vrijdag 28 januari 2011

Leuk is anders, maar Gedichtendag moet blijven

In de NRC van woensdag staat een opiniestuk van Chrétien Breukers dat zo goed geschreven is dat ik eigenlijk niets liever wilde dan het roerend met hem eens zijn. Hij wil Gedichtendag afschaffen. “Een uitzichtloze paradox” noemt hij het. Een soort Groundhog Day, zo zou je het ook kunnen noemen, waarbij wij bij wijze van symbooldaad de Poëzie voor het oog van het volk tevoorschijn halen - zoals de dikke bosmarmot in Punxatawny - en er een feestje omheen bouwen, terwijl we de hoop dat daardoor de lente zal aanbreken al lang hebben laten varen. Ik durf niet meer te gaan slapen. Straks is het morgenochtend weer Gedichtendag.

Centraal in Breukers’ betoog staat de vaststelling dat iedereen maar denkt dat-ie kan dichten en – erger nog – dat iedereen dat ook doet. Dichten, schrijft hij, dat kan bijna niemand. Het moet dus afgelopen zijn met het “aanzetten tot het schrijven van gedichten”, wat zo’n beetje het mission statement van Gedichtendag en, niet te vergeten, de Turingprijs is. Het leidt enkel tot een modderstroom aan flutversjes van zondagdichters met totaal onrealistische ambities.

Het stuk leest als een hartenkreet van iemand die al jaren met wisselend succes knokt goede dichters voor het voetlicht te brengen, die tegelijk verzuipt in de ongevraagde manuscripten, en die het gefröbel meer dan zat is. Het is een invoelbaar probleem, en juist daarom is het zo buitengewoon jammer dat het betoog volstrekt buitenissig is: amateurs moeten ophouden met dichten, en daartoe moet Gedichtendag sneuvelen. Lezen van gedichten, dat mag wel, dat spreekt.

Het zou best kunnen zijn dat nogal wat amateur-dichters zijn die hun kwaliteiten te hoog inschatten, en het leidt zonder twijfel tot treurige taferelen (‘Hannie de Hoogh uit Usquert is al tientallen jaren niet weg te denken uit het Noordgroningse haikoe-leven’ en dan zie ik voor mij hoe honderden Groningse boeren met verweerde koppen proberen Hannie weg te denken, heel ver weg). Maar het is bijzaak. Wat telt is dat het dichten, of het musiceren, schilderen, punniken of weet ik wat, hen genoegen verschaft. Ik zou mijn zoon van gitaarles moeten halen, als ik naar Breukers zou luisteren, want waarom zou die exclusiviteit alleen voor de poëzie gelden? Heel goed gitaar spelen, dat kan immers ook bijna niemand. Daar kan dat kind van mij dan mooi naar luisteren, naar die goede gitaristen. Mijn dochtertje leert schrijven. Vorige week schreef ze ineens een zelfverzonnen verhaaltje. Slecht dat het was! Dat kan natuurlijk niet. Nou vooruit, laat die kinderen hun gang gaan. Maar al die dichtende oudjes (waar zou Breukers de grens willen trekken?) kunnen zich in hun schaarse vrije tijd beter toeleggen op de vervolmaking van hun huishoudelijke taken en andere onbegrijpelijk tragische plichten. Laatbloeien is voor losers.

In werkelijkheid is het natuurlijk glashelder dat er zonder bloeiende amateurkunst geen beroepsleven op hoog niveau mogelijk is, in de dichtkunst noch in de muziek. Er moet een rivier zijn, wil men de kans krijgen boven te komen drijven. Je zou hen die dat achteloos terzijde schuiven, de Halbe Zijlstra’s van dit land, de kost moeten geven! Ik geloof nooit dat Chrétien dat zo bedoelt. Hij is begaan met de poëzie, maar hij klinkt vermoeid. Ondertussen, onder het maaiveld, krioelt het van het leven, onder het kronendak vecht van alles zich een weg naar boven, naar het licht. Het geeft een hoop rommel, maar het is nu eenmaal wat wij doen. Van dit verschijnsel is de Turingprijs een van de aardigste manifestaties die ik ken. Gedichtendag moet natuurlijk blijven, betrek er zoveel mogelijk scholen bij, beschouw al de opgepoetste onzin als folklore ("wake up, it's Groundhog Day!") en laat ondanks alle vermoeide bezwaren iedereen gewoon doorploeteren op al dan niet acceptabele dichtwerkjes. Godfried Bomans schreef “Mondharmonica spelen is nog altijd een hogere bezigheid dan luisteren naar Bach.” En al klinkt er ironie door in zijn woorden, zo is het maar net.

vrijdag 21 januari 2011

Nog één keer: De Turingprijs

“U heeft toch die prijs gewonnen bij De Wereld Draait Door?” vroeg een schooljongen - ik denk een tweedeklasser - onlangs aan mij. “Ja, inderdaad” loog ik gemakzuchtig, omdat de waarheid vaak net iets teveel woorden nodig heeft, en waar veel woorden zijn ligt verveling op de loer. Zeker bij snotapen van dertien. Bij “inderdaad” zag ik hem al afhaken. En dan, wat zou ik zo’n jongen beleren? Alsof ik er zelf in het geheel niet door overrompeld was geweest, alsof al die heisa rond de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd zelf bedacht had. Alsof al het niet een jaar geleden was.

Ik zie mij nog staan, in het licht van mijn eigen witte kabeltrui, ik schudde de hand van de grote Komrij, en had hem wel willen zeggen dat ik het rijm en het ritme van mijn gedicht had ontleend aan een vers van hem - maar ik wist niet meer hoe het vers heette, en ik zei niets. “Eer zal men kakken in zijn hoed - dan dat ik hier mijn ziel blootleg - en zeg wat ik thans lijden moet.” Zwijgzaamheid. Ja nu weet ik het wel weer, want ik heb het opgezocht. Ik wist weinig van poëzie, en nog minder van ‘het wereldje’. Ik herinner me dat er later op de avond wat ophef ontstond omdat van de (overigens voortreffelijke) derdeprijswinnaar werd gezegd dat hij een slammer was. Dat werd een kostelijk misverstand gevonden. Een slammer? Ik wist niet wat het was, al kon ik mij er allerlei wildwest en penoze bij voorstellen. “En nu betalen gringo anders stuur ik mijn slammer op je af.” Als de slammer langs was geweest kon je het grofvuil bellen, meedogenloos was die gast, niets lieten zijn verzen heel.

Ik wist nada, ik was de reine dwaas in de graalburcht. Ik belde naar mijn ouders, om te zeggen dat ik op het journaal zou komen. “Dat is mooi’” zei mijn vader, “en hoe is ’t weer bij jullie?” Mijn vader wist tenminste hoe je die dingen in perspectief moest zien. Ik denk soms terug aan al die mensen die ineens met mij moesten praten, van radio en tv. Zij deden gewoon hun werk, ik groeide in mijn rol van outsider die met de verkeerde trui op het verkeerde podium terecht was gekomen, en die voor een draaiende camera zijn vrouw belde dat “de nieuwe keuken er zou komen.” Er volgden optredens in het Huis van de Poëzie en in DWDD met dat ene gedicht. Alsof ik even Für Elise mocht spelen in het Concertgebouw, louter omdat ik een dag Nieuws was. Na mij zou Kluun komen om een hilarische versie van de vlooienmars te spelen. Zo voelde het. Zo was het eigenlijk ook.

Daarna werd het stil, zo stil dat ik de zee hoorde. Ja, zegt u, wat had je dan gedacht? Dat je de superster van het poëziecircuit zou worden? Natuurlijk had ik dat gedacht! Dames, dames toch, zou ik de ganse dag roepen. “Oo, wil je nog één keer dat versje opzeggen, dat dure versje? Voor mij...mmmm?” Je hoeft die dingen maar één keer te denken. Daarna kan je het aan je stakkerige brein overlaten om er een verwachting van te maken. In gloeiend heet licht van dampende zalen, rood en geel, zou de belofte van mijn opkomst zich aftekenen: “De line-up van vanavond bestaat uit Beau vED, Gordon en Kluun, en als headliner –dames en heren, rustig, niet dringen, allemaal even een stap naar achteren graag - hebben wij: (mijn naam door gejuich en hoog gekrijs onverstaanbaar)”

Ik zou nooit meer hoeven werken! Heeft u daar nooit aan gedacht dan, dat u nooit meer zou hoeven werken?

Ik hang graag de dilettant uit, maar waak voor overdrijving. Ik weet inmiddels precies wat slammen is (en bewonder de beoefenaars heimelijk), ik weet wie er in elkaars balboekje staan en ik weet hoe hard men knokt. Ik hoop oprecht dat de volgende winnaar van de Nationale Gedichtenwedstrijd iemand is die de prijs kan zien als loon naar werken. Ik ben blij dat ik overeind kan houden dat ik mijn loopbaan als schrijver van de grond af heb moeten opbouwen (mocht de dag komen dat ik daadwerkelijk van de grond kom), dat het winnen van die Turingprijs en al het lawaai eromheen op geen enkele manier van invloed is geweest. Wat die prijs dan wel voor mij gedaan heeft? Nou, ik heb een nieuwe keuken. En een Höfner-bas. Vette shit. Punt.

vrijdag 14 januari 2011

Ondertussen, op het kinderdagveblijf

Op de buitenschoolse opvang van mijn dochter werken twee mannen. Ik weet dat je zo’n zin niet argeloos kan opschrijven - want wij zijn slaven van het nieuws - maar ik doe het lekker toch. U denkt maar wat u wilt van die mannen. Dat doe ik ook. Ik vind het namelijk vreemde snuiters, en ze hebben ook heel vreemd haar en rare brilmonturen, maar ik wil benadrukken dat ik hiermee op geen enkele wijze suggereer dat zij vieze dingen doen met kinderen - het gebruikelijke gehannes met knutsellijm en schaar daargelaten.

Het viel mij nochtans op dat een van de heren dit jaar overenthousiast was in het overbrengen van zijn nieuwjaarswensen. Terwijl ik de jongeman eigenlijk helemaal niet ken – laat staan hij mij - werd mij een “vooral heel gezond nieuwjaar” toebedeeld, alsof ik afgelopen jaar voornamelijk bezig ben geweest een slopende ziekte te overwinnen. Ik zei, enigszins van mijn stuk gebracht, toch min of meer hetzelfde terug, zij het iets gereserveerder. Hij wist van geen ophouden, er kwam nog geluk en zelfs gezelligheid in wensvorm achteraan. Ik wilde een zich opdringende gedachte tegenhouden, maar er was niets meer aan te doen. Ik dacht: hij verdenkt mij er dus van dat ik hem voor een kinderschender aanzie. Hij overlaadt mij met groteske gelukwensen om mijn vertrouwen terug te winnen. Hij had ook niets kunnen zeggen. Dan had ik gedacht: het kan hem niks schelen dat ik mogelijk denk dat hij een pedofiel is. Hij had ook kunnen zeggen “even over de eh.. actualiteit, en eh... over mij: ik doe dat soort dingen natuurlijk niet, nooit, bah, afschuwelijk” In dat geval had ik mijn dochter ogenblikkelijk van die tent afgehaald, want door het te zeggen doet hij die dingen toch – in zijn hoofd, en in het mijne. Gruwel! Zo houdt de waan van de dag ons gevangen, en wij kunnen niets anders doen dan elkaars verdenkingen afprijzen met nieuwjaarswensen.

Terwijl de gruwel zich hier helemaal niet in het verborgene afspeelt. Zij voltrekt zich onder onze ogen. De naschoolse opvang is een speciaal voor kinderen ontworpen verbeelding van het voorgeborchte, losjes gebaseerd op afbeeldingen van Jeroen Bosch. Het is zeer vakkundig gedaan. Je kunt je geen voorstelling maken van de herrie, totaal verwilderde jochies rennen door de gangen, struikelen over schoenen en jassen die her en der verspreid liggen. “Kutding” roept een ventje dat tot net boven mijn knie reikt. Hij schopt het Dora-rugzakje dat hem ergerde woedend weg. Een ander onopgevoed mormel vraagt mij “wat kom jij doen, wat kom jij doen, van wie ben jij de papa?” en slaat mij op het achterwerk.

De beerlucht van de WC’s dringt overal door, behalve in de ruimte waar de rijstwafels zojuist zijn uitgedeeld. K3 schalt door het gebouw, meisjes in prinsessenjurken verdringen elkaar op het kleine podium, ze knijpen elkaar om de nep-microfoon te bemachtigen. “HAND IN HAND, OOG IN OOG ...” Mijn dochter knutselt iets met veel lijm en glitters. De glitters zitten op haar trui, in haar haren, “ik ging Emma mooi maken” zegt haar gelegenheidsvriendin “...ALLE KLEUREN VAN DE RE-GEN-BOOG.” Moeders roepen dat ze nu écht weg gaan, en dat Storm, Wander en Lulu nu écht op moeten schieten verdorie, en dat ze hun potje tafelvoetbal niet mogen afmaken, “nou vooruit dan maar, nog drie doelpunten, maar wel snel dan, en oké die telde niet, niet huilen, goed dan ga ik eerst Beer ophalen, maar als ik terugkom dan sta jij klaar!” Een vader sleurt zijn zoon aan een been over het zeil, in de richting van de kapstokken. Hij doet alsof ze dat allebei geweldig leuk vinden.

“Dag Emma, dagdag,” zegt de jongeman met het vreemde haar. Hij heft zijn hand voor een ‘high-five’, maar mijn dochter geeft geen sjoege. De geheven hand gaat dan maar zijn vreemde haar in, struint daar wat doelloos rond en maakt dat het nog vreemder zit. Hij ziet er doodmoe uit. “Dag” zegt Emma plichtmatig. “En nog de allerbeste wensen” roept hij ons achterna.

vrijdag 7 januari 2011

Een Goed Jaar

Als ik geen torenhoge eisen stel – en waarom zou ik, als eenvoudig mens? – dan moet ik vaststellen dat het nieuwe jaar goed is begonnen. Het is acht uur ’s ochtends, mijn kinderen zitten aan tafel, ze eten boterhammen met appelstroop - ook zij stellen geen torenhoge eisen. Het jongetje leest in Het Leven van een Loser, ik vind hem drie jaar te jong om zichzelf met de hoofdpersoon te identificeren, maar vooruit. Het meisje kijkt verliefd naar een tekening die ze gisteren gemaakt heeft. Er staat een band op die bestaat uit Chinezen, “die allemaal door elkaar heen spelen.” De gitarist speelt “Dreamer”, zegt ze. Ik denk dat ze de muziek ook echt hoort, op het ritme van haar malende kaken.

Het is stil. Ik weet dat er ouders zijn die dat misschien niet kunnen geloven, maar het is echt stil. Er is geen ruzie, geen woordenstrijd, laat staan handgemeen en vliegende voorwerpen. Als ik zeg dat ze hun schoenen aan moeten doen zullen zij zich doof houden. Als ik het opnieuw zeg, op dwingender toon, zullen zij het terstond doen. Ik weet dat ik daar op kan vertrouwen. Ik denk: het wordt een goed jaar.

Ik verbreek de stilte. Ik ken mijn tekst. “Drink je melk op” zeg ik, “en daarna schoenen aan.” Ze pakken hun beker zonder te kijken. Twee jaar geleden vielen die bekers nog om als ze dat deden, maar nu niet meer. Alles loopt gesmeerd.

En toch ben ik bezorgd. Ik vind ze te braaf. Ik denk dat zij de vaardigheden missen die nodig zijn om echt vooruit te komen in de wereld. Ik denk bijvoorbeeld dat ze slecht zijn in frische fröhliche kletspraat, waarmee je zorgt dat je zelf goed uitkomt en waarmee je de mensen achter je plannen schaart. Ze missen het talent voor berekenend medeleven dat je – mits de juiste persoon toebedeeld – superieur maakt. Ze zijn te verlegen om te leren hoe je je omgeving naar je hand te zet, door met een simpel gebaar of een enkel woord coalities te smeden of te breken.

Zoals de dame bij de slager, die mij onderbreekt als ik reageer op de vraag van het winkelmeisje “wie mag ik helpen?” Ze is jonger dan ik, ze draagt modieuze laarzen, ze weet hoe je dingen voor elkaar krijgt. Ze zegt “pardon hoor, maar ik sta hier echt al héél lang,” en dan tot een bejaarde dame met een plastic regenkapje die met haar rollator in mijn kuiten bijt, “nietwaar mevrouw?” Ik kan daar niet adequaat op reageren, ik wil het niet op de spits drijven, ik kan mij enkel schamen, voor mijzelf en iedereen die in die winkel staat. Goed, thuis stel ik mij voor hoe de dame met bungelende laarzen aan een vleeshaak hangt en wordt uitgebeend door de slagersknecht, ik zie dat als mijn recht. Maar helpen doet het niet.

Of de vader van een leerling, die ineens opduikt, een onsamenhangend verhaal afsteekt over zijn zoon en diens narigheid, dan heel even zijn hand op mijn arm legt. “Dus je helpt hem hè, wij hebben alle vertrouwen in jou!” En voor ik kan vragen wat hij precies bedoelt heb ik al een vette knipoog geïncasseerd, en loopt hij achterwaarts bij mij weg. Zijn laatste woorden: “dus dat is dan afgesproken.” Dan draait hij zich om. Ik sta daar en ik begin te zweten, want ik weet dat die knipoog een verbeelding was van een vallende guillotine met mijn hoofd eronder.

“Moeten we onze schoenen nog niet aan, papa?” vraagt het meisje. “Ja, dat had ik toch al een keer gezegd?” antwoord ik afwezig. “Maar niet twee keer” zegt de jongen. Hij slaat Het Leven van een Loser dicht.

Een goed jaar, denk ik. Ik heb mijn eisen nog niet geformuleerd, en zolang ik dat weet uit te stellen zal het beslist een prima jaar zijn. Schoenen aan, voorwaarts!

Gerwin in DWDD 28 januari 2010