zondag 22 november 2009

Coachen

Voor het eerst sinds mijn jongen op voetbal zit, sta ik zonder paraplu langs de lijn. Kou, regen, kraag omhoog, de essentie van het voetbalvaderschap bij de F-jes. Langs de lijn regent het veel harder dan in het veld, dat is bekend, langs de lijn is men doorgaans ook stukken fanatieker dan daarbinnen. Ik moet daar overigens niets van hebben.

Deze zaterdag sta ik er voor de vijfde keer, naast de andere vaders van F10, en we staan in de zon. Het is nog warm ook. Dat kan niet goed gaan. Geen regen te bekennen en na een kwartier kijken we tegen een 4-0 achterstand aan. Mijn jongen moet de eerste helft keepen. Hij dreigt als het Lek van Leiden de geschiedenis in te gaan. Een ander joch rent huilend naar zijn vader die hem na wat troostende woorden het veld weer in jaagt. Aan de overkant staan de vaders van de tegenstander, en je hoeft niet eens naar ze te kijken om te weten dat zij oorlogszuchtiger zijn dan een bende Comanches... 5-0! Rechterbovenhoek. Ik ben blij dat het projectiel het hoofd van mijn jongen niet geraakt heeft. Hij kijkt naar een vogel of zo, hij weet niet eens dat de bal achter hem ligt. De woestelingen langs de lijn juichen als holbewoners die na een maand jagen een mammoet omgelegd hebben. Ze blaffen hun nakomelingen nog harder af: “Den, voor jou!”, “Kef, naar vooooren!”. Het zijn net dieren, hun bloeddorst kent geen grenzen.

Wij, vaders van de F10, kijken elkaar aan.

“Wat een zielige vertoning”, zegt de vader links van mij. Doordeweeks is hij medewerker bij de griffie.

“Ze hebben waarschijnlijk een rotleven”, zeg ik, “ze zijn bang dat hun zonen dat ook krijgen.”

Er wordt instemmend gemompeld. Ze weten niet dat ik leraar ben. Ik ben nieuw. Van dat schrijven weten ze al helemaal niets. Het is rust. Ik kijk omhoog. Geen regenwolk te bekennen.

In de kleedkamer troosten wij onze zonen. Ze zitten stuk voor stuk bij hun vader op schoot. Sommige snikken. Mijn jongen is de enige zonder pruillip, want hij hoeft na rust niet meer te keepen. We zeggen dat het niet erg is, en we menen het ook wel, maar toch knaagt er iets. We jagen de ventjes de mat weer op, wij nemen onze posities langs de lijn weer in. Voordat we weer een beetje aan de zon op onze koppen gewend zijn staat het 6-0. Het geschreeuw aan de overkant begint ook van voor af aan. Wij kijken elkaar niet aan, maar wij verstaan elkaar heel goed.

“Naar vooooren Leiden!” roept de papa naast mij, in het dagelijks leven ICT medewerker. “Blijven beweeeegen!”. Dat is de kale belastingambtenaar die er altijd doodmoe uit ziet door die grijze zakken onder zijn ogen. “Méélopen” roep ik naar mijn jongen “meelopeeeeen!”. Het is geen roepen, het is schreeuwen.

Vanaf dat moment komt er niets dan vormloos gebrul uit onze kelen. Merkwaardig genoeg lijkt het effect te hebben. De F10 begint te draaien, het is krankzinnig, die jochies doen nog wat wij schreeuwen ook. Zo fanatiek heb ik ze niet eerder gezien, die keren dat ik als een natte hond stond te druipen langs het veld. Goed, het wordt weliswaar 7-0, maar wij, vaders, weten dat we zeker tien minuten een veldoverwicht hebben gehad. Bijna juichend rennen we de wei in na het fluitsignaal. We zijn zo trots dat we onze zonen optillen als waren het winnaars. In de kleedkamer wordt gelachen en met handdoeken gemept.

“Ze pikken het wel op” zeg ik, “dat, eh... coachen”

“Volgende week moeten we het weer doen” zegt de belastingman.

“Ja” zegt de ICT’er, “ook als het regent”

maandag 16 november 2009

Omslag

De post brengt drie stukken. De Autokampioen, een envelop van Dela verzekeringen en een dikke envelop van uitgeverij Contact.

De inhoud van die eerste twee mag er wezen: de Kampioen bevat een bijzonder leerzame test van wel honderd parkeergarages, de envelop van Dela onze nieuwe uitvaartpolis. Mijn aandacht gaat echter uit naar die andere envelop: de voorjaarsbrochure 2010.

Ik probeer niet te wild, te ongeduldig te scheuren.

Ha, het is een aardig boekje geworden, mooi stevig kringlooppapier. Kijk nu toch eens. Pagina vijf. Gewapende man, trefzeker debuut bladiebla. De omslag! Ik vind ‘m meteen prachtig. Net een reparatiehandleiding voor een Zündapp, en inderdaad juist daarom zo goed. Dat valt tenminste op tussen al die landschapjes en zeegezichten.

Ik voel mij fier, heel even, dan dient het getob zich weer aan: verdomme nu kan ik niet meer terug, ze hebben al aardig wat centen aan mij uitgegeven, maar hoe zit het met mijn prestaties? Lopen die een beetje in de pas met deze promotieblabla? Kannutnietisnikswordtnooitwat. Gadverdamme. Ik kan zo doodmoe worden van mijzelf. “Say it loud: I’m black and I’m proud!” In The Commitments moet een zootje werkloze wannabe-muzikanten die woorden van James Brown hardop zeggen van hun ‘manager’, zelf ook zo’n doodsbleke slungel. “Amblackanamprow”, je hoort hun gemompel niet, je ziet dat ze de woorden in Dublins accent op de tong proeven.

Ik oefen het ‘doe-maar-gewoon-repertoire’ dat mij van pas zal komen als familie en vrienden dit zien. Of ik ‘s net zo indringend wil kijken als op de auteursfoto? Moet je me eerst een slok petroleum geven. Duur? Tja, negentienvijfennegentig, kost wat maar dan heb je ook niks. Dik? De slechte seksscenes worden er nog uit geredigeerd dus dat kon nog wel eens meevallen. Brommer? Die staat erop omdat de titel anders zo gay lijkt. Boekenbal? welnee, daar hebben ze ook een deurbeleid.

Laat mij voor een keer trots zijn, ik ben het bagatelliseren zo beu.

Ik lees de andere post door.

Mijn uitvaartpolis leert mij: het leven is kort, de dood kost niet meer dan een habbekrats.

De ANWB Autokampioen leert ons dat men in de binnenstad van Leiden werkelijk nergens fatsoenlijk kan parkeren. Gelukkig hoef ik in de Leidse binnenstad niet te parkeren. Ik woon er. Ik grijp weer naar de folder, pagina vijf. Ik leg mijn hand op de foto (Tommy Wieringa met haar, whoehaha), ik kijk weer naar die cover.

Ik heb genoeg geleerd vandaag, genoeg om een omslag te maken. Ik ga anders denken, bedoel ik. Cynisme is uit! Ik roep het de nacht in, ik schreeuw het van de daken: “Alle mensen die iets getimmerd, iets bedacht, geschreven, geknutseld of gekleid hebben! Iedereen die iets voor elkaar krijgt, zoals een gedicht maken, een toilet plaatsen of een cadeau door een schoorsteenkanaal proppen! Roep het hard: ik ben trots en ik ben zwart!”

maandag 9 november 2009

Boekenbal (2, slot)

De man met de tas liep altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen.

Het was een dienstknecht, of een dienstmaagd, dat boek, zo één waar ze nooit meer dan drie exemplaren van op voorraad hielden. De omslag was het jonge meisje wel opgevallen, door die oranje brommer, maar ze had er nog niet één van verkocht. Als er andere klanten waren stond de man daar heel nadrukkelijk te lezen, het jonge meisje wist niet dat je zo opzichtig kon lezen. Het was alsof hij voorlas maar de woorden achter zijn tong bleven plakken. Na een poosje legde hij het weer terug, dan deed hij alsof hij andere boeken uitzocht. Maar die las hij nooit, hij keek alleen bedachtzaam naar de achterflappen en legde ze hoofdschuddend terug. Daarna pakte hij nog één keer het boek met de brommer, las nog wat, hield het omhoog en legde het weer terug.

Als hij de winkel uit was liep het jonge meisje wel eens naar de plek waar hij had gestaan, en dan zag ze iets raars. Van een dozijn didi’s die in de buurt van het boek met de brommer lagen, was de achterzijde naar boven gekeerd in plaats van de omslag, het was net alsof de brommer de andere boeken had onderworpen, zijn eigen dienstknechten en dienstmaagden. Het jonge meisje legde ze dan gauw weer goed, zonder de geitenbreier er bij te halen.

Vandaag was anders.

In de eerste plaats stond zijn kraag niet overeind, en de muts was ook niet op. Hij groette haar! Vervolgens liep hij naar de grote tafel. Hij bleef staan en zag wat het jonge meisje al wist: de boeken met de brommer lagen niet meer op de tafel. De grijze geitenbreier had ze verplaatst naar de grote kast met fictie. De grote kast was de voorhof van de vergetelheid, ze mochten daar nog een maand, hooguit twee antichambreren, die boeken, wennen aan het idee dat het gedaan was, dat het slachthuis wachtte, en dat dat goed zou zijn.

Het jonge meisje keek wat de man zou gaan doen. Ze zag zijn blik van links naar rechts over de grote tafel gaan, zoals je in het rond kijkt als je fiets is gestolen. Hij liep om de tafel heen, twee, drie keer. Hij nam de tas op de andere schouder. Nu hingen beide schouders zwaar en moe, hij boog voorover en bleef zo een tijdje staan, als een verzakte wilg. Hij richtte zich op en liep naar de kast, het jonge meisje kon duidelijk zien dat er weer een doel achter zijn passen zat. Hij wist kennelijk waar hij moest zijn, want hij pakte een boek uit de grote kast en liep direct terug naar de kassa, naar haar! Hij legde het boek op de toonbank met de omslag boven. Het was het boek met de brommer.

“Deze wordt het?” zei het jonge meisje.

“Ja, deze graag” zei de man.

Ze draaide het boek om, om de barcode te scannen. Voor het eerst zag ze de foto. Ze schrok, keek hem aan. Hij zette juist zijn kraag omhoog. Ze keek nog eens naar de foto, daarna weer naar hem. Hij tuurde op zijn bankpasje.

“Eh, pinnen meneer?”

“Ja graag”

“Is het een cadeautje?”

“Nee, eh ja, doe maar gewoon in een zakje”

“Veel leesplezier en tot ziens!”

Hij griste de papieren zak van de toonbank, propte het in zijn schoudertas en haastte zich de winkel uit zonder nog om te kijken. Bijna rennen was het.

maandag 2 november 2009

Boekenbal (1)

Het was maandag, en hij was er weer, de man van het boek.

Het jonge meisje werkte sinds vijf weken bij de boekwinkel, en de eerste klant die ze begon te herkennen was de man van het boek.

Het was goed beschouwd niet eens een klant, want hij kocht nooit iets. De eerste keer had hij vriendelijk gegroet, haar iets te lang aangekeken. Gewoon, net wat te lang, alsof hij iets zag wat vroeger van hem was. Niets geks, dat deden er wel meer. Ze had zich het groeten herinnerd door wat daarop volgde. Hij liep door naar de tafel met nieuwe uitgaven. Ze schonk verder geen aandacht aan de man, was bezig een kinderboek in te pakken voor een oude dame toen plotseling het flitslicht van een fotocamera de zaak vulde. Ze keek op, zag nog net dat de man een digitaal cameraatje in zijn jaszak stopte. Hij bleef daar nog wat dralen, en liep toen snel naar buiten zonder te groeten of te kijken, zelfs niet kort.

Sindsdien kwam hij iedere maandag, woensdag en vrijdag rond een uur of vier met een schoudertas om waar hij scheef van liep. Vanaf de derde of de vierde keer groette hij niet meer, soms rommelde hij wat in die zware tas precies op het moment dat hij de kassa passeerde. Na een week of twee had hij de kraag van zijn jas hoog opgezet, en zag het jonge meisje alleen twee zware wenkbrauwen, in week drie had hij ineens een muts over zijn oren, en herkende ze hem enkel aan de schoudertas. Voor het overige volgde ieder bezoek hetzelfde patroon: hij liep naar de tafel met nieuwe boeken. In het midden van die tafel hadden zij twee torens gebouwd van goed verkopende romans, als bakstenen gestapeld. Dat waren de boeken waar het om ging. Op een zaterdag verkocht je er soms wel twintig van. Om de torens lagen de romans die niet zo liepen, de “dienstknechten en diensmaagden” kortweg “didi’s”, zo noemde de grijze geitenbreier ze, “want zij zorgen ervoor dat hun heren gunstiger afsteken, dat is hun taak, zonder die heren zouden zij immers niet eens bestaan. De armen leven dankzij de rijken!”. Alsof hij hoerageroep verwachtte, zo zei hij die dingen. De grijze geitenbreier ging over de Nederlandse en vertaalde fictie, hij regeerde met ijzeren hand over het boekenbal op de grote tafel.

De man met de tas liep dus altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen...

(wordt vervolgd)

Gerwin in DWDD 28 januari 2010