zaterdag 24 november 2018

Kunst en Vis in Seyđisfjörđur

In de meeste reisgidsen staat dat Seyđisfjörđur een ‘schilderachtig vissersdorp’ is. Dat klopt half. Het is een kunstenaarsdorp. Ik denk dat het adjectief ‘schilderachtig’ kunstenaars aantrekt, dat klink in ieder geval aannemelijk. In Frankrijk heb je Saint-Cirq-Lapopie, aan de Lot, ook zo’n snoezig plaatsje dat volgeramd is met galerietjes. Het grappige aan schilderachtige kunstenaarsdorpen is dat je meteen voelt dat er niets niet klopt, maar (indien je de reisgids niet had gelezen) niet precies weet wát. ‘Kijk wat een leuk winkeltje’, begin je, en na een stuk of vijf soortgelijke winkeltjes besef je dat je in een kunstenaarsdorp loopt met louter zulke winkeltjes. Keramiek, kaarsen, kandelaars, kussentjes, speksteen, sjaals, sieraden met lavasteen, sleutelhangers met lavasteen en nog meer keramiek. Er zaten mooie dingen tussen, vooral in de afdeling keramiek, maar het merendeel van de snuisterijen werd ontsierd door gedoe en geflirt met magie en runen. Gelukkig is er ook een Spar, anders zouden de inwoners van Seyđisfjörđur verhongeren tussen alle schoonheid en magie. In Een onbarmhartig pad vindt Tiddo het volgende van het dorp:

De kerk van Seyđisfjörđur is wit met blauw, hij lijkt van Playmobil, al geloof ik niet dat ze bij Playmobil ooit een kerk in het assortiment hebben gehad. Zo wel, dan zal het nooit een kassucces zijn geworden. Ik zou over belangrijker dingen moeten nadenken, maar ik vermaak me met het verzinnen van andere door Playmobil nooit in het assortiment opgenomen gebouwen: crematorium, bordeel, asielzoekerscentrum, de bunker van Hitler. Er staan aardige huisjes in Seyđisfjörđur, de met golfplaten beklede muren zijn in levendige kleuren geschilderd, met een beetje goede wil is dit een bruisend dorpje te noemen, wat niet in de laatste plaats zal komen door de haven, waar grote veerboten uit Denemarken aanmeren.

Ik denk dat die boot de schuld is van alles. Wie hier aankomt met die boot en bevattelijk is voor de helende stilte en het isolement van de oostkust (en voor magie en runen), die wil blijven. De boot is je enige vluchtplan. En om iets omhanden te hebben ga je... nou ja, dingetjes maken. Er lijken meer mensen bevattelijk te zijn voor helende stilte en isolement (en magie en runen) dan voor vis. Als je dat zo opschrijft klinkt het als de zoveelste fatale vergissing van de mensheid.

Seyđisfjörđur mag je trouwens niet overslaan op een trip door IJsland, maar ga er niet winkelen maar wandelen, in de bergen die de fjord omsluiten.

zaterdag 17 november 2018

De rommeltuinen van Breiđdalsvik

IJsland 2017. Als je de gletsjers in het zuiden gepasseerd bent kom je bij de oostfjorden. Zo'n zinnetje wekt de indruk dat het allemaal vanzelf gaat, misschien moet je het zo zeggen: na vijf uur schudden in je stoel kom je bij de oostfjorden. Delen van de ringweg (de hoofdweg van het land nota bene) zijn in dit gebied onverhard. De inhoud van kastjes in de camper schudt gezellig mee op de zanderige grindweg. Vanaf hier veranderde de vakantie in een reis, want zo voelt dat, een onverharde weg met gaten en de afwezigheid van touringcars, Amerikanen en Chinezen. Het was stil en leeg, een gebied zonder attracties behalve het land zelf, en de zee waartegen het afsteekt. We kwamen in het dorp Breiđdalsvik, waarover ik in “Een onbarmhartig pad” het volgende schreef:

“Achter het dorp rees een lange bergrug op, als een reusachtige scheefgezakte muur. De lage, rommelig neergezette huizen zagen er nogal verwaarloosd uit, stucwerk vol algen, bladderende verf. In de voortuinen lagen stukken wrakhout, oud speelgoed en motoronderdelen. Er sprak een zekere neerbuigendheid uit alle rommel en verwaarlozing, alsof de mensen de scheve bergen in onverschilligheid nog wilden overtreffen: kijk, het kan ons ook allemaal niets schelen. Het maakte dat ik Breiđdalsvik de fijnste plek vond waar we tot dan toe de camper hadden neergezet.”

Het is waar. De rommel fascineerde mij, het was alsof de bewoners een afspraak hadden gemaakt: dat ze elkaar niet zullen beoordelen op de staat van hun voortuintjes of het schilderwerk. Niet uit armoede of luiheid, niet  omdat ze moreel zijn afgegleden (wat Nederlanders altijd denken van mensen met verwaarloosde tuintjes) maar gewoon omdat er belangrijker dingen te doen zijn. Niet dat er veel te doen was in dit dorp, integendeel, er was niets te doen. Ik vind het daarom leuk om te geloven dat de IJslanders gedichten schrijven en in bandjes spelen (folk of black metal) in plaats van hun tuintjes aan te harken. Wat voor zin heeft het om hier rozen te kweken? Maar misschien heb ik het mis, en is de IJslander gewoon een zeer praktisch ingesteld mens. Zo’n instelling past ook goed bij het land. Als je wil dat de motor van je 4WD ook ‘s winters netjes loopt, dan moet je zelf een beetje kunnen sleutelen. Dan is het dus ook handig als je wat onderdelen in de tuin hebt liggen. Aan de kop van de haven, staat een oude vissersboot midden in een grasveld. Het is onduidelijk of het als speelobject, kunstwerk of monument bedoeld is. Waarschijnlijker is dat het een afgedankt schip betreft dat er ooit is achtergelaten en dat nooit iemand zich geroepen heeft gevoeld het op te ruimen.

Iedere ochtend begroet de Breiđdalsvikker het wrak en de scheve bergen met de woorden: “kijk, ik ben er ook weer, ik zie er toch maar beter uit dan jullie. Maar denk niet dat het mij wat kan schelen.”

klik hier voor meer verhalen over IJsland, op de website van Een onbarmhartig pad


maandag 12 november 2018

De lading dekken


In de koffiekamer zei een collega: “zo kan ik toch niet functioneren!”
Iedereen leek precies te begrijpen wat ze bedoelde, gezien het instemmende gemompel. Ik wist niet wat er was voorgevallen, dus ik kon ik situatie niet beoordelen. Nu ben ik zelden in staat situaties goed te beoordelen, het is werkelijk een ramp soms - maar dat terzijde. Ik geloof dat ‘functioneren’ geen vaagtaal is in de zin van een modieuze kreet die iets moeten verhullen (meestal slechte bedoelingen of een gapende leegte). Niet iets voor Japke-d dus. Op een bepaalde manier drukte de collega alles heel precies uit met dat ‘niet kunnen functioneren’ want iedereen begreep haar toch? Functioneer ik? Dat vroeg ik me als eerste af. En zo ja. Wat betekent dat dan? Een apparaat functioneert als het werkt, als het doet wat het geacht wordt te doen. Als ik werk doe ik heel vaak níet wat ik geacht wordt te doen. En andere dingen doe ik wel. Ik ben geen apparaat. Ik sta lang te praten met een leerling die een zielig of een zouteloos verhaal vertelt. Ik doe dat wél terwijl ik het niet hoef te doen en ondertussen is het een chaos in de klas en vergeet ik het huiswerk op te geven. Is dat niet-functioneren?


Op een ochtend was de koffieautomaat stuk. Het ding functioneerde niet, zeg maar. Geen koffie. Ik had kunnen zeggen “wat jammer dat ik nu geen koffie kan drinken”, maar dat zijn woorden die niets willen betekenen, dus wat ik zei was: “Zo kan ik niet functioneren!” Ik vond het flauw, en dat was het ook, maar er werd instemmend geknikt. “Nee, ik ook niet” hoorde ik om me heen. Het is fijn als mensen uitstekend begrijpen wat je zegt, eigenlijk maakt het niet zoveel uit of je het zelf wel begrijpt. Taal dekt de lading nooit, dat is algemeen bekend, over het tekortschieten van taal is al veel geschreven, door Wittgenstein bijvoorbeeld, maar hemel daar kan ik niet over spreken. Dat taal desondanks wel altijd een lading dekt, misschien zonder dat je weet welke precies, daar wordt minder bij stilgestaan. Misschien kan je beter zeggen dat taal een lading onthult. En dat het vaak een verrassing is welke. En dat het niet voor iedereen dezelfde lading is, ook al knikt iedereen instemmend. Het biedt veel mogelijkheden. Ook voor schrijvers.

vrijdag 9 november 2018

De zelfgebouwde radio

Deze week las ik de roman Het leven op aarde van Jan Jacob Slauerhoff. Een boek uit 1934 over China, althans, over een ontheemde westerling in China. De roman maakte indruk, de stijl van Slauerhoff maakte indruk, opnieuw, moet ik misschien zeggen, want het was al zo’n kwart eeuw geleden dat ik hem las. Iemand vroeg om een aanprijzing, en toen schreef ik dit:

In "Het leven op aarde” (wat een fraaie titel, je moet het maar durven zo veelomvattend te zijn) reist de Ierse marconist Cameron, een "verzworven en verlaten” figuur door het gigantische binnenland van China, een reis die als een roes leest, die merkwaardig, avontuurlijk, smerig en betoverend is. Hij komt dichtbij de ziel van het land, en dringt tegelijk diep door in zijn eigen ziel. ‘Het leven op aarde’ is poëtisch, bedwelmend, spannend, het geeft een prachtig tijdsbeeld van een (voor een Europeaan) ‘exotisch’ land in de jaren dertig en is tegelijk universeel: de westerling kan ontsnappen aan de meest hachelijke omstandigheden, maar nooit aan zichzelf - nee, ook niet met oosterse meditatie en Taoïstische onthechtheid.

Zoiets kan je opschrijven over een boek, dat gaat vrij gemakkelijk, je kan het zelfs echt vínden. Lastiger is het om uit te maken of het nou ook de waarheid is. Ik bedoel, of het een correcte weergave is van het boek en van je leeservaring. Het is ook allemaal op zo’n recensenten-toontje opgeschreven, ‘bedwelmend’, ‘de ziel van het land’, het ironisch aangehaalde ‘exotisch’ (knipoog erbij denken) enz. enz. De waarheid is: soms verveelde ik me een aap met dit boek, dikwijls kon ik moeilijk door de stroperige zinnen heenkomen en ging ik op mijn telefoon kijken of er nog wat gebeurde ergens. Ondanks al dat gemodder – van mij dan, niet van Slauerhoff - vond ik het een geweldig boek. Ik ben geneigd het zelfs tot mijn lievelingsboeken te rekenen. De scène waarin Cameron zijn zelfgebouwde radio presenteert aan de vorst Tsjongking, gemaakt met uit de tempel gestolen lampen! Soms heb je maar één scène nodig voor promotie tot lievelingsboek, zoals je in een muziekstuk soms maar één kort moment van gelukzaligheid nodig hebt om het een meesterwerk te vinden. 

Het laatste nieuws: Het leven op aarde is niet meer verkrijgbaar.
(deze sterke romantitel claim ik alvast) 
Maar er is hoop. Atlas Contact bereidt een herdruk voor in de reeks Veen klassiekers.

Sorry als ik hiermee op de zaken vooruitloop.

Sigaretten kopen



Steeds als ik zin krijg om te roken, en sigaretten wil gaan kopen, dan ga ik naar de poëziewinkel en koop een dichtbundel. Het is in de Herenstraat in Leiden, de winkel zit tussen twee kappers in. Het is de best gesorteerde poëziewinkel van de Benelux. Dit is echt waar. Ik heb ooit geweten wat dat is, Benelux. Sigaretten of poëzie, het is praktisch even duur. Mijn huis puilt inmiddels uit van de gedichten, maar goed. Het ruikt in ieder geval niet naar rook.


dinsdag 7 juli 2015

Gestolen Dagen (column Trouw 1 juli)

Het is een lome, warme middag. Plukjes scholieren fietsen door de stad, traag, zwabberend, en ogenschijnlijk zonder richting. Op een tijdstip dat normaal ‘het vijfde uur’ genoemd wordt vullen ze ineens de openbare ruimte. Ze zijn vrij, nu ja, misschien nog boeken inleveren, rapport halen, het voelt als vakantie. Deze dagen, waarin hun leraren saai nakijkwerk doen, vergaderen, opruimen enzoverder, zijn voor de leerlingen de mooiste dagen van het jaar. Al zijn die oelewappers zich daar natuurlijk helemaal niet van bewust, die doen maar wat, alles gaat vanzelf en niets noopt tot reflectie.

Het is mijn vrije dag, en ik vermaak mij met het observeren van die plukjes. Ze gaan naar het zwembad, ijs eten, shoppen zonder geld, of naar de Mac. Vroeger waagde ik het wel eens ze terecht te wijzen, vriendelijk bestraffend (‘Niet met zijn drieën naast elkaar op het fietspad jongens!’). Nadat ik was gepasseerd hoorde ik altijd gegniffel. Woede steeg dan naar mijn hoofd, ik had me willen omdraaien om ze eens de waarheid te zeggen. Maar ze zijn onaantastbaar, ze zijn van hun leraren en andere kwelgeesten verlost. 

Die fout maak ik nu niet meer, ik laat ze begaan. In de supermarkt stuit ik op zo’n plukje. Ze zijn niet van mijn school. Met zijn tienen verdringen ze zich voor de kassa om één blikje Red Bull af te rekenen. ‘Pardon...’ zeg ik, want ik wil mijn boodschappen graag op de band leggen. ‘Moven! Er wil er één langs!’. Duwen en trekken. ‘Hé, doe ’s chill, gast’. ‘Sorry meneer, hij wil niet aan de kant.’ Dat bekende samenzweerderige gegrinnik. Geduld, gun het ze vandaag, over een week zitten ze op de camping met hun ouders.

Dit zijn gestolen dagen, dagen van kriebelend gras en klotsend water. Geen school meer, maar de officiële zomervakantie heeft de kleefstof die de kunstmatige eenheid ‘klas’ bij elkaar houdt, nog niet opgelost. Mijn zoon heeft het tweede jaar op het gymnasium erop zitten. Hij gaat deze dag met klasgenoten ergens langs de Vliet zwemmen en in het gras liggen. Of zoiets. Het is via Whatsapp geregeld. Hij moet twee flessen Fanta meenemen, dat is alles wat ik weet. Ik heb dus nog wat vragen.
‘Wie komen er allemaal?’
‘Weet ik niet.’
‘Tot hoe lang duurt het?’
‘Weet ik niet.’
‘Gaat er ook een leraar mee?’
‘Huh? Nee, natuurlijk niet.’

Daarna vliegt hij de deur uit. Verschrikkelijk veel zin heeft hij in al deze onduidelijkheid. 

Dat is vakantie, dat je een ruime hoeveelheid Niets om je heen schept. Dat lukt het best als je dertien bent, op deze gestolen dagen. Soms ga ik, tussen twee rapportvergaderingen door, in het gras van het sportveld liggen, en dan voel ik het ook.

vrijdag 26 juni 2015

Een heel raar boek (Column Trouw 24 juni)

Heel 4-havo moest mijn boek lezen, mijn tweede roman ‘Wild’. Dit hadden de leraren en leraressen Nederlands bedacht, ze gingen er zelfs een proefwerk over geven dat voor het examen meetelde. Meetellen voor het examen, dat is de grootst denkbare eer voor een schrijver. 

In alle klassen gaf ik voor de aardigheid een gastles. De havisten vroegen of het bos dat ik beschrijf echt bestond, en het dorpje, en de mensen, en of er dingen echt gebeurd waren. Ik zei dat ik alles had verzonnen, en op een of andere manier schaamde ik mij daarvoor.

‘Ik vind het wel een heel raar boek,’ zei een meisje achterin.

Volgens optimisten is het literatuuronderwijs niet dood, het ruikt alleen maar een beetje vreemd. Kun je nagaan wat de pessimisten vinden. Iedereen klaagt over de staat van het literatuuronderwijs, en dat al tientallen jaren. In onderzoeken gebruikt men woorden als ‘leesattitude’ en ‘leeszwakke leerlingen’. Van zulke woorden ga ik stil in een hoekje zitten huilen.

In het licht daarvan moet je onderstaande gebeurtenissen misschien een wonder noemen.

De dag voor het proefwerk literatuur hing een plukje jongens in de hal. Eén maakte zich los uit het plukje. Hij kwam dreigend op me af.
‘M’neer, ik heb een vraag over uw boek. Zitten er open plekken in?’
Ik stamelde dat ik niet wist wat hij bedoelde. Hij legde het korzelig uit. Intussen had een groepje meisjes zich aangesloten.
‘M’neer, wat is het thema en het motief?’
‘M’neer, wat is er met de vader gebeurd?’
‘M’neer, wat bedoelt u met dat konijn? Waarom gaat dat konijn dood?’
Op niet alle vragen wist ik direct een antwoord.

‘M’neer er staat twee keer ‘hoofdstuk 35’ in. Heeft u daar een bedoeling mee?’
Ik zei dat het een drukfout was.
‘O, ik heb ook een drukfout gezien!’ riep een meisje. Ze wees de drukfout aan.

De dag van het proefwerk was het nog drukker. Havisten stonden te dringen voor de koffiekamer, allen moesten mij wat vragen. Annet, mentor van 4 havo, vertelde dat er whatsapp-groepjes waren rond het boek. Ze liet het zien. Honderden appjes over motieven, vertelsituatie en open plekken. De laatste die ik las: ‘Nou, ze kunnen niet zeggen dat we niet met dat boek bezig zijn!’

Over een paar dagen, als de cijfers bekend zijn, verwacht ik opnieuw ophef. Alle onvoldoendes zijn natuurlijk mijn schuld (‘Hij wist zelf ook geen open plekken!’). Tot die tijd geniet ik van het idee dat het literatuuronderwijs even springlevend was. Een wonder? Ik denk het niet, ik denk dat het overal kan. Kies een boek uit dat iedereen moet lezen, nodig de schrijver uit en boven alles: laat hem een dagje rondhangen in de gangen, liefst vlak voor het proefwerk. Goud!


trailer "Een Onbarmhartig Pad"