vrijdag 25 november 2011

Maagden

Ik las ‘De Nederlandse Maagd’ omdat het boek de AKO literatuurprijs had gewonnen. Het is geen bijzonder goede reden, ik geef het toe, het is zoiets als naar FC Zwolle gaan kijken omdat ze bovenaan staan in de Jupiler league, maar ik was nieuwsgierig omdat halfvlieggewicht Marente de Moor de zware jongens Grunberg, Buwalda en Thomése het nakijken had gegeven. Je ziet het zo voor je, Grunberg met zijn kettingzaag, Thomése de honkbalknuppel, Buwalda de bijl, en Marente tegenover hen met een dunne floret, zo’n degen met een bolletje in plaats van een punt omdat het anders au doet. Laat maar, dachten de mannen, drie pils dan maar?

Op Recensieweb wordt als volgt samengevat waar De Nederlandse Maagd over gaat: September 1936. Een achttienjarig meisje wordt naar een bijna leegstaande villa op een verlaten landgoed gestuurd om daar schermlessen te krijgen van een verbitterde man met een groot litteken die vroeger een goede vriend van haar vader was maar nu om mysterieuze redenen niet meer.

Ik vind het altijd knap, zo’n samenvatting. Bovendien klopte het wel zo’n beetje, stelde ik vast nadat ik het boek had dichtgeslagen. Verder was ik teleurgesteld, maar wist niet precies waarom. Een paar dagen later zag ik een foto van Marente in de krant. Ik keek naar een zelfverzekerde, elegante jonge vrouw. Ze hield haar arm een eindje omhoog, licht gebogen, alsof ze een degen vasthield. Dit is wat ik ook tegen mijn vrouw zei. Mijn vrouw antwoordde: 'dat boek gaat dus over haar. Over dat ze eens lekker gepakt wil worden door een stevige ouwe vent.'

Ik zei: daar ging het boek helemaal niet over! Het is de schuld van Connie Palmen dat iedereen denkt dat vrouwen alleen over zichzelf schrijven. Dit boek ging over, tja... er waren toestanden met nazi’s, littekens en geheimen uit de Eerste Wereldoorlog, met schermlessen die op een zeker moment om onduidelijke reden nooit meer doorgaan, mysterieuze brieven die nooit verstuurd werden, oude vetes, dode paarden, toernooien, geile, geschifte tweelingbroers. Allemachtig, het ging over god weet wat, en het was allemaal opgeschreven om de aandacht af te leiden van iets anders. Maar wat?

Ik gaf mijn vrouw alsnog gelijk. Dit is gebruikelijk, maar in het onderhavige geval ook terecht. Marente de Moor wil schrijven over een meisje dat op Marente de Moor lijkt en dat lekker gepakt wil worden door een bonkige oude vechtjas, een huzaar, een echte kerel, met zoveel littekenweefsel dat hij pijnloos een trekhaak op zijn rug kan laten lassen. Als ze het boek gaan verfilmen moet hij gekleid worden, zo’n kerel. Daar wil ze over schrijven. Ze durft het alleen niet goed, en zodoende komt ze er een beetje bekaaid af. Een enkele terloops beschreven beurt, dat is alles. Het is een beetje sneu, vooral omdat het haar eigen schuld is: zij is de schrijfster, ze had het hele boek vol kunnen seksen, maar ze durfde het niet aan. Het boek werd, ik kan het niet anders zeggen, een keurige keukenmeidenidylle. Een goed gedocumenteerde kasteelroman. Het kasteel als hunkerbunker, u kent het. Eindeloze gangen, bedompte zolderkamers. Pak me dan als je kan. Maagden. Duh. Troika hier, troika daar, ja je ziet er veel dit jaar.

Ik moest denken aan die andere maagd die een grote prijs won, De maagd Marino. Op de achterflap kijkt Yves Petry ons brutaal aan. Zijn blik zegt: ik heb het geschreven, maar vergis je niet, ik heb er niets mee te maken. Petry werd ook een ‘verrassende winnaar’ genoemd. Het was in ieder geval niet een onterechte winnaar.

vrijdag 18 november 2011

Koning Faal

‘Meneer, meneer!’

Op het onverlichte fietspad richting de voetbalvelden staat een jochie van een jaar of acht naast zijn fiets. Ik heb grote haast. Wat moet hij van me? Een kilometer verderop staan tien van zulke jochies op mij te wachten voor de training. Zonder mij gaan ze van gekkigheid gras eten, met hun koppen tegen de doelpaal beuken en lelijke dingen zeggen over homo’s. Daar zijn ze immers zeven voor. Misschien gaan ze zelfs wel een potje voetballen zonder mij. Dan zijn de gevolgen helemaal niet te overzien.

‘Meneer, me ketting is eraf.’ roept het jochie, met een goed gesneden Marokkaans accent.

Ik knijp vol in mijn remmen. Het is een reflex, het gebeurt buiten mij om. Oerinstincten nemen vanaf hier alles over. Ik sta precies naast hem stil. Hij is alleen, hij heeft alleen mij.

‘Kunt u ‘m er weer omdoen?’ vraagt hij. Ik gloei. Het gezag van alle vaders, onderwijzers en trainers is voor even in mij samengebald. Ik kom te laat op de training, maar als ik hem laat staan, is deze jongen verloren voor de maatschappij. Hij zal nooit meer iemand vertrouwen.

Een fietsketting leg ik bovendien in een handomdraai om. Ik buk en rammel wat aan de ketting, ter oriëntatie. Die is gortdroog. Er komt hooguit roest aan mijn vingers. Dat is een meevaller. Ik spreek geruststellende woorden, en zeg daarna dat zijn vader de ketting moet smeren en aanspannen. Wat een autoriteit straal ik uit! Wat een kunde en inzicht! Ik ben zo’n beetje de vader aller vaders. Dan ontdek ik dat de ketting achter klem zit tussen het tandwiel en het frame, en niet zo’n beetje ook. Ik ruk en trek, fluit tussen mijn tanden om niet te vloeken. ‘Hij zit klem’ zeg ik. Ligt er wanhoop in mijn stem?

Het is even stil. Ik ruk nog een paar keer aan die ketting.

‘Het is wel eens eerder gebeurd’ zegt het joch. ‘Toen heeft een meneer er een schroevendraaier bij gehaald.’ Jonge Marokkanen articuleren scherp en zijn doorgaans stukken beter te verstaan dan hun Hollandse leeftijdgenootjes. Het zinnetje over die meneer met die schroevendraaier versta ik niet alleen heel goed, het komt ook tussen mijn ribben binnen, als een mes.

‘We zetten hem even op de kop’ zeg ik, om wat gezag terug te winnen. Met een soepele zwaai draai ik de fiets om. Ik begin weer aan de fietsketting te rukken. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan een schroevendraaier te gaan halen. Ik ben besodemieterd. Ik moet die ketting loskrijgen, het moet. Mijn ambassadeursschap voor vaders, voetbaltrainers en andere kordate mannen verdwijnt naar de achtergrond. Het gaat hier om een strijd die ik niet mag verliezen. Ik ben definitief een Mislukking in de Orde van de Nederlandse Leeuw als ik hier, in het donker, op dit fietspad dat nat is van de mist, die ketting er niet omkrijg. Ik zal niet meer met mijzelf kunnen leven. Het moet het moet het moet! Ik haal een sleutelbos uit mijn zak. Ik duw de lange sleutel van de schuurdeur tegen de ketting, op de plek waar hij klem zit. Ik zet kracht. Als de sleutel breekt zal deze jongen mij zijn leven lang herinneren als Koning Faal de Eerste...

De ketting schiet los. Mijn vinger komt tegen het tandwiel aan. ‘Zo!’ roep ik in plaats van te schreeuwen van pijn. ‘Het komt in orde’. Ik val bijna flauw van de opluchting. Ik ben gered.

Daarna probeer ik de ketting met de pedalen over het grote tandwiel te trekken. Een eitje, normaliter. Maar het lukt me niet.

‘Moet je niet aan de andere kant beginnen?’ Scherp als een Moors scheermes klinkt zijn stem. Het joch wijst naar de onderzijde van het grote blad, dat nu boven ligt.

‘We zetten hem eerst maar weer eens overeind’ zeg ik kribbig. Daarna volg ik zijn aanwijzing op, hopend dat hij dat niet in de gaten heeft.

De ketting ligt erom. Het joch zegt netjes dankuwel. ‘Wel goed smeren en aanspannen!’ roep ik hem na. De mist heeft hem al opgeslokt.

zaterdag 12 november 2011

Twee wekkers (voor mijn kinderen)

Ik liep zaterdagmiddag de Hema binnen. Dat is op zichzelf niet iets om een toestand van te maken, dat doen er zoveel. Ik liep zelfs behoorlijk vastberaden naar binnen, kan je wel zeggen, en toen ik daar stond, midden in de winkel – rechts een muur van chocoladeletters, links de omfietswijn, ertussen in de onderbroeken – wist ik niet meer wat ik er moest. Misschien was ik vergeten wat ik wilde kopen, misschien was ik vergeten dat ik helemaal niet naar de Hema hoefde, maar is de Hema nu eenmaal onweerstaanbaar voor mij, en was ik ook dat vergeten. Het leven begint met niets weten, en net als je daar van verlost lijkt te zijn, begint het vergeten.

Weten begint bij mij overigens de laatste tijd met het openklappen van mijn MacBook, en het vergeten begint met het dichtklappen ervan. Wat daartussen zit doet weinig ter zake. Het is in ieder geval niet blijvend, zoals de staat van het niet-weten en het vergeten.

Er verandert iets in mijn kop, en het komt door internet, en door het ouder worden, en door het feit dat ik mislukking gewoon weer toesta in mijn leven en dus niet krampachtig ‘plakband, plakband’ of ‘worst, worst, worst’ in mijn kop loop te repeteren, benend door de overvolle straatjes tussen Vroom en Dreesmann en de Hema.

Het resultaat was wel dat ik op zaterdagmiddag middenin de Hema stond zonder een flauw benul wat ik er deed.

Dus pakte ik maar een zak schuimpjes en liep naar de kassa. Ik moest wachten, niet lang, maar lang genoeg om te zien dat naast de kassa een rekje was opgesteld met een aantal exemplaren van een cd van Blof. Bluf. De bandnaam wordt gespeld met zo’n moeilijke ‘o’, dat weet ik best, maar die kan ik niet vinden op het toetsenbord, en ik heb geen zin om moeite te doen voor Blof. De cd heette Alles blijft anders.

Wat willen de mannen van Bloef zeggen met zo’n titel? Dat loop je dan te prakkiseren. Wat betekent het? ‘Alles blijft anders’. Je komt er niet uit. Ik moest ineens denken aan de eerste keer dat ik de film Back to the future zag. Michael J. Fox moest terug naar het verleden om te voorkomen dat zijn ouders elkaar niet zouden ontmoeten, waardoor hij niet geboren zou worden. Nachten niet van geslapen. Het was fascinerend, maar ik kwam er niet uit.

Dit zal mij met Blof niet gebeuren. Dat komt omdat hun muziek wel zo’n beetje ken, en er eigenlijk nooit iets ‘anders’ in te horen is. Wil je iets ‘anders’ horen? Heb je echt dat lef? Luister dan naar Janáček of György Kurtág. Die hebben ook moeilijke dingetjes in hun naam, maar voor hen doe ik graag moeite. Alles blijft anders is een titel uit een doe-het-zelfcursus poëzie. De opdracht van de naar urine riekende cursusleidster is: ‘hussel de woorden van twee akelige cliché’s door elkaar (voorbeeld: ‘alles wordt anders’ en ‘niets blijft hetzelfde’) en kijk toe hoe de woorden een nieuw verband aangaan.’ Juist. Laat een witregel volgen, en zelfs de grootste onzin wordt voor diepzinnig gehouden. Lukt het dan nog niet, maak er dan een titel van. Nieuw verband mijn zolen.

Alles blijft anders. Tja. Ik vind het nog het meest klinken als een gemiste kans. ‘Alles wordt hetzelfde’ was vele malen beter geweest. Het is namelijk ook waar. Tenminste, als het gaat om de muziek van Bløf.

Op weg naar huis verzon ik tientallen waardeloze titels. Voor cd’s, romans, dichtbundels, om het even wat. Al doende schoot mij weer te binnen waarvoor ik naar de Hema was gegaan. Twee wekkers, voor mijn kinderen.

Dat vond ik de mooiste titel van alle. Een titel, en een opdracht.

vrijdag 11 november 2011

It's wonderful, it's interesting, it's upperclass English

Goedopgeleide Britten zeggen nooit wat ze bedoelen. Ze spreken een codetaal. Met hun taal houden ze het uitgeholde klassensysteem overeind, en dat is een bron van groot vermaak. Behalve als je met ze moet werken. Britten kunnen karaktermoord plegen met een enkel goedgeplaatst woord, dat onschuldig oogt en hen daardoor te allen tijde vrijpleit van kwade bedoelingen. Echter, iedereen weet donders goed: zo’n zinnetje is een vonnis. Het verlies van status dat volgt op het incasseren van zulke woorden is blijvend en dient op een middelbare school zichtbaar te worden in de teacher’s lounge, alwaar de schikking van personeel rond verschillende koffietafels uitdrukking geeft aan klassenverschillen. Voor een botte doe-es-normaal-man-Hollander als ik is de Engelse upperclass-lingo een slangenkuil waar ik steeds opnieuw in donder. De executies gaan altijd gepaard met het omstandig uitspreken van mijn naam (‘Ghurrwin’ lijzig en vermanend uitgesproken), dit om de hele teaparty duidelijk te maken om wiens onthoofding het hier gaat.

Ik voorzie eenmalig een aantal veelgebruikte Britse uitdrukkingen in vergaderingen van de juiste, voor platlanders begrijpelijke, vertaling.

‘This might not be such a great idea’: ‘hierbij zet ik je volledig te kakken ten overstaan van alle anderen wier tijd jij nu zit te vermorsen – je kan een verbanning naar de koffietafel van de concierges tegemoet zien. Hou ze te vriend, want de kelders onder het schoolgebouw zijn donker en vochtig. Lach besmuikt, en alleen om ontoelaatbare grofheden.’

‘Well, I must say, I’m not jumping off the fence rightaway’: ‘ik zal alles doen wat in mijn vermogen ligt om dit krankzinnige plan te verijdelen. Je moet begrijpen dat je vanaf dit moment je mond niet meer open dient te doen in de veragdering. De gymnastiekdocenten zullen je morgen verwelkomen aan hun koffietafel. Niet meepraten over voetbal, toon bewondering en lach gul op het juiste moment.’

‘A most interesting idea’: ‘allemaal wel aardig, maar wat een tijdverspilling, laten we nu in godsnaam overgaan tot de orde van de dag. Probeer morgen de koffietafel van de kunstdocenten, en deins niet terug voor hun drankadem, daar zijn ze zeer gevoelig voor.’

‘That is possibly the most charming idea I heard today’: ‘je bent een lekker creatief kereltje, maar dit soort plannetjes zijn natuurlijk onhaalbaar en leiden op een vervelende manier af van mijn agendapunten. Koffietafel van de leraren Social studies en andere wereldverbeteraars die geen orde kunnen houden.’

‘You are absolutely right’: ‘maar jouw grote gelijk bezorgt ons een hoop ellende, dus als je zo vriendelijk zou willen zijn niet triomfantelijk in het rond te kijken en je shirt aan te houden, dan zie ik het door de vingers. Morgen wiskunde-koffietafel. Grote, brede tafel waar iedereen altijd gelijk heeft. Het tapijt is er futloos en versleten.’

‘Ghurwin, that is not bad at all’: ‘top, dat ellendige klusje, daar ben ik mooi van af. Je kan meteen beginnen. Op proef bij de tafel English literature, maar pas op, hier drinkt men thee en citeert men T.S. Eliot. De Russen en Klassieken worden ook gewaardeerd, mits in de originele taal, en met het juiste slisserige accent uitgesproken. Als niets je invalt, neem dan een minuscuul slokje thee en kijk alsof je een wandelstok hebt ingeslikt. Mocht je bevallen, dan behoort verdere scholing tot de mogelijkheden. De twaalfjarige cursus ‘how to be perfect’ begint in 2024.'

vrijdag 4 november 2011

Occupy Earth

Occupy. Wat moeten we daar nu weer van vinden? Tja, je moet wel een akelige zuurpruim zijn om de Occupy-beweging niet tenminste een beetje sympathiek te vinden, dunkt me. Ze zijn tegen dezelfde dingen als iedereen, zoals ‘de graaicultuur’ en ‘uitwassen van kapitalisme’, en bereid daarvoor tot nader orde in een koude tent te gaan wonen. Bovendien zijn ze nergens vóór, hetgeen sympathiseren vergemakkelijkt.

Ik herinner mij de dag dat ik mijn eerste hypotheek afsloot. Een knul in krijtstreep met een lichtblauwe stropdas liet ons twee grafiekjes zien. Twee lijntjes. ‘Twee wegen’ zei hij. De één was recht, de andere krom, maar beiden zouden leiden tot een fortuin. De kromme ging alleen harder, ‘maar droeg meer risico’s in zich.’ Ha, risico’s, die vrat ik ’s ochtends bij de Brinta. Ik was nog geen dertig. Ik stond op het punt godhemeltje rijk te worden. De knul was jonger dan ik, en hij rook lekker, vond mijn vrouw. Wij waren beide een kort moment bevangen door het graaivirus, wil ik maar zeggen.

Die droom van rijkdom en andere lichtblauwe heerlijkheden kwam niet uit. Een jaar of wat geleden moesten we halsoverkop de woekerpolis omzetten in iets waar geen dromen aan wilden kleven, het hypotheek-equivalent van november, nattigheid, dagen die gaan zoals zij gingen en een leeg hart. Wie een hypotheek heeft, kinderen en andere wurgtouwen om zijn nek, die is niet in de positie in een tentje op het Beursplein te gaan liggen. Die moet zich de tandjes werken om de graaiers af te betalen. Zodoende is mijn bijdrage aan Occupy noodgedwongen beperkt tot een vleugje sympathie.

Toch is zelfs dat niet altijd makkelijk. Ik voel ook weerzin. Ik herken in de Occupy’ers de behoefte onderdeel te zijn van iets dat groter is dan zijzelf. Het is religie zonder een leer, met een exhibitionistisch tintje. Een journalist vroeg een groepje tentbewoners of het allemaal wel zin had, zolang ze niet duidelijk konden maken wat ze eigenlijk wilden veranderen.

‘Zin? Natuurlijk heeft het zin! Jij bent hier nu toch?’ kreeg hij als antwoord.

Ja dacht, ik, dat is waarschijnlijk genoeg, een journalist met een camera. Nog beter zou het zijn als SBS vandaag overal camera’s ging opstellen om hun meetings, hun geruzie om eten en hun geflikflooi in de tent 24/7 te filmen. Zouden ze dat niet heerlijk vinden? Ze willen gezien worden, liefst geprezen, maar als dat niet gaat is gezien worden genoeg.

De sympathie die ik voel voor dit zooitje ongeregeld is goed beschouwd dezelfde die ik opbreng voor de gehele dwalende, verwarde, potsierlijk ploeterende en falende mensheid. Ik heb een groot hart, ik hou van hen allen evenveel, inclusief de graaiende blauwe stropdassen. Als vandaag alle insecten van de aardbodem zouden verdwijnen, dan zou al het leven op aarde binnen een jaar ten einde zijn. Als alle mensen vandaag stierven, zou al het leven op aarde tot bloei komen. Wij houden allen de aarde bezet. Dat is dan wel weer aardig van Occupy: ze demonstreren ook een beetje tegen zichzelf.

dinsdag 1 november 2011

Ik ben je beste vriendin

Soms loop ik, om mijzelf te straffen, een eindje hard door park Cronesteijn. Dit is een polder net buiten de stad die men met opzet verwaarloosd heeft, zodat er een ‘aantrekkelijk stukje natuur’ ontstaan is, of iets dergelijks. Ja mensen, waar jullie de handen vanaf houden, daar komt het bos vanzelf. Het is voor het overige het soort park waar je je dochter liever niet doorheen laat fietsen. Het is zo’n park met veel soorten lage begroeiing die wij vroeger ‘bosjes’ noemden. Ach, die oude tijd dat de dingen die je kon doen in de bosjes voor ons jongens nog geen zedendelicten waren, maar een bron van diepe en onbegrijpelijke verlangens...

Ik liep daar dus mijn wekelijkse gevecht te voeren tegen mijzelf en de aandrang voorgoed te stoppen met dat hardlopen. Ik doe dit het liefst alleen, op incourante tijdstippen, want een overstekende eend kan het wankele evenwicht al verstoren. Maandagochtend rond tien uur blijkt een geschikte tijd te zijn, hondenbezitters en sportievelingen zitten dan lusteloos thuis of op hun werk. Er zaten wel twee meisjes bij de picknicktafel – op het lange rechte stuk. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat het meisjes waren van het soort dat ik doorgaans grieten noem, en ze waren overduidelijk aan het spijbelen. Ik kon ze ook woordelijk verstaan, hoewel ik nog zeker dertig, veertig meter van hen verwijderd was. ‘Ik ben toch je beste vriendin’ zei de ene met een grietenstem.

Een ingewikkeld zinnetje – gemakkelijk om te zeggen, zeker, maar wat betekent het? De griet had geblondeerd haar en was zo te zien in de weer geweest met een krultang. Ik wilde eigenlijk iets kordaats zeggen als: ‘hela, gaan jullie eens snel naar school!’ want een docent ben je niet enkel tijdens kantooruren – het is een way of life (met deze uitspraak krijg ik altijd gemakkelijk de lachers op mijn hand). Maar precies op het moment dat ik ze passeerde – ik zocht al lucht voor mijn berisping – trok de griet haar broek naar beneden. Dit is echt waar. Ze trok haar spijkerbroek omlaag. Ik zie haar crèmekleurige dijen zo voor me. Dikke, stevige dijen. Ze riep ‘hallo meneer!’, en hurkte. Ineens was ik weer twaalf, alle dingen die je in bosjes kon doen op slag vergeten, en bang voor zulke grieten. Ik rende hard door. Een heel stuk verderop durfde ik om te kijken, heel kort. Het kind zat een plas te doen. Ondertussen praatte ze met haar beste vriendin.

Ik vergat mijn continue staat van uitputting, liep mechanisch naar huis, nogal in verwarring over mijzelf en de wereld waarin in leef. U kent die momenten wellicht. Iemand – God bijvoorbeeld - heeft de inhoud van een doosje lucifers over de vloer uitgespreid en je de opdracht gegeven: ‘haal drie lucifers weg om zes vierkanten over te houden’. Ik besloot dat men sommige voorvallen niet moet duiden, veroordelen of in breder perspectief proberen te zien. Men moet er geen vierkanten van proberen te maken. Men moet ze gewoon opschrijven en vergeten.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010