zaterdag 28 augustus 2010

Zoveel water, zo dicht bij huis (reprise)

Ik stond vrijdagmorgen stil in een straat waar ik nog nooit geweest was. Een uur lang. De mevrouwenstem van het Wegenwachtkeuzemenu-loket ‘toets één’ vroeg naar het kenteken van mijn motorfiets. Die vraag had ik goed: MR-20-TP. Het is een gemakkelijke vraag, omdat het antwoord altijd hetzelfde is en MRTP mij doet denken aan ‘motorpech’, hoewel dat natuurlijk niet helemaal klopt. De tweede vraag luidde: in welke straat en bij welk huisnummer bevindt u zich? Die vraag kon ik niet zo eentweedrie beantwoorden. Ja, de Andries Vierlinghstraat. Ik stond te kijken naar het straatnaambord. MRTP leunde er losjes tegenaan. Die ‘h’ sprak ik ook echt uit. Ik kon zijn jaartallen (1507-1579) opnoemen en andere leuke weetjes die in kleine letters op het bordje waren aangebracht (‘dijk- en waterbouwkundige’), maar het gevraagde huisnummer niet. De Vierling-h-straat was eigenlijk geen straat, het was niet meer dan de toegang tot zo’n nare bloemkoolwijk vol lage flats die je wel kan zien maar nooit vinden als het moet. Ik had er op het nippertje met de afgeslagen motor in z’n vrij in kunnen rollen, vanaf de grote weg. Einde verhaal. Huisnummer? Er was geen woning te bekennen, laat staan een huisnummer. Er waren brede fietspaden naar nergens en brede trottoirs voor niemand. Een soort hangplek voor pechlijders. “Het is een straat zonder adressen” zei ik. Dat moest ik twee keer herhalen, toen begreep ze het nog niet. Ze was mijn gestuntel vast meer dan zat, want ze kwam zelf met de suggestie “zal ik dan maar nummer 1 doorgeven?” Ik zei dat dat goed was. “Er is binnen het uur iemand bij u” zei ze, en ik bedankte. Half Nederland was ondergelopen, automobilisten moesten worden ontzet uit volgelopen tunnels, duizenden auto’s verzopen, doodziek en verkankerd. Dat was me wat. En dan had je mij, in de Andries Vierlinghstraat in Leiden naast een motorfiets met een ingegroeide teennagel.

“Ik heb niets met motorfietsen” zei de wegenwachter. Ik weet niet of het het eerste was dat hij zei, maar het was het eerste dat beklijfde. Nu heeft een wegenwachter wat mij betreft geen plicht tot tact, beslist niet. Desondanks vond ik het een moeilijke opmerking. Ik zou het zelf niet snel in mijn hoofd halen, wanneer ik bij iemand op bezoek kom met een reusachtig aquarium, te zeggen “ik heb niets met vissen”, wat zo is. Stelt u zich voor dat u met Fik bij de dierenarts komt en dat hij dan zegt “ik heb niets met honden.”

Gelukkig had ik zelf de bougies verwijderd, dat gaf mij enig aanzien, want het is een heel gefrunnik. Hij frunnikte er twee nieuwe in en met behulp van een paar startkabels slingerde ik de motor weer aan.

Het lijkt niks zo. Geloof me, het was een heel gedonder. Hoe nat we waren doet niet terzake. We gaan niet zitten janken. Bokkend, stotend, met vijfduizend toeren in z’n twee bereikte ik de vakgarage.

Ik denk dat er iets grondig verpest is aan de ontsteking. Water is een smerig goedje, het kruipt overal in. Water is werkelijk het meest beroerde spul dat er bestaat.

Ik heb Andries Vierlingh nagetrokken. De vader van alle dijkenbouwers wordt hij genoemd. Hij schijnt veel en vaak boos te zijn geweest op onbenullen die niets begrepen van de Hollandse waterhuishouding. Niet iemand die iets met mensen had, die man. Wat ik daarmee wil zeggen? Driewerf hoera voor de tactloze mannen van stavast. Lang leve de Wegenwacht, zoals Goethe terecht opmerkte.

donderdag 19 augustus 2010

100 woorden voor schaamte (5): Werk

Hij valt erg vroeg dit jaar, de week waarin iedereen elkaar vraagt naar Het Werk. “Zo, weer aan Het Werk?” Heerlijke vraag. Dient op montere toon gesteld te worden. De verwenste eerste-week-na-de-vakantie loopt een stuk minder roestig door de kleine conversatie die volgt op deze vraag. Hoe prettig de vakantietijd ook was, men heeft zijn bestemming weer gevonden. Moeiteloos acteren wij dat wij dat prima vinden, het werk is immers ‘leuk’ en ‘uitdagend’, maar wij lijden in stilte, en wij weten dat van elkaar. Als dat geen innige band schept!

Het probleem is dat ik vrijwel ieder jaar als die week is aangebroken (dat is: als de basisscholen weer zijn begonnen) zelf nog een week vakantie heb, zoals de meeste leraren op de middelbare scholen. Ik moet dus antwoorden “nee, nog niet”, en daarmee verbreek ik het stille verbond. Ik geneer mij, want ik ben overduidelijk een klaploper. Mijn gesprekspartners schudden hun hoofden. Minachting is mijn deel. Moet ik zeggen dat ik schrijf deze week? Als het meezit wel vijf pagina’s op een dag? Liever bijt ik mijn tong af. Dat is geen werk, dat weet zelfs de Dikke van Dale: “geregelde arbeid (m.n. als bron van inkomsten)” Over schrijven als geregelde arbeid begin ik niet. Ik oogst liever minachting dan medelijden. Voor je het weet gaan ze namelijk verder vragen, en dan weet ik zeker dat de inkomsten uit mijn boek ter sprake zullen komen. Ik mag blij zijn dat ik nog echt werk heb. Niet vanwege de geregelde arbeid of de inkomsten, maar om het te kunnen zeggen.

De Dikke houdt van het woord ‘werk’. Zestien betekenissen weet Van Dale uit die vier letters te peuren. De mooiste is natuurlijk die van ‘muzikale compositie’, want wij weten dat niet ieder muzikaal niemendalletje een ‘werk’ genoemd mag worden. Karrenvrachten artiesten zijn bij voorbaat afgeschreven als het gaat om ooit in aanmerking te komen voor het componeren van een werk, een opus. Zulke eenvoudige dingen zijn mij tot grote troost. Maar dit terzijde. Na ‘werk’ komt de Dikke met zeven pagina’s woorden op de proppen die met ‘werk’ beginnen. Zeven pagina’s! Werkafspraak, werkbeest, werkcollege werkdag, werkeiland, werkforens, werkgeheugen, werkhanden, werkindeling, werkjaar, werkkamp, werklunch... het is van een grote schoonheid, ware het niet dat je er hondsmoe van wordt. Gesloopt ben je, als je die zeven pagina’s werk hebt doorgeploegd.

Vlak voor ‘werk’ staat ‘werf’ in de Dikke. Het enige woord tussen werf en werk is ‘wering’. Normaal gesproken houd ik niet er niet van toevalligheden naar de hand te zetten, maar sta mij toe aan deze toevalligheid een diepe betekenis toe te kennen.

Onlangs kocht ik het boekje “Woordsoep, vrolijk dwalen in de Dikke van Dale” van Erik Nieuwenhuis. Een aanrader voor iedereen die van taal houdt, maar die taal soms ook kan haten. Kortom, voor iedereen die door taal niet onberoerd wordt gelaten.

vrijdag 13 augustus 2010

Wat je kan doen op de Veluwe

Wij waren nog een paar dagen op de Veluwe. Op de Veluwe kan je van alles doen. Je kan bijvoorbeeld “Met de huifkar op avontuur”, zoals ik op een glimmende folder las. Nu zijn “huifkar” en “avontuur” twee dingen die ik niet zo snel met elkaar in verband breng. Huifkarren zijn voor mij doorgaans obstakels van formaat die je moet zien te ontwijken, die doodenkele keer dat je zin heb om met de motorfiets een stukje off-the-road te gaan. Ik ben een voorzichtig mens. Als je met je scheurijzer zo’n paard op hol jaagt wordt de huifkartocht alsnog een avontuur, en diep in hun hart willen die huifkartoeristen dat helemaal niet. Want dat zijn ook voorzichtige mensen. Eigenlijk is de Veluwe een reservaat voor voorzichtige mensen. Je moet wel heel diep gaan om je op de Veluwe een buil te vallen, heel diep, bijvoorbeeld ’s nachts als de zwijnen fourageren op blote voeten door het bos banjeren. Maar dat mag helemaal niet, ’s nachts het bos in. ’s Nachts hoor je in je bed te liggen met twee handen boven de lakens.

Je kan geweldig fietsen op de Veluwe. Eindeloos fietsen. Er komt namelijk nooit een einde aan dat bos en die hei. Ik heb iemand horen zeggen dat er nog stukken bos liggen die uitgestrekter zijn dan de stad Zwolle. Groter dan Zwolle. Ik vind zoiets onvoorstelbaar. Gelukkig zijn er genoeg leuke eettentjes op de Veluwe. Ze heten “Berg en Dal”, “Bos en Hei”, “Berglust” en “Boslust” (“Dallust” en “Heilust” heb ik niet gezien). Verder krijgt de lust op de Veluwe weinig kans, sterker nog, de lust is er geheel uitgebannen. Dat komt natuurlijk door de gereformeerde geest die er waait, hoor ik u zeggen, maar dat vind ik onterecht. Je kan het geloof niet overal de schuld van geven. Het komt door de pannenkoekhuizen. Alles wat er te eten is, wordt aangeprezen met “gemaakt volgens grootmoeders recept”. Oma moet zich ertegenaan bemoeid hebben, anders lusten ze het op de Veluwe niet. Kijk, als oma zich met alle vormen van lust gaat bemoeien gaat het natuurlijk fout. Een pannenkoek “Biena Lazarus” is het spannendste wat er op de skailederen kaart staat. Pannenkoek Biena Lazarus is een pannenkoek met boerenjongens én boerenmeisjes. Een pannenkoek Biena Lazarus na een fikse huifkartocht. Dat overleeft een westerling natuurlijk niet.

Je kan ook heerlijk slenteren door de dorpjes. Elspeet, Uddel, Speuld, Stroe, noem de paradijsjes maar op. Je kan je er vergapen aan de perfect onderhouden vrijstaande gezinswoningen en de aangeharkte tuinen. Je moet hier letten op de details. Een dakkapel waarvan de lak wat dof is geworden, een auto die een wieldop mist, een droogmolen waar was aan hangt die al lang droog is: vege tekens, daar wonen onvoorzichtige mensen die erom vragen over de tong te gaan. Achter die details gaan grote drama’s schuil. Wat is het heerlijk daarover te fantaseren!

Van alles kan je doen. Je kan moeflons zien, in de vroege avond als de huifkarren zijn afgetuigd, en als je goed kijkt en geduldig bent. Je kan er uren lopen, en als je geluk hebt legt je dochtertje haar hand in de jouwe, je voelt die hand en je vraagt je af of zij zich jouw hand later zal herinneren. Ze vraagt wanneer die bomen nou eens ophouden en jij zegt ssst en dan steekt er een zwijnenfamilie het pad over.

Je moet wel voorzichtig lopen, anders zie je en voel je niks.

vrijdag 6 augustus 2010

Doet u mij maar een papierboek

Er gaat geen dag voorbij zonder nieuws over de opmars van het e-boek. De teneur is dat wij achterlopen, dat we naar de VS moeten kijken, dat uitgeverijen hun kop in het zand steken, dat tegenstanders een achterhoedegevecht leveren en dat schrijvers brodeloos worden. Dat laatste lijkt mij dan weer geen nieuws. De berichtengolf heeft zo’n groteske vorm aangenomen dat de term ‘papieren boek’ (binnenkort: papierboek) allang niet meer als een pleonasme gezien wordt, zelfs noodzakelijk is om begripsverwarring te voorkomen (“ik wil wel een boek voor mij verjaardag” “Een papierboek?” “nee natuurlijk niet, dat stinkt en je loopt ermee voor lul. Gewoon een downloadcode voor Amazon”).

Ik ga voor de aardigheid eens doen alsof ik er ook verstand van heb. Dit is wat er gaat gebeuren.

Het boek gaat definitief digitaal, onherroepelijk, alles en iedereen wordt meegezogen in de hype. Iedereen een iPad. Wie arm is heeft misschien pech, maar zoals ze in Afrika liever een mobieltje dan een toilet tot hun beschikking hebben, heeft men hier liever iTroep dan meubels in huis. Er blijven enkele kleine papierboekwinkels over, vrijbuiters, piraten met een linkse hobby. Enkele grote uitgeverijen overleven. Waar helaas veel te weinig over nagedacht blijkt te zijn: in de digitale jungle moet het boek het opnemen tegen games, internet, sociale media, online muziek en film. Kan het lezen van lange teksten op een scherm concurreren met inkomende mail, chats, shared videos en online roleplaying games die tezelfdertijd aandacht vragen op hetzelfde digiding? De vraag stellen is hem beantwoorden. In een paar jaar tijd stort de markt voor ebooks in, marginaliseert tot de grootte van het papierboek. In die markt verschijnen tegen die tijd alleen nog thrillers, gelegenheids-nonfictie (WK 2018, ‘Koning WA, de eerste vijf jaar in beeld’) en eigenbeheer boeken. Als de nederlaag is voltrokken, over een jaar of tien, krijgen we collectief spijt... vooral de sloebers die de volledige inhoud van hun boekenkast opnieuw hebben aangeschaft in digitale vorm en de kast op eBay verkocht tegen de dagprijs voor haardhout. Spijt. Dat jaar nadert het aantal aangiftes van diefstal van een iPad of een vergelijkbaar ding de dertigduizend... dat jaar trekt de boekenmarkt in Deventer een half miljoen bezoekers.

Tegen e-boeken zijn is net zoiets als tegen vooruitgang zijn, dat is helder: als u tot de achterhoede van zure zeiksnorren wil behoren, be our guest. Mij niet gezien, ik ben liever hip. Maar ik ben nog niet gereed met mijn mooie papierboeken. Kunnen we het hele scenario dat zo onafwendbaar lijkt niet gewoon overslaan, en toegeven dat lezen een vorm van vermaak is die beter tot zijn recht komt mét papier en zonder oplader? Lezen als alternatief voor ‘computeren’, in plaats van de zoveelste manifestatie ervan? Dat is het terrein waar het boek (en de boekhandel) concurrerend is, non-digi entertainment. Over enkele jaren een nieuwe trend.

Deze zomer zag ik de eerste stumper die zijn iPad liet vallen. Op het strand. Hij landde met de 30-pins connector in het mulle zand, zo kon ik opmaken uit de diepe vloeken die volgden. Ik kon het niet laten mijn papierboek met de rug naar boven naast mijn handdoek neer te leggen. Ik harkte het zand lichtjes aan met de openliggende pagina’s. Daarna klapte ik het boek dicht, een hoopje zand als bladwijzer gebruikend.

donderdag 5 augustus 2010

Isn't it ironic, don't you think?

Engeland, juli 2010. Het toiletblok is van het soort dat bij de ANWB een laf zeventje krijgt. Er ligt Vim op de tegels – dat wekt in ieder geval de schijn dat er gepoetst is. In een emmer troebel water staat een asgrauwe mop gereed, de gasten worden zodoende aangemoedigd na het douchen een miljard bacillen over de vloer uit te spreiden. De douches hebben zo’n stroeve drukknop die je iedere drie tellen opnieuw moet indrukken, en die je na de nodige irritatie met je middelste rugwervel ingedrukt houdt, tot de pijn niet meer te harden is.

Uit precies zo’n douche komt een dikke Brit met tattoos all over the place. Zijn gezicht heeft dezelfde teint als de mop, het is net alsof het gekleid is door een kleuter. “Bugger, took my wife’s hairspray with me instead of the shaving cream” bromt hij. Ik leun tegen een wastafel, ik sta te wachten tot mijn zoontje klaar is met douchen. Hij wordt nooit moe die knop in te drukken. “Wonder what your wife looks like now,” zeg ik op mijn leukst. Zijn lach klinkt als een droge hoest, waar ik sta kan ik ruiken dat hij teveel rookt. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en ik antwoord dat ik dat best wil zeggen, als hij belooft niet over voetbal te beginnen. Hij moet niet veel hebben van voetbal, hij houdt van het paardenracen. Het volgende moment sta ik te luisteren naar zijn levensverhaal. Hij werkt in de bouw, in Southampton. Iedere dag twee uur rijden. Bijna dertig jaar geleden zijn rug gebroken, na de val van een paard. Niet zijn paard natuurlijk, onbetaalbaar. Ze hebben het paard beter verzorgd na de val dan hemzelf. Van de wervelprotheses in zijn rug zijn er inmiddels twee afgebroken (ik moet aan de doucheknop denken, en vermoed dat ik nu heel smerig kijk). Overgewicht, vijftig sigaretten per dag. Zijn dokter zegt steeds dat hij al lang dood had moeten zijn. Hij is zesenvijftig. Zijn vader heeft ook zijn rug gebroken toen hij dertig was, hij kwam op zijn werk onder een vracht ijzer terecht. Die heeft nooit meer kunnen lopen. Het was net na de oorlog. Hij had in Normandië gevochten, de vader, geen schrammetje opgelopen. "Isn't it ironic?". Nou van scheren komt het toch niet meer, zegt hij. Hij slaat mij op de schouder, zwaait de deur open en loopt de regen in.

Corfu, augustus 2010. De luchthaven is overvol, want nogal wat kisten hebben vertraging. Buiten is het veertig graden. We hangen in plastic stoelkuipjes, mijn vrienden dutten wat weg, ik vang een gesprek op achter mij. Een poepbruine vijftiger vertelt een andere poepbruine vijftiger over een ‘tussendoortje’ laatst in Zweeds Lapland. “Andere temperaturen jongen.” Hij had er op de sneeuwscooter rondgescheurd, in de sneeuw gerold na saunabezoek, en met een span honden gesleed. “Dat van die honden was wat minder, god wat blaften die beesten.” De prijzen van een privé-vlucht worden besproken, want hoe kom je anders comfortabel in zulke oorden? Ik kijk om, zie dat er een paar puberkinderen bij de bruine mannen horen. En een blonde vrouw met namaaklippen. De kinderen kijken verveeld op hun iPhones. Vijftienhonderd euro per persoon, zegt de hondenman, ach een keertje decadent moet kunnen niet? “Valt best mee, vijftienhonderd” zegt de ander, “goed te doen.” Het valt mij op dat ze allebei goed geschoren zijn. Hun kaken glimmen. Een bericht over de intercom breekt hun bespiegelingen af. Het gaat over hun vlucht, naar Madrid. Daarna met de familie verder naar New York. Een keertje decadent moet immers kunnen.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010