woensdag 30 december 2009

Losse bollen


De Leidse oliebollenbakker O is honderdvijftigste en laatste geworden in de Nationale Oliebollentest. De gevreesde fijnproevers van het AD noemden zijn bollen “braakballen”. Nu ken ik O tamelijk goed, dat wil zeggen, ik weet hoe hij ruikt, en dat is zo'n beetje mijn definitie van iemand goed kennen. Ik krijg dagelijks de volle laag vette baklucht als ik langs zijn “Oud Hollandsche Gebakkraam” fiets. Ik houd van die lucht, de lucht van de platvloerse verleiding, zoals de geur van dieselolie en hoerenbedden (dat laatste heb ik van horen zeggen). O geeft mij een goed gevoel, want ik ben nog nooit gezwicht voor zijn verlokkingen. Eén man bleef dapper weerstand bieden. Zo zorgt O ervoor dat ik mij iedere dag met mijn wapperende fietstassen en klamme oksels een overwinnaar voel.
Honderdvijftigste godbetert.
De aangeslagen O reageerde in het Leids Dagblad, onze eigenste-echtste kwaliteitskrant, want de koningen van de komkommertijd zijn er bij zoiets natuurlijk als de kippen bij. “Er is niks mis met mijn bolletje” pruilde hij, “en iedereen kan wel eens een mindere dag hebben.” Dat laatste trof mij diep, ik heb in deze tijd van het jaar namelijk de ene ‘mindere dag’ na de andere. O klaagde over die “slinkse banketbakkers” die twintig bollen komen kopen om ze pas uren later, lekker warm in hun bakkershol, te proeven. “Mijn bol moet je warm aan de kraam eten”, beweerde O, “mijn bol is gewoon wat losser van structuur, en die patisseriekakkers houden nu eenmaal meer van stevige bollen.”
Het water liep me in de mond bij deze volzin. O met zijn lekkere losse bollen. “Een prima bolletje, niks mis mee” besloot O zijn verdediging.
Vanochtend was er een kleine oploop op de Garenmarkt, wat heet, het zag gewoon zwart van de mensen, op de plek waar op gewone dagen de Oudhollandsche Gebakkraam staat te pronken in zijn eigen licht. Aan de bijna tastbare vetlucht te oordelen stond de kraam er wel degelijk, hij was alleen aan het oog onttrokken. Als die mensenmassa klandizie voor O betekende dan werd mij duidelijk dat de honderdvijftigste plaats net zo begerenswaardig moest zijn als de eerste. Ik geloof dat ik begrijp waarom. Boeken die een vernietigende recensie krijgen kan ik vaak niet laten liggen, films die als een ‘dieptepunt in de filmhistorie’ worden beschouwd kunnen rekenen op mijn belangstelling, en de bollen van O ga ik aanschaffen voor deze oudejaarsavond, als hij tegen de tijd dat ik aan de beurt ben tenminste nog beslag over heeft. Bij nader inzien houd ik ook veel meer van losse bollen.
Ik wens u een lekker los oudjaar en een stevig 2010.

maandag 21 december 2009

Sneeuwengel

Een hoogst enkele keer komt het voor dat ik echt uitkijk naar het achtuurjournaal, dat ik bijna niet kan wachten. Meestal is dat op een dag dat wij ons in onze brakke regenput – waar het overigens ook flink kan waaien – kunnen verheugen in Weer dat Er Toe Doet. Weer dat ons dwingt het serieus te nemen. Het journaal is op die dagen een baken, de lat waar wij ons eigen ongemak aan meten. Eerst staan de treinen stil, dat is het eerste teken, dan de bussen, vervolgens blijven alle kisten aan de grond, geeft de ANWB negatieve reisadviezen, vragen de taxi’s het tienvoudige voor een ritje, valt de stroom plaatselijk uit, ligt het telefoonverkeer plat, sluiten de winkels, wordt geadviseerd binnen te blijven, warme dekens te zoeken en in de kelderkast te gaan zitten. Tenslotte worden zelfs voetbalwedstrijden in de eredivisie afgelast.

Dat was zondag. Heerlijk. Wij keken naar het journaal – het beeld bewoog naar alle kanten, het was duidelijk dat het ieder moment afgelopen kon zijn. Beelden van gekantelde camions, zwaailichten in alle kleuren, van de weg geraakte strooiwagens, en niet te vergeten: de gestrande reizigers – kleine pareltjes van vraaggesprekken, de een toont zich opstandig, de ander berustend (onze sympathie gaat steevast uit naar die laatste). Het leed van barre weersomstandigheden is het enige leed waar ik met openlijk plezier naar kijk. Dat komt omdat ik er deel van uitmaak, van dat leed. Ik heb ook in de trein gezeten, of in de file gestaan, of ben gevallen met de fiets op een opgevroren bruggetje. Ik stond mijn mannetje, en ik heb overleefd. Denk erom, wij hadden het ook niet gemakkelijk, dames en heren van het journaal! Kijk, valt er een bom op het huis van de buren, dan ben jijzelf als bij toverslag veranderd in een winnaar, zonder dat je het recht op medelijden verliest. Zo moet het zijn.

Wij gingen sleetjerijden op de Bult, een fietscrossterrein tussen de rafelranden van de stad. Op de terugweg werd mijn kleine meid (5) niet lekker van de kou, en ik droeg haar een kilometer lang op de arm, langs het kanaal met de wind vol op mijn smoelwerk. Fluimen sneeuw bleven in mijn wimpers plakken, sommige drongen in mijn ogen. De weg zag ik niet meer, tot tweemaal toe was ik één pas van een val in het kanaal verwijderd. Ik zag de brug pas toen de weg al begon te stijgen en in mijn kuiten te happen. Ik voelde mij euforisch: dit is wat ik verlang van de winter, dit is wat ik wil dat hij mij geeft. Er bestaat even niets anders dan dit: kou, wind, sneeuw, een wereld die alle geluiden dempt, die alle verlangens smoort behalve deze: thuiskomen.

Later op de middag hield het op met sneeuwen en maakten we een sneeuwengel in de achtertuin, bij wijze van dankoffer. Daarna was het wachten op het achtuurjournaal.

woensdag 16 december 2009

Grensgeval

Dit is zo'n geschrapte passage, een wees. Misschien komt er nog eens een ver familielid langs die 'm oppikt. Deze wees ging mij aan het hart omdat ik het ben die hier spreekt, en ik spreek over mijzelf. Een grensgeval, toch vond ik dat het weg moest, het deed niet ter zake...

"Het helmgras zwiepte langs mijn spijkerbroek. Hier en daar moest ik over de kale takken van een duindoorn stappen, het pad werd hoe langer hoe zanderiger. Sommige duindoorns hadden nog plukjes oranje bessen, door de vorst ingekapseld en door de dooi vormloos geworden, overrijp en gistend. Strandplevieren konden daar katjelam van worden. Het grijs dat boven mij hing strekte zich uit tot over het strand. Verder op zee leken er gaten in te zitten. Op het strand liep wat volk, het schorrengebied was van de vogels, meeuwen en steltlopers voor zover ik het kon zien.

De natuur en haar uitwerking op mij, wat moet ik daar over vertellen? Ik vind er geen godsbesef, geen rust, geen inspiratie, al die dingen waar men de mond vol van heeft. Ik heb het allemaal geprobeerd, maar het lukt me niet. Meestal vind ik er geen bal aan, natuur. Soms is dit wat de natuur mij biedt: ernst. De wind die rimpels in het water trekt, het helmgras dat naar het noordoosten waait waardoor het hele duin lijkt te golven. Dodelijke ernst, speelse ernst, saaie ernst, alle soorten van ernst, ik kan daar soms zo naar verlangen! Zonder schaamte geef ik toe achter allerlei filosofische vindingen van anderen aan te lopen, mits ze mooi zijn verwoord en op niet al te goedkoop papier gedrukt staan. Maar deze waarheid heb ik zelf moeten vinden – al wil ik niet beweren de eerste te zijn die er opgekomen is: de natuur kan niets anders zijn dan ernstig.

Kijk, zodra er twee mensen bij elkaar komen is er ogenblikkelijk één die inziet dat hij zich dan maar beter kan vermaken, als het dan toch moet. Ik ben die andere, die overigens even noodzakelijk is, die zich uitput in leukheid, geveinsde interesse, lof en bewondering. Alleen dan is menselijk verkeer te harden, als er armelui zijn zoals ik, die bereid zijn te luisteren naar de opschepperij van vermaakbeluste domkoppen. Zelfs zijn arbeid neemt de mens niet meer ernstig, ook dat moet tot vermaak strekken of ironisch opgevat worden. Nooit met de ernstige gratie waarmee de zilvermeeuwen op de thermiek glijden, waarmee de steltlopers zonder ooit hun toewijding te verliezen de snavels in het zand prikken."

zondag 6 december 2009

Alles moet weg

Wat een rare vorm van genot, twintigduizend woorden schrappen.

Alsof je de rommelzolder opruimt.

Je zit tussen je eigen troep, je weet niet waar je moet beginnen. Je hebt geen plan, steeds pak je iets op en leg je het weer terug. Dan zie je ineens de kerst-onderzetters liggen, die foeilelijke krengen, tante Gré had ze je geschonken, en zij had ze weer gratis gekregen op de kerstmarkt in Dortmund, bij aanschaf van een torenhoge witte kunstboom. Je hebt ze bewaard, tante mocht het een keer in haar weke hoofd halen rond kerst op de koffie te komen. De stuitende nutteloosheid van die onderzetters grijpt je bij de keel. Je weet: als ik niet in staat ben dit in de vuilniszak te flikkeren, is het afgelopen, dan zal ik op een dag stikken in mijn eigen rotzooi, ik zal verdwijnen in mijn bijzaken, in alle versierselen die er nooit toe gedaan hebben.

Dat helpt. Het lukt! Op het een volgt het ander. De ban is gebroken, binnen een paar minuten ben je in een trance, een gelukzalig gevoel maakt zich van je meester, het gaat gepaard met het idee dat je de baas bent over je eigen leven, dat je je ontdoet van het deel ervan dat je kan missen als kiespijn. Wat er in werkelijkheid aan de hand is: je bent redeloos geworden. Blind smijt je weg wat voor je voeten komt, al gauw heb je niet genoeg aan één zo’n grauwe KOMO-zak. Een uur later moet je een nieuwe rol halen.

Twintig volle zakken voer je af. Alles moet weg.

Niets blijft er over dan een gelukzalig gevoel en een paar muizen die je achter een wand hoort knagen.

Hoe lang zal het duren voor schuld en spijt komen knagen?

Een verontrustende vorm van genot.

20.000 woorden... even geen tijd voor stukkies.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010