maandag 29 augustus 2011

Vluchteling

De schilders zijn er weer. Voor ieder raam in mijn woning staat een schilder. Dat doet iets met een mens. Ze staan op trapjes en steigers. Het is één grote publieke tribune rond mijn huis. Hun voetafdrukken – vanaf maat 45 – koloniseren alle kamers. Ik weet wanneer ik teveel ben. Ik zet koffie, liters koffie, want behalve niet in de weg lopen moet je koffie zetten voor schilders. Daarna vlucht ik naar de openbare bibliotheek, het enige gebouw dat op maandagochtend geopend is, op een enkel pompstation na. Ik installeer mij tussen de studieboeken op de eerste verdieping, ter hoogte van rubriek 100. Daar is het rustig. Leesboeken en studieboeken had je vroeger. 'Fictie' en 'non-fictie' is van later.

Hier zijn geen schilders. Maar er is wel een lelijke vrouw in een lichtblauwe kabeltrui die met een stoel langs de boekenkasten schuift. Ze kijkt me aan alsof ze mij vanmorgen is vergeten bij de vuilnis te zetten. Heel even weet ik hoe een vluchteling zich misschien voelt. De lelijke vrouw zet haar stoel neer bij rubriek 000 ('Algemeen': dit is een mysterieuze rubriek) en laat haar handen razendsnel langs de boekruggen gaan. Het duurt even voor ik door heb dat ze de boeken rechtzet. Alles netjes opgelijnd. Voor de lage planken gaat ze op de stoel zitten, zodat ze niet diep hoeft te bukken. Soms blijft ze op die stoel een tijdje kijken naar haar werk. Ik weet zeker dat zij niet in dienst is van de bibliotheek.

Ik kies een boek uit van Rudy Kousbroek, Einsteins poppenhuis, een boek van Stine Jensen over liegen – ik heb een zwak voor Stine Jensen, hoewel wat minder voor haar boeken - en zo gaan er nog wat titels door mij handen. Met een stapeltje studieboeken loop ik terug naar mijn tafel.

Ik begin in een boek over depressiviteit bij kinderen. Ik leer hieruit dat pubers die belangstelling voor literatuur aan de dag leggen waarschijnlijk aanleg hebben voor depressiviteit. In Stine Jensen lees ik dat Maarten ’t Hart in zijn jeugd twee romans per dag las, bij wijze van pil tegen de werkelijkheid. Kousbroek ergert zich op zijn beurt aan des mensen gecultiveerde weerzin tegen techniek - die toch immers aan een spatzuivere logica voldoet - tegenover hun welwillendheid ten aanzien van raadselachtige nonsens zoals astrologie. Deze leugenfabriek bij uitstek noemt hij ‘tot mode verheven onverstand’. Dat was in de jaren tachtig. Over welke vormen van modieus onverstand zou hij thans zijn knoet zwaaien?

De vrouw komt naderbij. Ik weet nu zeker dat het een gekkin is, want ze mompelt de hele tijd. Dat doen gekken, ze mompelen wat af op een dag. Ze is bij rubriek 300. Dat zijn de managementboeken. Boeken vol leugens en modieuze waanzin waar ik dooddepressief van wordt. Voor de gekkin maakt het geen verschil. Het zijn boeken, en ze moeten in het gelid.

maandag 22 augustus 2011

Voor het begint...

“Was van alle dingen alleen maar het begin” laat P.F. Thomése zijn hoofdpersoon denken in het verhaal Zuidland. Deze dolende figuur (de hoofdpersoon, niet Thomése) heeft zelfs genoeg aan enkel het voornemen, en laat de uitvoering er dikwijls maar bij zitten. ‘Kent u dat gevoel?’ zou ik bijna willen zeggen. De strijkstok die stilligt op de vioolsnaar, de bal die met het ventiel naar boven op de stip ligt, een stuk appeltaart waar je het puntje vanaf gaat prikken, het mes op het moment dat het door het gladde oppervlak van een nieuw aangebroken pot pindakaas steekt.

Zaterdag was ik een dagje op Lowlands. Zoals de meeste bezoekers haastte ik mij van tent naar tent, en telkens miste ik het begin van de optredens. Geen enkel optreden kon mij vervolgens echt boeien. Allemaal aangebroken potten pindakaas. Alleen bij het slotoptreden van Elbow beleefde ik het magische moment van een concert-voordat-het-begint. De tent die volloopt, mensen die gaan staan, het aanzwellende geroezemoes, geschuifel, rook, een donkere lage toon die je in je buik voelt. Pats, de lampen knallen aan, je ziet niets meer, behalve de contouren van duizenden handen die de lucht in worden gestoken. Gejuich, alsof je oren zich vullen met water. Een enkele ijle toon van een synthesizer, een bezwerend gitaarmotiefje, langzaam loopt het weefsel van geluid vol. En dan: de drums. Het concert is losgebarsten. De band speelt geïnspireerd en nauwgezet zijn repertoire van warme (‘gloedvolle’?), zij het soms wat modderige pophymnes. Maar toch, vanaf het beginpunt is het gedoemd alleen maar minder te worden.

Soms is een boek op zijn het mooist vóór je het gaat lezen. Of voor je het gaat schrijven. Ik geniet het meest van een nieuw verhaal voordat er een letter op papier staat. Van een idee over een ploeterend personage, een pijnlijke situatie, een enkel dodelijk woord, een geur, een geluid. Het is de belofte van een boek dat zo zal schokken, ontroeren en amuseren dat het een begin nog niet verdraagt. Van mij hoeft het begin eigenlijk niet eens te komen. Het moment vóór het begin, dat is het moment waar ik naar verlang. De rest is iets onvermijdelijks dat altijd teleur stelt.

Afgelopen week hield ik het eerste exemplaar van mijn tweede roman in mijn handen. Daar had ik heus lang naar uitgekeken. Ik bladerde wat en dacht: hm, beetje goedkoop papier. Dat ‘hm’ dacht ik ook echt het was een niet geslaakte zucht. Goed kijken durfde ik niet, bang op de eerste de beste bladzijde een zin te ontdekken die mij toch niet beviel. Ik kijk uit naar de presentatie donderdag, de muziek, de ontmoeting met vrienden en andere excentriekelingen die mijn boek misschien willen kopen. Wat daarna volgt is niet af te wenden. Ach, bestond van die dingen alleen maar dat zoete moment vlak voor het begin.

vrijdag 12 augustus 2011

In Memoriam: Annemiek van den Berg

geen geluid nu

luister hoe de verf

van het paneel brokkelt

hoe het zijden doek zich schikt

als een plas op de vloer

ik moet denken aan je handschrift

hoe mooi jij schrijft ook zonder papier

geruisloos in de lucht

met een sigaret


we kunnen zeggen dat alles licht is

dat het voor een afscheid nog niet vroeg genoeg is

en we drinken nog een glas

zo zou jij het doen

grote woorden passen jou

zoals te dure schoenen

geloof hoop en liefde

die drie maar de grootste is de drank

die des avonds komt als je alleen bent


wacht, we doen alsof er nog tijd is

dan gaan wij nog een keer naar Parijs

vertel je je verhalen voor de laatste keer

je vertelt van Camille Claudel en Rodin

aan je hofhouding

de leerlingen luisteren en tekenen

ze doen dat voor jou

heb ik je dat wel eens verteld


daarna gaan wij oesters eten in La Procope

we heffen het glas en drinken op de baas

want die betaalt al weet hij het nog niet

en we lachen maar betalen natuurlijk

alles gewoon zelf

en o ja, je rookt

gauw nog een sigaretje

in schitterende stijl

de zorg uit je gezicht


dan is het tijd, ik houd je vast

te kort en halfhartig

want je lijkt van gips en gerookt glas

ik weet hoe dat komt

je moet straks terug naar je droom van

geloof hoop en liefde

en de grootste zal de drank zijn

die kruipt des avonds in alle hoeken van je eenzaamheid

vult kelders waar geen mens meer bij kan

maakt alles mogelijk

op een ding na


dat je nog hier bent

maandag 8 augustus 2011

Homecooked food

Ik zit in een pub in York waar ze homecooked food serveren. In Engeland is ‘homecooked’ een aanprijzing. Soms zetten ze er nog good bij: homecooked good food. Dat is ook bedoeld als aanprijzing. In Engeland maken ze echt werk van aanprijzingen, meer dan van het eten zelf. Je moet voor alles vooraf betalen.

Ik eet gefrituurd korstdeeg waar zich een garnaal in schuilhoudt. Het is een echte Engelse pub, dus moet ik bij iedere hap mijn onderarmen van het tafelblad losrukken. Dat vermoeit mij zo dat ik ervoor kies mijn armen stil te laten liggen en mijn hoofd te bewegen richting het voedsel. Zo doet de Engelsman die een tafeltje verderop zit het ook. Het is een potige vent en hij lijkt op Wayne Rooney, maar hij draagt een shirt van Manchester City – de voetveeg van United, het lelijke eendje van het Engelse voetbal (homecooked good football, zeg maar). Wayne eet steak-and-kindeypie met aardappelpuree. Zijn onderarmen blijven nagenoeg stilliggen. Ze zijn pakweg zo dik als mijn bovenbenen en bedekt met een bizarre potpourri van tatoeages. De randomness van al die versieringen heeft iets ontroerends. Hier zit geen concept achter, het is een door de jaren heen aangelegd rariteitenkabinet waar je nimmer iets van weg kan gooien. Ik kan mijn blik er niet van af kan houden, en ik denk dat de man het in de gaten heeft. Ik denk ook dat hij Will heet, en niet Wayne.

Ik zie een zwaluw met een banner in zijn bek, een grote draak, een paar kleine tribals en chinese tekens. Hij heeft alle decennia in de vorm van tattoo-modes in zijn armen staan. Maar centraal op zijn rechteronderarm staat een perfecte cirkel met het logo van zijn voetbalclub. Manchester City is ooit opgericht door de kerk om het ongebreideld masturberen van de Engelse jongens te bestrijden. Dat is goed gelukt. Nu is Engeland het land met het hoogste aantal tienerzwangerschappen in Europa. De kerk zou het masturberen nu juist moeten stimuleren: Jesus loves a homecooked good wank. Ik weet alleen niet of er in Engeland nog naar de kerk geluisterd wordt. Manchester City is ondertussen opgekocht door een oliesjeik en heeft na jaren miserie eindelijk weer iets te vieren: de FA Cup. Het is Will van harte gegund.

Ik kijk steels opzij en zie hoe Will met zorg de puree door de met jus gevulde pastei prakt, en zijn hoofd naar de natte prut op zijn vork brengt. Direct nadat hij de hap naar binnen heeft geschoven kijkt hij ook opzij, recht in mijn gezicht Ik voel mij betrapt, ik moet iets doen. Ik ruk mijn onderarmen los, ga staan. Ik wijs naar zijn shirt. ‘Congrats’ zeg ik. Het kan van alles betekenen. Hij knikt en grijnst. Er plakt mash potatoe in zijn mondhoek. Ik loop naar buiten. Dat kan zomaar. Dat je in een pub voor alles vooraf moet betalen vind ik getuigen van een groot inzicht in de menselijke geest.

dinsdag 2 augustus 2011

IJs met kutsmaak

Zaterdag reed ik op de motor van Innsbruck naar Leiden, in de regen.

Dat kan je zo zeggen, het klinkt simpel, het klinkt als ‘ja... en toen?’ Niemand die er erg in heeft dat het zinnetje een verhaal op zich is, dat er een wereld van ellende in schuilt.

Bij München waren mijn handen zwart, omdat de handschoenen lekten. Bij een pompstation legde ik ze op het motorblok. Ik wachtte tot de regen ophield en at drie Snickers. De handschoenen waren nog steeds nat. Daarna reed ik drie uren hersendood op de Autobahn. Bij Karlsruhe ging mijn uitlaat loszitten. Eindelijk klonk mijn Yamaha als een Harley. Bij Koblenz begon ik de plaatsnamen die op de borden stonden hard te schreeuwen in mijn helm. Dat geeft veel genot, met Duitse plaatsnamen, zeker als je oordoppen in hebt en je het geschreeuw van binnenuit hoort.

Bij Keulen begon het opnieuw te regenen, en hard te waaien. Duitsland is inderdaad een kutland, maar Nederland is nog veel erger. Het is maar goed dat het een stuk kleiner is dan Duitsland. Bij Eindhoven ging het serieus regenen. Mijn helm begon te lekken. Ik lachte een kwartier lang om een oude mop: ‘ober, ik had ijs met kutsmaak besteld, maar ik proef duidelijk poep!’ ‘Dan moet u kleinere likken nemen m’neer.’ Ik zeg niet dat ik dit een geweldig leuke mop vind, ik zeg alleen dat ik er als een krankzinnige om lachte, hard en eenzaam, zodat mijn vizier ervan besloeg.

Ter hoogte van Zaltbommel stormde het zo hard dat de regen horizontaal viel. Die viel dus niet, hoor ik u denken. Nee, die is nu nog op weg naar Duitsland. Een vrachtwagen schaarde zowat op de Nijhoffbrug, en als motorfietsen konden scharen had het er slecht voor mij uitgezien. Ineens werd ik doodsbang dat die uitlaat eraf zou vallen. Ik voelde het vermogenverlies. Vermogenverlies ja. Heeft niks met banken te maken. Bij Utrecht moest ik tegen de wind in hangen om de fly-over te kunnen nemen. Bij Woerden sloeg de regen recht tegen mijn smoel. Ik dacht aan een warm bad, en toen dacht ik dat het eigenlijk niet uitmaakte of je tijdens het noodweer van de eeuw op een motorfiets zat of in een warm bad lag, omdat niets nog een pest uitmaakte. Trenchfeet, inderdaad. Toen ik bij Leiden de snelweg afdraaide belandde ik in een diepe plas die de motor bijna omtrok. Ik dacht: ik wil niemand midden in de nacht in dit weer tot last zijn, dus laat mij overeind blijven...

Thuis kreeg ik de handschoenen niet meer uit, noch de leren broek. Ik stond in de gang en het suizen in mijn oren hield mij gezelschap.

(dit bericht verscheen eerder op Torpedo magazine)

Gerwin in DWDD 28 januari 2010