woensdag 30 september 2009

Oemoemenoe

Het onderstaande las ik op een website die zich tot doel gesteld heeft de Zeeuwse taal (waag het niet in het bijzijn van ’n echte Zeeuw een dialect te noemen) te promoten.

Het is een snipper uit een heel verhaal, van een appelboer die zonder snedig, scherp, ironisch of zelfs maar mopperig te doen, vertelt wat hij het liefst had gedaan met zijn leven. Grieks leren, dat was zijn grote droom. Maar ja, de harde strijd om het bestaan noopte hem zich bezig te houden met die appels, dag in dag uit.

“En as m'n tied dan gekommen is, en ze vraege me wat ik mee m'n leven gedaen 'ebbe, dan is t'r eigenlijk mae eên antwoord: 'Ik ao vrêselijk graog de Griekse klassiekers wille leze, mae d'r kwam nie van, wan ik was bezig mee appels.”

Wat moet ik hier over zeggen? Dat het tintelt van de ingehouden dramatiek? Dat het Zeeuwse taaltje de tragiek een soort lichtheid geeft, waardoor het om te lachen is? Dat het in gewoon Nederlands zelfs niet om te huilen zou zijn? Ik hoor het mijzelf zeggen, mijn stem klinkt hol, als schallend koper.

Wij hebben ‘m allemaal, die onpraktische kant, die ons ertoe aanzet offers te brengen omwille van het bereiken van schijnbaar onzinnige doelen, omwille van het scheppen van dingen die groter en eleganter zijn dan wijzelf.

Oemoemenoe?*

Tja, die verdomde appels...


(* wat moeten we nu?)

dinsdag 22 september 2009

Heleen is Cult

La Royen heeft een nieuw boek.

Ik vind dat geen probleem, zolang niemand mij dwingt het te lezen.

Maar er is iets dat ik niet goed begrijp.

Er zijn honderddertigduizend exemplaren gedrukt. Dat vind ik heel erg veel, maar ook dat begrijp ik best. Een kennis van mij kocht laatst een zeecontainer leesbrillen in, made in China. Hij verklaarde zich nader: “ik verkoop ze toch wel”. Aan de lezers van Heleen van Royen, dacht ik, en alles viel op zijn plek.

Wat ik niet goed begrijp is dit: waarom krijgt de koningin van de glibberige softporno een cultstatus aangemeten door de recensenten? Ik krijg de indruk dat men naar de juiste toon zoekt om Heleen onschadelijk te maken, of zoals mijn eikeltjeskoffie drinkende overbuurvrouw zou zeggen "een plekje te geven”. Het lijkt op wat met André Hazes gebeurde in de jaren negentig, toen hij plots bon ton werd in studentenkringen. Ik kan het weten. Wij schreeuwden mee met “De vlieger”, we deden alsof we het prachtig vonden en gooiden met bier, want we wilden beslist niet vervreemden van het volk. Thuis dreven wij de spot met zijn malle rijmelarijen. Wij vonden cult en camp uit, iedere dag opnieuw. Wij hingen blote barbiepoppen in de kerstboom, zwommen in fonteinen, spaarden plastic smurfen en citeerden Jiskefet. Wij waren de hoeders van de slechte smaak.

De boekbesprekers doen iets vergelijkbaars. Ze zouden beter moeten weten.

“Uiterst vermakelijke aanwinst van de Nederlandse literatuur” schrijft Stine Jensen in het NRC. In diezelfde krant een recensie van Arjen Fortuin. Ook hij noemt mannentester Victoria een “fascinerend personage". Bas Belleman spreekt in Trouw van een “amusante plotgedreven roman”. Natuurlijk is er ook kritiek. Stiekem weten de genoemde schrijvers best dat het allemaal niet zo best is, ze zeggen het ook. Maar ze voelen zich niet te goed voor een roman die honderddertigduizend maal over de toonbank zal gaan, dat laten ze ons graag weten, en ze lusten ook best een frikadelletje op zijn tijd. Ik gun hen die pose, maar veel meer gun ik andere boeken de aandacht die Van Royen toch wel krijgt. De afgelopen weken kwamen uit: “Dit is jouw huis” van Maartje Wortel, “De tram van half zeven” van Michiel Klein Nulent en “Deze eenzame wereld” van Jan Wijnen. Mooie boeken. Niets over gehoord.

Jullie begrijpen dat ik de bui zie hangen.

Ik ben mij aan het oriënteren op Chinese brommerhelmen, waarvan ik een zeecontainer vol laat komen om in combinatie met mijn boek (Zündapp op de cover) aan de man te brengen. Opdat de mensen, en wie weet ook de recensenten, zullen zeggen: “een roman waar je niet ongeschonden uitkomt.”


zaterdag 12 september 2009

Ossenworst

Bij de slager staat een eeuwenoud mannetje. Hij heeft een pluizige witte krans rond zijn oren, verder is hij kaal. En klein. Ik kan de levervlekken boven op zijn hoofd tellen. Hij is voor mij aan de beurt. Achter mij staat een kerel met een lange neus, zo’n neus als een potscherf die rechtop in het gezicht geplant is.

Het stokoude heertje bestelt een onsje Serranoham. Hij spreekt het op drie verschillende manieren uit, zodat er geen misverstand over kan bestaan, en hij ook Serranoham krijgt. Het “anders nog iets” overvalt hem, dat kan ik zien, het komt hem te snel. Zijn handen beven. Maar dat doen ze misschien altijd wel. Hij heeft een briefje tussen duim en wijsvinger.

“Tartaartjes” zegt hij.

“Twee?” vraagt de juffrouw.

Het mannetje knikt. Achter mij haalt de kerel zijn lange, agressieve neus op. Ik kijk naar het briefje. Ik kan zien dat de boodschappen opgeschreven zijn door degene die vanavond dat tweede tartaartje gaat opeten. Het zijn geen herenletters. “Anders nog iets?” Het heertje raakt nu een beetje van slag, zie ik. Het is maar net hoe je het zegt: anders nog iets. Ik heb ook wel eens het gevoel dat zo’n juffrouw mij met dat ‘anders-nog-iets’ wil straffen voor mijn getalm. “Het is allemaal lekker” zou je willen zeggen om er vanaf te zijn.

Het heertje heeft het briefje zowat tegen zijn wenkbrauwen aangedrukt, hij beweegt het langzaam en beverig naar achteren, en weer naar voren. Hij kan de juiste focus niet vinden. De agressieve neus prikt gaten in alle richtingen, grote schoenen heeft die kerel ook, en ik denk dat hij de grijsaard er vol op de wreef zou willen nemen. Hij stinkt, de neus, een zware aftershave of zo. Niets is smeriger dan parfum in een slagerij, dan liever pislucht of rotte tanden. Bij vlees hoort verrotting. Het duurt lang, ik sta op het punt het heertje te hulp te schieten, probeer op het briefje te ontcijferen wat zijn vrouw “anders nog” had gewild.

Ik meen “varkensfricandeau” te lezen, maar ik ben er niet helemaal zeker van. Moet ik dit het heertje suggereren, varkensfricandeau? Ik ben te laat, hij is nu echt in paniek, hij stamelt wat en zegt dan heel beslist: “een stuk ossenworst alstublieft! En anders niks!” Hij is opgelucht, propt het briefje terug in zijn broekzak. Het is een koddig gezicht. Maar ik vraag me af of die opluchting zal beklijven. Wat zal zijn vrouw zeggen als ze een stuk ossenworst aantreft, in plaats van de gewenste fricandeau? Of zal hij die worst ergens op een bankje langs de Vliet stiekem soldaat maken? Het heertje rekent af. Hij heeft overigens twaalf levervlekken van verschillende grootte op zijn kruin. “Wie was er dan?” vraagt de juffrouw. Ik ben even kwijt wat ik zelf ook weer moest kopen. De man met de neus stapt naar voren. Dat zal hem niet glad zitten!

“Een stuk ossenworst!” roep ik. Als ze niet te snel met dat verdomde anders nog iets komt, dan weet ik misschien weer waar ik daadwerkelijk voor kwam.

Wat ik ga doen is dit. Ik ga de eerste vijfentwintig pagina’s van mijn boek herzien. Herherzien. Dat doe ik zo even tussen twee biertjes door. Misschien met iets hartigs erbij. Voor het eerst in mijn leven eet ik ossenworst.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010