zaterdag 24 juli 2010

The Filthy Final (100 woorden voor schaamte #4)

Engeland, juli 2010, nog dagenlang na de verloren finale put ik mij ten overstaan van willekeurige Britten uit in verontschuldigingen over het grove spel van Oranje. De kranten koppen met “Night of Shame” en “Spain beats brutal Dutch”. Vooral de Sun is vernietigend – maar die krant kent geen nuances tussen modder en wierook – en vooral Van Marwijk (cynical tactics), Van Bommel (butcher) en De Jong (karakte kid) moeten het ontgelden. Vreemd, ik heb dezelfde wedstrijd gezien, ik zag Nederland knokken tegen een team dat technisch veel vaardiger was, maar dat het niet af kon maken. Mijn zoontje moest huilen na de goal van Iniesta. Een trauma in de maak. Ik had verwacht steun te krijgen van de Engelsen in de lokale pub: een in het oranje geklede familie die voetbal komt kijken, die lui geef je toch een pint en een ferme klap op de schouder? Niks ervan, al die uitgezakte vetkleppen met verbleekte tattoos hadden hun geld op Spanje gezet, letterlijk, want wedden is hun enige passie. Een stuk of drie hadden vijf tegen één op Oranje gegokt, maar die verloren vijftig pond, dus op enig mededogen hoefden we niet te rekenen, laat staan op gratis bier. Dagen later grapt The Times over een golfspeler die geheel smakeloos in het oranje op de British Open verscheen, “a walking traffic cone, the only way you could be sure he wasn’t a Dutch football player was because he didn’t kick is opponent every five minutes.” Diezelfde dag verontschuldig ik mij nog eenmaal, tegenover een pubhouder in Exeter die oprecht verdrietig is over de teloorgang van het ‘totaalvoetbal’.

Een week later: eindelijk een nuancering, van oud-international Gary Neville. Hij schrijft in een column dat Holland geprezen moet worden om zijn strijdlust, dat Engeland daar nog een puntje aan kan zuigen. Er valt een last van mijn schouders. Ik vertik het mij nog langer te schamen ter wille van die luie Britten: say it loud, I’m orange and I’m proud.

Ruim een week na de finale is alles als vanouds, en zijn het de Britten gewoon weer die zich verontschuldigen. Voor het weer.

vrijdag 9 juli 2010

100 woorden voor schaamte (3): wees gegroet

Het kaasmeisje zwaait, en niet zo’n beetje ook. Naar mij? Ik aarzel een moment, achter mij ligt de broodafdeling, links het vlees. Ken ik haar? Is het een oud-leerling? Ze zwaait nog harder, het is geen zwaaien meer, het is ritmische gymnastiek zoals je het wel ziet bij sportschoolmeisjes met een paardenstaart, die steeds tot acht tellen in strakke zwarte pakjes en een headset dragen met een microfoon op de plek waar bij mij vaak een koortslip zit. Als ze voor mij zo zwaait, dan was ik beslist haar favoriete leraar. Dat kan best. Ik kan het in ieder geval niet negeren, het is onmogelijk naar de kaas te kijken met een meisje erbij dat zo'n toestand maakt. Ik glimlach, knik haar vriendelijk toe, probeer een spoor van herkenning in mijn blik te leggen, ik til lichtjes mijn hand op. Ik denk dat ik eruit zie als Prins Claus vroeger in de Gouden Koets, die zwaaide ook altijd zo aarzelend terug, alsof hij er zich voortdurend van bewust was dat de ledematen van het volk niet voor hem maar voor zijn echtgenote zo wild wiekten. Lichtjes zwaaien voor de zekerheid, stijlvol, minzaam, berustend in het inzicht dat je een verliezer bent en dat alles voorbijgaat. Een groet die halfstok wordt uitgebracht. Maar wel degelijk een groet.

Net als ik mij begin af te vragen of ik naar de kaas moet lopen voor een praatje – ik meen haar nu toch heus te herkennen- schiet er een razendsnel AH-meisje langs mij, ze maait met haar armen, ik kan mijn geheven hand nog net intrekken. Het is een broodmeisje, ze lacht heel schel (de vergelijking met de vuvu’s dringt zich deze dagen wel heel snel op) en omarmt het kind van de kaas. Ze staan allebei gebogen boven de vitrine. Ik besluit dat ik sowieso geen kaas nodig heb, sla rechtsaf een gangpad in waar zesduizend soorten broodbeleg mijn schaamte aan het zicht onttrekken. Ik hef mijn hand op naar de chocopasta, ik knik naar de pindakaas, ik groet de jam.

Morgen vakantie. Tent, slaapmatjes, voetbalfinale kijken in een Engelse pub, nog één keer turen naar de groene grasmat omdat ik niet durf te kijken naar het oranje. Maar ik wil meer, ik wil nu eindelijk eens gras voor mijzelf, heel veel gras om in te liggen, om een klam achterwerk in te krijgen, Dat wil ik, en als het zover is zal ik glimlachen en zonder een vin te verroeren naar de wolken zwaaien.

woensdag 7 juli 2010

100 woorden voor schaamte (2): Voetbalfeest in Utrecht

“Meneer, weet u wanneer we voor ‘t laast in de wk-finale stonden?” vraagt een biermeisje aan mij. Ik sta op het Neude, in een deinende menigte van duizend soorten oranje. Iedereen is hier jong. In ieder stoplicht hangen twee knapen, in iedere lantaarnpaal drie. Ik draag mijn oranje-shirt uit 1998, het is erg vaal in vergelijking met al het frisse, knapperige oranje om mij heen. Het is zo’n shirt-met-humor, maar ook de humor is sleets: aan de binnenzijde, ter hoogte van je buik staan letters, op de kop gedrukt, en als je de onderzijde van het shirt over je gezicht trekt staat er ‘biertje?’ op je voorhoofd. Wanneer we voor het laatst in de finale stonden, ik kan zien dat ze er met haar vriendinnen woorden over heeft gehad, want die andere drie kijken mij vol wantrouwen aan. Maar ook zij zullen mijn autoriteit niet betwisten, ik zie er oud genoeg uit om het te kunnen weten. Ik buig mij naar het biermeisje toe “1978” roep ik tussen twee vuvuzelastoten door. Ik wil nog zeggen “tegen Argentinië, Rensenbrink schoot op de paal en ik was acht”, maar dat gaat niet meer want er wordt nu door iedereen heel hard “alle Duitsers zijn homo’s” gezongen. Het meisjes knikt bij wijze van bedankje, ze gaan nu alle vier meezingen, het lijkt op het geschreeuw van een pauwenkolonie. Ik blijf hier nog maar een poosje staan. Misschien zijn er meer jongelui die mij iets willen vragen.

maandag 5 juli 2010

100 woorden voor schaamte (1): Het afscheidscadeau

Vanochtend werd ik om vijf uur wakker. Dat is niks bijzonders, ik wordt in de zomer altijd om vijf uur wakker, monter vloek ik dan de vogels van het dak, doe een plas, zeg de wereld gedag tot nader orde en begraaf mij weer in het beddengoed. Vanochtend was het anders, ik werd wakker met de overtuiging dat ik iets vergeten was, alleen kon ik niet zo snel bedenken wat. Rond zes uur besloot ik dat het iets te maken moest hebben met de jaarlijkse noodsituatie, de schoolvakantie. Toen dat eenmaal tot mij doordrong was ik er snel: de laatste schooldag is het moment voor het omstandig bedanken van alles en iedereen die gewoon zijn werk gedaan heeft. Op mijn eigen school is dat traditie, maar op de school van mijn kinderen gaat de omvang ieder voorstellingsvermogen te boven, de hoeveelheid rotzooi die op die dag het gebouw wordt binnengedragen is duizelingwekkend. Klassenmoeders hadden mij al weken met dreigend klinkende mailtjes belaagd. Onderwerp: ‘afscheid oudste kleuters’, ‘cadeau meester’, ‘zomerfeest’, ‘verjaardag van de kamerplant 5A’ enzovoorts. Ik was het overzicht wat kwijtgeraakt, en zo kon het gebeuren dat ik om half zeven ’s ochtends onder ogen moest zien dat wij thuis niets maar dan ook niets hadden geregeld voor juf, meester, klassenmoeder, leiding van de kinderopvang enz enz. Ik was een onmens! Maar misschien was er nog redding. Ik joeg de kinderen uit bed, zette ze aan tafel en duwde hen een wit vel papier onder de neus. “Tekenen” zei ik, “voor de juf en de meester.” En getekend werd er, want ik duld op die beslissende momenten geen tegenspraak. Het was zeven uur, de krant was er nog niet.

Ik ga eerst naar de klas van mijn zoon. De juf was vorige maand jarig. De oogst was toen zevenentwintig tasjes van de Douglas en één boek (ik schaamde mij, maar mijn zoon wilde het per se aan haar geven). Nu, op de laatste schooldag, wederom zevenentwintig frutsels en één keer niks (ik vond dat boek best een groot cadeau). In de klas van mijn dochter is het ook prijzenslag. Liters aftershave, en dat terwijl ik niet de indruk heb dat die meester zich al hoeft te scheren. Verder hebben de oudste kleuters bij wijze van afscheid kleine cadeautjes voor de jongste. Dingetjes die “iets zeggen over het kind dat het weggeeft”, dat was de bedoeling. Veelzeggende dingen. Het immer lachende roze meisje zou bijvoorbeeld suikerklontjes kunnen geven waar zo’n grappig zwart spinnetje in verborgen blijkt te zitten, het joch dat naast mijn dochter zit en iets in haar oor brult zou blokjes cyaankali kunnen uitdelen. Enfin, kleine cadeautjes zie ik uitgroeien tot een kilo snoepgoed per persoon plus één appel. De immer alerte klassenmoeder doorziet mij, ik zie aan haar blik dat zij weet dat ik vanochtend nog een haastig bezoek aan de groentekraam heb gebracht. “Emma eet altijd een appel op school” zeg ik tot mijn verdediging. Maar ook dat gaat mis: ik leg teveel de klemtoon op ‘Emma’ in plaats van op ‘school’. Nu kijkt ze mij aan met een moordlustige blik, alsof ik er mee wilde zeggen: ik laat mijn kind niet snoepen, ik voed mijn kind tenminste wél goed op. Gelukkig komen drie andere moeders de klassenmoeder bedanken voor “al het georganiseer” met fraaie, doorzichtige zakjes van de Douglas met gouden papierkrullen eraan, zodat ik zonder verder gezichtsverlies het lokaal uit kan glippen. Niemand hoeft mij iets te vertellen, alles is volstrekt duidelijk. Met mijn nonchalance knaag ik aan de wortels van onze beschaving, en iedereen heeft het kunnen zien. Wel jammer van de tekeningen, die blijven onopgemerkt.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010