dinsdag 28 februari 2012

Een slecht mens

Je hoort wel eens van kinderen die achttien jaar lang door hun ouders in een kelder zijn opgesloten, die slecht te eten krijgen, weinig daglicht zien, geen mobieltje of een abonnement op de Donald Duck hebben, geen verzen mogen schrijven, slechts eenmaal per dag naar het toilet kunnen, enzovoorts. Deze praktijken zijn niet goed te praten, ik vind het zelfs ronduit, eh, heel erg. Ik heb hier een uitgesproken mening over. Dat u maar weet waar ik sta.
En toch, en toch… ondanks mijn hoge morele eisen – kom er nog maar eens om – en mijn onbesproken gedrag in alles behalve snelheidsovertredingen, ben ik bang. Bang dat ik mijn kinderen evenveel schade toebreng als die cipiers van hun eigen kelders. Het is domweg niet uit te sluiten. Voetbalkeepers zijn zo goed als hun grootste blunder, mensen zo goed als hun slechtste daad.
Dit weekend kwam ik niet opdagen op het concert van mijn dochter. Ze is 7 en ze speelt cello. Ze had een uitvoering, en ik dacht dat het om 16 uur begon, maar ik had mij vergist – ik had te achteloos en met te weinig interesse de flyer gelezen. Het was 15 uur, het concert. Toen ik kwam was het al voorbij. Zelfs voor het slotapplaus was ik te laat, ik kon enkel nog klappen voor de trotse ouders en behulpzame kinderen die netjes hun stoelen aan het stapelen waren.
Ze huilde niet – mijn dochter, zoals die opgesloten kinderen in donkere kelders ook zelden huilen (dit heb ik van horen zeggen), ze sprak geen verwijt uit. ‘Dacht je niet ‘waar blijft-ie nou?’ vroeg ik radeloos. Nou, ze had wel af en toe naar de deur gekeken, als er iemand binnenkwam. En ze had gedacht: moet ik straks alleen naar huis fietsen met die cello?
In wroeging kan je wonen. Het is een onmetelijk land dat je helemaal voor jezelf hebt. En schaamte is een klein kamertje zonder ramen, waarvan je de sleutel hebt ingeslikt, tegelijk met een hoop sterke drank. Kom op met die verwijten, dacht ik, verlos me.
Ze vroeg of ze thuis nog even tv mocht kijken. Ik zei dat het mocht.

zondag 19 februari 2012

Je moet bij hem zijn


De vierde stempelpost staat op het ijs. Het lijkt mij leuk om er met grote vaart op af te schaatsen, op het laatste moment te remmen, mijn stempelkaart op de toonbank te kwakken, netjes goedendag te zeggen en dan als de donder weer door te schaatsen. Alsof het de Elfstedentocht is, snapt u wel? Jammer genoeg gaat er iets mis bij het remmen, waardoor ik op mijn achterste val, doorglijdt als een hulpeloze walrus, en met mijn rug vol tegen het kraampje smak. Ik zie dat een paar mensen verschrikt omkijken, ze morsen er chocolademelk bij. Ik glimlach ter geruststelling en hijs mij op aan de toonbank. Ik kijk in het gezicht van een boer. Eigenlijk weet ik niet zeker of het een boer is, maar achter hem ligt een boerderij, en die staat hem wel goed. Hij kijkt niet bezorgd, maar hij lacht ook niet.

‘Eén mooie stempel alstublieft! Voor het kruisje!’ zeg ik, niet om grappig te zijn, maar om duidelijk te maken dat ik niet zomaar een malloot ben. Ik ben een malloot met een plan.
’Dit is de koek-en-zopie,’ zegt de boer, ‘je moet bij hem zijn.’ Hij wijst naar een potige kerel met een oranje retro-ijsmuts, die een paar meter verderop bij een opklapbaar tuintafeltje staat. Een kort en verschrikkelijk ogenblik denk ik dat het Ard Schenk is.
‘Je kwam veels te hard aan zonet,’ zegt hij als ik hem mijn stempelkaart offreer, ‘het is een wonder dat je je poten niet gebroken hebt.’ Pats. Stempel.

Er komt een groepje snelle schaatsers aan. Klapschaatsers in strakke kleding.
‘Er ligt daar iemand met een gebroken been op het ijs,’ roept er één. Als hij ons is genaderd zegt hij het nog een keer.
‘Ik doe de stempels,’ zegt de kerel met de ijsmuts. U moet naar die man daar, die is van de vereniging.’ Hij wijst naar een bejaarde in een geeloranje hesje die met een vlaggetje op de dijk staat. Hij regelt het verkeer bij de kluunplaats. ‘Er ligt iemand met een gebroken been...’ roept de klapschaatser. ‘Je moet naar ‘m toe lopen,’ zegt de ijsmuts, ‘hij is doof.’

Ik koop een beker chocolademelk bij de boer, voor €2. Het is Nutricia, aangelengd met water. Ik koop ook een kom erwtensoep. Die is van Unox, en smaakt naar sigarenas. Ik kijk naar de klapschaatser en de bejaarde op de dijk. Ze praten zeer luid, hun gesprek is woordelijk te verstaan. ‘U moet bij hem zijn!’ hoor ik de bejaarde met het vlaggetje zeggen. Hij wijst naar de boer. Ze wijzen hier wat af. ‘Hij heb een auto!’ De boer doet alsof-ie het niet hoort. Hij blijft liever bij zijn handel.

Ik wil best helpen, maar heb mij gediskwalificeerd met die val tegen de koek-en-zopie-kraam. Ineens voel ik mij moe en dringt het tot me door dat ik niet weet waar ik ben.

zondag 12 februari 2012

Ineens is het mijn zoon

Het is acht uur in de ochtend, het is donker, en overal zijn haastige mensen die net als ik niet naar hun werk willen. De rotonde op de Rijnsburgerweg. De bocht des doods. Ik buig af, kan zien dat de grijze Audi niet voor mij gaat stoppen. Ik knijp vol in mijn remmen. Er is een jongen van een jaar of dertien die het niet ziet. Hij wordt geschept door de wagen. 

Een geweldige klap. De jongen rolt over de motorkap, en dan op het asfalt. De jongen schreeuwt, en ineens is het mijn zoon. Mijn zoon ligt daar op het asfalt te kreperen. Ik ben afgestapt. Vanaf dat moment doe ik werkelijk alles fout. Ik sleep mijn zoon van de weg af. Ik roep dat iemand 1-1-2 moet bellen.

Je moet niet met een gewonde gaan slepen. Je moet hem laten liggen en dingen vragen. Je moet verdomme niet gaan roepen. Je moet geruststellende dingen zeggen, zoals je in films ziet, van dat het allemaal goed komt. Ook als je weet dat het absoluut nooit meer goed komt. Juist dan. ‘it’s okay son, it’s okay – look at me, don’t give up, don’t you dare give up on me...’ Ik weet best wat je moet zeggen, jammer genoeg weet ik het alleen in het Engels.

Toen ik 4 was ben ik zelf aangereden. Ik vloog door de lucht en klapte op het asfalt. Ik herinner het mij. Als ik wil vlieg ik daar weer. Iemand tilde mij op. Ik denk dat het mijn vader was. Die wist dus ook niets van EHBO. Niemand zei iets tegen me.

Er dromt volk om ons heen. Gelukkig komt er een jonge man bij die wél weet wat men in zo’n situatie moet doen. Hij heeft een cursus gehad. Hij neemt het initiatief over. Het joch lijkt overigens weinig te mankeren, en is daar zelf verbaasd over. Nu het mijn zoon niet meer is, houd ik mij maar met zijn fiets bezig. Het is een mooie fiets. Er zit een slag in het achterwiel.
‘Ik heb geluk gehad zeg!’ zegt de jongen. Hij kijkt alsof hij een prijs heeft gewonnen op de kermis.

De bestuurder van de Audi komt aanzetten met een visitekaartje en zijn verzekeringsgegevens. Ik geef mijn naam, als getuige. Ik vind niet dat de bestuurder Tonio hoeft te lezen als straf. Hij moet bedolven worden onder twee oplages Tonio.

Mij moet men verplichten een handleiding EHBO in te spreken voor blinden.

Dit bericht verscheen eerder op Torpedo Magazine

Gerwin in DWDD 28 januari 2010