vrijdag 20 september 2013

De ideale wereld (column Trouw 18 sep)


‘In de ideale wereld maakt een leerling gewoon zijn huiswerk,’ zei een collega. Ik moest nadenken over het zinnetje, het leek niet te kloppen. Over wiens ideale wereld had hij het? In de ideale wereld bestáát huiswerk helemaal niet. Ik heb het idee dat ik dat zinnetje over ‘de ideale wereld’ vaker hoor de laatste tijd, niet alleen op school. Het gaat zo: ‘in de ideale wereld...’ en dan komt er altijd iets achteraan dat teleurstellend triviaal is zoals ‘... scheidt iedereen afval’, ‘...spoelt niemand maandverband door de wc’, ‘... hebben jongens een net handschrift.’ 

Het valt me ook op dat het nooit de echte idealisten zijn die het zeggen, integendeel, het zijn eigenlijk altijd pragmatici. Ze gaan ervan uit dat de ideale wereld een fata morgana van oude hippies is, dat het dus geen enkele zin heeft om ervoor te vechten, en dat we genoegen moeten nemen met een behoorlijk slap aftreksel van de ideale wereld, namelijk één waarin strenge regeltjes, scherpe controle, en goedbedoelde repressie een rol spelen.

Ik ben denk ik ook een oude hippie.

Een ingenieus systeem van huiswerkcontrole moet er dit jaar voor zorgen dat wij ons eigen slappe aftreksel van de ideale wereld brouwen. De veelgeprezen iPad wordt daarbij ingezet. Je loopt langs de tafels met de veegplank in de hand. ‘Huiswerk niet gedaan? Jammer joh. Hopla, tik... kijk, vakje kleurt rood achter je schitterend mooie naam, hier, op mijn eipet.’ Niks nieuws? Nou, het verschil met vroeger is dat nu iedereen - ook de ouders - realtime op de hoogte is van het verzuim, want het is een ‘open systeem’. ‘Ik voel me net een NSB-er’ klaagde een collega Frans, die ook de ziel van een oude hippie heeft.
Tja, je zou een school het spanningsveld kunnen noemen waar de ideale werelden van leerlingen en die van leraren naast elkaar proberen te bestaan. Maar ook dat is allemaal zo zuur, zo zuinig, zo inspiratieloos.

Mijn ideale wereld bestaat echt. Soms.

In de 3e klas van de internationale school zit een nieuw jochie. Hij heet Roman, een sproetenkop van drie turven hoog met rossige krullen. Als je Roman heet kan je bij mij al niet meer stuk, en sproeten zijn ook altijd goed. Roman is van Duits-Russische afkomst. Afkomst is dikwijls een ingewikkelde kwestie bij internationale leerlingen. Op een goed moment zat Roman achter de piano, tussen Tima en Ido, twee stoere knapen. Ik dacht: in de ideale wereld zitten een Oezbeekse Amerikaan, een Duitse Rus en een Jood op een rijtje samen muziek te maken. In een nog idealere wereld zou het ook ergens naar klinken, maar goed. Ik kon het niet laten snel even een foto te maken. Met de iPad.

vrijdag 13 september 2013

Suppen (Column Trouw 11 sep)


Ik ga suppen met mijn nieuwe mentorklas. Suppen is ‘Stand Up Peddling.’ Op een plank staan in zee,
en dan een beetje peddelen. Het klinkt stom, maar het schijnt een rage te zijn. We gaan dit doen om een band te krijgen. Onze instructeur heet Pjotr. Pjotr is jong, sterk, blond, enzovoort. Maar ik ben niet jaloers, want dankzij Pjotr draag ik vandaag, hier op het strand van Katwijk, nul verantwoordelijkheid. Heerlijk.

Ik leg Pjotr uit dat mijn leerlingen uit alle windstreken komen, en dat sommigen geen woord Nederlands kennen.

‘Engels dus? No problem!’ 

Eerst praat hij over de wetsuits. Dit spreekt hij uit als ‘wet shoots’. Dan leren wij hoe de ‘fin’ van de ‘plenk’ in de ‘gulf’ moeten sturen. Je moet niet naar je voeten kijken bij het suppen, zegt Pjotr. Als je naar je voeten kijkt, dan val je. Je moet naar de horizon kijken. Als je Pjotr ziet kan je dat geloven, dat naar de horizon kijken beter is. Hij is bruin verbrand, zijn ogen zijn helder, haast doorzichtig van al dat naar de horizon kijken.

We gaan de zee in. Het blijkt toch niet mee te vallen. Ik slaag er na een tijdje in om op mijn knieën op de plank te gaan zitten, maar overeind komen durf ik niet. Ik kijk om mij heen. Estella staat al rechtop. Ze tuurt naar de horizon. Estella heeft vijf jaar op de Solomoneilanden gewoond. Ik stel mij voor dat men op de Solomoneilanden van het ene naar het andere eiland supt, al turend naar de horizon. Opeens zie ik dat alle kinderen overeind staan op hun planken. Het zijn goden, en het lijkt of ik voor ze kniel. ‘Come on sir!’ roept het mooiste meisje van de klas, een Italiaanse.

Goed, ik kom overeind, bevend, ik kijk naar mijn voeten. Meteen stort ik achterover in zee. Als ik bovenkom zie ik dat mijn surfplank door een golf is opgepakt en met een bloedgang op mij afkomt. Ik denk nog: ‘nee, dat niet, ik wil niet dat iedereen straks terug naar huis moet omdat ik een surfplank tegen mijn kop...’ De plank zwiept langs mijn rug, en sleurt mij mee, want ik ben er aan vastgebonden met een stuk touw om mijn enkel. Godengelach. Een raar soort opluchting maakt zich van mij meester. Ik denk: Dit is het, dit is je verantwoordelijkheid vandaag. Een mislukte clownsact opvoeren, zodat zij iets gezamenlijks hebben om zich vrolijk over te maken. Zodat ze vrienden worden. Misschien wel voor het leven.

‘Niet naar je voeten kijken,’ roept Pjotr.
Ik ga op mijn rug op de plank liggen. Ik kijk naar mijn voeten en de horizon tegelijk. Een schone dag.


zaterdag 7 september 2013

Het Twee Minuten Festival en Tommy W.


Misschien moet ik eerst zeggen dat ik Tommy Wieringa al jaren een ijdeltuit vind. En dat ik bang voor hem ben. Misschien ben ik wel banger dan dat hij ijdel is. Het zou zomaar kunnen. Jaloers ben ik niet. Ik zou de rol van Schrijver des Vaderlands nooit kunnen dragen, ook niet als het Vaderland dat van mij zou willen. Dit is trouwens iets waar ik nimmer bang voor zal hoeven zijn.

Maar ter zake.

Eerst dacht ik nog: hij doet het goed. Toen dacht ik: hij doet het, ja, toch best aardig. Pardon, ik bedoel hoe hij bij Pauw en Dinges het Twee-minutenfestival zat te pitchen (zo heet dat geloof ik). De avond van het zeer korte verhaal.

‘Het goed doen’ op televisie betekent niet zo heel veel. Het betekende in het geval van Tommy dat hij er netjes uitzag, rust en overzicht uitstraalde en zich niet versprak of ging stotteren. Als ik naast Beatrice de Graaf zou zitten zou er geen samenhangende zin meer uit mijn mond komen, ook niet als ik alles heel goed had voorbereid. Maar hoe ik het zou doen, dat mag geen maatstaf zijn. Tommy is ons boegbeeld, met hem moeten we het doen. Hij zit daar voor ons. En hij deed het goed, volgens de televisienormen.

Pas later drong het tot mij door wat een onzin hij te berde bracht over het Korte Verhaal in zijn redenering waarom het zo’n mooi genre is. Het ging, in zijn woorden, om ‘de euforie die je voelt’ als je in korte tijd iets goeds schrijft. Een roman sleept maar jaren achter je aan, die kwelt je zonder ophouden, maar van een kort verhaal kan je je in een paar dooie momenten verlossen. En dat is een fijn gevoel, dus. ‘Het moet er wel in één keer goed staan,’ zei hij. Dat is zelfs geváárlijke onzin, als je het mij vraagt

Euforie bestaat wat mij betreft niet bij het schrijven. Ja, je kan soms enkele ogenblikken – meestal vlak na het werk - wat dwalen en menen dat je iets moois gemaakt hebt. Even later weet je wel beter, dan begint het getwijfel en gedonder met de backspace toets. Of het nou een roman of een zeer kort verhaal betreft, dat maakt niets uit. De redenering is ook van een vreemd en haast gekmakend simplisme. Waarom is een kort verhaal schrijver leuker dan een roman schrijven? Nou, het is korter. Je zou het zo kunnen zeggen: waarom is een stoelpoot schilderen leuker dan een schutting? Nou, met de stoelpoot ben je eerder klaar. Dus dat is leuker. Want schilderen is kut.

Ik weet niet hoe het wel had gemoeten, maar er had iemand moeten zitten die niks anders kan schrijven dan korte verhalen, en die niet precies weet waarom. Maar ja, zo iemand komt niet aan tafel bij Paul en Dinges, en zeker niet naast Beatrice de Graaf.

Tommy, tot vanavond. Ik sta achter die pilaar.


Twee Minuten Festival
Zaterdag 8 spetember, vanaf 19:30
De Rode Hoed, Amsterdam

vrijdag 6 september 2013

Veegplankjes (column Trouw 4 sep)


Wij zijn ook een soort iPadschool geworden, want alle leraren hebben een iPad gekregen. Een meesterzet van de directie, ik kan het niet anders noemen. iPads voor de leerlingen, dat had beslist op verzet gestuit - maar iPads voor onszelf is natuurlijk een heel ander paar mouwen. Vlak voor de vakantie kregen we ze, man wat een opwinding. Doffe, vermoeide ogen twinkelden ineens weer. Iedereen liep rechtop, te pronken met z’n chique witte Apple-doos, sommigen roken er stiekem aan. 

Als bij toverslag veranderde de anders zo lawaaiige sfeer in de koffiekamer. Iedereen zat stilletjes te vegen over z’n iPad. Als er nog werd gepraat, ging het over dat ding. Een docente Nederlands mopperde. ‘Waarom staat er geen Word op? Waar laat ik mijn bestanden?’ Iemand legde uit dat een iPad geen computer was. ‘Wat is het dan wel?’ ‘Nou, het is eh... een eh...’ Daar kom je dus niet zo een-twee-drie uit. Ik vulde aan: ‘Het is iets dat iedereen dolgraag wil hebben, dat is het. En jij hebt er nu één, dus niet zeuren.’

Het is ons overigens verboden om spelletjes op de iPad te installeren. Wij hebben daarvoor onze handtekening onder een contract moeten zetten. Dit vind ik zeer terecht. Spelletjes spelen op zo’n veegding is sowieso voor warhoofden, maar als het apparaat van de baas is, is het ronduit schandelijk. Ik ben daarom vastbesloten om zodra de zomervakantie afgelopen is Minecraft en Candy Crush van mijn iPad te verwijderen. O, de vakantie is al voorbij? Oké, als ik level 80 heb gehaald gaat Candy Crush er af. Zonder pardon. Ik heb nog altijd mijn principes. Erg schuldig hoef ik me trouwens niet te voelen, want onze rector speelde al Wordfeud onder werktijd toen wij nog niet wisten wat een smartphone was.

Toch twijfel ik. Ik weet het niet met die iPads. Wat moet ik er nou mee? De educatieve apps die Apple in zijn winkel heeft liggen stellen weinig voor. Een half uurtje klooien en dan ben je er wel gereed mee. Wat dan? Vaker mail lezen? Realtime cijfers invoeren en absenten checken? Nee, ik geloof niet dat bij ons het onderwijs van de eenentwintigste eeuw gestalte heeft gekregen met de komst van de iPad. Natuurlijk moet ik steeds aan die Steve Jobsscholen denken. In het belang van die kinderen hoop ik er het beste van, maar of het O4NT (‘Onderwijs voor een Nieuwe Tijd’, brrrr) een succes wordt zal in geen geval afhangen van die dure veegplankjes. Het hangt af van de docenten. Dit is sinds de Oudheid nooit anders geweest.

Wat die dingen bij ons op school zullen doen, behalve de vooruitgang dienen en de koffiekamer in stilte dompelen, dat laat ik nog weten. 

Gerwin in DWDD 28 januari 2010