vrijdag 28 september 2012

Project Kunstshot (column Trouw 26 september)


Eerst is alles rustig. Maar dan, alsof er een signaal is geweest dat alleen zíj konden horen, is de binnenstad vergeven van de jongeren. Ze zijn vijftien, zestien jaar. Het zijn er honderden, zo niet duizenden, in groepjes lopen en fietsen ze rond. Ze lijken op zoek. Waarom is de politie niet paraat? De grootste menigte dromt samen rond de schouwburg.
De schouwburg?!

Nee, dit is niet Project X Leiden, het is Kunstshot.
Kunstshot is een initiatief van de Leidse culturele instellingen en scholen uit de regio. Het idee is, kortweg, om leerlingen uit de vierde klas een keer het theater en de concertzaal in te krijgen. Het klinkt als een nachtmerrie, en in sommige gevallen is dat het ook. Ik herinner mij een optreden van Amsterdam Sinfonietta, dat smoorde in een oorverdovend geroezemoes. De dirigent draaide zich om en zei ‘Ssssst, nu komt een heel zacht stukje.’ ‘Wat zeg je?’ riep een knul. Toen hij geen antwoord kreeg keek hij vragend om zich heen: ‘Wat zei-die? Wat zei-die dan?’

Het kan ook anders. Een paar jaar geleden gaf cellist Ernst Reijsiger een miniconcert. Moderne muziek. Eigen stukken. Ik was bang dat het fout zou gaan, maar het ging niet fout, er gebeurde een wonder. Hij pakte het jonge publiek bij de lurven, beet in hun nekvel en liet niet meer los. Hij vertelde, boeiend en dwingend, en hij speelde. Allemachtig, wat speelde hij. Plezier, vakmanschap, werklust, alles badend in een heilig vuur. Hij ranselde zijn snaren af, sloeg op het hout, snoof, zweette, en iedereen luisterde ademloos. ‘Het is heel goed dat jullie dit doen,’ zei hij na afloop tegen mij. ‘Heel erg goed.’ Ik wilde zeggen: Je draait het om. Wat jij doet is heel erg goed.

Vandaag wordt het niet zo goed als die dag. In de schouwburg is een jongen die circustrucs met een BMX fietsje doet, er is een martial-arts clown en een beatboxer - UM-tsjikke-UM - die de losse flodders aan elkaar rijgt met zijn beats. Ik probeer te bedenken hoe zo’n voorstelling gemaakt is. ‘Doe maar iets met beatbox en stunts, dat vinden ze wel vet.’ Op het balkon wordt geschreeuwd. Ik zit gespannen als een veer in mijn stoel. Schreeuwen in de schouwburg, godbetert. En het lijkt niet eens uit te maken, want het geluid staat heel hard. Geen eisen aan het publiek, geen verwachtingen. Geen spanning. Geen kunst. Leerlingen blijken het na afloop ‘wel leuk’ te hebben gevonden. ‘Wel leuk’ vind ik een nederlaag, als het gaat om kunst. Zo één waar je dagen last van hebt. Maar volgend jaar is er opnieuw een Project Kunstshot, en kan er weer van alles gebeuren. Dames en heren artiesten: Wie durft?

zondag 23 september 2012

Ouderavond (column Trouw 19 sep)


Ik trek mijn gladde schoenen aan, en een mooi colbertje. Dat doe ik anders nooit, maar het is ouderavond. Dat houdt in dat je de ouders van je mentorleerlingen voor het eerst ontmoet. Als ze het een beetje goed doen, die kinderen, dan is het misschien meteen voor het laatst. Met anderen bouw je, zeg maar, echt een band op in een jaar. 

De eerste indruk is belangrijk. Het maakt niet veel uit wat je zegt, ze komen om naar je te kijken. Is het een beetje een schappelijke kerel of wordt het weer afzien dit jaar? Dat is waar de avond om draait. Alle powerpoint-presentaties die de schoolleiders vooraf in de strijd werpen zijn rookgordijnen. Alle kopjes koffie en koekjes zijn zoenoffers. Ze komen voor mij, de mentor.

Het is belangrijk de ouderavond vroeg in het jaar te hebben. In de tweede of derde week kom je nog wel weg met de blijmoedige kreet dat ‘we er met z’n allen een leuk jaar van gaan maken,’ maar daarna komt de ellende snel bovendrijven. Stress, ruzietjes, overvolle gangen, vieze wc’s, docenten die huilend het lokaal uitlopen – ‘waarom doet u daar niets aan?’. Als je pas in oktober komt aanzetten met een ouderavond, kan je beter in een ketelpak aantreden dan in zo’n colbertje.

Voor mijn eerste ouderavond was ik erg nerveus. De conrector sprak mij vaderlijk toe: ‘Als een ouder met een rare klacht komt, moet je vragen of meer ouders zijn klacht delen. Vaak blijkt de klager dan alleen te staan, en dan ben jij de winnaar!’ Ik bedankte, rechtte mijn rug, stapte mijn lokaal binnen.
Het ging goed, tot het fout ging.

‘Ik wil even wat zeggen!’ zei een kale man met een morsig jasje. Hij stond op, zwaaide met een boekje. ‘Waarom moet mijn zoon dit soort woorden leren!’ Hij begon voor te lezen. ‘Kartofffelpuffer, Rückenflosse, schuhplatteln.’ Hij had een vlekkeloze uitspraak. ‘Wat is schuhplatteln?’ vroeg iemand. Het bleek tapdansen. ‘Zijn er ouders die deze klacht delen?’ vroeg ik. ‘Ja, nu je het zegt!’ zei iemand. In een paar tellen was het een pandemonium. De Duitse proefwerken waren te moeilijk! Het was idioot! Schuhplattelnd verliet ik het lokaal.

Na twaalf jaar en evenzoveel ouderavonden ben ik nog steeds nerveus. De eerste ouder die vanavond mijn lokaal binnenkomt is een zwarte man met grijs haar. ‘Goedenavond’ zeg ik monter. ‘U bent zeker de vader van Tyler.’ Hij: ‘Inderdaad, hoe weet u dat?’ Daar sta ik alweer, met mijn gladde schoenen. Tyler is de enige écht zwarte jongen in de klas. ‘Hij lijkt op u,’ zeg ik opgewekt. Ik peil zijn blik, om te kijken of ik genade zal vinden. Het blijft een dubbeltje op zijn kant, zo’n ouderavond.

vrijdag 14 september 2012

Sir, what will you vote?


Ik hou van mijn school, maar op sommige momenten zou ik het gebouw wel uit willen rennen. Tijdens de onderbouwdisco bijvoorbeeld. En op de dag van de scholierenverkiezingen. Of liever: de dag van de uitslag van de scholierenverkiezingen. De VVD is namelijk altijd de grootste partij onder onze leerlingen, met afstand. Ik kan mijn diepe teleurstelling daarover moeilijk verbergen. Een jongere hoort sociaal bewogen, milieubewust, solidair en links te zijn, vind ik, omdat ik denk dat de wereld daar beter mee af is. Maar misschien moet ik er niet te zwaar aan tillen. De school staat in welgesteld Oegstgeest, wat wil je?

Bij de vorige Kamerverkiezingen, in 2010, was het nog erger dan andere jaren: Wilders haalde een kwart van de stemmen onder onze leerlingen. De uitslag hing op posters, overal in school. Het was 9 juni, de dag van de ‘echte’ verkiezingen. VVD nummer 1, PVV nummer 2. Ik liep met een kwaaie kop door de gang, zei niemand gedag en bekeek iedere leerling wantrouwend. Ik bereikte mijn lokaal, de klas die op mij stond te wachten was een internationale klas, met leerlingen uit vijftien verschillende landen. Deze kinderen volgen een internationaal curriculum, in het Engels.

Majid, een beer van een knul kwam naar me toe. Zestien jaar, één meter tachtig in het vierkant, afkomstig uit Turkije. Hij klampte me aan en wees in de richting van de centrale hal, waar een paar honderd leerlingen zich verdrongen rond de kapstokken en de lockers. ‘They want me out of the country sir!’

Wat moest ik zeggen? Dat het wel meeviel? Dat het slechts een kwart van hen betrof? Dat ze hém niet bedoelden, maar die ‘anderen’? Welke anderen? Ik kon het toch niet voor die vormloze massa potentiële PVV-stemmers gaan opnemen? De week daarvoor was Majid de Schrik van Sportdag, hele voetbalteams weken voor hem uiteen. Ik niet, ik maakte een sliding en gleed met gestrekt been op hem in. Tachtig kilo Turk viel over mij heen. Het was een grapje, want ik was eigenlijk de scheidsrechter. Hij stond lachend op, wij deden alsof wij geen pijn hadden.

Ik wilde voorstellen samen het gebouw uit te rennen. Maar ik diende op mijn post te blijven, dus ik zei: ‘Natuurlijk willen ze dat. Ik wil je soms ook wel het land uit hebben, je bent een crimineel als je voetbalt.’ Ik sloeg een arm om hem heen. Hij liet zich meevoeren het klaslokaal in. ‘Sir, what will you vote?’ vroeg hij. Het leek alsof hij dacht dat zijn redding van mij afhing, van mijn stem. Ik moest mijn ontroering wegslikken, toen ik begreep dat hij eigenlijk maar één ding wilde weten: of zijn leraar aan zijn kant stond. 

maandag 10 september 2012

Alles wordt beter


Goede Voornemens. Je kent ze wel, oude vrienden die op 1 januari op de rand van je bed zitten, die de hele dag blijven, luidruchtig zijn, en altijd iets goedkoops en morsigs hebben. De volgende dag zijn ze verdwenen, en je hoort een jaar lang niets meer van ze.

Een veel beter moment voor goede voornemens is eind augustus. Iedereen die op een school rondloopt weet dat. Iedereen op school heeft ze ook, die voornemens. Dat komt omdat we allemaal lang genoeg vakantie hebben gehad.

Ik begin altijd met een lege tas. Niets erin, geen boeken, nog geen pen. Alleen een paar dossiermapjes, zonder inhoud, voor iedere klas één. Langzaam komen er spullen in, dat is niet te vermijden. In een schooljaar vergaar je dingen die je nodig denkt te hebben. Vooral papier. Aan het einde blijkt het allemaal nutteloze rommel te zijn. Het is net als in het leven. Het voornemen bestaat hieruit: ik moet voor de herfstvakantie mijn tas nog zelfstandig kunnen dragen.

Ik heb nog een voornemen: ik wil in één klas de indruk wekken dat ik een docent ben die precies weet wat hij doet. Geen malloot die wankele puberbreinen ontregelt, en zichzelf nog het meest. Een oase van rust zal ik zijn, een nestor, een vaderfiguur. Dit heb ik nodig voor zo’n voornemen: een nieuw schooljaar, en een stel kinderen dat mij niet kent.

Ik ga zitten, ik knip met mijn vingers, ik heb mijn minzame glimlach zojuist nog op het toilet geoefend. De klas wordt stil. ‘Jongens,’ zeg ik, ‘muziek... dat is... dat is...’ Ik heb nog geen idee wat het is, muziek, maar het wordt vast prachtig. Mijn borst zwelt. ‘Mijn broer heeft u gehad’ zegt een jochie dwars door de stilte, ‘hij zegt dat u echt gek bent!’
In de pauze kies ik op de koffieautomaat voor de optie ‘extra sterk’.

Wat mij niet lukt, lukt kinderen vaak wel. Hun voornemens kunnen erg ontroerend zijn. Alles wordt ieder jaar beter, dat is waar leerlingen vast in geloven. In de koffiekamer vertelt José, docente Frans hoe twee meisjes gearmd haar klas in kwamen zweven, de lichte tred verried hun goede voornemens. ‘Ik ga een acht voor Frans halen dit jaar mevrouw, en Lotte ook! Lotte wilde eerst niet, maar we hebben gepraat en nu wil Lotte het ook!’

Zo legt ieder kind zijn dromen voor je voeten. Voorzichtig lopen, niets kapot maken, je tas draagbaar houden - dat is wat je moet doen. En af en toe denken aan de woorden van T.S. Eliot: ‘For last year’s words belong to last year’s language, and next year’s words await another voice.’  

Trouw, 5 september 2012

Gerwin in DWDD 28 januari 2010