maandag 20 mei 2013

Pisvingers (Column Trouw Zaterdag 18 mei)


Het is half drie ‘s middags. Ik heb vier lessen gedraaid. Drie daarvan heb ik gewonnen, en één is geëindigd in een gelijkspel. Nu moet ik surveilleren. Ik open de deur van de sporthal en glip naar binnen, geen leraar maar een surveillant, een man zonder eigenschappen, niet meer dan een zuchtje wind. 

Ik stap in het vacuüm van stilte. Ik sluip naar het podiumpje voorin de zaal, potdorie ik ben nog hoofdsurveillant ook, de generaal, de man die de rode lamp aan moet knippen, de rode lamp die verordonneert dat de leerlingen de zaal niet meer mogen verlaten, een kwartier voor tijd.

Ik zit voor een voetbaldoeltje. Helemaal achterin de zaal staat nog zo’n doeltje. Daar zit Anton, de andere surveillant. Zittende keepers zijn wij. Doelwachters. Aan de orde is Wiskunde voor het havo. Vier lessen, honderdtien kinderen, een lokaal vol herrie, en nu: die zachte stilte. Zachte, zachte stilte...
Nu mag ik niet in slaap vallen! Ik moet waakzaamheid uitstralen. Een sfinx worden. En vooral niet in slaap vallen. Rondkijken. Vingers in de gaten houden. 

Er zijn twee soorten vingers: papiervingers en pisvingers. Alleen een geoefende surveillant kan die twee uit elkaar houden. Hoog geheven vinger: ‘ik moet plassen’. Nonchalant vingertje: ‘extra papier graag.’ Goed opletten, geen vingers missen. Niet in slaap vallen. Anton zit achter zijn tafeltje met zijn vuist onder zijn kin, als De Denker. Misschien slaapt hij wel, het is niet te zien. Ik ga precies zo zitten als hij. Niet. In. Slaap. Vallen...

Ik zie een voetbal liggen, vlak voor me, op de gele lijn. Hoe is dat mogelijk? Ik kijk naar de bal, ik kijk naar Anton, de denkende doelwachter. Ik sta op van mijn stoel, neem een aanloop, op mijn tenen. BAM. Ik schiet de bal loeihard door de zaal, helemaal naar de overzijde, raak Anton vol in zijn gezicht, hij valt van zijn stoel en rolt met bal en al het doel in. 1-0! Alle kinderen gaan tegelijk staan, ze klappen en joelen. Daarna keert de rust terug.

‘Psssst! Hé!
Anton staat voor mij. Hoe kan dat? Hij kijkt zeer streng.
‘Sliep je?’
‘Huh, nee, natuurlijk niet.’
‘De rode lamp moet aan.’
Ik wrijf in mijn ogen. Ik zie twee pisvingers. Het lijkt wel alsof ze naar het plafond willen reiken. Twee vingers die mij iets toeschreeuwen. 

Het is kwart voor vier.

donderdag 16 mei 2013

Fries, Fins, Amhaars (Column Trouw 16 mei)


Op het eerste gezicht vallen de overeenkomsten op. De tafeltjes, ruim een meter uit elkaar geplaatst, hoofden gebogen boven het werk - de aanblik van een illegaal naaiatelier, zonder geluid. En zonder illegalen. 

Deze leerlingen zijn al twee weken bezig. Zij zaten hier al toen heel Nederland vakantie vierde en de koning toezong. Tweede Pinksterdag? Geen genade. Op Hemelvaartsdag stond wiskunde op het programma. Je hoort ze nauwelijks klagen, deze leerlingen, gedreven internationals die over een jaar of tien onze wereld mogelijk ingrijpender zullen veranderen dan onze Hollandse kinderen. 

Deze week waren de examens Koreaans, Ests, Fins en Amhaars. Amhaars, voor uw informatie, is de officiële taal van Ethiopië. Vorig jaar waren er kandidaten voor Perzisch, Farsi en Hebreeuws –taal en literatuur. Het plaatst ons kernvak Nederlands, waar kandidaten worden afgescheept met een paar meerkeuzevragen en een samenvattinkje, en waar zo plichtmatig over geklaagd wordt (20.000 klachten), een beetje in perspectief.

Op het IB wordt iedere taal aangeboden op een hoger (moedertaal) niveau en op een standaard (taalacquisitie) niveau. Ook kan de leerling kiezen uit intensieve studie van de literatuur van een taalgebied of een mix van literatuur en spreek-, luister- en schrijfvaardigheid. Beste talendocenten in dit land, hoor ik u daar nu tandenknarsen, likkebaarden, kreunen van jaloezie? Diversiteit, en een centrale plaats voor literatuur – ziehier de pijlers van het IB. Deze week luisterde ik naar de meest recente TED-speech van onderwijsgoeroe Ken Robertson. Hij deed de volgende vaststelling: ‘education is not based on diversity, but on conformity.’ Dat mogen we ons hier aantrekken. Ik geloof dat het onderwijssysteem van het IB een aantal kabinetten voorloopt op het onze. Althans, ik hoop het. Ik hoop het vurig.

dinsdag 14 mei 2013

Tien Geboden zijn niet genoeg (Column Trouw 14 mei)


Tien minuten voor de officiële opening van het examen sta ik in de sporthal. Bijna iedereen zit al. Niemand spreekt. Dat is merkwaardig, want leerlingen praten altijd en houden daar pas mee op als je het vraagt. Nu vraagt niemand het. Niet nodig. Het is de spanning van de première. Bij de ingang van de zaal staat een kartonnen doos waar mobiele telefoons in gedropt moeten worden – voor wie het ding per ongeluk nog in zijn broekzak had. Bij de ingang staat ook Madeleine, de docente Nederlands, om de laatste leerlingen een hart onder  de riem te steken. ‘Succes, en denk aan wat ik gezegd heb hè!‘ ‘Wat heb je gezegd?’ vraag ik. Ze wuift het weg. Het is teveel, vermoed ik, teveel voor mij. ‘Weet je, ik zou op dit moment wel in hun hoofden willen kruipen!’ Laurens loopt langs. Vroeger was hij Gothic, maar dat is voorbij.  Hij heeft een pakje sigaretten in zijn borstzak, waarschijnlijk om er zodra hij die zaal weer uit mag meteen de brand in te steken.

Het bijna half twee. Waar is Rshaart? Rshaart komt van ver, uit Nieuw-Vennep, hij heeft het laatkomen tot kunst verheven. Daar is Rshaart! De hele zaal slaakt een zucht van verlichting. Bij de ingang laat hij twee blikjes cola op de vloer vallen, daarna zijn tas met koekjes. Het blijft stil.

Dan neemt de rector de tijd om het reglement voor te lezen. De Tien Geboden van het examen. De Tien Geboden zijn er vijftien. Tien is misschien toereikend in het gewone leven, niet bij een examen. Het is een heel verhaal, maar de aandacht van de leerlingen blijft tot het uiterste gespitst. Als de rode lamp brandt mag je de zaal niet uit. Je mag ‘niet zomaar gaan lopen’, een wc-bezoek moet worden gemeld door middel van handopsteking. Eindelijk, gebod vijftien: ‘Meegebrachte etenswaren mogen worden genuttigd, mits het openen van de verpakking niet leidt tot geritsel en gekraak.’ Dan gebeurt het. Een merkwaardig geluid stijgt op uit de zaal, het ritselt, knispert en kraakt in honderd toonaarden. Eén ritselend snoeppapiertje is één ritselend snoeppapiertje. Honderd papiertjes, dat is een postmodern muziekstuk. Het is fantastisch. Het duurt een halve minuut, en niemand spreekt een woord. De verpakkingen zijn geopend. Het examen is geopend.

Ik werp een blik in de opgaven voor het vak Nederlands. De titel luidt: ‘We moeten het zelf doen.’ En zo is het.

vrijdag 3 mei 2013

Gymleraren (Trouw Column 1 mei)


De Koningsspelen hebben het maar weer eens aangetoond: gymleraren kunnen goed organiseren en spelletjes bedenken. Van slecht weer raken ze niet van hun stuk. Organiseren, spelletjes bedenken en omgaan met slecht weer zijn mijn zwakke punten. Het is soms maar goed dat er gymleraren zijn.

In Annie Hall zegt Woody Allen iets lelijks over gymleraren: ‘those who can’t, do teach, and those who can’t teach, teach gym.’
Ik zou het Woody Allen wel eens willen horen zeggen ten overstaan van onze zeer populaire gymleraren, in de koffiekamer. Daar zitten zij met zijn allen, in trainingspak, op de diepe, L-vormige doorzitbank. Nou, zeg het maar Woody, wat had je op je lever?

Ik ken collega’s die het groepje gymleraren bedreigend vinden, ze zijn bang dat ze er niet ongeschonden langs komen in de ochtend. Als ze je aanspreken moet je snel en dodelijk zijn als een Poolse spits. Je hebt wel eens een nieuweling met teveel zelfvertrouwen die zich voor die bank posteert, de bril rechtzet, zijn ruitjesoverhemd in zijn broek stopt, en zegt: ‘zo, lekker actief hier, die gymdocenten!’ Een minuutje later heeft hij spijt. Spijt dat hij het gezegd heeft, dat hij een ruitjesoverhemd aan heeft, en dat hij deze baan heeft aangenomen.

Het begrip ‘dynamische persoonlijkheid’ kan je ineens begrijpen als je gymdocenten ziet dollen met elkaar. Die sterke band hebben ze gesmeed door samen leuke dingen te doen. Voor hen zijn leuke dingen sportieve of dwaze dingen die bij andere docenten tot ernstige blessures zouden leiden, zoals waterskiën, freestyle fietsen, paragliden, en andere mogelijke doodsoorzaken.

Wat ik zeer waardeer in gymleraren: ze mopperen niet over leerlingen. Andere leraren worden doodmoe van leerlingen, en dat zeggen ze ook dikwijls in de koffiekamer. Ik begrijp dat wel, maar toch is het een beetje als een stratenmaker die zegt dat hij moe wordt van al die stenen. Het heeft iets, ja, Woody-Allen-achtigs.

Gymleraren klagen niet. Als ze problemen hebben met een leerling zetten ze hem derde honk of laten ze hem speervangen. Daarna wordt er gelachen en op schouders geslagen. Die manier van doen maakt dat ze een goede verstandhouding hebben met hun leerlingen. Bij een gymleraar kan je uithuilen, je kan mopperen over die zuurpruim van Wiskunde en die heks van Frans. Je kan met ze over voetbal lullen zonder dat je aan ironie hoeft te doen. Wij, gewone stervelingen die nooit zo cool als gymleraren zullen zijn, en die ook niet kunnen organiseren en spelletjes bedenken, moeten ons maar troosten met de woorden van Woody Allen. Of hij gelijk heeft? Ik zeg niets. Ik moet binnenkort weer langs die L-vormige doorzitbank lopen. Als het geen vakantie was, had ik dit stukje niet eens durven plaatsen.

vrijdag 26 april 2013

Simpel is (niet) goed: column Trouw 24 april


Ik zat de schoolexamens van 5 havo na te kijken. Het onderwerp was muziekgeschiedenis. In de uitwerkingen werk van een aardige jongen trof ik deze zin aan:“mensen hielden van drama in de Romantiek, bijvoorbeeld achter een meid aanzitten, maar ze blijkt dood te zijn.”

Ik vond het een raadselachtige zin. Ik hoefde er niet om te lachen, en ik werd niet boos. Wel begon ik te zweten. Het is immers nog drie weken tot de examens. En van wie had die jongen dit? Van mij? Het gevaar dat je uit je nek kletst tijdens een les is altijd levensgroot aanwezig. Iedere docent moet eigenlijk een rode lamp om zijn nek hangen, die gaat knipperen en zwaaien als hij of zij te lang staat te orakelen, of lariekoek verkoopt. Gezwets van leraren kan desastreuze gevolgen hebben, omdat de leerlingen die wakker zijn gebleven de anekdotes misschien wel onthouden, maar nooit weten wat ze ermee moeten.

Ik probeerde te achterhalen waar hij het vandaan had gehaald, die dode meid. Ja, ik had verteld van Schubert en zijn SOA, Chopins tuberculose, Schumanns waanzin, Wagners Tristan und Isolde, van lijden en ‘Sehnsucht’, de grenzen van tonale muziek, Schoenberg. Je vertelt aardige anekdotes, maakt ingewikkelde dingen eenvoudig, en de leerlingen maken die vereenvoudigingen nog simpeler. ‘Atonale muziek was niet populair onder het volk.’ Het is een bewering die men niet kan ontkennen. Maar heb ik het zo gezegd?

Ook de jazz kwam aan bod, de opkomst van de Big Bands. “Swing ontstond om de boel gezelliger te maken. De beurskrach was net ingestort, dus de mensen gingen naar cafés.” Toch maar een puntje, ik kan toch niet verwachten dat ze ook verstand van economie hebben? Een andere leerling komt met een troostrijk inzicht:
“De Afrikanen werden gered door de jazzmuziek, althans zo zie ik het”
Er zijn genoeg antwoorden die juist zijn, to-the-point en correct gespeld - maar evengoed zijn ze versimpeld. De muziekhistorie wordt afgeschminkt. Wat rest is een kruiwagen clichés. En ik denk: jullie kunnen het niet helpen.

Misschien moet ik het niet zo somber inzien. Misschien had die jongen het niet goed geleerd, misschien was hij in tijdnood en schreef hij maar wat woorden achter elkaar die hem invielen. Misschien is het, kortom, gewoon zijn eigen schuld. Toch ben ik bang. De snipper muziekgeschiedenis die ik mag doceren, het is soms alsof je, eh, achter een meid aanzit die misschien wel dood is. Soms denk ik: Liever helemaal geen geschiedenis dan een geschiedenis die bestaat uit kinderlijke simplismen. Want als zelfs die zijn vergeten, zal één boodschap blijven hangen. Daar ben ik bang voor, want het is een gevaarlijke boodschap: Simpel is goed.




donderdag 18 april 2013

Arnon Grunberg, VIP in Skybox (Column Trouw 17 april)


Arnon Grunberg wordt ambassadeur voor het vmbo. Het stond in de krant.
Het klonk mij vreemd in de oren, zoiets als ‘Arnon Grunberg wordt de nieuwe trainer van Roda JC,’ wat ik ondanks de rare klank ook best zou kunnen geloven. Grunberg lichtte toe waarom hij het ambassadeurschap had aangenomen: ‘een samenleving waarin alleen degenen die een gymnasiumdiploma hebben als geslaagd gelden is een ontwrichte samenleving.’

Ik kon mij daar in vinden, ik vond het zelfs treffend, ook al krijg ik altijd een onbehaaglijk gevoel wanneer Arnon Grunberg spreekt van ‘de samenleving’. Hij maakt er immers zelf al jaren geen deel meer van uit. Ooit schreef hij een ironisch stukje over het vmbo, waarna hij op uitnodiging van een school in Schagen een les bloemschikken volgde. ‘U begrijpt dat ik daardoor een heel ander beeld van het vmbo heb gekregen.’ 

Bij Grunberg, heb ik het idee, moet je de ironie laag voor laag afpellen, als bij een ui, tot je begint te vrezen dat er geen kern is.

Op de vraag wat hij nu precies ging doen als ambassadeur gaf hij niet direct blijk van ambitie: ‘in principe hoeft een ambassadeur niets te doen.’ Maar hij had wel plannen, hij zou misschien, als het uitkwam, lessen bezoeken.

Ik heb één jaar gewerkt op een vmbo-school, het was mijn eerste jaar als leraar. Na dat jaar vond ik dat vmbo-docenten een hoger salaris moesten krijgen. Dat vind ik nu nog steeds. Het was een Haagse school met extreem moeilijke leerlingen. Ze walsten over me heen. Ze gooiden met een basketbal door de klas, ik riep machteloos: ‘Hier die bal!’ Een jongen verscheen ineens voor het raam. Hij heette Roy, ik zal zijn naam nimmer vergeten. Roy’s kop stak uit een struik, en hij hield een keyboard vast. Hij zwaaide ermee, alsof hij het ding gewonnen had. Tijdens mijn les. Ik was geen ambassadeur, helaas, ik was de leraar. Ik was verantwoordelijk. Als Grunberg in die les gezeten had, dan was ik nu een romanpersonage, zo’n stakker met wie het slecht afloopt.

Misschien gaat Grunberg echt lessen bezoeken, dat zou ik sympathiek vinden. Maar ook al volgt hij honderd lessen, hij blijft een vip in een skybox. Hij zal de vmbo’ers bekijken alsof het grapjes van God zijn, interessante grapjes die hij niet goed snapt. De leerlingen zullen tegen Arnon opkijken, want hij is beroemd, en hij is vroeger van school gestuurd. Als hij lef heeft, en het ambassadeurschap hem ernst is, dan gaat hij een maand lang op het vmbo Nederlands geven. Ik beloof dat ik zo nu en dan mijn kop uit de struiken zal steken om te zien of het een beetje gaat. Deal, Arnon?

Gerwin in DWDD 28 januari 2010