maandag 27 september 2010

Het is dus helemaal niet erg

Vandaag trof ik een exemplaar van mijn boek aan bij De Slegte in Leiden. ‘Ach,’ denkt u, ‘wat sneu, dat moet een flinke klap zijn voor zo’n jongen, maar komaan, de wereld staat in brand, of half onder water en het is maandag, enz.’ Nou goed, u mag best weten: ik mijd boekwinkels al maanden als de pest, ik heb een pathologische angst ontwikkeld voor de ontmoeting met mijn eigen boek. Ik vermoed dat wel meer schrijvers van non-sellers dat hebben. Vroeger had ik zoiets wel eens met een meisje. Je was doodsbang dat je haar zou tegenkomen, maar haar niet tegenkomen, dat verziekte je dag pas echt goed.

Mijn vermogen teleurgesteld te worden gaat echt ieder begrip te boven.

Al enige tijd is De Slegte de enige boekwinkel waar ik onbekommerd naar binnen loop. Bij De Slegte kan je niet van slag raken als je boek er niet ligt. Geheel het tegendeel. Dacht ik. Maar zo simpel ligt het dus niet.

Het stond in de kast “vers binnen.” Ik noteerde voorts een Mama Tandoori, enkele Diners, en je kon er knielen op een bed Siebelinken. “Het is dus helemaal niet erg!” zei ik tegen mezelf. Meestal als ik zulke dingen tegen mijzelf zeg is het goed mis. Ik bleef even naar de rug van mijn eigen boek kijken om uit te vinden of ik het dit keer meende, dat het helemaal niet erg was. Toen ging er een schok door mij heen.

Het exemplaar was gesigneerd!

Een kort en vreselijk moment geloofde ik dat dat waar was. Ik denk namelijk wel eens dat ik het merendeel van de verkochte exemplaren gesigneerd moet hebben, dat ongesigneerde exemplaren zeldzaam zijn, buiten de magazijnen. Ik liep weg bij “vers binnen”, verschool mij tussen de kookboeken om op adem te komen (heel veel Sonja Bakkers, echt honderden, maar dit terzijde). Ik moest het weten! Weglopen zou een kwalijke vorm van zelfbedrog zijn. Ik aarzelde desondanks en niet zo’n beetje ook. Ik zag de opdracht zo voor me: “beste Maarten, welkom in Zwinnerschans, veel leesplezier”, en dat ik collega Maarten dan de volgende dag zou tegenkomen op school. Dat hij monter “goedemorgen” zou zeggen. En dat ik dan nuffig mijn hoofd zou afwenden en achter zijn rug iedereen zou vertellen hoe onbetrouwbaar hij is. Of er zou staan “voor mijn goede vriend Marc”, en dat ik mijn goede vriend Marc dan in zijn gezicht sla, als hij weer eens begint over dat hij mijn boek als zes keer cadeau heeft gedaan. “Ja, aan de Slegte zeker!” zal ik met mijn slechtste en wellicht mijn laatste adem in zijn gezicht brullen.

Ik liep terug naar “vers binnen”, ik greep mijn boek uit de kast, vouwde het open bij het schutblad (wist ik veel dat je niet op het schutblad behoort te signeren, niemand vertelt mij wat). Mijn adem stokte. Ik bladerde verder. Niets, enkel drukletters.

Ik keek achterin. Negenvijfennegentig. Dat vond ik een nette prijs. Ik voelde mij in mijn waarde gelaten. Bij 3,50 was dat toch heel anders geweest. Ik zette het stiekem in de kast bij de W, waar het hoorde. Ziehier.

Trots liep ik de zaak uit. Misschien ga ik morgen weer kijken.

dinsdag 21 september 2010

Man en Paard

De Koning was pianostemmer. Hij kwam er niet mee vooruit in de wereld en hij verdiende ook niet veel geld, doch dat hinderde niet want zijn vrouw werkte bij de bank. Er was echter een kwestie die zwaar op hem drukte, en die hem van zijn nachtrust beroofde. Hij was de afgelopen week al vier keer afgebeld door trouwe klanten, met plichtmatige smoezen over drukke en dure tijden. De Koning wist donders goed wat erachter die praatjes stak. Ze hadden afgezegd omdat hij slecht werk leverde.
Dit was het geval: hij werd doof. Het waren vooral de tonen in het discantregister die hem de das om deden. Ze waren zo vervormd dat het leek alsof er een zwerm kraaien in zijn oor zat. Hij kon niets beginnen dan louter op gevoel wat aan de stemsleutel draaien. Hij zou binnen afzienbare tijd enkel nog klanten overhouden zie zelf ook doof waren. Het was een beroerde kwestie, en daar kwam bij dat hij het gevoel had dat men over hem sprak, op de bridgeclub. “De Koning en zijn paard” had hij Dupont eens horen zeggen, op laatdunkende toon. Zoiets had hij tenminste verstaan. Het was vreemd, want hij had helemaal geen paard, desondanks had hij de indruk gehad dat Dupont wel degelijk over hem sprak. Doch Dupont was een dwarsdrijver, en mogelijk stak er geen kwaad in...
(lees hier verder)

Beste volgers/lezers van mijn blog. Vandaag staat dit verhaal in zijn geheel op de site van Annick Vandorpe (Vlaams journaliste) een verhaal van mij. Het is een pastiche op een bekende schrijver, en je mag raden welke schrijver ik nadoe, door een reactie achter te laten op de betreffende site (vanboekenenmensen.blogspot.com). Wie mij goed kent, en het meteen weet moet natuurlijk eerst een rookgordijn optrekken. Noem uiteindelijk man en paard en win! Reageren op Facebook mag ook.

donderdag 16 september 2010

Over een gaatje, en alles wat eromheen zit

Dokter 1 zegt: “maakt u zich geen zorgen, uw dochter heeft een gaatje in haar hart, maar het is vast niet erg.” Ik knik, blijf een beetje hangen op dat gaatje en verlies het ‘vast niet erg’ langzaam uit het oog. Dokter 1 zegt: “U hoeft zich geen zorgen te maken, maar om de mogelijkheid uit te sluiten stuur ik haar door naar het Academisch, afdeling kindercardiologie.” Welke mogelijkheid hij bedoelt maakt hij verder niet duidelijk. Ik vraag mij af hoe vaak je tegen iemand moet zeggen dat-ie zich geen zorgen hoeft te maken vóór je hem zover hebt dat-ie uit elkaar knalt van bezorgdheid. Ik denk aan de laatste keer dat ik een mogelijkheid ging uitsluiten. Dat was toen ik met de motorfiets naar de garage ging. Ze zeiden dat er niets meer aan te doen was. Begin tegen mij niet over mogelijkheden en uitsluiten. In ieder geval ga ik maar met haar mee naar het Academisch, een kind van zes heeft dat immers nodig, een vader die alles in orde maakt wat de dokters verprutsen.

Op weg naar huis vraag ik: “snap je een beetje wat de dokter allemaal zei?” Ze schudt haar hoofd. “Mooi” denk ik, en laat het er bij.

Een week later. Dokter 2 plakt mijn dochter vol stickers, maakt er knijpers aan vast. Voor een hartfilmpje. Leuk voor later denk ik, zo’n filmpje. Ik weet niet eens zeker of deze mevrouw wel een echte dokter is. Het is een raar gezicht, mijn meisje tussen die draden – groen, rood, blauw, geel, bruin, lila. “Het gaat heel goed Emma” zegt de dokter, “welke kleurtjes zie je eigenlijk allemaal?” Mijn dochter noemt ze braaf op, terwijl ze eigenlijk veel te groot is voor flauwe vragen over kleurtjes.

Dokter 3 boft, dokter 3 bedient the machine that goes PING (“it’s my favourite!”). Ook dit is een rare ervaring, de laatste keer dat ik een echo van mijn dochter zag, was toen ze net een week of tien in haar moeder groeide. Toen hoorde ik iets bonken waarvan de vroedvrouw zei dat het een hartje was. Nu zit ik naar datzelfde hart te kijken. Ik zie overal gaatjes, echt overal, ze zijn niet te tellen, als ik door mijn wimpers loer: één gapend gat. De dokter zegt “zie je die kleurtjes Emma? Welke kleurtjes zie je?” Mijn dochter noemt ze op en ik zit te zweten.

Dokter 4 is de opperdokter. Hij tekent het hart van Emma na op de achterkant van een formulier waarvan ik een minuut geleden nog dacht dat het reuze belangrijk was. Rechterkamer, linkerkamer, boezem, kransslagader, er is geen touw aan vast te knopen. Dan tekent hij het gaatje, op de plek waar het in het echt ook zit. Hij zegt “uw dochter heeft een gaatje in haar hart, maar ze heeft er geen hinder van en zal het ook niet krijgen.” Ik blijf weer hangen bij “gaatje” en terwijl de andere woorden vervagen staar ik naar het gaatje van blauwe ballpoint op het papier. Hij heeft er een pijl doorheen getekend, heel kinderachtig, een hart met een pijl erdoor. “Snap je wat de dokter zegt?” vraag ik. Mijn dochter knikt, ze lacht erbij. “Ik heb een gaatje in mijn hart” zegt ze, “maar het is niet erg.”

Ik geef de dokter een hand, ik bedank hem, wil nog iets anders zeggen:

...kan ik dat gaatje niet overnemen? Ik kijk niet op een gaatje meer of minder, hup geef het aan mij, gewoon, om de mogelijkheid uit te sluiten...

Ik zeg het heel snel. Het klinkt als ‘glop.’ Mijn dochter pakt mijn hand en wij gaan.

donderdag 9 september 2010

Japie de Graafmachine en de anderen

Japie de Graafmachine zit weer te sneupen in het bouwafval. Hij zoekt naar goud, tweemaal daags, in de container voor mijn deur. Een paar dagen geleden, op een druilerige maandagochtend, haalde hij mijn oude mengkraan eruit, en een paar meter elektriciteitsdraad. Ik kwam net aanlopen, ik knikte. “Fijne zondag” riep hij, en hij stak zijn klauwtje de lucht in. Japie heeft zijn bijnaam te danken aan dat manke rechterhandje, dat gravende bewegingen maakt als hij fietst, alsof hij bakken met lucht moet verzetten voordat hij erdoorheen kan fietsen.

Ik zit half verscholen achter de klep van de kofferbak, loop te dralen. Op een of andere manier vind ik het niet prettig de blits te maken met uitpuilende AH-tassen, in de nabijheid van Japie. Er komen twee jochies aanslenteren. Ze zijn acht of negen. Ze blijven staan als ze Japie zien.

Japie heeft niets gevonden. Dat had ik hem wel kunnen vertellen, maar daarmee zou ik een subtiele regel hebben geschonden. In het licht van diezelfde regel is ook de gewoonte te begrijpen dat ik oude mengkranen en koperen leidingen niet achterhoud om ze hem gewoon netjes te geven, maar dat ik ze achteloos in de container flikker. Wie het eerst komt die het eerst maalt. Nu valt er niets te malen. Japie stapt weer op zijn fiets, een wrak dat ik nog niet eens in mijn container zou willen hebben.

“Die gast is leip” fluistert het joch. “Yo, wat een leipo” bauwt het vriendje hem na. Had ik al gezegd dat ze negen waren? “Hé Japie” roept het eerste joch. “Fijne zondag!” zegt Japie, hij steekt zijn klauwtje op. Het is zaterdag. De jongens beginnen te grinniken, maar niet naar Japie. Nu doen ze iets met hun wijsvingers. De een brengt hem naar zijn voorhoofd, de andere draait er rondjes mee om zijn slaap. Iedereen weet dit: wat met een wijsvinger begint, eindigt met een middelvinger en een hoop ellende. “Leipo!” roept er één, zo'n beetje in zijn richting. Ze beginnen hard te lachen en te rennen.

Ik sjouw mijn boodschappen het huis in. Daarna speelt het script voor de blockbuster “The Revenge of Jack the Shovel” zich af in mijn hoofd, een keiharde afvalverwerkingshorror. Ik ben echt meedogenloos, het gehuil van types die vinden dat kinderen in films gespaard moeten worden is aan mij niet besteed. Fijne zondag jochies, whoeehahahaaAAA.....

vrijdag 3 september 2010

Sersonichos, Chersosinos...

Ze zeiden dat ik naar Oh Oh Cherso moest kijken op RTL 5. “Daar moet je eens over schrijven!” Ik krijg de laatste tijd best vaak adviezen omtrent waar ik over zou moeten schrijven. Ja man, schrijf eens over dingen die ertoe doen. Zeven Hagenezen in een vakantiehuis op Kreta die drie weken “los gaan” op de drank en op elkaar, echt helemaal de shit man. Ze kunnen Chersonissos geen van allen uitspreken. Dat zijn pas romanpersonages.

Het is maar net wat voor personages je zoekt.

Ik ging ervoor zitten, ik heb gekeken, en ik moet zeggen: ik werd niet teleurgesteld. Ik kwam veel te weten. De jongens werden bevraagd over hun voorkeuren aangaande meisjes. Die liepen behoorlijk uiteen. De jongen met de uilennek en Michael-Boogerd-lach was het meest veeleisend: “Barbiepop, grote tieten, stgak lèffie, stgak kontjuh, lekkege laag make-uppie erop”. De knul met de sterren op zijn schouder getatoeëerd was iets minder kieskeurig: “alles wat maat meloen heeft”, en de derde stelde nog minder eisen: “als het maar een hartslag heeft.” Deze knul had op internet een goede versiertruc gelezen. Hij spelde het scenario uit: “Ik zeg ‘schat kom jij toevallig uit Griekenland?’ Dan zegt zij ‘Nee, hoezo?’ en dan zeg ik ‘alle godinnen komen toch uit Griekenland?’ Dan zitten ze al in je zak.”

De meisjes wisten best wat die jongens wilden, ze waren heus niet gek: “volgens mij denken die jongens: als er wat te neuken valt, valt er wat te neuken.” Een groot inzicht, maar desondanks hunkerden zij naar een “breed, gespierd, lekker zonnebankbruin typie”, of kort samengevat: “een anabool.” Dat kwam allemaal wel in orde, want “we hebben allemaal lekkere kunstnageltjes”

Het ‘daggeren’ kon beginnen. Feesten jongens, dacht ik, je bent het jezelf verplicht. Doe het nu. Nu is er eerst de drank en dan pas het probleem, later is het andersom. Dan is het over en uit.

Ik weet wat er gaat gebeuren...

De gozer met de sterren krijgt op zijn dertigste een ongeluk met zijn heftruck. Een pallet bonsaiboompjes over ‘m heen. Gebroken rug. Wordt een kettingroker met overgewicht. Ik hoop dat hij van zijn kinderen zal afblijven. Barbie komt over vijf jaar tot het inzicht dat het haar nooit zal lukken een goeie kerel aan de haak te slaan. Haar strategie (plamuren, party-en, paren) trekt enkel mannen van het type “eerst slaan, dan neuken.” Wanhopig trouwt ze met een ex-gedetineerde die haar na dertig bier zo hard schopt dat ze een miskraam krijgt. Het tweede kind is een mongooltje. Bibi, die kleine, krijgt vijf gezonde kinderen en een bekkeninstabiliteit die er voor zorgt dat ze eerder aan de rollator is dan haar grootmoeder. De Joker, die met de uilennek, doet – volledig berooid - een cold-turkey omdat hij geen plek in de afkickkliniek kon krijgen. Daarna doet hij iets groots: hij neemt de zorg voor het gezin van zijn broer op zich, die in coma raakt na een jammerlijk incident op Koninginnenach. Hij werkt op de bloemenveiling en neemt iedere dag een bosje tulpen mee voor zijn schoonzus. Ze trouwen, tien jaar later, in het geniep, in de zomer als de stekker er eindelijk uit gaat. De kinderen weten van niets. Die zitten op Serchonisos, Sersonichos, nou ja, gewoon Kreta en gaan daar helemaal uit hun pan.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010