donderdag 20 februari 2014

Hersenverlamming

Ik kijk naar een aflevering van Breaking Bad. Terwijl ik dat doe dringen zich voortdurend vragen op die geen uitstel verdragen. Mijn laptop ligt naast mij op de bank, dus uitstel zou ook dwaas zijn. Voor je het weet ben je vergeten wat de vraag was. Eerst moet ik weten waar Alberquerque ook alweer ligt. Dit zoek ik op met Google maps. Ik hoef het niet eens goed te kunnen spellen, Google weet welke stad ik bedoel. Ik weet het nu ook, hij ligt in New Mexico. Ik weet ook hoe je het spelt, Albuquerque, en dat er 555.417 mensen wonen. Ik weet het nu voor altijd en ik heb niets gemist van de aflevering.

Daarna moet ik beslist weten wie die Skyler speelt. Ze is mooi, haar lippen plakken steeds een beetje aan elkaar als ze praat, het is schitterend, en ik wil weten of ik haar eerder gezien heb. Wikipedia brengt klaarheid in de zaak. Ze heet Anna Gunn, en ik ken haar nergens van. Ik bekijk wat foto’s. Ik mis een korte dialoog in een kroeg. Een van de sprekers zal sterven, dat hoor ik aan het timbre van zijn stem, weldra 555.416 inwoners in Alber...dinges, en ik stel vast dat Anna Gunn ook op internet mooi is.

De zoon van Walter praat raar en langzaam, alsof hij uren door de vrieskou heeft gelopen en zijn kaken niet meer van elkaar krijgt. Hij loopt op krukken. Ik zoek wat voor aandoening hij kan hebben, dit duurt wat langer, maar ik kom erachter: hij heeft de ziekte van Little, een soort hersenverlamming. Nu heb ik een halve scene gemist waarin aannemelijk wordt gemaakt dat Walter terugkeert naar huis, en niet meteen door zijn vrouw Skyler op straat wordt gezet. Heel aannemelijk, maar ik weet niet hoe het precies is gegaan. Wel weet ik alles van celebral palsy.

Daarna tik ik dit stukje, omdat ik moet opschrijven dat het me niet bevalt, dat ik een tv-serie kijk en tegelijkertijd honderd dingen opzoek op internet. Je gaat prakkiseren, als eenvoudig mens: Is dit amusement anno 2014? Gaat de noodzaak allerlei trivia te weten boven, eh, voelen? En is de noodzaak je mening daarover te delen door er een stukje over te tikken, of een Facebook-statusupdate, nog groter? 

Ik ben er van in de war.

Door het schrijven van dit stukje mis ik het grootste deel van een scene waarin een auto zonder nummerplaten een kippenfarm oprijdt. Er is een ontmoeting tussen twee drugsbazen. De ene heet Gus. Wie was dat ook weer? Wat heeft hij uit te staan met Walter? Wacht, ik zoek het even op.

Terwijl ik dat doe besef ik dat ik ben vergeten wat celebral palsy is, sterker nog, ik ben het woord vergeten, maar door het snel op te zoeken (tik ‘celebr disease’ en Google weet de rest) kan ik het twee alinea's terug toch opschrijven, en nu weer. Celebral palsy. Ziekte van eh...


Ten slotte lees ik op Wikipedia een samenvatting van de aflevering die ik net zag. Ik moet toch weten waar ik naar heb zitten kijken. 

vrijdag 14 februari 2014

de School van BNN (column Trouw 12 feb)

‘Lieve hemel, gaat het bij jullie op school ook zo?’ vroeg iemand. De vragensteller had het over de BNN-serie ‘De School’. Ik had geen antwoord paraat, want ik had niet gekeken. Dus bekeek ik deze week alle afleveringen over het wel en wee in 4-havo van een Alkmaarse school achter elkaar op internet, en na afloop moest ik toegeven: Ja, alle duivels, bij ons gaat het ook zo. Ongeveer. Ook bij ons zijn leerlingen in 4-havo moeilijk in bewegingen te krijgen, ook bij ons is het een hormonenkermis, mobieltjesparade, ook ik voer oeverloze hoe-gaat-het-nu-met-je-gesprekjes, ook in mijn school zie je een enkele zuurpruim van een docent, een enkele vakman, en heel veel lieverds die teveel toestaan. En ik schaamde me.

‘Niet eerder werd het schoolleven zo direct en volledig in beeld gebracht’, beweert BNN, en dat leek waar. Direct en volledig. Ik vroeg collega’s of zij dat ook vonden, maar haast niemand bleek te kijken. ‘Ik kan het niet aanzien,’ zei een enkeling. Niet aanzien? Je kan je eigen werk niet aanzien? Is het al zo erg?

‘De School’ dwingt tot stellingname, en is alleen daarom al een briljant programma.
Het is knap werk bovendien. Uit een onvoorstelbare berg beeldmateriaal zijn heel bekwaam een paar verhaallijnen gesneden over leerlingen ‘met een extra uitdaging’, opgevuld met beelden van ‘het schoolleven’. Ruzie om telefoons in de klas, goedbedoelde mentorgesprekjes, superieure lamlendigheid, een knul die clandestien tosti’s maakt achter de lockerkastjes en een brutale meid die zegt ‘ik ben héééél erg tegen huiswerk’, het is er allemaal, ook bij ons. 

Maar ineens begreep ik wat ik miste, wat er op de montagetafel is gesneuveld. Nergens in het programma zie je dat er geleerd wordt, dat jonge mensen, tussen al het gedoe, zich inspannen kennis en vaardigheden op te doen. Wat wij zien is een BNN-school. Direct: ja. Volledig: nee! Misschien is dat te saai voor de televisie. Ik zou het ook niet weten hoe je het in beeld moet brengen, lerende kinderen. Het lijkt wel iets geheims, leren, een mysterie dat zich onttrekt aan het oog van de camera. Maar ook in Alkmaar is bijna iedereen uiteindelijk over naar 5 havo. Dus het bestaat, dat leren, ook al zijn er geen beelden van.


Kinderen die leren, omdat wij hen daartoe verleiden, dat is waar een school om draait. Al het geknoei eromheen, tja, dat is er ook, en soms is het om te lachen, en vaak om je een ongeluk voor te schamen. Maar het hart van de school, dat zijn kinderen die leren, soms gretig, soms moeizaam, soms onwillig. Man, wat een beroep.

maandag 3 februari 2014

Meten is Meten (column Trouw 29 jan)

Mijn mentorleerlingen zitten weer eens gebogen boven een proefwerk, en ik ben de surveillant. Ik staar afwezig naar ze, mijn gezicht blauw uitgelicht door het scherm van mijn laptop. Ze maken een proefwerk voor gym. Ik herhaal dit, zodat u weet dat het er echt staat: ze maken een proefwerk voor gym. ‘Physical Education’, zo heet gym op de internationale school. Het proefwerk heeft zes pagina’s en vijfentwintig vragen.

De eerste vraag is meteen raak. Voor één punt: ‘Welke drie commando’s worden gegeven aan de start van de sprint (door de man met het pistool)?’ Ik heb geen idee. ‘Hands up’? Ik spiek bij Stella, die vooraan zit. Het is ‘Ready, Set, Go.’ Vraag twee: wat is het ‘dode punt’ van de ringen? Als ik aan die ringen denk, en aan vroeger, zie ik mezelf als dood punt. Ze moeten ook hun VO2-max berekenen en het FITT-principe uitleggen.

De gymdocenten zelf zijn eigenlijk geen voorstanders van die toetsen, maar ze legden mij uit dat ook hun resultaten meetbaar moeten zijn op verschillende criteria. Ik snap het, het is modern, maar het heeft iets treurigs. Gym, het enige schoolvak – met muziek misschien – waarbij er niet aan het feit voorbij wordt gegaan dat je ook een lichaam hebt. Voor het overige gebruikt een schoolkind zijn lichaam om zijn hoofd van het ene naar het andere klaslokaal te vervoeren.

Nu, op dit moment, terwijl ik de schijn wek de leerlingen in de gaten houdt tijdens de gymnastiektoets, maakt mijn dochtertje in groep 6 de citotoets woordenschat. Ze heeft er twee weken van toetsen opzitten, maar nu komt het erop aan. Ze weet dat woordenschat niet haar sterke punt is, en hoopt vurig dat ze dit jaar bij de beste veertig procent zit. Als je daaronder komt wordt een Vwo-advies lastig, zegt ze. De druk wordt vanaf groep 3 stap voor stap opgevoerd. 

Meten is weten, niemand lijkt dat meer te betwisten, en meten moet je steeds opnieuw. Het zelfvertrouwen van de school, de gemoedsrust van de ouders, of de plaats op allerlei ranglijsten zullen er wel mee gediend zijn. Kinderen zijn dat in ieder geval niet. Meten is helemaal niet weten, als je het mij vraagt, in ieder geval niet in het onderwijs. Meten is meten. Meer niet. En al die tijd hebben we het belangrijkste uit het oog verloren: Onderwijs is de manier waarop we het verlangen naar een betere wereld vormgeven.

Na een half uurtje is Majid klaar met de toets. Majid kan lekker voetballen, hij speelt in de B1 van ADO den Haag. Hij heeft meer dan de helft van de vragen niet ingevuld. Nu ja, dan weet hij in ieder geval wat hij niet weet.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010