maandag 31 augustus 2009

Kaas

De scholen zijn weer begonnen.

Begonnen? Mijn god, ze zijn ontbrand. Hoe spelen een paar schimmelige muren en wat vierkante meters stinkend linoleum het klaar zoveel levenslust te huisvesten? Te weinig zuurstof denk ik, anders zouden de vlammen eruit slaan. Het gelach en geroep intimideert mij ieder jaar opnieuw, op die eerste dag. Ik kan tachtig worden op die school, en dan heb ik het nog. Teenslippers, zonnebrillen in het haar, zoenen, ruisende blonde lokken, kleedkamergrappen, witte topjes, boxershorts tot over de knie. En dan het wonder. Ze gaan zitten, ik hoef het niet eens te gebieden! Ik ga staan, voor de veertiende keer in mijn leven sta ik daar en ik weet weer niet wat ik moet zeggen. Toch zijn ze stil. Waarom? Waarom maken zij het mij niet moeilijker? Weten ze niet dat ze mij de baas zijn als ze dat willen? Ik zeg ongeveer wat ik moet zeggen, over het rooster en de boeken en hoe het is in vier Gym. Ik ben hun mentor. Daarna probeer ik nog wat aardigs te zeggen. Van je hupsakee en hatseflats en doe je best en ik sleep je d’r wel door. Het wantrouwen zit verpakt in stilte. Het komt nog wel. Ik heb voor vandaag mijn plicht gedaan. Morgen komt het echte werk.

Wat is het toch heerlijk dat ik gewoon werk heb. Echt werk. Ik moest er niet aan denken dat mij gevraagd werd ‘wat doe je?’ en dat ik dan op nonchalante toon zou moeten vertellen over mijn werkzaamheden als schrijver, omdat ik verder geen noemenswaardige plichten heb te vervullen. Zoals Rosenboom dat deed in Trouw, kort samengevat: uurtje of twaalf uit bed, nog vier uur uitstellen en niksen, beetje spazieren, dan de behangrol pakken, proberen mij niet klem te zuipen. Dat is wat ik doe, zo’n beetje. En veel nadenken hè, heel veel nadenken, over mensen, en dieren en van die dingen...

Vooruit, Rosenboom mag dat zeggen, want hij is heel erg goed. Maar o wee als ik zo’n toestand zou maken, over de redactievergaderingen waar mijn redacteur mij over belt en mailt, of over de auteursborrel. De omslag, de titel, de flaptekst. Ik geniet ervan, maar liever houd ik het voor mijzelf. Het is de schuld van Willem Elsschot dat ik mij terughoudend opstel, dat ik schuchter doe over mijn schrijfwerk. Ik citeer een passage uit Kaas die mij diep trof:

“Een vader moet immers iets uit één stuk zijn. Of hij burgemeester is, bookmaker, klerk of losse werkman komt er minder op aan. Maar iemand die begint met jarenlang zijn plicht te doen, wat die plicht dan ook zij, en die dan ineens een operette gaat spelen als ik met die kaas, is dat nog wel een vader?”

Vul voor “kaas” het woord “roman” in, op dezelfde wijze als Laarmans “piano’s” door “keukenliftjes” verving in Lijmen, en voor “vader” desnoods “man” (maar het hoeft niet) en ziedaar de kern van mijn plichtsbesef. Morgen vier lessen. Ik moet nog even kijken hoe ik ze dit jaar weer zal verleiden geen genoegen te nemen met een zes. De scholen zijn weer begonnen. En ik ben een docent.

Volgende week krijg ik mijn manuscript terug. Mijn redacteur zal zich van zijn taak gekweten hebben, er zal veel rood in staan. Dan mag ik weer zingen in mijn operette, en ik wil minstens een acht.

maandag 24 augustus 2009

Sauternes (4 slot)

Het gesprek tussen Werner en mijn zus had een zakelijke wending genomen, het ging over Yvettte’s nering, ze had er nog nauwelijks over nagedacht. Dat had ik wel verwacht. Tussen droom en daad zit geld in de weg, en het vooruitzicht op een hoop gezwoeg. Het is een plek waar mijn zus haar gezichtje liever niet laat zien. Werner daarentegen kan buitengewoon praktisch zijn ingesteld, en gedreven. Als er iets is dat hem drijft, zeg maar.

“Heb je startkapitaal?” zei hij.

“Ach, ik heb nog wat eigen geld” zei mijn zus, “ik denk dat ik uiteindelijk nog zo’n slordige duizend nodig zal hebben.”

Ze keek mij aan, ze lachte. Duizend euro, dat had ik niet, en zeker geen slordige. Ik zou zelf geld moeten lenen om het haar te kunnen geven. Geen haar op mijn hoofd!

“Weet je wat?” zei Werner, “je verkoopt wat Sauternes van mij. Wijnhandel, marktplaats punt en l, veiling, zie maar. Vier flessen uit 1959! Kijk maar wat je ervoor vraagt. Maar niet minder dan negenhonderd per fles! Het geld stop je in je bedrijfje. Ik kom ze morgen bij je thuis bezorgen. Ben je er morgenavond, uurtje of negen? Wacht, je moet ze zien, ik ga ze even halen!”

Werner haastte zich naar zijn wijnkasten. De kamerdeur viel hard achter hem dicht. Ditmaal trilden de ijslepeltjes. Ik moest handelen, en ik moest het nu doen.

“Wat een onzin allemaal, Yvette” fluisterde ik toen hij de deur uit was, “en zo onpraktisch ook, je hoeft toch niet met zijn wijn te leuren! Luister, ik leen je dat geld. Duizend. Niks aan de hand. Je hebt het morgen.”

Werner zwaaide de kamerdeur alweer open. Hij droeg de kostbare fles in twee handen, als duwde hij een zuigeling tegen zijn borst.

“Château d’Yquem!” zei Werner, “Morgen! Ik doe er drie netjes in een kist. En die vierde fles drinken we dan samen op! Je moet toch weten wat je verkoopt? Morgen dus?”

Mijn zus keek mij aan.

“Lieverd” zei ze tegen mij, “ik vind het een reuze idee van die Sauternes. Wat jij?”

Ze wachtte niet op mijn antwoord.

“Ik doe het!” riep ze, “leve Sauternes! Château d’Yquem!”

Ze stond op, boog voorover en gaf mij een kus op de wang. Werner gaf haar de fles, klapte in zijn handen, liep naar mij toe en streelde mijn haar. Hij gaf mij ook een zoen, op mijn voorhoofd. “Je bent inderdaad een lieverd” zei hij. In zijn warme adem rook ik nobele rotting, maar het kon ook mijn eigen adem zijn.

zondag 23 augustus 2009

Sauternes (3)


Werner was gelukkig snel terug, met een raar klein flesje wijn.

“Sauternes”, zei hij, “2005, piepjong, simpel, allemansvriendje”. Hij legde uit dat ze in Nederland meestal ‘halve flessen’ verkochten, omdat 375 milliliter wel genoeg was voor bij een dessert. Maar hij had wel dertig ‘hele’ Sauternes in zijn kast staan, zelfs één uit 1959. “Twee tientjes” zei hij, hij hield het etiket onder mijn zus haar fijne neus. Bespottelijk om je gast de prijs van de wijn uit de doeken te doen, maar tussen aspirant wijnkopers is alles geoorloofd, begreep ik. Ik kwakte ijs op bordjes.

Werner maakte het flesje wijn open met zijn titanium kelnermes. Hij sprak over de edele eigenschappen van de druif, de zachte verrotting van de natuurlijke schimmel, het arbeidsintensieve productieproces, Château dit en château dat. Ik serveerde het ijs. De vruchten lagen er slordig omheen, als uitgerukte ingewanden bij een overreden gans. Werner schonk in. Mijn zus kirde dat de kleur zo prachtig was en Werner zei dat dit “nog niets” was vergeleken met de diepgele, oranje tinten van de oude Sauternes.

“Hij is zoet” zei ik, en dat was hij ook. Werner had mij deze wijn nog nimmer voorgezet, dus hoe kon ik het nou weten? Ze keken naar mij, zo'n beetje uit hun ooghoeken, schonken verder geen aandacht aan mijn dommigheid. Werner vroeg welke huizen zij op het oog had, en welke jaren. Huizen en jaren, daar ging het allemaal om. Mijn zus antwoordde dat zij zich nog aan het oriënteren was. Dat was meer dan voldoende om Werner zijn ijdelheid wakker te maken.

Hij vertelde en hij keek. Haar ogen en borsten gingen nu in een beweging door zijn blikveld. Hij vertelde dingen die hij mij nog nooit verteld had. Sauternes was ‘als een oude liefde die nooit slijt’ en hij had flessen uit de ‘verrukkelijke jaren tachtig’ – daar moest ik nog om grinniken, want hij deed nooit anders dan kankeren op de jaren tachtig, de muziek uit die tijd bedoel ik. Maar de jaren tachtig lagen alweer ver achter ons: Werner was reeds in de jaren vijftig beland gekomen, en wat daar allemaal niet te genieten viel! Over de jaren vijftig had ik helemaal niets te melden. Ik ben van ’74, wat altijd aanleiding geeft tot de nodige dijenkletsers, maar kennelijk was het een wijnjaar van niks.

Werner hield een spreekbeurt. Een rimpelloze voordracht, je kon horen dat hij ‘m al vaker had gehouden. Alleen niet tegen mij. Yvette keek hem aan alsof hij nachtpoëzie voordroeg.

“1959, het jaar van Fidel Castro! Krankzinnig slecht jaar voor de muziek! Elvis in dienst, Chuck Berry uitgekakt, the Platters en de Coasters, daar moesten we het mee doen. Poison Ivy, hahaha. Maar wat een zomer! Tot in november konden die druifjes zalig rotten in de herfstzon...”

En zo ging dat maar door. Haar vingers om de poot van het wijnglas, zachtjes schuddend, de zijne steeds op zoek naar haar hand. Maar dat verbeeld ik mij misschien, want hij pakte ‘m slechts één keer beet, bij “Ivy”. Ze prikte in haar vruchtjes, keek ernaar alsof het insecten waren, keek weer naar hem. Zijn ijs was gesmolten, een witte plas met klontjes. Ik vrat alsof er geen morgen was, schepte nog meer vruchten op. De bessen waren goddelijk, zuur dat je tanden er stroef van werden... nadenken, ik moest nadenken.

(wordt vervolgd)

donderdag 20 augustus 2009

Sauternes (2)

Al met al kon ik tevreden zijn, er werd niet geklaagd over het eten en mijn geld was veilig zolang mijn zus die pseudo-poëzie over nachtlicht uitventte. Op een of andere manier kwam haar wijnkoper ter sprake. Ik geloof dat Werner begon, hij had gezien dat de zaak van haar ex failliet was of zo, en mijn zus wist daarna van geen ophouden. Die man was niet zakelijk, jammerde ze, gruwelijk egocentrisch, vrouwengek. Wat dat laatste met zijn faillissement te maken had begreep ik niet goed.

Wijnkoper vind ik een aanstellerig woord. Ik zei dat die wijnkoper beter wijn had kunnen vérkopen in plaats van kopen. Werner snoof en trok met zijn schouders, verder werd er niet om gelachen. Mijn zus begon te vertellen over wat ze allemaal van die kerel geleerd had over wijn – een riedel die ik al duizend keer aan heb moeten horen. Het kwam erop neer dat ze zelf een bescheiden handeltje wilde opzetten, gewoon van huis uit, met maar één soort exclusieve wijn. Dat was het moment waarop ik nattigheid voelde. Ik probeerde het weg te wuiven, begon lukraak over het dessert – roomijs met rode vruchten. Het enige dat mij dat opleverde was dat zij het bestek op de borden legden en de vaat daarna mijn kant opschoven.

Werner had enkel aandacht voor mijn zus, zelfs haar borsten negeerde hij. Wat dat dan voor wijn was, wilde hij weten. Werner heeft twee klimaatkasten ter grootte van een douchecabine op zijn werkkamer. Daartussenin staat een kleine, antieke kast met enkel boeken van zijn eigen uitgeverij. Mijn zus antwoordde dat het een speciale Franse dessertwijn was, en dat hij het misschien niet kende. Zoiets moet je Werner niet twee keer zeggen. Hij kroop bijna over tafel.

“Sauternes?” vroeg hij.

“Sauternes” zei mijn zus.

Hij sloeg met zijn handen op tafel. Het bestek rinkelde op het aardewerk, teken voor mij om de boel snel te stapelen en naar de keuken te brengen.

“Ha!” zei Werner. Hij draaide zijn verrukte kop naar mij.

“Wat hebben we ook weer toe?” vroeg hij.

“IJs. Vruchten. Rood” zei ik. Hij liet zich niet uit het veld slaan. Natuurlijk niet, geestdrift wordt alleen maar gevoed door halsstarrigheid en stil ongenoegen.

“Ha!” zei hij opnieuw. Hij stond op en liep de kamer uit.

Ik stond in de keuken, met mijn rug naar mijn zus.

“Ik zou wat geld moeten hebben als startkapitaal, samples inkopen” zei ze.

“Ja” zei ik. Ik probeerde zoveel mogelijk lawaai te maken bij het borden spoelen.

“Daarna verkoopt die wijn zichzelf” zei ze.

“O”, zei ik.


(wordt vervolgd)

dinsdag 18 augustus 2009

Sauternes (verhaal)

Vanmorgen belde mijn zus, ze vroeg of ze langs kon komen. Ze zei dat we geen toestand moesten maken van het eten, het was voor de gezelligheid. "Gewoon voor de gezelligheid Isa", dat zei ze, maar in dezelfde zin ging het al over geld. Het verbaasde mij niet, want ze belt nooit voor de gezelligheid, en langskomen doet ze enkel als ze geld nodig heeft. Ik zat daar helemaal niet op te wachten, mijn zus geld lenen. God weet hoeveel ik haar toegeschoven heb in de moeilijke tijd na de scheiding van haar wijnkoper. Nu ja, behalve God weet ik het zelf ook wel, het was bij elkaar vijftienhonderd euro, netjes in drie ladingen van vijfhonderd weggebracht. Mijn zus weet echter van niets meer, of ze doet alsof. Ooit heeft ze mij honderdveertig terugbetaald, en daarmee vindt ze denk ik dat ze wel van haar verplichtingen af is. Terugbetaald, wat heet! Ze betaalde de rekening van een etentje. Tijdens dat etentje vroeg ze of ik haar nogmaals vijfhonderd kon lenen. Een moeilijke tijd, dat zei ik, en dat was het ook. Voor mij net zo goed, want ik was net bij Werner ingetrokken en ik wilde niet dat hij wist van de geldtransporten naar mijn zus. Wat verdien ik nou als schooljuf, parttime? ‘Zie het als je zakgeld’ zegt Werner altijd, maar dat vertik ik. Ik wil voor mijzelf kunnen zorgen, in mijn eigen onderhoud kunnen voorzien. Mijn eigen, niet dat van mijn zus.

Maar goed, ze belde, en ze kwam. Ik had gekookt, wie anders? Een toestand had ik er niet van gemaakt, precies zoals ze had verzocht. Werner kwam zowaar vroeg thuis van zijn werk, hij is redacteur bij een uitgeverij. We aten dus met zijn drieën de boontjes en het varkenshaasje op. Met wijn moet je altijd uitkijken bij mijn zus, sinds die wijnkoper in haar leven is (en het lijkt erop dat hij er niet uit te krijgen is, uit haar leven, nog niet na tien scheidingen), dus ik had alleen een fles mineraalwater op tafel gezet. De wijn is Werner zijn afdeling, maar Werner dronk een biertje. Over geld was ze nog niet begonnen, ze hield het lang vol. Het werd donker, en ik moest de lamp aandoen.

“De dagen worden snel korter hè” zei ze. Werner keek haar aan. Hij keek volgens mij ook al toen ze haar mond nog dicht had. Toen zei ze: “ik houd van de nacht”, en ze boog voorover. Ze nipte aan haar water, schudde haar donkere haar naar achteren. Het viel meteen weer naar voren. Er zat lippenstift op haar glas. Bij Werner zat er vet aan en bij mij niets. Hij keek mijn zus aan alsof ze iets reuze belangwekkends zei. Ze ging nog verder.

“In de nacht kan je... de dingen... niet verkeerd begrijpen.”

Typisch iets voor mijn zus om te zeggen, van die onzin die ze zelf ook niet snapt. Ze ging het nog uitleggen ook, over licht dat je ‘de dingen’ laat zien, steeds anders, tot je de ware gedaante van ‘de dingen’ niet meer kent. ‘Dingen’ dat is haar favoriete woord, na ‘geld’. Flirten, dat is haar favoriete bezigheid. Werner vond het prachtig, van die nacht, “Yvette, da’s poëzie” kraaide hij. Hij zit in de redactie van zo’n literair magazine, dus hij past doorgaans wel op voordat hij lyrisch gaat lopen doen over iemands goed geplaatste prietpraat. Ik vermoed al langer dat hij op mijn zus geilt. Al sinds ik hem ken om precies te zijn.

Ik had geen zin om naar hun koppen te kijken. Mijn zus heeft haar leven lang volgehouden dat ik mooier ben dan zij, ze heeft het vaak genoeg gezegd om mij van het tegendeel te overtuigen, want alleen een net wat jonger iemand die volkomen zeker is van zijn of haar superioriteit durft zulke dingen te zeggen. Ik weet het niet goed, wie er minder lelijk is. Mijn zus heeft veel grotere borsten, dat is in ieder geval objectief vast te stellen, en het lijkt erop of Werner niets anders doet dan dat onophoudelijk vaststellen als mijn zus op bezoek is. (wordt vervolgd)

zaterdag 15 augustus 2009

Museumgevangenis

Mensen zijn bereid veel tijd te steken in het maken van voorwerpen die groter, slimmer of eleganter zijn dan zijzelf. Ze zijn zo onpraktisch ingesteld dat ze soms het idee al genoeg vinden. Ze schrijven dikke boeken, ontwerpen hun droomhuis, of bakken een oogverblindende chocoladetaart, met aardbeien bovenop en opgespoten glazuur in mooie, zwierige figuren die lijken te dansen.

Noemen wij die voorwerpen kunst?

Floris (7) maakte vanochtend van de kapla een “museum met een gevangenis eraan vast gebouwd”. Het was een degelijk, wat hermetisch bouwwerk, dat niet wilde verleiden of behagen. Het ging om het concept. De lof die wij over dit project zongen was beslist geen obligaat ouderlijk enthousiasme, er was iets dat ons verrukte aan dit volmaakt briljante en waardeloze idee ineen, het leek allerlei nieuwe mogelijkheden te bieden die zich een voor een aandienden. Onze vervoering moet iets te maken hebben gehad met hetgeen ik hierboven schreef.

Dat de jongen daarna nog een “klein museum” bouwde, “dat het grote ging aanvallen” drukte de begeestering wat. Een vermoeden dat wij in de vakantie teveel musea en te weinig ridderkastelen bezocht hadden nam de plaats in van de verrukking. Toch bleef iets hangen van het sublieme, een vreemde kortstondige verlossing. Als rusteloze vliegen, gevangen achter het raam, ketsen wij duizend keer tegen het glas, zonder moe of wanhopig te worden. Soms worden we getroffen door een moment van inzicht, en dan nemen wij de tijd even door dat venster naar buiten te kijken.

Het museum is inmiddels omgebouwd tot een paardenstal. De gevangenis is ontmanteld.

dinsdag 11 augustus 2009

Omstebeurt

Ik zit op een laag stoeltje dat is bekleed met rugpijn en ik trek de haren uit mijn hoofd, met een pincet. De grijze haren. Een mens is immers op de eerste plaats ijdel, dat weet u ook best. Een ijdeltuit die zich verveelt. Zeker op een camping.

Vanuit de tent komt herrie. De herrie zwelt aan. Mijn dochter roept mij. Of ik kan regelen dat zij nu eens met de blauw mag. Haar broer zit de hele tijd al met de blauw. Ze is vijf.

“Jongens, omstebeurt met de blauw” zeg ik.

“Ik heb gewoon veel lucht. Dus.” zegt de jongen.

Tegenover ons staat een De Waard tent aan de grond genageld met honderdtachtig haringen, in perfecte snit, en voor die tent zit een kerel van veertig de ganse dag zijn lange blonde haren te kammen. Hij heeft geen kinderen, wel een vriendin die keurig doet wat hij zegt, die niet zeurt en die ’s nachts gilt als ze klaarkomt.

Uit mijn tent komt een huil.

“OmsteBEURT zegt papa!” roept mijn dochter door haar eigen gejank heen.

Ik trek een donkere haar mee, dat doe ik soms per ongeluk, maar de meeste zijn griezelig wit, en ik ben griezelig ijdel en ik heb een handspiegeltje. En een pincet. Had ik dat al gezegd? De achterkant, daar kan ik niet bij. Dat moet een ander doen. Maar mijn zelfrespect is nog niet zo ver afgebrokkeld dat ik zoiets ga vragen.

Ik kijk langs het spiegeltje, ik zie dat de blonde campingkoning onze kant op kijkt terwijl hij zijn klitten uitkamt. Het huilen wordt harder. Mijn zoon doet mee.

“Stil eens! Jullie mogen haren uit papa zijn hoofd trekken, met een pincet, omstebeurt. Maar alleen de grijze. Aan de achterkant.”

Het huilen stopt.

“Ik mag eerst” roept de vijfjarige.

“Ja hooor, jij wilt altijd eerst!”

“Nietus”

Ik wil dit niet, ik wil niet dat de campingviking lucht krijgt van mijn problemen.

“Omstebeurt eerst” zeg ik, “Jij had het eerst de blauw dus Emma mag eerst haren trekken”

Vijf minuten later ligt er een twintigtal haren in de wasteil, het zijn allemaal donkerbruine. Daar komen glimmende grijnzende grijze exemplaren voor terug, dat weet iedereen. Ik sta op uit het herniastoeltje, probeer iets aardigs te bedenken om te zeggen tegen mijn kinderen, maar ik zit met een verhaal in mijn hoofd. Een verhaal over een doorgedraaide kampeerder die ‘s nachts bolletjes camping-gas lek steekt en de sissende dingen in de tenten van de andere gasten gooit. Omstebeurt, maar langharige campinggoden mogen eerst.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010