vrijdag 29 mei 2015

Rookpaal (column Trouw 27 mei)

Vlnr: Ed, Adri
De school is sinds vorig jaar rookvrij, inclusief de pleinen en het sportveld. De elektrische sigaret van de rector en een enkel mislukt experiment bij scheikunde daargelaten zal je geen zacht kringelende damp meer aantreffen in en om het gebouw. Erg bijzonder is dit nu ook weer niet, want de meerderheid van de scholen is de afgelopen jaren rookvrij geworden. Het is immers, eh, de tijdgeest.

“Kinderen moeten leren dat niet-roken de norm is” volgens de directeur van het Longfonds. Dat zijn wij natuurlijk allemaal met hem eens. De kinderen die graag afwijken van de norm roken hun peuken nu leunend tegen het hek van het schoolplein, maar dan vanaf de buitenkant. 

De grote verliezers zijn de verstokte rokers onder de leraren. Ook onze eigen patio, het teachers only plein, is rookvrij. De officiële rokersruimte is nu een hokje van twee bij twee, in de kelder onder het toneel, eigenlijk een inbouwkast waar vroeger theaterlampen opgeslagen werden. 

Ik kom daar nooit, want het is er niet te harden, maar ik zie kantinedames Coby en Jannie regelmatig afdalen naar de kelder, net als coördinator bovenbouw Ed en Adri van Natuurkunde. Adri is nog van de tijd dat leraren en leerlingen gezellig samen rookten in de klas. Dat was in de jaren zeventig. ‘Adri, mag ik een vuurtje’ vroegen de brugklassers dan aan hem.

Met rokende leerlingen heb ik niets, ik vind het bijna altijd aanstellers. De ergste rokende leerlingen zijn de rokende leerlingen die net 'gestopt' zijn, en die iedereen snakkend naar adem en hunkerend naar bewondering vertellen hoeveel dagen ze al niet gerookt hebben. Een dag later zijn ze weer begonnen, ‘omdat het écht te zwaar was.’ Die paffende pubers waren me een doorn in het oog, de bewijsdrift en groepsdwang wolkte boven hun hoofden en woei uit over het hele plein. Liever één stiekeme blower in de bosjes dan tien wijsneuzen op het plein die opzichtig een wereldwijze houding oefenen met een filtersigaret.

Maar rokende collega’s, dat is een ander verhaal. Rokende leraren geven blijk van een sympathieke vorm van karakterzwakte. Het is erg belangrijk dat leraren soms blijk geven van karakterzwakte, door het proefwerk te verplaatsen, een punt hoger te geven, of helemaal niet door te laten gaan, door voor een keer spiekbriefjes te gedogen of een keer wat lawaai toe te staan. Ik denk dat rokende leraren rekkelijker zijn. Ze weten de boel een beetje leefbaar te houden, omdat ze weten dat ze zelf zwak zijn. Daarom moet er op de patio een mooie rookpaal komen, een monument voor de rekkelijkheid, voor Adri, Ed en de anderen. Het zijn er nog maar een handjevol, die moeten we koesteren. 

Ik ben  een roker in het diepst van mijn gedachten.



vrijdag 22 mei 2015

De ondergang van de Kuifleeuwerik (column Trouw 20 mei)


Ik zit weer op mijn vertrouwde plek, u weet wel, op de stoel in het voetbaldoeltje achterin de stampvolle sporthal. Het is als vanouds, surveilleren na vier uren lesgeven maakt me slaperig, ik neem een slok koffie, de koffie maakt me misselijk. 

Ik staar afwezig naar twee badmintonhoedjes, die misschien al tien jaar vastzitten in het schrootjesplafond, hoog boven ons. Daardoor heb ik de eerste vingers over het hoofd gezien, de vingers die om meer papier smeken. Een andere surveillant die veel verder weg zit is in mijn wijk komen klussen. 

Ik laat dit niet op mij zitten, kom overeind en loop gewichtig rond met een stapel blanco papier-met-lijntjes. Dat is verkeerd want ze doen wiskunde en hebben ruitjespapier nodig. Ik pak een stapel ruitjespapier, en begin gedienstig papier uit te delen aan de kandidaten. Hemel, wat zijn het er veel. Als alle vingers zijn gaan liggen ga ik zitten en bekijk het examen wiskunde. De eerste vraag gaat over de dramatische afname van het aantal kuifleeuweriken. Het is een lang en treurig verhaal dat maakt dat ik aan het mijmeren sla over het lot van die arme kuifleeuwerik. De opgaven zelf, ik ben niet eens meer in staat die te lezen.

Ze hebben alweer papier nodig, meer papier, de vingers schieten links en rechts van mij omhoog. Kennelijk laten zij zich niet van de wijs brengen door kuifleeuweriken of wat dan ook, ze hebben onnoemlijk veel te schrijven. Ik deel meer papier uit, een paar leerlingen uit mijn eigen klas lachen vriendelijk naar me. Rick knipoogt en steekt zijn duim op, alsof hij mij moet geruststellen in plaats van ik hem. Dit vind ik mooi aan het eindexamen: het schept een nieuw en prachtig bondgenootschap. De leraar heeft voor één keer de vragen niet bedacht, ze komen van een boosaardige Hoge Macht aan welke leerling en leraar samen onderworpen zijn.

Het kan niemand ontgaan zijn, in alle kranten is het centraal examen de afgelopen week ten grave gedragen: het is een hopeloos ouderwetse vorm van teaching to the test, het maakt van de school een fabriek waar eenheidsworsten worden gedraaid, het doet geen recht aan zes jaar leren, is een motie van wantrouwen aan scholen en docenten, en geeft nodeloos veel stress.

Het is allemaal waar, en ik hoop ook dat ik het nog ga meemaken, de afschaffing van het centraal examen. Maar zolang het er nog is zal ik er van genieten. Papier brengen. Luisteren naar de stilte. Het zonlicht door de lange oranje gordijnen zien sluipen.

‘Hoe ging het?’ vraag ik na afloop aan Rick. ‘Ik vond het wel te doen,’ zegt hij. ‘Wat knap,’ zeg ik. ‘Die kuifleeuweriken nekten me.’



zondag 10 mei 2015

Het verticale dorp


 
Als ik het stadje Positano voor het eerst zie liggen denk ik dat het niet echt is. Het hangt tegen de bergwand aan, klampt zich eraan vast als korstmos. Probeer zelf eens op die manier tegen een steile rots te leunen, vlak boven zee, dat hou je geen minuut vol. Zelfs korstmos (dit vind ik een aardig en weerbarstig woord) heeft daar moeite mee.

Nee, het kan niet echt zijn, want zoiets kan je niet bouwen, en als je dat wel kan, dan kan je er niet wonen.

Pas als ik Positano binnenrijdt via de enige weg die het toegankelijk maakt, de kustweg SS163, moet ik mijn ongelijk toegeven. Het is toch verraderlijk echt. Scooters vliegen als reuzenwespen links en rechts langs je heen, touringcars schuiven toeterend langs je zijspiegels (niemand heeft hier nog zijspiegels zie je ineens), alles beweegt, daast en zoemt, je rijdt op het nippertje de groentekisten van de alimentari-winkel niet aan stukken, die pal achter de bocht stonden. Een Italiaan roept en gebaart heel Italiaans, amusant, maar niet als je hartslag al 160 is en je krasvrije auto gehuurd zonder aanvullende verzekering. Het verkeer sluipt hier langs de rotswand zoals de hagedissen doen, schichtig, onvoorspelbaar, moordlustig.

Ik ben het stadje alweer uit. In mijn achterspiegel vormt de chaos zich langzaam weer om tot een aaneengesloten, stille en adembenemende constellatie van huisjes. Huisjes die zonder plan tegen elkaar geplakt en op elkaar gestapeld zijn, en die allemaal tezamen getuigen van een uiterst vreemde en goed beschouwd nogal ongeloofwaardige samenzwering van land en mensen. Voor zolang het duurt, want als de berg één keer schudt, dan is het afgelopen. Dan werpt hij het stadje zo van zijn rug af, de zee in.

Een tweede, langduriger bezoek is noodzakelijk om tot het inzicht te komen dat dit stadje - evenals als het verderop gelegen en nog beroemder Amalfi - niet een door maffiose projectontwikkelaars bedachte val voor toeristen is, maar een bloeiend organisme, een levensechte plek waar net als bij ons  thuis ook mensen wonen*, een plek die in de achttiende eeuw al door bepruikte reizigers werd bezocht en thans zowel gebukt gaat onder als leeft van het toerisme. Zo kan je het zeggen, maar ook anders:

Van onder af, daar waar de zee getijdenloos rondhangt, is het stadje gedurende een paar honderd jaar omhooggekropen tegen de bergwand, soms bijna loodrecht. Het eindigt zo’n honderd meter boven zeeniveau – maar eigenlijk eindigt het nergens, het gaat door tot de hemel. Het is een volstrekt verticaal dorp, ontsloten door een netwerk van trappen en plateaus. Voor een Hollander is zoiets extra wonderlijk, natuurlijk, maar laten we wel wezen, het is voor ieder mens, waar ook ter wereld, buitengewoon onpraktisch en vermoeiend, een verticaal dorp. Het gesjouw op al die trappen, zelfs als je het beperkt en je boodschappen goed plant (’plent’) ben je na een dag de uitputting nabij. Een verticaal leven is een klimmend en dalend leven, een hagedissenbestaan. 

De enige plek waar de horizontaliteit even verlichting biedt is het plein voor de kerk. Je kan er even rechtop lopen, even ademen, de druk van de knieën en de bovenbenen halen, in het rond kijken en beseffen dat dit de reden is dat de mens rechtop is gaan lopen: het vlakke, de horizon.

Op het kerkplein fietst een jongetje rondjes. Een fiets, nog zo’n voertuig waar je niets aan hebt in dit dorp, alleen maar hinder. Deze jongen is hier geboren, hij denkt dat cirkels draaien op het plein de hoogste vorm van vrijheid is. Klem zit hij, opgesloten tussen de zee en de rotswand, en hij weet het niet. Positano is het bewijs dat de mens een onpraktische kant kent, die zich richt op het overwinnen van zelfopgelegde moeilijkheden, op het tarten van natuurwetten, en op schoonheid.

Het is ontroerend, en verschrikkelijk echt, zo echt dat ik mij voortdurend een voorstelling probeer te maken van de vorm van waanzin waaraan ik ten prooi zou vallen als ik hier moest wonen. En van de neerslachtigheid die zal komen indien ik ooit, later, moet aanvaarden dat ik hier nooit meer terug zal komen.



*) vrij naar Rob van Essen, Hier wonen ook mensen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010