woensdag 23 oktober 2013

Stil (Column Trouw 23 okt)


Er is een jongen uit de tweede klas onwel geworden op school, en in de namiddag is hij in het ziekenhuis overleden. Ik kende hem niet persoonlijk, maar dat maakt geen enkel verschil, want hij was één van ons. Ook als we niet in dit gebouw zijn, als we over de hele wereld zijn uitgevlogen, horen wij bij deze school, en dus bij elkaar. Of we dat nou willen of niet. Als wij wel in het gebouw zijn is er helemaal geen ontkomen aan onze verbondenheid. Wij zijn met 1500 en zo kwetsbaar dat we daar niet over willen nadenken.

Er ligt een donkere, zware deken over ons heen, die de lucht uit onze borst drukt, onze tred traag en levenloos maakt. Wij praten de hele dag op gedempte toon, het is alsof wij ondergronds leven, en de zwaartekracht voelen zoals je de omvang van je hoofd alleen kan voelen als het vol pijn zit. Ik zou over iets anders willen schrijven, maar ik kan het niet, er bestaan even geen lichte dingen. De dood hoort hier niet, dit is een school, alles staat hier in dienst van het leven, van tijden die nog moeten komen, die schitterend zullen zijn en gevuld met jonge mensen die wij 'onze kinderen' noemen,

Jane is de mentor van de klas van de jongen, zij heeft een zware taak, zij moet zo meteen alles vertellen aan de klas, terwijl iedereen het al weet. 'Mijn armen zijn niet groot genoeg voor alle 27' snikt ze. En iedereen denkt je mag de mijne lenen, neem ze maar mee. Ik zeg je moet inademen, en uitademen, en je moet een stap zetten, en dan de volgende. En ze zegt ja zo is het, niet omdat je aan zulke woorden wat hebt, maar omdat je wilt dat er iets hetzelfde blijft, iets waar je je daden en woorden aan kan ijken. 

Het volgende moment zit ik in een lokaal op de tweede verdieping, mijn mentorleerlingen maken een proefwerk scheikunde. Ik heb ze niets verteld, nog niet. Ze hebben hard geleerd, ze moeten dit goed maken. Dit is een ander universum, totdat ik het straks ga zeggen. De stilte die hier nu heerst, die is precies goed, want het is stilte die groeit uit concentratie, uit de wil iets te bereiken. Ik kijk vanuit het lokaal naar het hoofdveld van de plaatselijke voetbalvereniging, een streep zonlicht valt tussen de bomen door, het puntje raakt de middenstip. Bladstil, niets beweegt, alsof het niet durft.

De jongen heet Krijn, hij is geboren in 2000, hij had een vader en een moeder, twee zusjes, en een beste vriend.

vrijdag 11 oktober 2013

Revolutie!


Er hangt iets in de lucht, het broeit, zindert, snuift, de hemel lijkt rood te kleuren. Het begon met gemor, in den beginne is er altijd het gemor, daarna werd voorzichtig aan de Haagse Poort gerammeld, maar nu is de geest uit de fles. Ineens komen schooldirecteuren en meedenkende ouders uit alle hoeken en gaten van het land met brutale initiatieven voor onderwijsvernieuwing. Men laat zich niet meer zomaar terug het hok in jagen. Het kabinet wilde een participatiesamenleving. Die kunnen ze krijgen potdorie.

In NRC: een bericht over een school in Drunen, waar kinderen aan hun eigen ouders gekoppeld worden voor de taalles. Een-op-een begeleiding. Sympathiek idee. Die Brabantse ouders kunnen best een extra taallesje gebruiken.

Dan Trouw, waarin filosoof Sebastien Falkenberg klaagde dat hij van Den Haag niet méér mag betalen dan de vastgestelde ouderbijdrage, teneinde zijn kind in een kleiner klasje te krijgen. Wil hij lekker participeren, wordt hij teruggefloten! Kleine klassen voor wie er geld voor over heeft, grote klassen voor armoedzaaiers. Hij schrijft: ‘Mammoetklassen voor weinigen, dat is toch altijd ‘tien keer beter dan mammoetklassen voor iedereen?’

Een dag later barstte het mediacircus los rond Eric van ’t Zelfde, de bedenker van de ‘Superschool’ voor leerlingen van 2 tot 18. Je zag het meteen: deze man gaat het voor elkaar krijgen, dit is een gedreven doener, een stoomlocomotief, een man die onverschrokken tegen gesloten deuren blijft beuken. Hij had ministerambities. ‘Wat hebben wij in Nederland met het onderwijs gedaan?’ riep hij, en ik mompelde het als vanzelf mee. Wat een lef! Toen sloeg de twijfel toe. Het begon bij het hoge hek om die school. Ik dacht, ja, het is een plan voor jouw school, in Rotterdam-Zuid. Een sterk plan dat ver uitsteekt boven het lieve gekruidenier in Drunen of de lompe zelfzucht van Falkenberg. Maar ook niet vrij van opportunisme. Want waar moeten die zestig weggestuurde leerlingen naartoe? ‘Onderwijs is een recht’ zei hij, ‘maar dat recht kan je verspelen.’ Met dat laatste ben ik het hartgrondig oneens. Ik hoop niet dat hij minister wordt zolang hij dat vindt. 

Maar goed, ik werk in Oegstgeest, ik wil geen hek, ik wil een open school, en zie liever goede muzieklessen dan nog meer taal en rekenen in het basisonderwijs. Hoeveel lef moet je eigenlijk hebben om je uit te spreken voor een school met driedubbele uren voor muziek en toneel? Om filosofie in te roosteren in plaats van een extra rekenles?
Wie weet. Er hangt iets in de lucht.

vrijdag 4 oktober 2013

Doodsmak (column Trouw 2 okt)


De baas is van de fiets gevallen. Het was maar een klein berichtje in de krant, maar iedereen had het erover. Sander Dekker gevallen. Arme baas. Hij was met zijn racefiets over een hond gereden. De hond maakte het goed. Het goede bericht over de hond maakte de weg vrij om sympathie voor de bewindsman op te kunnen brengen. Hij had een gebroken pols, elleboog, rib en sleutelbeen. 

Allemachtig, ik zag het zo voor me, hoe hij vijf meter door de lucht vloog en op de Wassenaarse klinkers kwakte, gekleed in een lycra pakje, met geschoren benen, vastbesloten op zondagochtend op de fiets te excelleren. Excelleren, dat is het lievelingswoord van de staatssecretaris, het vat zo’n beetje zijn visie op onderwijs samen. Op een fiets begint excellentie bij 35 km per uur. De lat moet hoog, van middenmoters houdt hij niet. Maar goed, dan moet je geen hond voor je wielen krijgen.

Dekker twitterde dat het een ‘klassiek wielerongeluk’ was. Hierbij legde hij de lat dan toch wat laag. Bij klassieke wielerongelukken denk ik aan renners die als lemmingen een afgrond induiken, een sprintend peloton dat over een politieagent heen dendert, ik denk aan Johnny Hoogerland in het prikkeldraad. Maar hij was wel ‘letterlijk onthand’ met zijn twee gipsarmen. Dit twitterde hij. Met zijn tenen.

Bij dat ‘onthand’ moest ik denken aan Xander. Deze bijna-naamgenoot van de staatssecretaris zat ruim tien jaar geleden bij ons in 5 havo, hij speelde de hoofdrol in de schoolvoorstelling van dat jaar, Oedipus van Sofokles. Over klassiek gesproken. Ik maakte muziek met een orkestje bij die voorstelling. Xander moest vaak boven het orkest uitkomen met zijn stem, wat hem geen enkele moeite kostte. Hij zei dat hij soms bijna moest huilen van zijn eigen woorden. 

Xander is denk ik de allerhartelijkste kerel die ik in vijftien dienstjaren ben tegengekomen. Hij was groot, dik, roodharig, en onhandig. En hij brak allebei zijn polsen, een paar weken voor de première. Hij was, zeg maar, behoorlijk onthand, en wij - regisseur Cees en ik - niet minder. Toch konden wij ons lachen niet inhouden. Oedipus die zijn eigen ogen niet kon uitsteken. Dat was pas een Klassiek Ongeluk. Xander had andere zorgen. ‘Weet je wat het ergste is?’ zei hij. ‘Mijn moeder moet mijn kont afvegen.’

En bij dat beeld moet ik weer aan Sander Dekker denken.

Het is kinderachtig, ik weet het, maar bij onfortuin van de baas zit het voetvolk te ginnegappen. Het is de natuur. Misschien ben ik eigenlijk jaloers. Zes weken in het gips, zes weken niet hoeven excelleren, veel medelijden, zo onthand zijn dat je niet eens over je iPad kunt vegen. Ik droom een beetje weg...

Gerwin in DWDD 28 januari 2010