woensdag 27 januari 2010

Gerwin wint Turing Gedichtenwedstrijd

Ik liep vannacht over het Leidseplein met een stuk bordkarton onder de arm dat een meter naar voren en een meter naar achteren uitstak. Het woog vrijwel niets, en dat had de wind ook in de gaten, pesterig duwde hij beurtelings tegen de voor- en de achterzijde, als hij dat deed maakte ik een hupje waaraan niemand kon zien dat het me moeite kostte met dat stijve stuk karton te lopen. In de zaal had ik het ding moeiteloos boven mijn hoofd gehouden, dat leek mij een leuk gebaar.

Op straat zag niemand dat ik een winnaar was, want ik liep met de bedrukte zijde tegen mij aan. Niemand zag dat tegen mijn jas aan vier nullen en een één aanschurkten. Dat wilde ik ook niet. Het is toch Amsterdam, dacht ik, en ook al zal de meest ongeschoolde struikrover begrijpen dat je met dat bord zelfs bij de ABN-Amro niet hoeft aan te komen, helemaal gerust was ik er niet op. Ik hield al die nullen verborgen. “Voor zoveel geld slaan ze je graag dood,” zeggen we bij ons thuis dan.

Enkele reacties:

“Zo, dat is mooi! En hoe is ’t weer bij jullie?” (vader)

“Schrijf je wel vaker?” (zomaar iemand die mij hartelijk feliciteerde)

“Jammer dat je er niet op gekleed bent” (John Jansen van Galen)

“O, en je zit morgen in de Wereld Draait Door” (meneer van de organisatie die dat ook echt hoopte - en die gelijk kreeg)

“Misbruik, de perfecte titel voor dit misbaksel” (lezersreactie van do. 21 jan op de site van “Met het Oog op Morgen")

"Ik vind het boek beter" (Gerwin)


Het fragment uit De Wereld Draait Door

Pers: Trouw NRC AD NOS Parool Leids Dagblad NU.nl

En geloof niet alles wat op Wikipedia staat

Fragment uit het NOS Journaal


zondag 24 januari 2010

Ecce homo

Het journaal van donderdag houdt mij nu al dagen bezig. Er was iets in te zien waar ik geen raad mee weet, ik weet evenmin of ik daar wel over moet schrijven.

Het meisje vertelt over haar jongste broertje van vijf, met wie zij klem zat onder het puin. Zij werd gered, voor het jongetje kwam de hulp te laat.

“Hij vroeg om water op woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag.”

Die woorden heb ik ingeslikt. Nu zitten ze binnen in mij.

Op het derde net was tezelfdertijd de vrolijke, razendsnelle show “Nederland helpt Haïti.” Er mocht gelachen worden van de presentator, want met kniezen hielpen we Haïti niet. Ik wilde er niet naar kijken, onder geen voorwaarde. Ik wendde mij af en bleef op die woorden kauwen, op woensdag, op donderdag, vrijdag, maar vooral op zaterdag. Ik vroeg mij af hoe zaterdag geklonken had. Ik bedacht mij dat ik op die zaterdag ook naar water had gezocht, in de supermarkt, ik had vastgesteld dat er prachtig vormgegeven flessen water te koop waren voor 1 euro vijftig, poepsjiek water, maar ik koos voor een simpele plastic fles voor minder dan een derde van die prijs.

Wat moet water eigenlijk kosten?

En wat kost het om je waardigheid terug te krijgen?

Nu wil ik dat ik toch had gekeken naar de grote Haïti-show. Ik geloof dat het daar te zien was, hoe je je waardigheid behoudt als je het Lijden gezien hebt zonder eraan deel te nemen: door haar buitenspel te zetten, te ontkennen, te vieren dat jij leeft en geloven dat je iets kan doen. Pessoa schreef: het hart kan niet denken, als het zou denken zou het stilstaan.

Waarom bleef ik de woorden van dat meisje herhalen? Waarom ging ik in gevecht met mijn waardigheid? Op net drie had ik kunnen delen in de grenzeloze vitaliteit en veerkracht van het wezen dat ik soms zo veracht:

ecce homo.

maandag 18 januari 2010

Top 100

Net als duizenden anderen stuurde ik een rijmpje in voor de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Ze hebben bijna 16.000 gedichten moeten lezen. Nu is er een top 100 gemaakt, en mijn rijmpje zit daar ook bij. Er zijn serieuze prijzen te verdelen, een andere reden om mee te doen had ik niet nodig, dat begrijpt u. Als ik die laatste honderd niet had gehaald, dan had ik beslist gezwegen als het graf, net als de handvol professionele dichters die zich nu wijselijk van de domme houdt. De uitverkorenen moeten trouwens ook hun grote mond houden, ze mogen niet zeggen welk gedicht van hen is. De winnaar is spekkoper, “die hoeft nooit meer te werken” zeggen we dan bij ons thuis. Gerrit Komrij en Giel Beelen moeten het nu eens zien te worden. In dat zinnetje zit een wereld van ellende verborgen, ik kan zelfs niet vermoeden wat voor narigheid die twee met elkaar gaan krijgen. Maar ik weet zeker dat ze er wel uit komen.

Ziehier de top 100

maandag 11 januari 2010

Belangrijk en nederig werk

Er loopt een man door mijn huis.

Het is een vriendelijke man, maar hij loopt wel door mijn huis. Hij is ruim in de vijftig, hij ruikt niet raar, hij stampt niet als hij loopt, en hij heeft zo’n krans van pluizig grijs rond zijn oren. Hij zegt ‘u’ en hij bedankt mij twee keer voor de koffie. Een fijne man, alleen, hij is de hele tijd overal, en dus kom ik tot niets. Daar gaat mijn vrije dag! Het lijkt mij ongepast om boven de krant wat te niksen terwijl hij, een oudere man, aan het werk is. Ik veins allerhande bezigheden in de keuken, in de slaapkamer, zelfs in de schuur waar het bijna vriest. In huis is het anders ook kil, want de man repareert de verwarming, er moet een nieuwe knop op een radiator en de ketel moet schoongemaakt. Ik begrijp best dat de kachel dan uit moet, anders brandt hij zijn handen of zoiets, of het wordt een knoeiboel.

Ik heb hem gezegd dat hij moet uitkijken dat hij zijn hoofd niet stoot tegen de plafondbalk waarachter de ketel zich bevindt. Verder weet hij zelf wel wat hij moet doen denk ik. Die indruk wekt hij in ieder geval wel, want hij banjert niet willekeurig wat door mijn huis, hij loopt omzichtig maar doelgericht, draait aan de kranen en de verwarmingsknoppen. Mij rest niets anders dan te doen alsof zijn geloop mij volstrekt onberoerd laat. Ik besluit de stoep sneeuwvrij te maken, maar als ik buiten kom zie ik dat mijn vrouw dat gisteren al gedaan had. Ik kan geen ander klusje meer verzinnen dat de indruk zal weten te wekken even belangrijk en tegelijk even nederig te zijn als het repareren van de verwarming. Dan maar een stukje typen. Het ongemak van die man in huis geeft mij stof genoeg.

Even denk ik dat ik zal schrijven over de kilte in mijn woonkamer: “een klem die mij gevangen houdt in mijn lethargie,” of over de onrust “die mijn gedachten in een vijzel tot pulp maalt” maar ik vind het allemaal even bespottelijk en overdreven. Ik vraag mij af ik ooit nog in staat zal zijn zulke dingen te schrijven, fraai bombast als “voorparadijselijke modderpoelen” (Hannah van Munster) of quasi-onbedoelde grapjes als “kuchen als een motor bij koud weer” (Wieringa). Ik vraag mij af of dat door die man komt. Dat het door hem komt dat ik denk: schrijven is belangrijk en nederig werk. Net als lesgeven. Hij bedankt mij voor de derde maal voor de koffie, ik vraag of hij nog wil. Hij bedankt opnieuw. Ik wil vragen of hij vaker kan komen om een beetje door mijn huis te lopen. Ik weet niet of ik het durf, maar als hij het een vreemd verzoek vindt kan ik altijd nog een paar radiatorknoppen afbreken.

dinsdag 5 januari 2010

Griezels

Er is hier een kleine noodsituatie.

Mijn jongen heeft morgen zijn eerste boekbespreking.

Hij zit in groep vijf.

Acht. Ik vind dat best jong voor het houden van een boekbespreking voor de klas. Maar mij zal je die dingen niet meer in het openbaar horen zeggen, ik dacht ook dat zeven jong was om op voetbal te gaan, zes jong voor een fluorbehandeling bij de tandarts, vijf voor zwemles, vier voor seksuele voorlichting, drie voor pianoles, twee voor een vriendenboekje, één voor een emailadres en nul voor een geboorte. Ik houd ermee op achter te lopen.

Een kleine noodsituatie dus. Een heel gedonder, zo kan je het ook zeggen. Dat komt zo, hij maakt zich er voor geen sikkepit druk om, die boekpresentatie. Het doet hem hoegenaamd niets! En dat kan natuurlijk niet. Zoiets als een boekbespreking vraagt erom bloedserieus genomen te worden.

Hij leest “De Griezels” van Roald Dahl. Aardig boekje, maar ik vind het eigenlijk te dun, en ik denk dat iedereen dat vindt. En hij oefent helemaal niet, ik denk dat hij geen flauw benul heeft wat hij moet zeggen! Hij leest en hij lacht af en toe wat, dat is alles! Ik zie al voor me hoe al die voorlijke meisjes uit zijn klas avond aan avond voor de spiegel hun gelikte voordracht over Tonke Dragt of Thea Beckman staan te schmieren terwijl achter hen de Powerpoint snort. Die van mij staat straks mooi met een mond vol tanden (minus twee) voor het bord, vurig te hopen dat een ruimteschip vol lange blauwe mannetjes hem komt ontzetten. Moet ik hem vertellen wat er kan gebeuren als je iets als een boekbespreking te licht opvat? God, hoe behoed ik dat kind voor de vernederingen die mij ten deel zijn gevallen? Moet ik het echt vertellen?

Dat je eerst duizelig wordt omdat je kop te weinig bloed krijgt, dat je daardoor niet meer kan denken, en niet meer kan horen wat je zelf precies zegt? Dat je daarom op een kwaad moment gaat hakkelen en wartaal uitslaan, tot je tenslotte helemaal niets meer zegt. Dat het dan stiller in de klas wordt dan het ooit geweest is, nee niemand kan zich achteraf herinneren dat het ooit stiller was in het lokaaltje met de eeuwig beslagen ramen, zelfs de hoofdmeester krijgt een klas niet zo stil als jij als je op het punt staat te breken. Dat komt omdat je klasgenootjes aasgieren zijn die weten dat jouw ondergang fraaier afsteekt tegen hun zwijgen. De stilte, jongen, o god, die pakt je als een wurgslang beet, zij drukt alle lucht uit je lijf, en dan zal je bewustzijn het voor gezien houden bij je en rondjes gaan zweven langs het plafond, het zal minzaam lachen want ten diepste wil het jou zien sterven! Kijk achter in de klas, de vikingen op de plaat van Isings ("de verovering van Dorestad") beginnen te zwaaien met hun bijlen, maar mooi dat ze niets doen om je te helpen. Dan krijgen de stilte en de warmte een kleur, echt waar: eerst blauw, dan paars, dan zwart, gitzwart. En als het zover is dat alles tolt en kantelt zal de juf eindelijk spreken en zeggen “Floris, Floris, gaat het?” En dan jongen, dan zal je beginnen te zweten, eerst in je nek en tenslotte onder je voetzolen, en dan zal je weten dat alleen dat boek lezen en er om lachen niet genoeg is. En ook de juf zal het zeggen: het is niet genoeg, niet genoeg, niet...

Ik denk dat ik mijn kop maar hou.

Vanmorgen zag ik in het klaslokaal een hip kind met Harry Potter onder de arm lopen, ik weet het niet zeker, ik zag het in een flits, het kon ook Dan Brown zijn, of Stieg Larsson. Wat hamer! "De Griezels" is dan misschien niet zo dik, ’t is wel literatuur. Vraag me niet waarom, maar zo is het. Dan is het maar niet genoeg, wanneer is het nou genoeg?

Gerwin in DWDD 28 januari 2010