vrijdag 14 december 2012

Hall of Fame (column Trouw 12 dec)


“Dedicate yourself and you can find yourself
Standing in the Hall of Fame”

Dit is een regel uit een nummer van The Script, een Ierse band die bij scholieren populair is. Het lied heeft vier akkoorden en een pakkende deun. Deze kenmerken maken het geschikt om het met leerlingen uit de brugklas te zingen en te spelen, mits je niet bang bent voor een beetje herrie. En dat ben ik niet, althans, ik schort die angst altijd op. Alleen, vandaag voelde ik mij ongemakkelijk bij de strekking van de tekst. Vreemd, want ik doe zelden moeilijk over teksten, al zijn ze infantiel, cliché of seksueel getint.

Het kwam door Diederik.

De tekst van ‘Hall of Fame’ gaat over wat je kan bereiken met toewijding. Zo lijkt het. Maar wat moet je bereiken? Wat is het doel? ‘The world’s gonna know your name.’  Zo geeft de tekst voeding aan een fascinatie voor roem die je typerend voor deze tijd kan noemen.
En ik dacht dus aan Diederik.

Inmiddels weet heel Nederland dat Diederik Stapel uit Oegstgeest komt, en dat hij daar naar het vwo ging. Naar onze school dus. Onze rector werd de afgelopen dagen gebeld door journalisten en kreeg steeds deze vragen voorgelegd: was Diederik Stapel als leerling al frauduleus? Had hij narcistische trekjes? Spiekte hij?

In de koffiekamer vertelde hij mij dat hij Stapel jarenlang Engels gegeven had. Een prettige leerling met een schoon blazoen. Winnaar van de Curatorenprijs voor excellente leerlingen in 1985. Het is moeilijk te begrijpen. Natuurlijk pronken wij graag met succesvolle oud-leerlingen. Maar wat doe je met fraudeurs en brekebenen? Op de diplomaceremonie van onze Internationale School, een paar weken geleden, gebeurde iets wonderlijks. De rector liet zoals altijd een poster zien van onze eigen Hall of Fame: Jet Bussemaker, politica; Laura Jansen, zangeres; Taeke Taekema, hockeyer; H.M. van den Brink, journalist. Kijk, beste gediplomeerden, dit kan je worden. Ten slotte: Diederik Stapel, hoogleraar sociale psychologie… Daar stond die naam. Hij was met opzet niet weggehaald. Een kostbaar moment van zelfreflectie voor school, leerlingen en ouders. Kijk, dit kan je worden. Een adembenemende stilte viel over de zaal. Men zag het, en men begreep het.

Dit wilde ik mijn bruggers, die met de tekst en de muzieknoten voor hun neus zaten, graag duidelijk maken. Wat je ook wordt, je kan maar één ding verliezen: jezelf. Maar het was het goede moment niet. Drie jongens mompelden de tekst voor zich uit, terwijl ze ritmisch met hun hoofden bewogen. Eén speelde luchtgitaar onder de tafel. Clara, mijn toppianiste, tikte met haar vingers op het tafelblad, terwijl ze ingespannen naar de muzieknoten tuurde. We moesten nodig aan de slag.

donderdag 6 december 2012

Sinterklaas (column Trouw 5 dec)


Sinterklaas zat bij Zwarte Piet achterop de brommer. Hij hield zijn mijter vast, zijn tabberd wapperde achter hem aan. Zo kwam hij aan op school. Dit was twee jaar geleden. Ik weet nog dat ik bang was dat de stof in de ketting zou raken en Sinterklaas in één keer achterover van de brommer zou trekken.
Sinterklaas’ gezicht was goud geschminkt. 

De Sint ging alle klassen rond en liet leraren kunstjes doen. Ik moest natuurlijk een Sinterklaasliedje spelen op de piano, waarna Sinterklaas doodgemoedereerd meldde dat de les was afgelopen. Sinterklaas was een leerling uit 5 vwo die Bengt heet, en die een zekere reputatie genoot. Ik sluit niet uit dat Bengt die dag de mooiste dag van zijn schoolleven heeft gehad.

Sinterklaas op een middelbare school, dat is een morsige, moeizame aangelegenheid, en ik moet vaststellen dat die keer met Bengt de eerste en enige keer was dat het geen treurige vertoning werd.
Alle jaren vóór Bengt ging het als volgt: Alle brugklassers kwamen bij elkaar in de aula, alwaar zij onthaald werden door Sint, een zooitje Pieten, de rector zelf, en mooie pianomuziek – Sinterklaasliederen, gespeeld door de uiterst muzikale docent Engels. Wat in die aula gebeurde, bleef in de aula, en ik heb mij er nooit binnen gewaagd. Tot ik een keer moest invallen voor genoemde collega. 

Ik speelde – had nog flink geoefend ook – maar niemand zong. Niemand. Toen kwam Sinterklaas binnen. Nog steeds zong niemand. Ik hoorde de bruggers allerlei namen fluisteren. Ze kwamen al snel tot overeenstemming dat het de leraar techniek was. Sinterklaas riep een aantal kinderen naar voren komen. Het hele idee was om de grootste lastpakken eens te grazen te nemen. Ze moesten bijvoorbeeld voor straf een liedje zingen. De harde aanpak, zeg maar. 

De grootste boef was voor het laatst bewaard. Het joch liep met een achteloze sloomheid naar voren. Sint vroeg dingen, de knul gaf brutale antwoorden en zei dat het hem ‘geen zak’ kon schelen. ‘Wat doen we met deze jongen Sinterklaas?’ verzuchtte de rector. Ik wist zeker dat hij diezelfde vraag dat jaar vaker gesteld had, zij het niet aan Sinterklaas, maar aan leraren en ouders. ‘Geef hem maar een hand pepernoten Piet,’ zei Sinterklaas. Een compleet falend zorgtraject zat samengebald in die woorden.

Daarna gooiden de Pieten pepernoten naar de joelende leerlingen. De pepernoten werden direct weer teruggegooid, alleen veel harder. Men mikte op de mijter van Sinterklaas, die op een draf de zaal verliet en niet meer de moeite nam te zwaaien. Na de voorstelling kwamen de conciërges met bezems de aula binnen. Terwijl zij veegden haalde ik twaalf pepernoten uit de piano.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010