mijn gezicht veegde.

maandag 10 oktober 2011

De knoeiers van Komrij

De altijd scherpe Gerrit Komrij had mij afgelopen week weer bij de kladden met zijn wekelijkse column over internet & de literatuur. Als de oude meester spreekt moet men luisteren, vind ik. Nooit kiest hij gemakzuchtig de kant van de mopperaars, nooit vervalt hij in optimistische platitudes. Deze week stelde hij vast dat iedereen tegenwoordig op zoek is naar ‘een verhaal’. En raad nu eens wie goed zijn in het verzinnen van verhalen? Uiteindelijk kwam het onvermijdelijke Facebook ter sprake.

er zijn schrijvers die beweren zonder Facebook te kunnen, en dat zal wel zo zijn. Maar Facebook kan niet zonder schrijvers.”

En verder:

“Facebook wordt een dagelijks intenser samenstel van facade, omkeringen, karikaturen, massage, list en bedrog – typisch literaire zaken – en dat kun je niet aan amateurs overlaten. Dat loopt verkeerd af in de handen van knoeiers.”

Ik vond het er erg mooi staan. Vooral dat van die knoeiers. Knoeiers, bah. De hel dat zijn de knoeiers, en de knoeiers zijn altijd de Anderen.

Maar toen begon de twijfel aan mij te vreten. Twijfel, de ellendige rat. Ik dacht: verdraaid mijnheer Komrij, misschien is het wel helemaal niet waar wat u zegt. Wij hebben daar geen enkele zekerheid over. U niet, ik niet. Het is een aanname, dat Facebook niet zonder schrijvers kan, en omdat het zo’n mooie omkering is wil ik het geloven. Omdat het een goed, eh, ja, verhaal is, dus.

Het is een grappig idee, dat de schrijvers Facebook moeten beschermen tegen knoeiers. Dat Facebook niet zonder hen kan. Ik kan mij voorstellen dat het gilde van automonteurs in 1930 bijeenkwam om te besluiten dat men moest optreden tegen knoeiers. Om het land te beschermen. Daar hebben wij nu nog plezier van: de BOVAG. De Bond van Huisvrouwen moet ook ooit gemeend hebben dat het slecht zou aflopen met de wereld als amateurs met schuursponsjes en bleekmiddelen gingen knoeien.

Het is een fraai verzinsel. Een beetje romantisch ook. Een kruistocht tegen de knoeiers. Te paard! Ik denk de marsmuziek erbij. Kan mij het schelen dat het helemaal niet waar is. Ik zou de rest van de dag gezellig willen sabbelen op deze fopspeen van Komrij.

Maar het lukt me niet.

“Alle literatuur is bestemd om te eindigen op internet” schrijft hij schijnbaar achteloos in hetzelfde stuk. Alles wat op internet komt, wordt uiteindelijk gratis, zou ik eraan willen toevoegen. Ook dit is misschien niet waar. Maar ondertussen plaats ik weer een stukje in de wolk, gratis en voor niets, en is er niemand die uitsluitsel kan geven over de kwestie of ik een schrijver ben of een knoeier.

vrijdag 7 oktober 2011

Steve Jobs & The iPeople

Gisteren werd er massaal gerouwd, omdat de baas van een bedrijf in consumentenelektronica is overleden.

Bloemen bij de Apple stores, waxinelichtjes in de vorm ‘iSad’. Teksten als “Steve, dank je dat je ons de iPhone hebt gegeven”. Gegeven? Ze hebben die dingen toch niet gekregen, maar er net als ik zevenhonderd euro voor betaald? De mijne is trouwens gestolen, dus de enige die iPhones weggeeft ben ik zelf, vermoed ik.

Ik ben bekeerd tot Apple in 2004. Mijn eerste Apple laptop ging stuk na drie jaar (moederbord stuk, geen garantie), mijn tweede opnieuw na drie jaar (toetsenbord deed niets meer, reparatie duurder dan een nieuwe computer). Op mijn derde zit ik nu te typen. Ik ben een iPod verloren, en mijn iPhone, zoals gezegd. Een mens kan geslagen worden door het lot, zijn geloof wordt er alleen maar sterker van. Ruim 6000 euro heb ik geofferd aan Apple tot op de dag van vandaag. Ik riep vanaf het begin dat mijn leven beter was geworden door Apple, want die dingen riep je als lid van een klein maar verlicht genootschap.

Verschoning, de religieuze beeldspraak in verband met Apple is nogal uitgewoond – zij kwam uiteraard ter sprake in DWDD gisteren, en vandaag schrijft Walter van den Berg in NRCNext dat hij als fanboy zijn religie wil beleven. ‘Vandaag treur ik, want er is iemand dood die mijn leven beter heeft gemaakt.’

Honderden mensen linkten op Facebook naar de speech die Jobs hield in 2005. Sommigen zeiden erbij dat ze moesten huilen op het einde, wanneer hij spreekt over dat wij ons hart moeten volgen, dat wij werk moet blijven zoeken waar wij van houden, dat werk is als een liefdesrelatie en dat wij nooit met een half ei genoegen moeten nemen.

Ineens staat de religieuze sfeer en dat geroep dat het leven beter is geworden dankzij Steve Jobs mij vreselijk tegen. Waarom? Ik heb er toch jaren aan meegedaan?

Ik ben er niet helemaal uit. Ik denk dat ik als het erop aankomt gewoon te calvinistisch - of te links - ben om te aanvaarden dat koelkasten, stofzuigers, telefoons en computers je leven beter maken. Nou goed, voor koelkasten wil ik een uitzondering maken. Ik vind dat iemand die de wereld iets wil schenken dat gratis en voor niets moet doen, en dat het in de eerste plaats producten van de geest moeten zijn.

De producten van Jobs zijn prachtig en hun geld vast wel waard, uitgedrukt in het gemak en de verstrooiing die zij bieden, mits je ze in je bezit weet te houden. Zijn gedachtegoed, zoals het tot uitdrukking komt in bovengenoemde rede uit 2005, is eigenlijk heel mager. Leg die mijnwerker in Congo die de zeldzame mineralen moet delven ten behoeve van onze smartphones maar eens uit dat hij zijn hart moet volgen en zijn droom najagen. Straks luistert-ie nog en pakt-ie een geweer. Vertel het een miljard Chinezen.

Van Jobs’ povere seculiere idealisme (volg je hart, don’t settle) moeten we het niet hebben. Amerika zit in een depressie dankzij haar eigen Droom.

De meeste pelgrims die offers brachten bij de Apple stores zullen de speech van Jobs niet kennen. Is het dan toch zijn genie, op het gebied van techniek en commercie, die hen doet knielen? Of vertrouwen wij onze ziel toe aan zijn producten, moeten die dingen ons verlossen, en niet zozeer de man zelf en zijn idealen?

woensdag 5 oktober 2011

Het laatste meisje

Achter het bushokje staat een kastanjeboom. Zijn takken werpen lange schaduwen. In het hokje staat een drietal meisjes. Twee van hen hebben een fiets bij zich, waar zij tegen leunen op een manier die men evengoed onhandig als nonchalant kan noemen. Ze roken alledrie een sigaret. Misschien zijn ze al vijftien, maar ik denk het niet. Het is warm, en het is herfst. Dat voelt vreemd. De meisjes hebben alledrie lange en blote benen. Ze steken de sigaretten de lucht in, alsof ze wuiven, en tippen steeds de as eraf, maar nemen nauwelijks een trekje. Eerst denk ik: raar dat ze met hun fietsen in dat hokje staan. Meisjes horen in de zon. Maar dan zie ik het, ze staan te schuilen voor vallende kastanjes. Als er één op het afdak valt, slaken ze een gilletje, zonder omhoog te kijken. Dan nemen ze hun pose weer aan. Om het bushokje liggen talloze bolsters. Sommige kastanjes zijn eruit gerold. Ze liggen te blinken in de zon.

Als de sigaretten zijn opgebrand drukken de meisjes de peuken uit tegen een afvalbak. De twee met de fietsen stappen voorzichtig onder het afdakje uit en springen dan haastig op hun rijwiel. Als ze onder het schootsveld van de boom uit zijn fietsen ze lui verder, roepen nog iets. Het laatste meisje blijft achter in het bushokje, ze blijft een vrouw acteren – het soort vrouw dat eigenlijk niet bestaat. Kin omhoog, iets geheven arm, ondersteund door de andere – alsof er nog een sigaret tussen haar vingers zit.

Als de andere twee uit het zicht verdwenen zijn ontspant haar houding. Een wassen beeld dat tot leven komt. Ze kijkt eerst omhoog, dan naar links en rechts. Ze komt uit de beschutting van het hokje, kijkt nogmaals in het rond. Razendsnel raapt ze een aantal kastanjes op van de stoep. Terug in de beschutting van het bushokje bekijkt ze de grote, glimmende dingen. Ze stopt ze in de zakken van haar vest en wacht op de bus, haar benen gekruist.

maandag 3 oktober 2011

Drie Oktober voor Dummies

Drie Oktober in Leiden is een folkloristisch evenement dat voor een buitenstaander soms moeilijk te bevatten is. Folklore, zo weten wij, is per definitie voor buitenstaanders moeilijk te bevatten. Insiders doen geen moeite het te bevatten. Het ís er, zoals hun mateloze dorst.

Omdat u aan de teksten in het vuistdikke programmaboek geen touw zal kunnen vastknopen heeft uw dienaar de belangrijkste programmaonderdelen van het Drie Oktober Feest hieronder voorzien van een korte toelichting.

Grote Taptoe: de helft van de Leidse bevolking staat op de avond voor 3 oktober te wachten tot de andere helft in clubtenue langs komt sjokken. Beide partijen doen alsof dit een Grote Gebeurtenis is, hetgeen door het lange wachten wordt vergemakkelijkt. De leden van de Drie October Vereeniging zijn opgetuigd met hoge hoeden en sigaren. Zij dienen te worden toegejuicht.

Drie October Vereeniging: club van jonge, jong-belegen, oude en overjarige ex-bestuursleden van studentenvereniging Minerva die het organiseren van onbenullige activiteiten thuis van hun vrouw niet meer mogen.

Reveille & Koraal: nationalisten in korte broeken zingen oude, in onbruik geraakte of zelfs verboden vaderlandse liederen, op een tijdstip waarop niemand de moeite wil nemen hen deze samenscholing te verbieden

Uitreiking Haring en Wittebrood: Katwijkse vinding om iets extra’s bij te verdienen. Buiten de Waag (het uitgiftepunt) staan de vissers de door henzelf op de Katwijkse vismijn afgekeurde (en door de gemeente Leiden overgenomen) ladingen ouwe haringen voor een euro per stuk schoon te maken

Groot Lunapark: de helft van de Leidse bevolking laat de andere helft in de botsauto’s verongelukken, daarbij toegejuicht door de helft die geen geld meer heeft voor de botsauto’s i.v.m de kosten van het reuzenrad. (Het drie-oktoberfeest kent drie helften)

Feestelijke warenmarkt: honderden Oostblok-terroristen zien hun kans schoon de overlevenden van de kermis een voedselvergiftiging te laten oplopen.

Grote Optocht 2011 “High Leids”: de Commissie Woordspelingen & Poëzie In Het Algemeen heeft zich na de geslaagde thema-optochten van afgelopen jaren “Van Haring tot Paring” en “Van Hutspot tot G-spot” wederom overtroffen. Het niveau van de ‘praalwagens’ is overigens vergelijkbaar met dat van het Leidse voetbal en de Leidse literatuur.

Polstokverspringen: hindernis die is opgeworpen tussen de universiteitsgebouwen en de Kermis, ter hoogte van het Van der Werfpark, met als doel de toestroom van dronken studenten in te dammen. Wie de overkant niet haalt, kan zich troosten dat hij/zij in de beroemdste gracht van Nederland valt - het Rapenburg, rond deze tijd een vreemd riekend mengsel met als hoofdbestanddelen bier, pis en water.

Kinderspelen en Vrijmarkt op het Stadhuisplein: wie er niet in is geslaagd zijn of haar kind te verkopen wordt geacht het na afloop weer mee te nemen, of in ieder geval netjes op te ruimen.

Vuurwerk bij de Zijlpoort: laatste poging van Spaanse troepen de stad in vlammen te doen opgaan. Als het helse kabaal van de duizend ‘opgeblazen bliksembommen’ en ‘driedubbele schuimers’ eindelijk verstomt, is het al een tijdje officieel Dierendag

maandag 26 september 2011

Een teaser van papier

“Kunst faalt als zij er niet in slaagt de cross-over te maken, de eigen grenzen te overschrijden” schrijft P.F. Thomèse in het NRC van afgelopen zaterdag. Bent u er nog? Mooi zo. Herman Brusselmans was namelijk al pissen op dit punt.

Hoe pak je zoiets aan – ik bedoel niet het pissen, maar zo’n crossover maken? De succesauteur Ivo Victoria lanceerde vandaag een app voor zijn nieuwe roman, compleet met filmpjes enz. Een enhanced e-book heet het wondertje. Wauw. Respect. Ik weet niet of zijn boek ‘kunst’ is of wil zijn, maar grensoverschrijdend is het in ieder geval wel. Hierbij vergeleken heeft mijn zelfgeknutselde trailer-filmpje voor WILD de uitstraling van een door opoe handgeknede kruidkoek. Met die kledinglijn voor kinderen ga ik het ook niet redden. Wat te doen? Ik wil ook boeken verkopen! Ik ben zo radeloos dat ik in staat ben weg te kruipen als een pornodwerg in een dassenhol. Moet ik een game-app laten maken ter promotie van mijn boek? Is dat niet de ultieme cross-over?

Go 'Wild’ in the Woods! (hierbij te harde muziek en onweergeluiden) een ‘bikkelharde roleplaying-action-shooting-game’ over een jongen in het bos die de uitgang moet vinden om een nieuw leven te kunnen beginnen. Wham. Tussentijds is zijn missie zoveel mogelijk schurken uit bomen enz. te schieten. Kaboem. Kies als je wilt het perspectief van de opportunistische boswachter of de geile dochter die zoveel mogelijk van die blagen in de broek wil graaien. Vroooooar. Er zijn ook zwijnen die alle partijen het leven zuur maken, en o ja: hou je konijn in leven! Heel veel mindblowing levels in multiplayer mode. Ik ga ook die taal gebruiken, weet je. Ja, weet je, dat boek maakt eigenlijk geen fuck meer uit. Het is een soort, eh, teaser van papier. Alleen, damn aan games schijnt je ook geen stuiver meer te kunnen verdienen. Alles wat digitaal wordt, wordt uiteindelijk gratis.

Overigens, als u alle hyperlinks in de eerste alinea heeft aangeklikt (wat overigens best de moeite waard is), is de kans verwaarloosbaar klein dat u het einde van dit artikel gehaald heeft. Mocht u er wel in geslaagd zijn, dan bent u misschien geïnteresseerd in dit boek: Het ondiepe, hoe onze hersenen omgaan met internet van Nicholas Carr. In het overschrijden van de grenzen raakt onze aandacht verstrooid over talloos veel activiteiten die alle de diepgang hebben van, eh, een stukje als dit. Nog even en dan kunnen onze hypersensitieve breinen niets meer dan in sneltreinvaart over de oppervlakte surfen. Helemaal niet erg, misschien, voor de mens als soort. Alleen, boeken – in de betekenis van: teksten die je van begin tot eind moet lezen – zullen wel zo'n beetje verdwijnen, zowel de digitale als de papieren. Wie voor die kwade tijd nog boeken weet te verkopen, al dan niet dankzij apps en andere hippe cross-overs, verdient mijn bewondering.

F.B. Hotz, het leven

Ik fiets bijna dagelijks langs het huis van Hotz, op weg naar mijn school. Het huis ligt aan de Rijnsburgerweg, tussen Leiden en Oegstgeest. Gelukkig weet bijna niemand van dat huis, en als ze het wisten zou het ze koud laten, want haast niemand leest Hotz. Dat is erg jammer. Aan de andere kant, het zou ook maar vreselijke opstoppingen geven op de toch al overvolle Rijnsburgerweg, als iedereen ineens interesse zou tonen. Het huis heeft een mooie gevelsteen gekregen. Het heeft iets te maken met weerspiegelingen van de tram die Hotz als kleine jongen zag in de bolle vazen op de vensterbank.

Ik lees de biografie over Hotz met veel genoegen. En langzaam, zeer langzaam. Het verbaast menigeen dat er zo’n dik boek over zo’n saai leven geschreven kan worden. Ik vind het juist het een grote troost voor de mensen, dat dat kan.

Van Hotz kan je leren dat er twee dingen nodig zijn om een goede schrijver te worden: gevoel voor stijl en een fenomenaal geheugen. Die man herinnerde zich werkelijk alles van zijn kindertijd. Wat een zegen voor een schrijver! Je vindt zijn vroegste herinneringen terug in veel verhalen. En veel van die herinneringen komen uit dat huis aan de Rijnsburgerweg. Hij kon zich ook de grote treinramp bij Leiden de Vink herinneren, september 1926. Hij was toen vier en hoorde een onheilspellende dreun, en kort daarop de sirenes. Zijn moeder trok hem naar binnen.

Toen hij achttien was zocht hij alles uit over dit treinongeluk. Hij vatte bovendien een levenslange belangstelling op voor machines en techniek, in het bijzonder voor de momenten dat de onbeheersbare krachten in die machines zich tegen de mens keren (denk aan De tramrace en Ernstvuurwerk). Hij zocht ook alles uit over de slachtoffers van de ramp. Er waren vier doden. Een van de ernstigst gewonden van het ongeluk was een mevrouw die woonde in de Breestraat, en die een voet verloor. Ze wilde naar het toneel, maar die droom was in duigen. Even verbeten als vergeefs bleef ze vechten om schadeloosstelling. De spoorwegen boden haar een vakantie naar Katwijk aan, en één steunzool. Aldus is zij een voetnoot in de rechtsgeschiedenis. Vele jaren laten maakte Hotz van deze vrouw een personage in de novelle De voetnoot (1990). Hij noemt haar ‘Ina’. In het boek loopt het niet goed af met Ina. Ze sterft aan de gevolgen van een operatie aan haar been.

Ik smul van deze verhalen. Maar dan komt Aleid Truijens, de auteur van de biografie, met een zin die mij verontrust:

“Er is één postume troost voor ‘Ina’. Ze bracht het tot hoofdpersoon in een van de mooiste novellen die in de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw zijn geschreven. ‘Ina’ heeft toch niet voor niets geleefd.”

Het lijkt mij dat Truijens hier iets aardigs voor Ina wil zeggen, uit mededogen. Maar de schrijfster veronderstelt twee dingen. Het eerste: er bestaat zoiets als postume troost. Dat lijkt mij hoogst onzeker. Zou Truijens de biografie als postume troost voor Hotz beschouwen?De tweede veronderstelling grijpt me bij de strot: ‘Ina heeft niet voor niets geleefd’. Au. Hebben wij voor niets geleefd als wij het niet schoppen tot personage in een roman of novelle van een groot schrijver? Of geldt dit alleen voor mensen als Ina, die hun dromen en hun voeten vermorzelt zien onder een trein? Zomaar ineens zegt de schrijfster iets waar ik bang van word: het is heel erg om voor niets geleefd te hebben.

Het is een prachtig boek. Maar ik denk dat Hotz deze zin van Truijens over postume troost en 'voor niets leven' afgekeurd zou hebben. Ik hoop het in ieder geval.


Aleid Truijens, Geluk kun je alleen schilderen, F.B. Hotz, het leven

Gerwin in DWDD 28 januari 2010