25 Augustus verschenen: de roman "Wild"
"een rauw, krachtig boek... maar tegelijkertijd erg komisch" (HP De Tijd)
"...een beangstigend goed boek" (Recensieweb)
"...een onontkoombaar boek" (Tzum)
"...niets dan lof dus voor Van der Werf" (Parool)
Ga naar de website van WILD

woensdag 25 april 2012

Knoeiers (column Trouw 25/4)


Vorige week kwam het rapport van de Onderwijsinspectie uit. Het hakte er weer in. U kunt zich de bedrukte stemming in de lerarenkamer wel voorstellen. Iedereen zat naar elkaar te loeren, tenminste, wie boven zijn wallen uit kon kijken want menigeen had er natuurlijk een slapeloze nacht opzitten. Ik denk dat zo’n veertig van ons daar zaten, zwijgend boven de koffie om kwart over acht. Wij wisten: tien van ons kunnen het niet. Het had in alle kranten gestaan. Een kwart van alle leraren bestaat uit knoeiers. Wie van ons waren het?

Een montere gymnastiekdocent vroeg of iemand gisteren de voetbalwedstrijd had gezien. Je zag de anderen denken: Dat is er alvast één. Want welke knuppel kijkt er nu naar een voetbalwedstrijd als het nieuwe rapport van de Onderwijsinspectie net verschenen is?

Ik heb het gelezen, het rapport. Er stond van alles in, maar ook dit: 72% van de docenten op het havo beheerst de basisvaardigheden van zijn vak - uitleggen en orde houden. Het klonk eigenlijk als goed nieuws. De kranten schreven het anders op: een derde van de leraren presteert onder de maat.

Dat het zo in het nieuws zou komen wist inspecteur-generaal mevrouw Roeters natuurlijk best. Toch laat ze in haar slotwoord weten dat ze het beste met ons voor heeft. Ze hoopt dat het rapport een ‘inspiratiebron is voor leraren.’ Nou en of generaal, wij vatten nieuwe moed. U staat immers achter ons, een kilometer of vijftig. Wat ik mij afvraag: de troepen van de inspecteur-generaal, deugen die eigenlijk wel? Of is ook van hen één derde onbekwaam? Het zou gemakkelijk kunnen – zij worden nooit gecontroleerd dus misschien is het percentage knoeiers daar wel veel hoger.

Er zullen altijd leraren blijven met ordeproblemen. Daar helpen geen drieduizend rapporten aan. Autoriteit staat in ons land constant ter discussie – dit maakt het leraarschap tot het moeilijkste vak dat er bestaat. Weet u hoe ik het gered heb? Door aardig te zijn, altijd geduldig, altijd lachen, zodat ze wisten: hij staat aan onze kant. Nu gaat het trouwens beter. Nu ben ik een Terminator. Soms loop ik gewoon de klas uit, dan grom ik: ‘I’ll be back’. Als ik terugkom, meestal met koffie, kan je een plectrum horen vallen. Maar ooit hoorde ik, denk ik, tot dat falende kwart dat in de krant stond.

Misschien moeten we het die kinderen af en toe gunnen, zo’n leraar die geen orde kan houden, zo’n excentriekeling die van de zenuwen krijtjes eet, die blind van woede mobieltjes uit het raam gooit. Zo’n antiautoritaire lieverd die Schubert zingt of goocheltrucs doet die altijd mislukken. Je kan je leven lang met weemoed terugdenken aan zo’n schlemiel, terwijl je al die gedateerde lesstof allang bent vergeten. 

vrijdag 30 maart 2012

Ik ben geboren op uw adres


Met een pipet druppelt de man een gele vloeistof in haar oog. Ze houdt haar hoofd licht achterover gebogen. Met een wattenstaafje houdt hij haar ooglid omhoog, met een steriel gaasje vangt hij het vocht op dat langs haar neuswortel glijdt. De man verricht de handelingen langzaam en uiterst nauwgezet. Hij zou horlogemaker kunnen zijn, maar hij is oogarts. Zij weet eigenlijk niet of de man wel echt een arts is, of gewoon een verpleger die een verantwoordelijke doch sterk afgebakende taak heeft gekregen. Zijn nederige blik en grauwe huidskleur doen dat laatste vermoeden. Een man die men op straat niet ziet staan, laat staan in de ogen kijkt. Oogcontact heeft voor hem een andere betekenis. 

Dat is wat zij denkt, terwijl hij een dikke witte stift tegen haar oogbal legt. Ze huivert, maar voelt niets. Haar ene oog zit vol vloeistof, het andere traant. De man verdwijnt in een waas. Zijn precisie krijgt iets ontroerends, omdat zij niet gepaard gaat met obligate teksten als ‘u voelt niets’ en ‘het is zo voorbij.’ Immers, een ander kan nooit weten of je iets voelt, en – mocht je inderdaad niets voelen - wanneer dat voorbij is.

Hij trekt de stift en het wattenstaafje terug. Het ooglid valt terug over het oog, zodat het weer van haar wordt.

De man zegt niet of alles in orde is, met de oogdruk. De traagheid in de handelingen die hij uitvoert geven geruststelling genoeg.
‘U moet nog even naar de KNO-arts’ zegt hij. Ze staat op. En dan komt het.
‘Mevrouw,’ zegt hij, ‘ik ben geboren op uw adres.’
Hij slaat de dossiermap met haar status voorzichtig dicht, en zijn ogen neer, alsof hij bang is de grenzen van de discretie overschreden te hebben, de grenzen die hij altijd zo scherp in de gaten houdt - bij ieder oog, bij ieder mens.

Hij wilde het de hele tijd al zeggen, denkt ze, hij durfde het niet. Het ontroert haar. Mijn huis? Zegt ze. Want je wordt geboren in een huis, in een kamer, in een bed. Niet op een adres.
Hij vertelt. Zijn grootouders woonden beneden, zijn moeder boven. Zijn opa werkte op de Blauwe Tram, die even verderop over de Lammenschansweg reed, in die tijd. Ze konden van grootvaders salaris geen huis kopen, maar het lot hielp een handje: oma won een fors bedrag in de Staatsloterij. Ze kochten het huis, lieten hun zwangere dochter inwonen (van wie ze zwanger was vermeldde de man niet). Het kind werd geboren in de slaapkamer die uitkijkt over de straat.
Langzaam verdwijnt de waas voor haar ogen. Ze ziet hem - hij is grijs, nederig. De oogarts is geboren in de kamer van haar zoon.
Aan sommige zinnen moet je een poosje wennen, denkt ze.

Thuis vertelt ze het aan mij. Ik kijk naar buiten, om te zien of hij daar staat en nu ik dit schrijf kijk ik weer.

dinsdag 6 maart 2012

Stukjes over condooms kopen zijn erg flauw, bovendien ben ik er te oud voor. Daarom vandaag een stukje over condooms kopen.


Ik ga tweemaal per jaar naar de tandarts en ik koop tweemaal per jaar condooms. Verdere overeenkomsten laat ik aan uw verbeelding over. Ze zijn trouwens gewoon voor binnenechtelijk gebruik, of wat donder, het gaat u eigenlijk niet aan.

Vroeger vond ik condooms kopen moeilijk omdat je er nadrukkelijk aan de kassa naar moest vragen. Tegenwoordig liggen de familieverpakkingen tussen de de-odoranten en de dildi. Het probleem-van-nu is dat de kassajuffrouwen twintig jaar jonger zijn dan ik, en ik word niet graag voor een oude geilaard versleten. Ook kan je, o gruwel, bekenden tegenkomen, brave burgers die geen condooms komen kopen, maar hoestdrankjes en haarlotion.

Daarom koop ik altijd een sandwich. Een sandwich is een begrip uit de videotheek-wereld, waarbij een vieze pornofilm tussen twee Disneyfilms wordt aangeboden aan de baliemedewerker. Dit heb ik ooit in de kleedkamer van een voetbalvereniging gehoord. Mijn sandwich bij de drogist bestond uit een familieverpakking paracetamol en een doosje Valdispert, want die was in de aanbieding. Het was de variant die werkzaam zou zijn ‘bij een neerslachtig gevoel’ en ik heb daar wel eens last van, van een neerslachtig gevoel. Als er een weekend niet geneukt wordt bijvoorbeeld, of als ik de vissenkom moet schoonmaken.

Het ging goed, ik stond in de rij bij de kassa en werd niet opgemerkt. Toen ging er ineens een tweede kassa open. Ik werd naar voren geroepen. ‘Meneer, komt u maar!’ Ik schrok geweldig, want ik herkende in het kassameisje een leerling van mijn school. Zij knikte mij toe en ik schuifelde met mijn sandwich naar mijn oordeel. Dit is het einde, dacht ik, nu word ik een anekdote op klassenfeestjes en later in studentenhuizen in alle grote steden. Ik wilde geen anekdote worden, zeker niet één over condooms. Ik kreeg geen lucht meer, ik viel, het pak brak open, het pak was bodemloos, er bleven maar kapotjes uit komen, ik lag op mijn rug, maaide met mijn armen, ik maakte een sneeuwengel van condooms, iedereen keek, ‘kijk, meneer van der Werf’, ook God keek toe, maar hij kon niets voor mij doen.

Over twee maanden moet ik naar de tandarts. Tot die tijd moet ik proberen een beetje te ontspannen.

foto: Erik Nieuwenhuis

dinsdag 28 februari 2012

Een slecht mens

Je hoort wel eens van kinderen die achttien jaar lang door hun ouders in een kelder zijn opgesloten, die slecht te eten krijgen, weinig daglicht zien, geen mobieltje of een abonnement op de Donald Duck hebben, geen verzen mogen schrijven, slechts eenmaal per dag naar het toilet kunnen, enzovoorts. Deze praktijken zijn niet goed te praten, ik vind het zelfs ronduit, eh, heel erg. Ik heb hier een uitgesproken mening over. Dat u maar weet waar ik sta.
En toch, en toch… ondanks mijn hoge morele eisen – kom er nog maar eens om – en mijn onbesproken gedrag in alles behalve snelheidsovertredingen, ben ik bang. Bang dat ik mijn kinderen evenveel schade toebreng als die cipiers van hun eigen kelders. Het is domweg niet uit te sluiten. Voetbalkeepers zijn zo goed als hun grootste blunder, mensen zo goed als hun slechtste daad.
Dit weekend kwam ik niet opdagen op het concert van mijn dochter. Ze is 7 en ze speelt cello. Ze had een uitvoering, en ik dacht dat het om 16 uur begon, maar ik had mij vergist – ik had te achteloos en met te weinig interesse de flyer gelezen. Het was 15 uur, het concert. Toen ik kwam was het al voorbij. Zelfs voor het slotapplaus was ik te laat, ik kon enkel nog klappen voor de trotse ouders en behulpzame kinderen die netjes hun stoelen aan het stapelen waren.
Ze huilde niet – mijn dochter, zoals die opgesloten kinderen in donkere kelders ook zelden huilen (dit heb ik van horen zeggen), ze sprak geen verwijt uit. ‘Dacht je niet ‘waar blijft-ie nou?’ vroeg ik radeloos. Nou, ze had wel af en toe naar de deur gekeken, als er iemand binnenkwam. En ze had gedacht: moet ik straks alleen naar huis fietsen met die cello?
In wroeging kan je wonen. Het is een onmetelijk land dat je helemaal voor jezelf hebt. En schaamte is een klein kamertje zonder ramen, waarvan je de sleutel hebt ingeslikt, tegelijk met een hoop sterke drank. Kom op met die verwijten, dacht ik, verlos me.
Ze vroeg of ze thuis nog even tv mocht kijken. Ik zei dat het mocht.

zondag 19 februari 2012

Je moet bij hem zijn


De vierde stempelpost staat op het ijs. Het lijkt mij leuk om er met grote vaart op af te schaatsen, op het laatste moment te remmen, mijn stempelkaart op de toonbank te kwakken, netjes goedendag te zeggen en dan als de donder weer door te schaatsen. Alsof het de Elfstedentocht is, snapt u wel? Jammer genoeg gaat er iets mis bij het remmen, waardoor ik op mijn achterste val, doorglijdt als een hulpeloze walrus, en met mijn rug vol tegen het kraampje smak. Ik zie dat een paar mensen verschrikt omkijken, ze morsen er chocolademelk bij. Ik glimlach ter geruststelling en hijs mij op aan de toonbank. Ik kijk in het gezicht van een boer. Eigenlijk weet ik niet zeker of het een boer is, maar achter hem ligt een boerderij, en die staat hem wel goed. Hij kijkt niet bezorgd, maar hij lacht ook niet.

‘Eén mooie stempel alstublieft! Voor het kruisje!’ zeg ik, niet om grappig te zijn, maar om duidelijk te maken dat ik niet zomaar een malloot ben. Ik ben een malloot met een plan.
’Dit is de koek-en-zopie,’ zegt de boer, ‘je moet bij hem zijn.’ Hij wijst naar een potige kerel met een oranje retro-ijsmuts, die een paar meter verderop bij een opklapbaar tuintafeltje staat. Een kort en verschrikkelijk ogenblik denk ik dat het Ard Schenk is.
‘Je kwam veels te hard aan zonet,’ zegt hij als ik hem mijn stempelkaart offreer, ‘het is een wonder dat je je poten niet gebroken hebt.’ Pats. Stempel.

Er komt een groepje snelle schaatsers aan. Klapschaatsers in strakke kleding.
‘Er ligt daar iemand met een gebroken been op het ijs,’ roept er één. Als hij ons is genaderd zegt hij het nog een keer.
‘Ik doe de stempels,’ zegt de kerel met de ijsmuts. U moet naar die man daar, die is van de vereniging.’ Hij wijst naar een bejaarde in een geeloranje hesje die met een vlaggetje op de dijk staat. Hij regelt het verkeer bij de kluunplaats. ‘Er ligt iemand met een gebroken been...’ roept de klapschaatser. ‘Je moet naar ‘m toe lopen,’ zegt de ijsmuts, ‘hij is doof.’

Ik koop een beker chocolademelk bij de boer, voor €2. Het is Nutricia, aangelengd met water. Ik koop ook een kom erwtensoep. Die is van Unox, en smaakt naar sigarenas. Ik kijk naar de klapschaatser en de bejaarde op de dijk. Ze praten zeer luid, hun gesprek is woordelijk te verstaan. ‘U moet bij hem zijn!’ hoor ik de bejaarde met het vlaggetje zeggen. Hij wijst naar de boer. Ze wijzen hier wat af. ‘Hij heb een auto!’ De boer doet alsof-ie het niet hoort. Hij blijft liever bij zijn handel.

Ik wil best helpen, maar heb mij gediskwalificeerd met die val tegen de koek-en-zopie-kraam. Ineens voel ik mij moe en dringt het tot me door dat ik niet weet waar ik ben.

zondag 12 februari 2012

Ineens is het mijn zoon

Het is acht uur in de ochtend, het is donker, en overal zijn haastige mensen die net als ik niet naar hun werk willen. De rotonde op de Rijnsburgerweg. De bocht des doods. Ik buig af, kan zien dat de grijze Audi niet voor mij gaat stoppen. Ik knijp vol in mijn remmen. Er is een jongen van een jaar of dertien die het niet ziet. Hij wordt geschept door de wagen. 

Een geweldige klap. De jongen rolt over de motorkap, en dan op het asfalt. De jongen schreeuwt, en ineens is het mijn zoon. Mijn zoon ligt daar op het asfalt te kreperen. Ik ben afgestapt. Vanaf dat moment doe ik werkelijk alles fout. Ik sleep mijn zoon van de weg af. Ik roep dat iemand 1-1-2 moet bellen.

Je moet niet met een gewonde gaan slepen. Je moet hem laten liggen en dingen vragen. Je moet verdomme niet gaan roepen. Je moet geruststellende dingen zeggen, zoals je in films ziet, van dat het allemaal goed komt. Ook als je weet dat het absoluut nooit meer goed komt. Juist dan. ‘it’s okay son, it’s okay – look at me, don’t give up, don’t you dare give up on me...’ Ik weet best wat je moet zeggen, jammer genoeg weet ik het alleen in het Engels.

Toen ik 4 was ben ik zelf aangereden. Ik vloog door de lucht en klapte op het asfalt. Ik herinner het mij. Als ik wil vlieg ik daar weer. Iemand tilde mij op. Ik denk dat het mijn vader was. Die wist dus ook niets van EHBO. Niemand zei iets tegen me.

Er dromt volk om ons heen. Gelukkig komt er een jonge man bij die wél weet wat men in zo’n situatie moet doen. Hij heeft een cursus gehad. Hij neemt het initiatief over. Het joch lijkt overigens weinig te mankeren, en is daar zelf verbaasd over. Nu het mijn zoon niet meer is, houd ik mij maar met zijn fiets bezig. Het is een mooie fiets. Er zit een slag in het achterwiel.
‘Ik heb geluk gehad zeg!’ zegt de jongen. Hij kijkt alsof hij een prijs heeft gewonnen op de kermis.

De bestuurder van de Audi komt aanzetten met een visitekaartje en zijn verzekeringsgegevens. Ik geef mijn naam, als getuige. Ik vind niet dat de bestuurder Tonio hoeft te lezen als straf. Hij moet bedolven worden onder twee oplages Tonio.

Mij moet men verplichten een handleiding EHBO in te spreken voor blinden.

Dit bericht verscheen eerder op Torpedo Magazine

maandag 30 januari 2012

WILD gaat voor de Libris

Mooi nieuws. WILD staat op de Longlist van de Libris Literatuurprijs, samen met de romans van AFTh van der Heijden, Herman Koch, Jan van Mersbergen, Stephan Enter, Henk van Straten, Anna Enquist, Jeroen Brouwers, Vonne van der Meer, en anderen. Zie de site van de Libris.

U kunt aan de foto zien dat er een zware last op mij ligt. Maar ik zal niet bezwijken onder de druk. 12 maart wordt de shortlist bekendgemaakt. Grip van Stephan Enter en Tonio van AFTh lijken de topfavorieten.

vrijdag 27 januari 2012

Papiertje (of: hoe Apple u en mij bedondert)


Een vriendelijke oud-leerling met een halve studie in computertechnologie repareerde gisteren mijn Apple Powerbook. Die was namelijk stuk. Al heel lang. Ik heb ook allang een nieuwe. Maar de jongen had er schik in, toonde enige kennis van zaken, dus ik dacht ‘ach, laat die knul.’ Hij kwam, hij zag. ‘Ik heb een stukje papier nodig’ zei hij. Hij overwon. De operatie duurde drie minuten. Toen was mijn computer gemaakt. Met een stukje papier. 'Alle modellen uit 2007 hebben dit mankement' zei hij.

Vorig jaar ben ik met die computer naar de Apple Store gegaan. De hippe priester achter de toonbank keek naar het apparaat alsof het van de duivel bezeten was. ‘Tja,’ zei hij. Hij draaide het ding wat rond. Ik voelde me alsof ik bij Van Kunst tot Kitsch zat met een waardeloos prul van een gehate tante. Hij vertelde met een citroengezicht dat ik sowieso €200 kwijt was ‘als wij ernaar kijken.’ Ik schrok geweldig, al begreep ik het ook wel, zo’n man stond daar niet voor niets met mij mee te leven. Ik wilde de portefeuille al trekken. 

Gelukkig had ik het niet helemaal goed begrepen. Hij bedoelde, als ik het ding achterliet en iemand ging hem openschroeven, dan kostte mij dat €200. Hij noemde het entreekosten, of drempeltarief, iets dat klonk als een goede besteding van je geld. Als het ding niet te redden zou zijn, zouden ze hem meteen weer dichtnaaien en bleef het bij een kijkoperatie van €200. Als de duivel wel uitgedreven kon worden kwamen er natuurlijk extra kosten bij. ‘Natuurlijk’ zei ik. Het klonk heel redelijk. ‘Het kan oplopen tot €500.’ ‘Ja’ zei ik, ‘natuurlijk,’ niet geheel op de hoogte van de gangbare tarieven voor exorcisme.

Wij, de priester en ik, kwamen tot de conclusie dat ik misschien beter een nieuwe laptop kon kopen. Er was net een nieuw model uit, en ze vlogen over de toonbank. Hij had er nog één in de doos. Nieuw model, doos. Dat liet ik mij geen twee keer zeggen.
Ik kocht een nagelnieuwe MacBook Pro, in een mooie gladde doos met een handvat. Het oude stuk schroot nam ik onder de arm en knikkerde ik in de fietstas. Die kon nog wel als onderzetter dienst doen, voor hete ovenschotels.

Nu is-ie dus gemaakt. Voor nop. Met een papiertje. Daar draait-ie weer een paar jaar op. Over drie jaar moet er misschien een nieuw kabeltje in. Kosten €25. ‘Heb je ‘m daarvoor afgedankt en een nieuwe gekocht?’ lachte de jongen. ‘Haha’ zei ik. Voor een computer die weer werkt laat ik mij graag een beetje kleineren.

Apple maakte afgelopen kwartaal een winst van 10 miljard dollar. Apple verkoopt mooie spullen. Ze willen die spullen alleen liever niet repareren, ze willen ze alleen verkopen. Over twee jaar weten we wat er met de eerste generaties iPads loos is. Van de 50 miljoen gaan er, zeg, 10 miljoen stuk. Een jaar later weer 10 miljoen. Het is met een stukje duct-tape te repareren, maar dat zeggen ze niet bij Apple. Ze kijken moeilijk, noemen het ‘drempeltarief’ voor een reparatie, en verkopen je een nieuwe. 

maandag 23 januari 2012

Een ongeluk


Ik ging lopen in de richting van Voorschoten. Bij de Lammebrug zag ik dit: een dik mannetje op een fiets reed over zijn eigen hondje heen. Het hondje was aangelijnd, was geschrokken van een gans, sprong opzij en kwam onder het achterwiel. De man remde, denk ik, het achterwiel kwam los, de man viel. Dat is wat ik zag. Daar lagen ze, man, hond, en fiets. De gans stond in de berm te kijken. Verder was er niemand. Het tafereel was in mijn handen
De hond maakte een raar piepgeluid. Hij probeerde te gaan staan, maar het lukte niet goed. Ik bleef staan, in dubio of ik de dierenambulance of de mensenambulance moest bellen. Toen bedacht ik dat ik geen telefoon bij mij had. Eerst zette ik de fiets overeind. Je moet altijd met de eenvoudige taken beginnen, weet ik. De man kwam zelf al een eindje overeind. Ik hielp hem verder. Het hondje krabbelde met zijn poten over het asfalt. Ik zei: ‘heeft u pijn?' Er kleefden kleine steentjes aan zijn handpalmen. Hij zei dat het wel ging. De hond begon alweer een beetje te lopen. De man keek eerder verstoord dan bezorgd naar het dier. Hij pakte de hond op, nam hem in de armen. Het beest begon weer te piepen. Het mannetje keek mij nu met paniekogen aan, ogen die de oorlog kennen.
‘Ze weten niet dat ik hem op de fiets uitlaat. Mijn vrouw en dochter. Wat moet ik nu zeggen?’‘U moet met hem naar de dierenarts, hij kan interne bloedingen hebben,’ zei ik. Ik weet niks van dieren, noch van interne bloedingen, toch klonk het mijzelf aannemelijk in de oren. ‘Gak’ zei de gans. ‘Ksssst!’ siste ik. Het beest ging te water.‘Dank u,’ zei het mannetje. ‘Dat u even hielp. Dank u heel vriendelijk.’ Zonder de fiets op slot te zetten liep hij met het hondje in zijn armen de brug over – naar huis, denk ik. 
Ik vond het erg, vooral voor het mannetje, omdat hij thuis moest vertellen wat er gebeurd was. Thuis moeten vertellen wat er gebeurd is is zelden leuk. Met dieren identificeer ik mij moeilijker, misschien omdat ze nooit thuis iets hoeven te vertellen. Lang hield ik het niet vol, het erg vinden. Een kilometer of wat verderop vond ik het erger dat ik de duur van het oponthoud niet had geklokt, zodat ik mijn tijd op de 10 km niet meer zuiver kon bepalen, en ik dus voor niemendal aan het hardlopen was. Ik fantaseerde dat het mannetje mij zo dankbaar was dat hij mij zijn 18-jarige dochter aanbood. Beiden wilden van geen weigering weten. Op een goed moment wond dit mij zo op dat ik omkeerde en naar huis liep, met lange, stoere passen. Toen ik bij de brug kwam zag ik dat de fiets weg was.
Dit artikel verscheen eerder op Torpedo Magazine

Ruisend Zwart


Tegen de avond komen de kraaien. Ze komen uit het park en willen voor donker in de stad zijn. Dat vermoed ik tenminste. Dat zou ik willen. Zelfs als ik een kraai was. Ze strijken met z’n honderden neer op de takken van de grote esdoorn voor mijn huis. 
Tientallen andere schurken tegen elkaar aan op het dak van de overburen. Netjes op een rijtje. Misschien zitten ze ook op mijn nok, maar dat kan ik niet zien. Soms vliegt er een stel op, zonder zichtbare aanleiding, en dan gaan ze allemaal. Een geluid alsof er een tentdoek klappert. De hemel lijkt tegelijk te verduisteren en te bewegen. Het is een onheilspellende aanblik. Dan dalen ze weer en een seconde of wat later ziet het er precies zo uit als voor de korte vlucht. Zo gaat dat de hele tijd door. 
Het rare is, soms vliegt er één kraai op, en volgen er twee of drie, maar verder gebeurt er niets. Dat is de verkeerde kraai, denk ik, die drie sukkels hebben op de verkeerde kraai gewed. Ze zien hun vergissing snel in en nemen weer plaats, in de boom of op de nok van het dak. Ze doen alsof er niets is gebeurd. En dan, hup, daar gaan ze allemaal weer, de hemel zwaait met een zwarte banier, ik voel de wind in huis, en knip het is weer voorbij. 
’s Avonds vertelde ik dit aan een goede vriend in het café. Hij zei dat mensen dit kraaiengedrag ook vertonen. Ik vroeg er niet om, het ging mij om de observatie, maar hij ging er eens goed voor zitten, voor zijn analyse. ‘Het is een overlevingsstrategie,’ zei hij. ‘We gaan naar het strand als iedereen dat doet, we kijken de tv-programma’s die iedereen kijkt, we kopen cd’s die in de top 10 staan, kijken YouTube filmpjes die 30 miljoen keer bekeken zijn en we lezen Bonita Avenue omdat het een bestseller is’. ‘Dat is niet per se een slecht boek,’ zei ik. ‘Nee, maar goed of slecht dondert niet. En als het oorlog wordt rennen we allemaal de zee in.’ Ik hield wijselijk mijn mond over mijn nieuwjaarsduik. 
Hij ging verder. ‘Een take-off heet dat, een zichzelf versterkende reactie. Het is een term uit de nucleaire wetenschap die is overgenomen door de evolutiebiologen. Kijk man, wij lezen boeken die niemand leest. Wij zijn voor ADO Den Haag. Wij vliegen achter de verkeerde kraaien aan...’ Ik wilde zeggen: ik schrijf ook boeken die niemand leest, en ik ben eigenlijk voor Feyenoord – maar ik was bang dat hij daarmee zijn punt bevestigd zou zien. Bovendien was ik het niet met hem eens. Het liefst namelijk, het allerliefst, stijg ik op en vlieg ik mee in zo’n tornado van ruisend zwart.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010