vrijdag 31 januari 2014

Kooyker moet blijven: actie bij Polare Leiden

Vanmiddag (vrijdag 31 januari) om 15:00 zal in het bijzijn van de pers onderstaand pamflet worden
opgehangen op de deuren van Polare Leiden, voorheen Boekhandel Kooyker. Ondertekenaars - Leidse schrijvers, critici en docenten - protesteren daarmee tegen de sluiting van de winkel, en pleiten voor heropening onder de naam Kooyker als zelfstandige boekhandel.


KOOYKER MOET BLIJVEN

Hier in Leiden staan verzen op de muren
Dichters spreken tot ons op iedere hoek van de straat
Maar hun boeken zitten achter slot en grendel
Kijk, daar liggen ze, voor dood

Schrijvers spreken zacht, in een zuivere taal
Zij weten niet wat “strategische heroriëntatie” is
Zij spreken over wat hun lief is, over hun angsten
Maar hoe gedempt ook en hoe stil: zij spreken
                      
Wie van boeken houdt die leest ze
Wie bang is voor boeken verbrandt ze
Wie angst noch liefde kent zet ze te kijk
achter gesloten glazen deuren

Onze boeken zijn gegijzeld
Wij willen ze terug

DEZE DEUREN MOETEN OPEN


Gerwin van der Werf, schrijver
Onno Blom, schrijver/biograaf
Christiaan Weijts, schrijver
Maarten Dessing, literatuurcriticus
Rick van Leeuwen, schrijver
Cor Geljon, literatuurdidacticus
John Swieringa, rector Rijnlands Lyceum Oegstgeest
Laurens Leujes, oud-docent Engels

Antos Szkudlarek, docent Nederlands

donderdag 23 januari 2014

"Hou je kop effe!" (Column Trouw 22 jan)


Ik schreef een tijdje geleden een stukje waarin ik lollig deed over de doodsmak van staatssecretaris Sander Dekker. Weet u nog? Hij reed in de duinen met zijn racefiets tegen een hond, hij brak twee armen en een sleutelbeen, kon een maand zijn billen niet zelf afvegen. Met de hond ging het goed.

Bah, ik leek wel een leerling, zo flauw te doen over het leed van een boven mij geplaatste. Nu heb ik spijt, want afgelopen vrijdag kreeg ik zelf een ongeluk met mijn racefiets. Ik reed niet op een hond, maar vol op een auto. Mijn voorwiel raakte de bumper, met mijn elleboog verbrijzelde ik de voorruit. Mijn fiets was doormidden. Ik stond een beetje verdwaasd op, en vroeg de automobilist of hij erg geschrokken was. ‘Heb jij niks dan?’ vroeg de man, die stond te trillen op zijn benen. Er staken glassplinters in mijn fietstrui, maar nee, ik had niks. 

Eenmaal thuis begon mijn hoofd te tollen, en ineens dacht ik aan de Open Dag. Die was morgen! Ik moest en zou naar de Open Dag. Niet omdat ik er zo naar uitgekeken had, bewaar me, maar als ik thuis zou blijven zou ik de rest van mijn loopbaan van dramaleraar Cees te horen krijgen: ‘jij gooit je zelfs voor een auto om onder de Open Dag uit te komen!’

Ik ging, met een stijve nek, licht draaierig, en in het volle besef dat de Open Dag de enige dag is waarop een leraar zich geen fouten kan permitteren. De rest van het jaar kan je blunderen naar believen, maar een uitglijder op de Open Dag, ja, dat kost je leerlingen.

Het was druk, het duizelde me al snel. Ik kon mijn linkerarm niet optillen. Ik gaf een paar kinderen gitaarles, legde op onsamenhangende wijze aan twee alleraardigste ouders uit hoe het curriculum voor muziek in elkaar stak. Na ieder woord zei ik ‘eh’.  Ze keken me welwillend aan, hun blik zei: ‘kom op jongen, je kunt het’. Stefano uit de derde, die zo aardig was op zaterdag te komen helpen, begon midden in mijn verhaal te drummen. ‘Hé hou je kop effe!’ blafte ik. Ik roep dit wel vaker naar Stefano, hij heeft verschrikkelijk ADHD, en houd van een directe vorm van communicatie. Ik lachte naar de aardige mensen. Te laat, te laat. Ze knikten vriendelijk en gingen weg. ‘Ik ben gisteren door een auto geschept!’ wilde ik ze naroepen. ‘Net als Sander Dekker, alleen erger, en ik werk vandaag gewoon weer! Op zaterdag!’

Maar ja, wat kan hun dat schelen? Zij moesten nog naar de Open Dag van een concurrerende school, en volgende week weer naar twee andere. Dat is ook hard werken.

vrijdag 10 januari 2014

Top 2000


In mijn vrije tijd mag ik graag afgeven op de Top 2000 van Radio 2. Het is de meest futloze, voorspelbare vorm van radiomaken die ik ken. De jury van de AD-oliebollentest ontdekt op haar tocht langs alle Oud-Hollandsche Gebakkramen meer variatie in smaak dan een luisteraar van de Top 2000 in zes lange decemberdagen. Diezelfde jury is trouwens ook een stuk kritischer, want de fanatiek bellende en twitterende radioslaven dwepen als bakvissen met de flauwe, kinderachtige muziekjes uit hun eigen jeugd, en gaan prat op hun slaaptekort dat ontstaan is omdat ze niets van de Top 2000 willen missen... wat een treurnis.
Mopperdemopper.

Maar dat is dus in mijn vrije tijd. Doordeweeks, als ploeterende muziekleraar, laat ik mij zonder scrupules in met bands als Maroon 5 en Coldplay. ‘Jongens, Clocks. Nummer twaalf in de Top 2000!’ Je snapt het niet, maar bij mijn leerlingen staat de Top 2000 hoog in aanzien. Ze lijken een beetje bedwelmd door het odeur van valse religiositeit dat het radio-evenement omgeeft. ‘Spelen we écht een nummer uit de Top 2000? Kunnen wij dat?’ Mijn vaderlijke lach tovert hun onzekerheid om in een rotsvast vertrouwen. Wij kunnen dat. Het is magie!

En de zachte, zilverachtige klank van gebroken drieklanken vult mijn lokaal. ‘Clocks’ op twintig keyboards.

Soms voel ik mij slecht, omdat ik zo gemakkelijk mijn idee van goede smaak opzijzet. Ik troost mij met de gedachte dat ik fraaie didactische doelen ophang aan zo’n nummer. Sterker nog, ik mag die Top 2000 wel dankbaar zijn. Ik denk nog wel eens terug aan de tijd van de Grote Ordeproblemen. Soms was ik echt bang, en was ik al blij als ze het liedje pruimden. Want dan pruimden ze mij ook, en dan zou ik blijven leven. Weer een dag. ‘Layla’ (nr. 198) van Clapton en ‘One’ (nr. 19) van U2 hebben mij jarenlang door bange lesuren heengesleept.

In mijn allereerste jaar kwam ik eens aanzetten met ‘Baker Street’ (Gerry Rafferty, nr. 349) in 4-mavo. Het leek mij dat ze de eenvoudige, catchy saxofoonsolo wel konden spelen. Op een keyboard. Na een half uurtje modderen verloste een brutale meid mij uit mijn lijden.
‘Maar meneer, vindt u dit nou een leuk nummer?’
De klas werd stil, de instrumenten zwegen.
‘Het is toch saai?’ ging het kind verder.
De stilte suisde in mijn oren. Roken ze bloed?
‘Ja, je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Oersaai eigenlijk.’
Gelach. Ze leken opgelucht dat ze mij niet hoefden te executeren.
‘Gaan we dan Bohemian Rhapsody doen meneer? Dat is pas een vet nummer!’

Iedereen juichte. Ik keek op de klok en zag dat ik nog een kwartier te gaan had.

donderdag 2 januari 2014

Een schoen voor Donker (Trouw 28 dec 2013)

Mijn lokaal is een kleine archipel die bestaat uit vijf eilanden. Ik noem ze even, nogal voor de hand liggend, naar de vijf Wadden. Ieder eiland bestaat uit zes tegen elkaar aangeschoven tafeltjes, van bovenaf bekeken vormen de eilandjes een U. 

Net als de echte Wadden lijken mijn eilanden erg op elkaar, al vinden de bewoners van niet. Eigenlijk moeten de bewoners weinig van elkaar hebben. Ze denken dat ze niets gemeen hebben, dat ze uniek zijn in hun cultuur en omgangsvormen, en dat de buitenwereld die bedreigt. Ze hebben niet in de gaten dat er veel meer is dat hen bindt dan dat hen scheidt. Dat ze samengehouden worden door natuurkrachten. Door het dagritme, de plaats, de tijd. En door mij, de leraar.

Volgens het cliché wordt Texel bewoond door de ‘gewone jongens’, een groepje dat zijn hechtheid niet ontleent aan een duidelijke identiteit, maar juist aan het ontbreken daarvan. Aardige jongens. Ze voelen zich veilig, ze gaan graag naar school, maar zeggen beroepshalve van niet. Texel bevindt zich dicht bij mijn bureau. Dat vinden de jongens niet erg. Helemaal aan de andere kant, ook vooraan in het lokaal, zitten de meisjes van Schiermonnikoog. Ze werken hard, ze houden ervan om hard te werken, half werk vindt geen genade in hun ogen. Ze zijn beleefd, maar hun groep is moeilijk toegankelijk.

Op Terschelling zitten de jongens die ‘populair’ genoemd worden, hoewel niemand weet wat ‘populair’ precies betekent. Het is in ieder geval niet hetzelfde als ‘geliefd’. ‘Luidruchtig’ komt dichter in de buurt. Ze haten school, of doen alsof, en veronachtzamen in die houding het feit dat zij de school nodig hebben om iedere dag langdurig in elkaars gezelschap te verkeren, en in dat van de meiden van Vlieland. 

Op Vlieland klitten de populaire meisjes samen. Populair wil bij hen soms zeggen ‘mooi’, en soms ‘brutaal’, zeker niet altijd, maar in ieder geval ‘beschikbaar voor de aandacht van de populaire jongens’ onder ingewikkelde en steeds veranderende voorwaarden. Vlieland en Terschelling spelen dat ze elkaars aartsvijanden zijn, en zijn zodoende de hele tijd met elkaar in de weer.

Ten slotte: Ameland. Hier bevinden zich: een jongen met een ‘rugzakje’, twee jongens in dezelfde H&M trui die aan Minecraft verslaafd zijn, en een gothic meisje dat basgitaar speelt. Allemaal karaktervolle types, maar er is tussen hen geen samenhang. Het zijn al die andere, voor hen moeilijk te voorspellen stromingen, die hen op Ameland gevangen houden. Het is duidelijk: als er in deze klas gepest wordt, dan zijn de Amelanders de klos. Als alles goed gaat worden ze door klasgenoten liefdevol genegeerd en beschouwd als ‘rare snuiters, maar wel ónze rare snuiters.’

Ook buiten mijn lokaal bestaan die eilanden, júist buiten mijn lokaal, want ik kan die groepjes door elkaar husselen wat ik wil, maar na mijn les schuift alles weer in elkaar, alsof het een door een hogere macht opgelegde orde is.

Eigenlijk geloof ik niet in het clichébeeld van die sociale groepjes. Ik geloof, zoals het een leraar betaamt, dat alle kinderen anders zijn en dat zij allemaal dezelfde verlangens hebben. Maar ik geloof ook dat één van die verlangens is om gewaardeerd te worden, of nog beter: bewonderd. Geliefd of gevreesd. Om een keer een hele Piet zijn. Het liefst veilig, in een sterke sociale groep. En als iemand hogerop wil, dan ontstaan er problemen, want wie hogerop wil moet naar beneden schoppen.

Ik moet denken aan een verhaal dat ik ooit probeerde te schrijven, toen ik zelf veertien of vijftien was, en Amelander. Het verhaal gaat over een jongen die graag bij een clubje wil horen rond een knul die Donker heet. Waarom ik hem de naam Donker gegeven heb weet ik niet meer, ik kende niemand met die naam en aan frivoliteiten als symboliek maakte ik mij in die jaren nog niet schuldig. Enfin, die jongen, die Tjeerd heet, wil bij het groepje van Donker, voornamelijk om van zijn ‘beste vriend’ Pim af te komen. Pim heeft een klompvoet, en legt in weerwil daarvan een voor Tjeerd onbegrijpelijke zelfverzekerdheid aan de dag. Pim wil altijd dat Tjeerd bij hem thuis komt spelen. In het clubje van Donker maken ze voortdurend grappen over Pim, en Tjeerd wil ook grappen over Pim maken in plaats van met Pim spelen.

Tjeerd vraagt op een dag of de club nog nieuwe leden aanneemt. Dan gebeurt het. Donker grijnst, denkt even na en geeft hem dan een duivelse opdracht. Tjeerd moet in het holst van de nacht inbreken bij Pim, om Pims speciale klompvoetschoen stelen. Als hij die schoen kan overhandigen, dan zal hij voorgoed bij Donkers’ club horen. ‘Goed’, zegt Tjeerd, omdat het makkelijker was om ‘goed’ te zeggen en dan later maar te zien wat er van komt, dan om het vlakaf te weigeren.

Donker en een paar anderen van de club staan ruim na middennacht verscholen in het plantsoen achter een paar struiken. Tjeerd klimt langs de regenpijp omhoog naar de het balkon op de eerste verdieping en kruipt door een openstaand badkamerraampje naar binnen. In verhalen staan badkamerraampjes vaak open. In het echt ook trouwens. In de badkamer wacht hij heel lang, tot hij zeker weet dat er niemand wakker is geworden. Dan staat hij op. Maar waar moet hij die schoen zoeken? In de bijkeuken?
Hij loopt naar beneden. Dan schrikt hij zich een ongeluk, want er brandt licht in de keuken. De moeder van Pim zit aan de keukentafel. Ze heeft een glas dampende melk voor zich staan en leest in de Bijbel. ‘Hallo Tjeerd,’ zegt ze. ‘Wat kom jij nou doen?’ Ze lijkt niet geschrokken. Tjeerd krijgt ook een beker warme melk.

Tjeerd vertelt van de schoen, en dat de club van Donker buiten staat. ‘Die gaan vanzelf weg,’ zegt de moeder. Ze lijkt helemaal niet verbaasd. Ze wijst naar de keukenmat. Daar staat de schoen. ‘Weet je wat zo’n schoen kost? Tweehonderd gulden! Eén schoen voor tweehonderd gulden!’ Ze vertelt dat ze ook nog een gewoon paar moest kopen, en ze kreeg geeneens korting vanwege het feit ze alleen de rechterschoen nodig had voor Pims normale voet. ‘Trouwens, die linkerschoen, die gewone, die mag je best hebben, jongen. Wil je die? Ik heb hem ergens bewaard, want het is toch zonde zoiets weg te gooien. Als ik jou ermee kan helpen...’
Tjeerd ziet een traan in haar ogen glinsteren. Dan gaat ze de schoen zoeken.

Even later loopt Tjeerd met die schoen het huis uit, de schoen die Pim nooit gedragen heeft – maar toch, Pims schoen. Donker is inderdaad al vertrokken. Tjeerd loopt het plantsoen in, hij is niet bang, alleen maar moe. Hij gooit de schoen in de vijver. De schoen zinkt niet meteen, even blijft hij liggen op het water, het is net een eilandje. Dan loopt hij vol water en zinkt heel snel, de kringen in het water lichten op in het schijnsel van de maan. Een paar tellen later is het wateroppervlak weer glad en roerloos.

Dit is het einde van het verhaal, althans in mijn herinnering. Misschien heb ik het niet eens echt afgemaakt, en dat laatste beeld er later bij verzonnen. Hoe dan ook, van Ameland ben ik dat jaar niet afgekomen, en mijn ziel verkocht heb ik evenmin. Maar misschien, ik weet het niet, misschien had ik het wel gedaan, en zonder wroeging, als de gelegenheid zich had aangediend. Want ook ik kende dat verlangen naar waardering, bewondering, en een veilige hoogte. En ik ken het nog.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010