maandag 31 mei 2010

Rammstein

Mijn zoon vindt Rammstein leuk. Ik vraag mij af of ik daar iets mee moet. Afgelopen vrijdag stak de Duitse “Tanzmetall”-band Pinkpop in de fik, om het daarna met schuim af te blussen. Letterlijk. Tussendoor werd ook muziek gemaakt, dat wil zeggen, er werd geluid geproduceerd dat voor een leek iets weg moet hebben gehad van de storingsruis tussen twee fm-frequenties, alleen een beetje harder. Maar leken hebben niets te zoeken op Pinkpop, je zult ze er ook niet aantreffen. Rammstein dus, Duitse Schlagermetal die zwaarder op de maag ligt dan Kartoffelknödel, teksten die legioenen in het harnas jaagt, vuurshows die de Blitz doen verbleken. In Amerika is het laatste album in de ban gedaan terwijl de kans dat ze er iets van kunnen verstaan mij nul komma nul lijkt: “Stacheldraht im Harnkanal, ich führ dir Nagetiere ein”.

Mijn zoon vindt Rammstein dus leuk. Dat zou iedere vader van een achtjarige toch moeten verontrusten? Waarom reageer ik niet, waarom lach ik schaapachtig? Ten eerste: ik heb zes nummers van de Teutoonse Beulen op mijn iPod, dat maakt mij bij voorbaat ongeloofwaardig. Die iPod is er de oorzaak van dat hij die muziek nu leuk vindt. Ik heb bloed aan mijn handen, ik poets ik veeg, het gaat er niet meer af. Egal erlaubt ist was gefällt. Ten tweede: ik vind Rammstein eigenlijk ook best leuk. Al is leuk niet het goede woord. Leuk is nooit het goede woord. Rammstein is ijzersterk. Strakke, mechanische riffs, soms plotseling melodieus, dan komt even Die Sonne door de stalen nacht heen. Het is Wagner – ook zo’n pyrotechnicus - maar dan 21ste eeuws. Alleen hun teksten zijn stukken beter.

Du

Du has(s)t

Du has(s)t mich

Du hast mich gefragt

Und ich hab nichts gesagt

Ik vind dit een sterk vers, al werkt het visueel niet zo goed. Je moet het horen. To have or to hate, that is the question. Wie "Here comes the sun" in het Duits overeind weet te houden verdient sowieso mijn bewondering, ("Eins! Hier Kommt die Sonne. Zwei! Hier kommt die Sonne") Ten slotte, bij de Special Edition van hun laatste album (18 plus in de States!) is een mooie box gevoegd waarin je vier roze dildo’s aantreft: rubberen replica’s van de penissen van de heren Rammstein. Ik vind dat niet smakeloos, het heeft niets met smaak te maken, het is gewoon de overtreffende trap van dienstbaarheid. Is er ooit een band geweest die zo duidelijk laat zien dat ze iets wil terugdoen voor de fans?

Toen een Vlaamse journalist vroeg aan de zanger of hij wel eens mensen sprak die zijn humor niet begrepen, antwoordde deze: “Humor, wie meinen Sie, Humor?”

Raak! Waar ironie zijn intrede doet, verliest de onschuld terrein. Rammstein is muziektheater, kunst van mijn part. Kunst en ironie verdragen elkaar slecht. Rammstein is onschuldig. Net als mijn zoon.

donderdag 27 mei 2010

Leidse Boekenmarkt

Zondag 30 mei is de Leidse Boekenmarkt weer in de stad. Langs de Oude Rijn, op de plaats waar op zaterdagen de vis verkocht wordt, staan dan talloze boekenkraampjes. Vergis je niet, dit wordt echt wat. Ik heb begrepen dat men met deze markt Deventer ooit naar de kroon wil steken (met de boeken, meen ik, niet de vis). Als je de oude boeken een beetje zat bent, dan kan je achter nieuwe aan: in café Vooraf en Toe (leuke tent, “naast de Kijkshop” zeg ik altijd ter plaatsbepaling) hang ik rond tussen 13:00 en 14:00. Dit is een officieel programma-onderdeel, heus waar. Je kan mijn boek kopen, desnoods om het buiten direct weer van de hand doen bij een van die honderden antiquairs. Laat ‘m even signeren, dan is ‘ie meteen twintig cent meer waard. Je kan er ook een prima bak koffie krijgen en luisteren naar een column van mij of mijn collega-debutant Rick van Leeuwen. Nico Dijkshoorn mag het om 15:00 afmaken. Jammer voor hem, tegen die tijd is je geld natuurlijk al lang op.

donderdag 20 mei 2010

Reclameblokje (1)

Deze week verscheen een verhaal van mij in "Inpakken en wegwezen", het jaarlijkse vakantie-tussendoortje van Uitgeverij Contact. Literatuur voor in de zon, overal verkrijgbaar voor de weggeefprijs van 7,50 - een beetje zonnebrand is tegenwoordig duurder. Mijn bijdrage heet "Dingen doen voor Lea". Achterin zit nog een kortingsbon voor Gewapende man. Die bon is op zich al een collector's item, lijkt mij.

Verder een interview in BOEK onder de rubriek "het debuut". De ondertitel "Ik heb al 10.000 euro verdiend met schrijven. Welke debutant zegt mij dat na?" doet mij verbleken van schaamte. Zelden laat ik mij verleiden tot dit soort praatjes. Logisch dat wanneer je dat toch een enkele keer doet, de interviewer zijn titel meteen gereed heeft. Eigen schuld. Maar ach, misschien werkt het.

maandag 17 mei 2010

Zeven dagen koffie

Op dag 1 komt de loodgieter. Hij is alleen, hij drinkt zijn koffie zwart. Mannetjes in huis. Ik bewonder ze, ik verfoei ze, ze nemen je huis in, ze verbannen je naar zolder, ze maken lawaai en ze verwachten dat je koffie zet, oceanen van koffie, muffe, naar gipsplaten ruikende, naar oud ijzer smakende filterkoffie. Sommige zijn vriendelijk, andere zijn lomp, er zijn slimmeriken en domkoppen, maar allemaal moeten ze koffie. En ik moet blij zijn dat ze überhaupt de moeite nemen te komen. Stel je voor dat ik dit werk moest doen! Als ik al een diamantfrees had, dan zou ik daar mijn eigen benen mee afzagen, en misschien niet eens per ongeluk. Nu hoef ik enkel het stof op mij te laten neerdalen en mijn wanhoop de hand te schudden. Koffie zetten helpt, niet tegen het stof maar tegen de wanhoop. De loodgieter is trouwens uiterst tevreden, blij dat hij alleen kan werken, dat er niet drie klussen tegelijk hoeven. “Mensen willen altijd dat het werk in een vloekende zucht af is,” zegt hij.

Op dag 2 deelt de loodgieter de koffie met de jongens van het installatiebedrijf. Ook die hebben een diamantfrees, over een beetje stof doen zij niet moeilijk, maar zij drinken hun koffie met melk en suiker. “Iedere heug zijn meug” zegt de loodgieter. ’s Avonds wordt 't eindelijk stil, maar dan doorbreekt een dwaas de stilte vanaf de Dam. Hetzelfde geluid als een diamantfrees die door mijn kogelharde muur glijdt. Vroeger zouden ze zo’n vent een hengst voor z’n harses en een kop sterkte koffie geven.

De timmerman van dag 3 drinkt zwarte koffie, maar ik hoef ‘m niet te zetten, ik moet een gedichtenwedstrijd in Boskoop jureren. De koffie aldaar is belabberd.

Dag 4 is voor de stucadoor. De laffe lucht van koffie-met-melk en nat pleisterwerk dringt door tot zolder, maar hij is tegen de middag al klaar. In een vloekende zucht heeft hij al het werk van loodgieter, timmerman en elektricien onzichtbaar gemaakt. Ik heb een middag koffie-pauze! Ik drink zes biertjes en kan daarna niet van het stucwerk afblijven. De muren zijn glad en zacht als de wangen van een pasgeboren baby.

Dag 5 en 6 teisteren de keukenboeren mijn huis, er valt geen koffie tegenaan te zetten. Ze staan om zeven uur voor de deur en beginnen met een halfuur koffiepauze. Om negen uur en elf uur schaften ze opnieuw, er gaat anderhalve meter ontbijtkoek doorheen, daartussendoor moet ik zorgen dat de mokken gevuld blijven. Ik overweeg het spul via een infuus toe te dienen, met een zakje dat aan zo’n verrijdbaar rek hangt. Ze vertellen mij allerlei nuttige dingen, bijvoorbeeld bij welke Duitse achtbanen ik een whiplash oploop, en bij welke ik hooguit “een braakje leg.” “Suikermelk?” vraag ik. Ze kijken me aan alsof ik dat braakje zojuist voor hun voeten heb neergelegd.

Op de 7e dag rustte God, en hij had gelijk ook, maar het koffiezetapparaat kan zich dat niet permitteren, en zijn hogepriester ook niet, ik dus. De parketlegger drinkt suikermelk, maar bijlange na niet in keukenmonteur-hoeveelheden. Ik moet hem zelfs overreden koffiepauze te houden en ontbijtkoek hoeft hij niet. “Ik ben pas getrouwd” zegt hij, ik druip af naar de zolder en vraag mij af wat pas getrouwd zijn met ontbijtkoek te maken heeft.

Na zeven dagen koffie staat de nieuwe keuken, ligt de nieuwe vloer, het zal avond worden, het zal morgen worden, en ik zal zien dat het goed is.

zondag 9 mei 2010

vlinders vangen

Wij waren vandaag in de Vlindertuin, het was er warm en vochtig en er waren niet al te veel vlinders. Je moest een beetje moeite doen, zeg maar. De kinderen waren er snel achter dat het geen enkele zin had achter die fladderaars aan te rennen. ‘Je kan je beter stil houden papa.’ Ik deed alsof ik dat niet wist, en volgde hun raad op. Mijn gedachten dwaalden wat af...

Wat zoeken mensen in een boek, en wat in een schrijver? Dit is wat ik zoek in een boek: iets tussen plezier en verrukking in, of (en dat komt op hetzelfde neer) iets tussen ongemak en afschuw. Maar van de schrijver wil ik meer. Ik wil dat hij of zij mij een wereldbeeld schenkt dat ik kan omarmen of verwerpen (ook dat is om het even). Ik houd niet van filosofisch getinte romans, van verhalen die steeds onderbroken worden door gastcolleges van de auteur, begrijp me goed. Ik wil niet dat de gebeurtenissen geduid worden, ik wil het duiden zelf doen, maar het blijkt dat ik daar alleen toe in staat ben als de schrijver een consequent wereldbeeld hanteert waar de handeling op steunt: onzichtbaar, want ondergronds. Grunberg doet dat, ik haat en bewonder zijn werk erom. Céline, Dostojevski, maar ook: Carver, Claus, L.P. Boon, en natuurlijk: W.F. Hermans, de schrijver die mij verloste van een betekenismodel waar de sleet op zat en het verving door een afschrikwekkend alternatief dat mij desondanks als een bevrijding voorkwam. Filosofie zonder vertellingen beklijft niet, religie ook niet. De Bijbel staat niet voor niets vol prachtige vertellingen. Ieder universum moet met verhalen gevuld worden.

“Je boek leest als een trein”, die zin heb ik de laatste twee weken vaak gehoord. Ik geloof dat het een compliment is, en ik ben er ook blij mee. Maar heimelijk hoop ik op meer, en dan bedoel ik even geen krantenrecensies. Een handjevol lezers maakte mij blij, zij zagen een onderlaag door het verhaal heen schemeren, een betekenismodel waar die rare oude muziek een sleutelrol in vervulde. Een van hen wees mij op het werk van Mikaïl Bakhtine, de man die het begrip “polyfonie” in de literatuur introduceerde. Volgens Bakhtine is ieder romanpersonage een ideoloog (ik citeer je José, omdat dat mocht):

Elk personage spreekt zijn eigen ideologische taal die in constante confrontatie is met die van de ander. Noemen we de ‘Zündapp KS 50’ van Gideon een ‘klassieker’ (Gideon), ‘een stinkend oud lijk’ (Roger) een ‘oud wrak’(Olivia) of een ‘oldtimer’ (Siep)? Hebben we te maken met ‘het koortje van Pleun’ (Gideon) of met een ‘vocaal ensemble’ (Pleun)? Waar er al iets bestaat als een waarheid bestaat deze in het totale weefsel van stemmen.

De waarheid lijkt een veelheid aan polyfone stemmen nodig te hebben om tevoorschijn te kunnen komen. En vlinders? Vlinders kan je vangen door lang stil te staan. Jammer genoeg kan je ze niet vasthouden.

zondag 2 mei 2010

Gerardkemkersjes

Wij hadden zaterdag een gerardkemkersje met de F10 van Meerburg.

Ik draag gerardkemkersje alvast voor als woord van het jaar. Tikje weerbarstig, geeft zich niet meteen gewonnen, een echt ‘werkwoord’, mooie afdronk dankzij dat ‘kersje’. Maar het belangrijkste: iedereen weet wat je bedoelt, direct en zonder voorbehoud. We onderscheiden twee betekenissen van het gerardkemkersje:

1 een fatale coachfout die leidt tot diskwalificatie

2 een kleine vergissing met zulke kolossale gevolgen dat men geneigd is de dader te vergeven

Vooral die laatste betekenis bekoort mij, dat collectieve mededogen vind ik van een grote schoonheid. Voorwaarde is natuurlijk wel dat wij niet in de portemonnee geraakt worden, ikzelf heb geen boterham minder gegeten door al die gemiste penalty’s de afgelopen decennia. Wij weten heel goed wat wij weggeven als wij onze vergiffenis schenken.

Goed, wij hadden dus een gerardkemkersje te vergeven. Pas diep in de tweede helft kwam de coach erachter dat onze jongens van de F10 tegen de verkeerde tegenstanders stonden te spelen. Wij stonden 3-0 achter en begrepen er al niets van, want de uitwedstrijd hadden we met overmacht gewonnen. Wij stonden achter het doel, uit de vuurlinie. “Die gassies zijn wel beter geworden” zei een vader. “En die vent met die kalfslederen map die de hele tijd aantekeningen maakt was er toen ook niet bij” zei een ander. “Hadden ze bij de vorige wedstrijd geen rood met zwarte shirtjes?” vroeg mijn jongen, die tot mijn verdriet de eerste helft stond de keepen. “Opletten jij!” zei ik, “daar komt weer zo’n geelhemd!”

Pas na de limonade drong het tot ons door. We stonden in de verkeerde wei. Het veld naast ons renden jongetjes in rood-zwarte shirts rond, ze werden afgedroogd door onze F5, die twee klassen hoger speelt, ook daar hadden ze niets in de gaten. Wij kamen op 4-2. De coaches voerden topoverleg, er werd met kalfslederen mappen gezwaaid, maar er was niets meer aan te doen. Onze jongens moesten door, ze vochten als leeuwen, ze vochten tegen een fantoom, een schijntegenstander, zoals Sven die laatste rondjes voor nop draaide, en iedereen wist het behalve hij. Na afloop hebben wij de coach het vel over de oren gehaald (of hij dan niet gezien had dat die gassies andere tenues aanhadden, of hij kleurenblind was ofzo, en hoe hij dacht dit op te lossen met de KNVB), daarna lachten wij hem uit en tenslotte vergaven wij alles ruimhartig. Zo ging het, ook dit zit immers in een gerardkemkersje besloten: wij vergeven want wij weten dat wij zelf ook niet vrijuit gaan.

Woord van het jaar, dat zeg ik.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010