vrijdag 27 mei 2011

Klassenmoeders

De juf is jarig. Over ruim een maand. Dat betekent dat de voorbereidingen voor het feest op stoom komen. Het werd tijd ook. Een juf in groep 3 is namelijk niet gewoon jarig, een juf in groep 3 is Groots en Meeslepend jarig. Koninginnedag steekt hier armzalig af tegen het verjaardagsfestival van Hare Koninklijke Jufheid. Net zo min als de Koningin kan de juf al die commotie trouwens aangerekend worden. De arme schat wordt gewoon in gijzeling genomen. Weet u door wie? Door de klassenmoeders.

Klassenmoeders zijn de hulpjes van de juf. In theorie. Maar theorie is nooit het sterkste punt van klassenmoeders. Voor klassenmoeders is het leven één grote operette waarin zijzelf de rol van comtesse spelen, en waar verder iedereen in moet figureren – zodat hun rol beter uit de verf komt. U kent hun spontane lach en hun wegwerpgebaartjes: “Ach, ik heb me dit jaar maar weer opgeofferd. Iemand moet het doen hè?” Macht doet iets met een mens, dat wist u al, maar wist u ook dat het op dit miserabele niveau geldt? Kijk, misschien wil de juf liever niks bijzonders doen op haar verjaardag: liedje zingen, trekdrop uitdelen en hup aan het werk maar weer – iedereen is immers wel eens jarig. Maar daar komt de lieverd niet mee weg. Ze zal weten dat de klassenmoeders van haar houden.

Het wordt de hele dag feest, staat er in de mailing van de klassenloeders. En alle ouders mogen moeten een steentje bijdragen, niet alleen financieel, maar toch vooral ook in de daad. Je mag van de klassenbaronessen kiezen uit drie vormen van horigheid: bakken, zetten, of voor paal staan. Daar moeten wij natuurlijk een vrije dag voor opnemen – en dat doen wij graag, want wie niets doet, die maakt het leven van zijn eigen kind ondraaglijk (“jouw papa en mama wilden niets voor de juf doen hè?”).

Goed, er ligt dus een verzoek mee te doen aan de vossenjacht, "liters koffie te zetten", of “lomp veel cakejes te bakken.” Zo staat het in die mailing. Dat laatste wordt lastig voor ons, want hoeveel cakejes zijn “lomp veel”? Of moeten de cakejes op lompe wijze gebakken worden? Vragen, vragen. Het zetten van liters koffie valt af, omdat wij niet in het bezit zijn van lomp grote thermoskannen. Blijft over: drie uur lang op de stoep zitten als schoorsteenveger, scharensliep, schillenboer, of een ander beroep dat niemand heeft. Het moet niet te gemakkelijk zijn. Vorig jaar liep er een vader als makelaar verkleed, maar het slecht zittende pak en de snoepjeslucht verrieden hem meteen. Het werd nog een flauwe vertoning, want toen ging-ie ineens doen alsof-ie helemaal niet meedeed.

Ik denk dat ik er wel uit ben.

Lieve juf, klassenmoeders, lieve kindertjes van één Vader, deze Vos staat op jullie te wachten, bij de kerk, in priestergewaad. Een glimlach staat in mijn gezicht geboetseerd. Een rood dopje siert mijn neus. Ik ben de klassenbroeder, ik heb lollies en ander lekkers. Het wordt een onvergetelijke dag.

vrijdag 20 mei 2011

Eindsituatie

Op school hebben we een meisje in een rolstoel. Het is een mooi apparaat, je kan het met een klein pookje besturen, het is uiterst wendbaar en kan gevaarlijk hard. Soms is dat nodig, als ze een helling moet nemen bijvoorbeeld, of als ze een keer met de gymles mee wil doen. Ze heeft kleine, dunne armen en handen met nauwelijks spierfunctie. Daarom hangen de armpjes in een lus, die aan een takel omhoog wordt gehouden. De rector zei begin dit schooljaar in de plenaire vergadering bij wijze van voorlichting dat het kind medisch gezien in een “een eindsituatie” zat. Ik vond dat een akelig woord, eindsituatie. Hij bedoelde te zeggen dat het niet erger zou worden, maar ook niet beter.

De meeste leerlingen wekken inmiddels de indruk dat ze het gewoon vinden. Door niet te kijken. Als je kijkt voel je je een ramptoerist. Als docent groet je het meisje natuurlijk gewoon, als het zo uitkomt. Maar als het niet uitkomt kijk je ook niet. Het duurt lang voordat het went, de aanblik van zo’n eindsituatie. Soms krijg ik nog steeds de rillingen. Ik zal het maar eerlijk zeggen.

Van de week trad ze op met een zanggroepje van school. Ze zong ook solo, in het volle licht. Iedereen moest kijken, er was geen ontkomen aan. Het nummer dat ze deed heette ‘Use somebody’. Het is een bekend nummer. Ze zong het wel goed. Haar hoofd leunt altijd een beetje achterover tegen de hoofdsteun, en dat zingt moeilijk. Er gebeurde iets met de tekst, die ik normaal gesproken uit de mond van een popster plichtmatig en krachteloos zou vinden. De tekst ging leven en begon dingen naar mij te gooien.

Painted faces fill the places I can't reach

You know that I could use somebody

I hope it's gonna make you notice

Someone like me, someone like me

Ik keek onafgebroken, en het was erg ontroerend. Het ongemakkelijke gevoel verdween niet helemaal, maar ik besloot dat er pas sprake kan zijn van een eindsituatie als ze je as verstrooid hebben.

vrijdag 13 mei 2011

De helaasheid van sport

Ik las dat de voetballer Zanetti duizend wedstrijden heeft gespeeld. Hij is 37 jaar. Men kan zichzelf beter niet de maat nemen in het licht van grote prestaties, dat is bekend. Desondanks doet men het toch. Ik ben veertig en ik heb nooit iets gepresteerd op sportief gebied. Dat vreet aan een man.

Toen ik twaalf was won ik een beker met tafeltennis. Met wat? Met tafeltennis ja. Dat is op zich al om te lachen, maar het was bovendien de derde prijs in het alom bespotte Knudde Toernooi. Het heette echt zo, en het stond ook op die beker, op zo’n gegraveerd plaatje. Je moest een pingpongballetje in je mond stoppen en in een emmer mikken, spelen met de penhoudersgreep, dat soort fratsen. Dat chromen plaatje heb ik eraf gesloopt, waarna een mooie beker overbleef. Maar het hielp niet echt tegen de schaamte.

Toen ik een jaar of zestien was liep ik eens twintig kilometer hard. Daarmee won ik een slagroomtaart, want het was een weddenschap. Ik heb de verliezer van die weddenschap (de grote broer van een schoolvriend) nooit verteld dat ik de laatste drie kilometer gewandeld heb. Gestrompeld. Het plensde van de regen, en ik was doodalleen want ze hadden na een tijdje geen zin meer om achter mij aan te fietsen bij wijze van controle. De broer lachte zich dood toen ik bij aankomst het water uit mijn schoenen goot.

Ook ben ik in mijn studententijd eens vijf kilometer gaan joggen met een sigaret in de mond. Dat was om verwarring te zaaien onder de gezondheidsfreaks die langs de Utrechtse singels renden. Ik liep ze er allemaal uit op ouwe gympen, de hele onderneming duurde drie sigaretjes. Maar om dat nou een prestatie te noemen.

Afgelopen weekend kroop ik met de racefiets op tegen de Cauberg, Camerig, Keutenberg en Eyserbosweg. De laatste twee durfde ik alleen aan na het gebruiken van twee glazen bier. Op het steilste stuk reed ik acht kilometer per uur, en ik had veel pijn. Ik slaagde er niet in een wandelende man met hond in te halen.

Zondag is de marathon van Leiden. Ik zie er als een berg tegenop, want ik doe niet mee, en tienduizend anderen wel. Niet meedoen is alleen te verkopen als een statement (“wij houden daar niet van, wij blijven liever gezond”), en ik ben dat statement spuugzat, net als de altijd sluimerende ambitie om marathons te lopen of een berg met een boomgrens op te fietsen.

Er moet een manier zijn te ontkomen aan de eeuwige helaasheid van dat ondoorzichtige mengsel van straf en beloning dat men sport noemt, nog voor ik te oud ben en mij niets meer overblijft dan het slappe verweer dat footballcoach Vince Lombardi ooit uitsprak: "we didn't lose the game, we just ran out of time"

maandag 9 mei 2011

Papa dans le métro

Wij bevinden ons in de metro ergens tussen Stalingrad en Pigalle. Mijn kinderen moeten lachen om die namen, vooral omdat de ‘mevrouwenstem ze zo raar uitspreekt.’ Ik zeg dat het niet raar is, maar Frans. Jaurès, Stalingrad, La Chapelle, lijn 10, ach, mij brengen die namen altijd in verrukking. Namen van metrostations hebben een zekere magie die uitzonderlijke bovengrondse schoonheden en meeslepende verhalen doen vermoeden. Aan het vermoeden heb ik genoeg. Boven is het lawaaierig. Dessous is het stil.

De metro is goed vol. We staan als Gauloises in een pakje en niemand vindt dat erg. Er staat een flikflooiend stelletje naast mij. Ze zijn vijftien jaar jonger maar even groot als ik, hun gezichten zijn zo dichtbij het mijne dat het lijkt alsof ik ook een beetje bij het gevrij hoor. Hij kust haar lippen, kort, zij drukt haar voorhoofd tegen het zijne en duwt zijn lippen zo op subtiele wijze weg. Ik zie het allemaal in close-up. Verderop zingt een donkere man over zijn vaderland: ‘Tunésie, Africaaa, Tunésie’, als een mantra. Nu beginnen mijn kinderen om hém te lachen, en ik snauw ze toe dat het onfatsoenlijk is een meneer in de metro uit te lachen. Het is prettig dat je die dingen in een Parijse metro gewoon kan zeggen. In een Hollandse tram zijn de rapen gaar als je zo begint. Het meisje heeft een mooi gezicht, ach zoals ze haar ogen neerslaat als haar vriend aan haar oor knabbelt! Ze ondergaat het allemaal zo gelaten, ik denk dat ze het helemaal niet erg vindt als ik ook even een kusje kom stelen, ik ben toch in de buurt zeg maar, vreselijk in de buurt.

De zwarte man vertelt over zijn gitaar, die is hij kwijt en dat doet hem pijn. Hij zal altijd blijven zoeken, zegt hij. Dan gaat hij weer verder met zijn ‘Tunésie’-lied, hij speelt er heel vaardig luchtgitaar bij, hoewel daar eigenlijk te weinig ruimte voor is. Ik werp mijn kinderen een vernietigende blik toe, voor de zekerheid. Moet ik hen hier gaan uitleggen wat ‘getekend door het leven’ is en ‘vluchteling’? Ik zal rustig beginnen, als we weer boven zijn, met ‘heimwee.’ Niemand praat in de metro.

De jongen proeft nog steeds aan het oor van zijn vriendin, hij duwt haar gezicht zonder het te weten nog dichter naar mij toe. Haar lippen glanzen, staan iets van elkaar...

‘Pigalle’ zegt de mevrouwenstem luid. Mijn kinderen beginnen te grinniken. ‘We moeten er hier toch uit?’ vraagt hun lieve moeder. Zij trekt hen naar de deuren. Wij stappen uit, laten al die mensen zomaar achter.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010