vrijdag 25 februari 2011

Tuigdorp Telegraaf

Vanochtend nam ik een kijkje in de Grote Boze Binnenwereld van de Telegraaf. Zomaar, om even te kijken of-ie er nog was, zoals je soms, heel soms, kijkt of die moedervlek op je rug er nog zit en niet ineens groter is geworden. Dom, dom, dom.

De site van de Telegraaf kopte groot met Pauw & Witteman, die zich vergaloppeerd zouden hebben met een item over een ex-gedetineerde die een boek had geschreven over zijn misdaad: de mislukte ontvoering van een vrouw. De familie was “geschokt en verbijsterd” omdat er in het programma lacherig werd gedaan over de klungelige aanpak van de boef.

Het artikeltje had in een paar uur meer dan zeshonderd reacties opgeleverd. De reacties die ik las – en niet had moeten lezen - hadden als strekking: schande, van onze belastingcenten, typisch links, Pauw en Witteman zijn linkse rakkers die heulen met criminelen, de Vara is een linkse propagandamachine. Ik geef één quote:

“Dit afschuwelijke linkse propaganda gedoe van deze P en W ,moet aangepakt worden, als de mensen maar een kleurtje hebben,en het maakt niet uit hoe crimineel ze zijn,zijn ze van harte welkom,en dan samen tegen Wilders”

Om het gehuil van tegenwicht te voorzien stuurde ik een reactie in. Zinloos, weet ik best. Soms als mijn verstandskies opspeelt, doe ik domme dingen. Maar het gaf niet, want mijn reactie werd niet geplaatst. Zij voldeed niet aan de huisregels van de Telegraaf. Dit is wat ik schreef:

“Wat een onzin om dit ‘heulen met criminelen’ als ‘links’ te bestempelen. Wist u overigens dat een bekende Telegraaf-verslaggever een toespraak hield op de begrafenis van topcrimineel John Mieremet?”

Ik begrijp best dat de Telegraaf daar geen zin in had, hoewel er geen enkele huisregel door mij werd overtreden. Ze mogen van mij best een beetje streng zijn bij de Telegraaf. Dat de volgende reactie wel te lezen was verbaasde mij dan ook:

“P&W zijn echt een stelletje smerige hufters! ik vergelijk ze altijd een beetje met extreme Imams, die proberen ook iedereen te hersenspoelen! Optiefen met die lui”

Maar ja, er kan wel eens iets door de mazen van het net glippen. Allemaal liefdewerk, moet je maar denken. De krant van Wakker Nederland had ook een nieuwtje over een burgemeester in het Russische Tsjita. Die had zich laten ontvallen dat de daklozen in zijn stad eigenlijk vermoord zouden moeten worden. Het had er de schijn van dat de Telegraaf dat een bizarre uitspraak vond. De reaguurders dachten daar anders over:

“Hij heeft wel een punt. Zouden ze hier ook moeten doen met overbodig buitenlands tuig”

Deze reactie bleef kennelijk binnen de fatsoensregels van de Telegraaf. De krant had ten slotte nog het gebruikelijke gezemel over het weer. Er komt weer kou aan! De 120 reacties die het bericht van diepgang en betekenis voorzagen waren verrassend veelzijdig (“oprotten met die kutkou, ik ben het spuugzat” tot “Het wil dus maar niet echt vlotten met de opwarming van de aarde, wat door vele linkse bobo's wordt aangepraat.”)

Ook een blunder van een AT5-verslaggever – de man had een Turkse vrouw die voor een winkel stond te wachten verteld dat ze beter Nederlands moest leren - had een berg reacties opgeleverd. Al de reaguurders, allemaal – ik herhaal ALLEMAAL – kozen ze de kant van de verslaggever. Als je van een ‘kant’ mag spreken.

“Sorry kan [sic] deze vrouw nog steeds geen nederlands naar [sic] al die jaren dat ze hier woond [sic]..... komt door haar man waarschijnlijk bang dat ze zich ontwikkeld [sic] en daarom mag zij dom in de rij van hem staan

De Telegraaf hanteert huisregels noch spellingsregels. De Telegraaf is een virtueel Tuigdorp. We hebben het hier over een krant ja, niet over GeenStijl, maar over de grootste krant van Nederland, die al meer dan 100 jaar bestaat! Jong en laagopgeleid Nederland wordt gemobiliseerd, tegen ‘links’, tegen kunst en cultuur, tegen islam, tegen milieumaatregelen. Het is veel erger dan iedereen denkt. Nederland is doormidden gekliefd. Wij staan op het kleinste stukje.

vrijdag 18 februari 2011

Elektra

Ik heb een probleem, en ik wil er over praten. Het begint er al mee dat ik moeilijke liefhebberijen heb. De meeste daarvan houd ik geheim. Andere niet. Dat is het probleem niet. Het probleem: ik houd van de opera’s van Richard Strauss. Ik weet niet zeker of ‘houden van’ het goede woord is. Ik vind ze mysterieus, een beetje eng, larmoyant en ik moet vaak aan ze denken. Ja, ‘houden van’ is eigenlijk precies het goede woord. Toen ik Richard Wagner een beetje zat begon te worden ben ik Strauss (“nicht Johann, dann aber auch nicht Wagner”) gaan luisteren. Nu zit ik er mooi mee. Zijn muziek is ‘ontoegankelijk’ voor ‘leken’. Dit maakt hem ‘kwetsbaar’ tot ‘ernstig bedreigd’ in termen van Natuurbehoud. Mooie termen, je kan er op het gebied van Cultuurbehoud ook wel een tijdje mee vooruit.

Dit jaar is er gelukkig weer een opera van R. Strauss in Amsterdam te zien: de bittere “tragödie in einem Aufzuge” Elektra. Niemand houdt van Elektra (met die zin moeten ze bij de Nuon eens iets doen!). Maar ik wel. Alleen, een derderangkaartje kost €110. Dat is vijfentwintig euro meer dan het bedrag dat ik afgelopen seizoen neertelde voor een avondje opera. Het kabinetsbeleid wordt voelbaar, inderdaad, maar dit is slechts het begin. De Nederlandse Opera krijgt 25 miljoen euro subsidie, dat is 175 euro per bezoeker. Veel meer dan het duurste kaartje kost. Dat kon natuurlijk niet langer. Over een slordige tien jaar, als de subsidies geschrapt zijn, zal mijn kaartje denk ik €350 euro kosten, mits de inflatie niet te hoog uitvalt. De kans is klein dat De Nederlandse Opera dan nog bestaat, althans in deze vorm, want Nederland kent niet genoeg muziekliefhebbers die zulke astronomische bedragen overhebben voor Richard Strauss.

Je kan van Halve Halbe zeggen wat je wilt, maar de Staatssecretaris van Cultuurvernietiging is lekker bezig, en hij spreekt duidelijke taal: een kwaliteitsoordeel heeft de regering niet, wat mensen mooi vinden is kunst, dus de staat geeft alleen nog geld aan dingen die de mensen mooi vinden. Laten we het niet meer hebben over de barbaarse leegte die gaapt achter deze redenering. Steeds als ik dat doe heb ik het gevoel dat ik met mijn boze kop de hakbijl in mijn eigen voet zwaai in plaats van in het brandhout.

Terug naar mijn probleem. Over een jaar of tien moet ik waarschijnlijk naar Berlijn of Wenen reizen als ik een opera van Richard Strauss wil zien, voor pakweg €600 heb ik dan een toegangsbewijs, een vliegreis en een hotelovernachting. Van heinde en verre komen moeilijke mensen met dezelfde moeilijke liefhebberij. Duur kan je het niet noemen. Echte Trekkies betalen het driedubbele om de Star Trek convention in Las Vegas bij te wonen, en voor een Elvis-meeting van een beetje niveau moet je tegenwoordig ook al naar Birmingham. Het ene is niet waardevoller dan het andere, en wie dat toch durft te beweren heeft de tijdgeest goed tegen. Wie moeilijke hobby’s heeft moet er maar krom voor willen liggen. Bovendien, wat is er mis met een leuke musical? Het zijn anders echt heel mooie decors hoor, bij Zorro, en die jongen kan ook vet goed zingen en zwaardvechten tegelijk. Voor €90 heb je al een kaartje! Binnenkort krijgen ze subsidie, omdat de mensen het mooi vinden. Nou dan!

Of ik mij daar soms te goed voor voel.

Nee zeg ik, ik voel niks, ik vind er gewoon geen reet aan.

Jouw probleem.

Ja dat zeg ik toch, mijn probleem. Voortaan houd ik mijn kop er over.

maandag 14 februari 2011

My f*cking Valentine

Het is vandaag weer Rozendag op school. Ik haat Rozendag. Dat komt, denk ik, omdat ik altijd overdreven sympathiseer met de losers, met hen die geen roos krijgen. Het oorspronkelijke idee is best charmant: de stille jongen stuurt anoniem een roos naar het mooiste meisje van de klas. De stille jongen heeft de dag van zijn leven, met bonzend hart kijkt hij toe hoe het meisje de roos ontvangt uit handen van de rozencommissie. Ze zal rondkijken door de klas, ze zal hem zien, ze zal het zien! Dit is een droom die beslist de 2 euro voor die roos waard is.

Echter, de eerste moeilijkheid dient zich al aan: het mooiste meisje krijgt méér rozen. Er is immers maar één mooiste meisje en er zijn meerdere stille jongens. Wat heet, de schoonheid verzamelt een hele bos rozen en dito aandacht. Dit bovenop de aandacht die zij altijd al krijgt van de stoere jongens omdat zij het mooiste meisje is. Anderen krijgen Niets. Dit Niets is gelijkelijk verdeeld over de bijna-mooie meisjes en de lelijke meisjes. De bijna-mooie meisjes zijn ontevreden. Zij smeden een verbond. Er bestaat weinig dat hermetischer is dan bijnamooiemeisjesverbonden. Zij spreken af dat zij elkaar ieder één roos sturen. Een jaar later op rozendag is het aantal rozen vervijfvoudigd. Het is zeg maar, handel geworden. Lelijke meisjes hebben nog steeds niets.

Op een roos meer of minder wordt niet meer gekeken, je kan je er geen buil aan vallen, dus de meisjes gaan ook rozen sturen aan de stoere jongens. De rozenhandel is exponentieel gegroeid en een economische factor van betekenis op school. Alleen heeft niemand hier aan gedacht: het ontvangen van een roos heeft nauwelijks nog betekenis. Het zegt alleen: je bent niet heel stil of heel lelijk. Want de stille jongens en lelijke meisjes hebben nog steeds niets. De markt is geperverteerd, en daarom haat ik rozendag.

De eerste gevallen van lelijke meisjes die zichzelf een roos stuurden zijn al bekend. Nu dreigt een reëel gevaar! Dit bevalt mij! De markt zal instorten als het product niet meer onderscheidend zal zijn. Als deze trend zich niet doorzet zal ik hem een handje helpen. Ik zal iedere stille jongen en ieder lelijk meisje twee rozen sturen. Door een keer diep in de buidel te tasten zal ik de hele Valentijns-liefdesmarkt in één klap wegvagen.

Men zal weer iets nieuws verzinnen.

vrijdag 11 februari 2011

Naar voren denken

Mijn zoon speelt voetbal bij de E-pupillen. Hij is verdediger. “Een typische back” zegt de trainer, “hij denkt niet naar voren”. In dat zinnetje ligt een zekere tragiek opgesloten. Wie goed luistert naar zo’n zinnetje hoort er van alles in doorklinken: opoffering, discipline, een stil en niet geheel vastomlijnd verlangen naar de andere zijde, naar de helft van de tegenstander, waar het gras groener is, waar overwinningen gevierd worden, waar de back nooit komt. Wie niet “naar voren denkt” moet ballen tegenhouden, tegenslagen vermijden. Terwijl het ginds altijd feest is (feest waar hij niet voor is uitgenodigd) is het aan zijn kant één en al incasseren en uitdelen. Er vallen harde woorden – u kent ze wel, die woorden. De gewetensvolle verdediger is zich altijd bewust van zijn schuld en zijn onvolmaaktheid als voetballer, als mens – hetgeen in die situatie één en hetzelfde is. Tegendoelpunten zijn de enige doelpunten waar hij aan meedoet. Rampen vallen onder zijn verantwoordelijkheid, bij euforie ziet hij eruit als een toerist op een folkloristische dansavond.

Zelfs als toeschouwer trekt hij aan het kortste eind. Hij kan de doelpunten van zijn teamgenoten niet eens goed zien, het is vanuit zijn gezichtspunt volstrekt onduidelijk wat er gebeurt, iedereen staat ervoor, ineens wordt er gejuicht. Een herhaling is er niet bij, de precieze toedracht blijft een mysterie. Hij juicht mee, maar zijn juichen is verstoken van de blijdschap die in de ontlading van het moment zit. Het is net als op een verjaardag, wanneer de hele groep ‘lang zal-die leven’ zingt, dat je later binnenkomt en na de derde, sterk in enthousiasme afgenomen ‘hieperdepiep’ in je eentje ‘hoera’ brult.

Mijn zoon is ook altijd te laat om de doelpuntmaker om de nek te vliegen, het is domweg te ver lopen. De laatste tijd doet hij ook geen moeite meer in de buurt van de feestvierende kluwen te komen. Hij wisselt een blik van verstandhouding met de andere back, draait zich om naar de keeper, die staat te apenkooien in het doel – maar ja, keepers zijn altijd een beetje getikt. Zelf een doelpunt maken, het idee komt niet eens bij hem op. Dat komt omdat hij niet “naar voren denkt.” Er wordt soms voor hem geklapt, dat wel, als hij een bal voor de voeten van een gevaarlijke aanvaller wegmaait, over de zijlijn, de sloot in.

Afgelopen zaterdag scoorde hij toch – dwars door alle linies stoomde hij op, door niets of niemand gehinderd, zelfs niet door medespelers. Het was alsof hij op vakantie ging, zomaar onder werktijd en zonder het te vragen. Bam, raak, het was 5-0 geloof ik (bij 1-0 zou hij zich zoiets nimmer permitteren). Hij juichte niet, niemand juichte echt, iedereen stond er vol verbijstering naar te kijken. Hij rende snel terug naar zijn plek, met een schuldbewust gebogen hoofd.

De rest van de wedstrijd zag ik hem loeren, aanstalten maken de middellijn over te steken. Zijn onverzettelijkheid was hij kwijt. Ik zag hem “naar voren denken”, wat heet, hij stond daar alle kanten op te denken die jongen. Hij droomde van warme landen vreemde strafschopgebieden, heldendaden. Zijn ietwat slepende tred verried een sluimerende onvrede met zijn lot. Pas bij 5-1 vatte hij zijn taak weer op. De plicht roept jongen, dat was wat ik dacht. Wat ik heel hard riep was: “dekken, dekken!”

vrijdag 4 februari 2011

Blue Stilton met Port

Eigenaren van kaaswinkels zijn geen vrolijke mensen. De eigenaren van kaaswinkels die ik ken tenminste niet. Ze zien er onverzorgd uit, op het onfrisse af, je zou bijna zeggen schimmelig. Ze ogen doodbedroefd. Misschien doen ze soms vrolijk, maar dat opgeruimde gedrag benadrukt hun natuurlijke staat alleen maar. Ik noem ze kaasboeren, zoals iedereen volgens mij, ook al boeren ze helemaal niet. Ze zoeken ook nooit een vrouw heb ik de indruk. Ze leven in hun eigen stinkende hel, daar willen ze verder niemand bij hebben. Dat is ook beter zo.

Kaasboeren lijken ook altijd op hun kazen. Zo heb ik een kaasboer gehad met een gezicht van zachte geitenkaas, en één die deed denken aan een overjarige Friese nagelkaas. Die zijn allang dood, of nog erger, bankroet. Mijn kaasboer uit de Herenstraat is jaren geleden in zijn winkel overleden aan een hartverlamming, omdat hij niet terug had van honderd gulden. Het laatste wat hij rook moet een halve gorgonzola zijn geweest die hij in zijn val had meegesleurd.

Mijn huidige kaasboer lijkt op de grote Blue Stilton kaas die bovenop zijn koelvitrine staat. In de Blue Stilton staat een omgekeerde fles port, die er tergend langzaam in leegloopt. Ik vermoed dat de kaasboer ook wel eens een fles van het een of ander in die stand aan zijn mond heeft gehad, maar dat is niet de reden dat ik hem op die kaas vind lijken. Hij oogt vermoeid, bleek, zijn gelaat is bezweet en bedekt met blauwe adertjes. Het is iemand waar je iets te drinken bij moet hebben zeg maar. “Kan ik u anders nog ergens mee helpen” zegt mijn kaasboer altijd als hij mijn pondje laf belegen heeft afgewogen. Ik zou niet weten waarmee de goede man mij verder zou kunnen helpen. Zouden er klanten zijn die hij achter in het kaasmagazijn heimelijk ergens mee helpt? In de buurt beweren boze tongen dat de man helemaal geen kaas lust.

Voordat u denkt: dit is wel weer een erg futloos stukje Van der Werf, het prikkertje met Hollands vlaggetje ontbreekt er nog aan, voordat u dat denkt dus, weet dan dat ik iets heel anders wilde schrijven. Ik wilde eigenlijk zeggen, denk ik, dat er veel beroepen zijn die ik niet zou willen uitoefenen. Verreweg de meeste, om eerlijk te zijn. Ik zou het al geen dag uithouden in zo’n naar bederf geurende kaaskeet. Nog afgezien van de administratieve rompslomp die het geeft, zo’n winkel, en al dat gesjouw! Kapper, conducteur, lokettist (bestaan die nog, of heten die online resale managers?) financieel analist, head logistics, en al die vage beroepen die men nooit precies uitgelegd krijgt, ik ga nog liever dood. Tegelijk weet ik dat die hele parade absoluut geen trek zouden hebben in mijn betrekking als leraar. De kaasboer zou het niet overleven. U ook niet. Na het pretpark van de duivel is het eerstvolgende begrip waar het woord ‘Hel’ geschikt voor werd bevonden, inderdaad, een schoolklas.

Zo leven de kaasboer en ik beide in onze hoogstpersoonlijke, zorgvuldig naar eigen beeld en gelijkenis opgetrokken Hel. Daar verrichten wij een overzichtelijke hoeveelheid taken die wij nuttig en relevant noemen, omdat wij anders niet kunnen overleven. Werk leent zich er domweg niet voor aserieus genomen te worden. Kaas al helemaal niet, net als kinderen moet je schimmels goed in de gaten houden.

Soms, na een lange vakantie bijvoorbeeld, kan ik mijn hel echt missen. Mijn kaasboer gaat nooit met vakantie, zoals het een echte boer betaamt. Want hij houdt misschien niet van kaas, de Blue Stilton met port staat hem gewoon erg goed.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010